ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

90

90 

de Compagnie de goederen bij de kleine winkeliers opkochten. Een 
onderzoek daarnaar achtte Van Goens zoo goed als onmogelijk, 
want de makelaars zijn vrijwel meester van den handel en de Neder- 
landers niet meer dan hun boekhouders, „die sij na apetijt opbrengen, 
dat haer goetdunkt, duysent middelen hebbende om ons te bedriegen, 
wanneer sij mette cleyne winckeliers willen colluderen, wat te ge- 
looven is, meer dan te veel geschiet, ende sonder deselve wort 
gesustineert, dat in die quartieren niet te handelen is." 't Is dan ook 
niet wegens den handel, maar om de nabijheid van het hof, dat te 
Agra nog de kooplieden Jan Tack en Abraham Hartman gebleven zijn. 

Na een onderzoek aangaande den handel op Mocha kwam Van 
Goens tot de conclusie, dat die geheel anders moest worden inge- 
richf. De handel in lijnwaad werd er bedorven door de moorsche 
concurrenten; de specerijen konden te Suratte even duur verkocht 
worden; dus bleef alleen over de inkoop van de „cauwa" (koffie), 
die met voordeel naar Bassora verscheept werd, als men op tijd was, 
wat men gewoonlijk niet was. Van Goens adviseerde, om jaarlijks 
een fluit, medio September, van Batavia te doen vertrekken, die er 
begin December kon aankomen. Het geld voor de verkochte goederen 
kon dan worden aangewend om de voorkoop van de cauwa te hebben, 
die dan tijdig te Batavia zou kunnen zijn. Gouverneur-Generaal en 
Raden meenden dit advies ter harte te moeten nemen. 

Aangaande Bassora moest Van Goens constateeren dat er behalve 
op de „cauwa" weinig gewonnen werd. In 1653/54 niet meer dan 
12 %• ^) 't Was ook hier weer de concurrentie van de Mooren, die 
van de kleine leveranciers de lijnwaden tegen geringeren prijs konden 
koopen. Daarom had hij besloten er nog slechts heen te zenden wat 
te Sindi al voor Bassora was ingekocht. Dat kon dan met het 
resteerende van de hand worden gedaan. Een afzonderlijke „uitzettinge" 
van een of meer schepen naar Bassora werd niet noodig geacht. 

Van het nieuwe kantoor te Sindi werd ook door hem veel ver- 
wacht, als de kleeden maar niet te gretig werden ingekocht, waardoor 
de prijzen zouden kunnen stijgen. 

Opschoonend, ordenend en besnoeiend had Van Goens ongeveer 
4 maanden te Suratte gewerkt, toen hij de terugreis aanvaardde en 



1) ƒ22,000 op een kapitaal van ƒ190,000. 



91 

• 

27 April 1654 ^) voor Wingurla verscheen. De in December achter- 
gebleven Petrus Andreas en Hayo Harderwijck hadden zich met een 
brief uit naam van de Gouverneur-Generaal en Raden naar Visiapour 
begeven, Hertog Fettechan had hen daar minnelijk ontvangen en alle 
schuld gegeven aan het optreden van }acob Bacherach en zijn afge- 
zanten. Wat dien eisch van 15,000 pagoden aanging, de heeren 
konden wel begrijpen, dat hij daarin door zijn dienaren was misleid 
geworden. Hij zou hen dan ook bij den koning helpen, om de geheele 
zaak in orde te maken. Onder zijn geleide werden zij voor den koning 
gebracht, die hun in alles ter wille was. De residentie te Wingurla 
zou weder betrokken en de Compagnie in alle daar genoten rechten 
hersteld worden; de vorst zou de pogingen tot inning van de uit- 
staande schulden bevorderen, en de Compagnie verder in alles van 
dienst zijn. Na meerdere „actiën van vrientscap" hadden de gezanten 
afscheid genomen. 

Teruggekeerd te Wingurla werd de logie „seer statelyck" aan hen 
opgedragen, en wat vervallen was liet de hertog repareeren, waar- 
door aan de Compagnie meer aanzien gegeven werd dan ooit te 
voren, „dat" zeggen Gouverneur-Generaal en Raden „nu door d'onse 
maar door welleventheyt en goet regiment in dier voegen moet onder- 
houden worden." 

Van den hertog had Andreas ook verkregen, dat de kooplieden 
Narsanna en Kitsanna Weij ^), door hem vastgehouden, werden los- 
gelaten, en hij had hen kunnen dwingen tot afbetaling van een deel 
hunner schuld ^), en tot de belofte, dat in weinig tijd de geheele schuld 
zou worden afgedaan. Zij verzochten weer jaarlijks specerijen te 
mogen ontvangen en die niet te zullen aannemen, voordat de vroeger 
aangebrachte goederen waren betaald. Van Goens vond dus alles op 
den ouden voet hersteld; Andreas kon van zijn bediening ontheven 
worden. Toen Van Goens 30 April Wingurla verliet, bleef het 
kantoor onder bestuur van den koopman Leendert Jansz van Ton- 
geren, „een perzoon van seer sachten ommegangh en capas om met 
die lantsinwoonderen om te gaan." ^) 

Terwijl de vloot voor Wingurla lag, hadden eenige jachten het 



^) Missive van Van Goens aan Gerard Pelgrom, directeur te Suratte, 29 April 1654. 

^) Zij werden dus blijkbaar door den hertog beschermd. 

^) N.1. 2004 pagoden in cardemom en 2600 pagoden in contanten. 

*) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 



92 

geluk een portugeesche caffila ^) van 65 vaartuigen te ontdekken. Het 
begeleidende convooi ging er bij den aanval der Nederlanders 
dadelijk van door, zoodat bijna de geheele vloot werd vernietigd. *) 

Den 30='«° April 1654 vertrok Van Goens van Wingurla. Nog in 
't zicht van de eilanden bij Goa's bhare, ontmoette hij den volgenden 
dag twee welgewapende portugeesche galjoenen, van Colombo op 
weg naar Goa. 

Zij werden aangetast en op 't strand gejaagd, waar de schepen in 
brand werden gestoken, nadat het volk, op vier man na, gevlucht was. 
Van dezen, drie Portugeezen en één op Ceijlon gevangen genomen 
nederlandsch sergeant, vernam de admiraal, dat zij met vijf schepen 
van Colombo waren uitgezeild en reeds daar een „lustige torn" 
gehad hadden met de nederlandsche kruisende schepen. De drie 
andere galjoenen moesten dus nog komen. 

In den namiddag van den 3^^^° Mei verschenen er twee. Dadelijk 
werd er jacht op gemaakt. Eerst tegen den avond kregen de schepen 
voeling met den vijand. De jachten Muyden, Popkensburch en Weesp 
„gaven dapper vonck" op het grootste galjoen de St. Jan, terwijl 
de vier overige jachten Sluys, Gecroonde Leeuw, Hulst en Cabbeljau 
zich met de St. Anthony bezig hielden, 't Gevecht duurde van 
's avonds half vijf tot den volgenden dageraad en wel 2000 schoten 
werden door de Nederlanders gelost. Nog scheen hun arbeid vruch- 
teloos, want de schepen der Compagnie konden niet tot een entering 
overgaan. De rijke lading zou te veel aan gevaar worden bloot gesteld, 
daar de vijanden te dicht onder den wal gedreven waren, en de 
schepen dus bij entering eenige kans zouden loopen op de ondiepten 



M Koopvaardijvloot van kleine schepen. 

^) Vijftig er van waren geladen, de overigen convooieerende oorlogscheepjes, onder 
bevel van denzelfden kapitein, die op de reede van Surattc de Maeght van Dordt 
had veroverd (zie Bijlage I). „Soodra dien blooden uijl onze jachten omtrent syn 
caffila vernam, heeft het hazenpadt gekoosen ende de jachten Hulst, mitsgaders 
Popkensburch en de Zijdeworm lustich in sijn verhaelde caffila laten graezen." 
Ongeveer 35 vaartuigen werden op den wal gejaagd, die meest alle door de „baringh" 
in flarden werden geslagen. Van de overige 15 of 16, die weinig beschadigd waren, 
zijn de meeste tegen den middag, toen 't jacht Sluys er ook bij kwam, in brand 
geschoten en met hun geheele lading vernietigd. Vier stuks zijn op sleeptouw geno- 
men. Van Goens betreurde het zeer, dat geen der „oorlogskasten deze destructie mede 
hebben geproeft." In alle gevalle was toch de reputatie der Portugeezen door het 
wapenfeit gekrenkt en de „renommée" van de Compagnie „geacresseert." (Missive van 
Ryckloff van Goens aan den directeur Gerard Pelgrom te Suratte. 29 April 1654 
voor Wignurla in 't jacht de Gecroonde Leeuw.) 



93 

te geraken. Dus werd besloten er een schip aan te wagen. De Zijde- 
worm was oud en kon toch niet lang meer dienst doen. Zij werd 
tot een brander uitgerust en 's avonds (4 Mei) op het grootste 
galjoen de St. Jan afgestuurd. Toen zij de boeg van den vijand 
naderde, kapte deze zijn ankers en liet het schip tegen de klippen 
drijven. Het volk nam direct de vlucht; na een paar uur was het 
trotsche schip aan stukken geslagen en „lag in den grond." 

Op den morgen van den vijfden werd naar de St. Anthony gevaren 
„daer insgelycx met ons canon dapper op speelden." De Portugeezen 
moesten het schip verlaten en lieten het daarna in de lucht springen. 

Nog denzelfden dag van onder den wal in open zee komend, werd 
ook het vijfde galjoen, de Nazareth, ontdekt met een klein scheepje 
er bij. Er werd jacht op gemaakt, maar de duisternis belette de ver- 
volging. Met zonsopgang kwamen de verspreide schepen weer bijeen 
en werd op den vijand, die naar de portugeesche stad Onor trachtte 
te ontkomen, jacht gemaakt en, zoodra hij onder schot was, lustig 
„met het canon daerop gespeeld." Toen ontkomen onmogelijk bleek, 
gaf hij zich over, op voorwaarde, dat het volk zou worden vrijgelaten. 

De Nederlanders hadden 23 man verloren en 50 gekwetsten. De 
Portugeezen vermoedelijk veel meer. ^) Maar hoofdzaak was, dat hun 
navale macht van 5 kloeke, machtige galjoenen, gewapend met 24, 
34, 36, 38 en 42 stukken zwaar geschut, en bemand met 800 a 1000 
blanke koppen, was vernietigd. 

Buit was er niet behaald. Alleen het laatste schip vulde de ver- 
schoten ammunitie en de gehavende takelage aan met 5000 pd. bus- 
kruit, 2 a 3000 kogels, dreggen, masten, zeilen, spieren, stengen, 
touwen en 6 uitnemende metalen stukken. De andere kanonnen waren 
in zee gegooid of te zwaar om over te brengen. 

Het kleine scheepje, dat de Nazareth bij zich had, was een moorsch 
vaartuig van den Mogol, dat de Portugees had buit gemaakt. Het 
werd vrijgelaten en voer naar Goa. De kapitein (nachoda) werd met 
de Portugeezen te Cananoor aan land gezet. 

Over geen feit in zijn leven, schrijft Van Goens in zijn boven- 
genoemde Memorie ^) zoo uitvoerig. Triomfantelijk roept hij uit; 



^) Van Goens zelf spreekt van 500 dooden en 2 a 300 gekwetsten. (Berichten 
Hist. Gen. V, 2, p. 24.) 
^) Boven p. 33, noot. 



94 

„voorwaar een seer groote ende noyt aan deze kant gehoorde fictorie, 
door onze nedarlanders alhier bevochten, daer de almogende Godt, 
diese ons genadelyck heeft vereert in eeuwicheyt, moet gelooft en 
voor gepresen sijn." Want, „soo die met haer 5 gecombineerd ons 
hadden gerescontreert, souden ons al veel sporlings en groote schade 
aengedaen ende apparent niet een daervan gecregen hebben; maer 
't schijnt, dat den grooten ende alvermogenden Godt heeft gewilt, 
dat sij gesepareert ons met artyckelen souden rescontreeren, opdat 
wij rechtvaerdige wraecke (over het onnoosel ende bij haer gestorte 
bloet, ende revengie over de geleden hoon, die sij bij ons met 
't nemen van de saloup de maecht van Dort voor de Suratse rivier 
op des Coninx reede hebben gedaen) ^) souden nemen." En voor 
nog meer moet die God gedankt zijn: „synde godt alleen, die wij 
moeten roem geven, want 3 mael hebben wij met alle de scheepen op 
een lager wal geweest soo dicht, dat de Cabeljau wat gestooten heeft 
ende Muyden qualijck 9 voeten water onder de kiel had, de andere 
alle naer advenant. Sulx een travade ^) alleen genouch was ons te 
vernielen, daer Godt voor moet geprezen zijn." ^) 

Na een kort oponthoud te Gale, waar ook nu, evenmin als op de 
heenreis, een grondige inspectie van het gouvernement Ceylon werd 
gehouden, kwam Van Goens 15 Juni 1654 behouden voor Batavia 
aan. Na nog eens een ambassade naar Mataram vervuld te hebben, 
zeilde hij in Januari 1655 naar 't vaderland. 

Hoe ging het verder met de gevisiteerde kantoren onder het 
bestuur van Van Gendt, die te Suratte Pelgrom in 't begin 1655 *) 
opvolgde, en van Leendert Jansz, die te Wingurla den woeligen 
Bacherach had vervangen? 

Na de rapporten en brieven van Van Goens hadden de Heeren 
te Batavia besloten geen gezantschappen meer naar Delhi of Agra 
te zenden, maar dat prachtige en dure hof te schuwen en, bij zich 
voordoende moeilijkheden, Uever de gunst te zoeken van de moorsche 



1) Bijlage I. 

^) Travade =■ hevige windstoot. 

^) 't Voorgaande naar twee missiven van den Heer Ryckloff van Goens aen 
Gerardo Pelgrom, directeur te Suratte. De eene voor Onor 7 Mei, de andere voor 
Cananoor, 10 Mei 1654. 

*) Pelgrom arriveerde 29 Mei 1655 te Batavia. (Gen. Miss. 24 Dec. 1655.', 



95 

regenten ter plaatse „die dickwils met een kleine schenckagie tot 
onze devotie te leijden sijn, daer integendeel omtrent het hof met 
groote vereeringen dickwils maar cleene prerogatieven impetreeren 
connen," De dienaren der Compagnie zouden de ambtenaren van 
den vorst, met wie zij te Suratte dagelijks te doen hadden „met 
gulden sporen" aandrijven tot getrouwe naleving der door den koning 
gegeven vrijheden. Want die gulden sporen waren voor de Compagnie 
niet half zoo kostbaar als de bezendingen naar den Mogol zelf. ^) 

In 't algemeen genomen was de verhouding van het kantoor der 
Compagnie te Suratte tot het hof van den Mogol en de subalterne 
ambtenaren in den regel bevredigend. De kleine wrijvingen groeiden 
niet uit tot groote conflicten. Geen van beide partijen liet het zoover 
komen. Zij hadden elkaar te zeer noodig. De vorst zou voor zijn 
handelsstad en de daar geheven tollen de aanvoer van de gemono- 
pohseerde specerijen en andere waren niet graag missen, terwijl de 
Compagnie de groote winsten uit den Suratschen handel door on- 
voorzichtigheid of gepiqueerd optreden niet in de waagschaal zou 
stellen: „'s Compagnies maxime doch niet zijnde om cleene en eenich- 
sints tijdelijke vexatiën een groot harnas aen te trecken." -) Den 
vorst kwam men eenigszins te gemoet met passen voor 't rijk van 
Atjeh, zooals hem in 1653 door de kooplieden Tak en Berchout 
schriftelijk was beloofd. ^) Met die belofte waren Gouverneur-Generaal 
en Raden het niet geheel eens. Zij gaven er een beperkte uitleg- 
ging aan. De passen mochten alleen worden verleend naar die plaatsen, 
waar de Compagnie zich geen exclusieve contracten had bedongen, 
en naar die, waarmede zij niet in oorlog was. Nooit mochten daarom 
passen worden gegeven naar de Westkust van Sumatra en de tin- 
gebieden. Bovendien moest voor de verleende passen te Suratte 10 °/o 
worden betaald voor den tol te Malakka, zooals ook tijdens de 
Portugeesche heerschappij aldaar gebruikelijk was geweest, ^) 

Terwijl de subalterne dienaren en de grooten met kleine geschen- 
ken in „goed humeur" werden gehouden ^) weerde de Compagnie 



1) Gen. Miss. 26 Jan. 1655. 

2) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 
^) Zie boven, p. 75. 

*) Instructie voor Van Goens, 19 Sept. 1653. 

6) Gen. Miss. 24 Dec. 1655 en 27 Dec. 1657. 



96 

angstvallig alle aanvallen op haar rechten af. Nu zij een tolcontract 
had, verzette zij zich vooral tegen alle pogingen van de zijde der 
moorsche tolbeambten om een onderzoek naar de ingevoerde goe- 
deren in te stellen. ^) 

Dat tolcontract was niet meegevallen. De betaling der ƒ 66,000 
was slechts voordeelig voor de Compagnie, 200 lang er veel werd 
ingevoerd — bij vermindering van invoer werd het nadeelig. En 
dat was in de laatste jaren het geval geweest. -) 

Er was dan ook, een, zij het flauwe, poging gedaan, om van het 
contract ontslagen te worden. 

In April 1656 hadden moorsche zeeroovers vóór Sindi, ten nadeele 
van de Compagnie 75 pakken kleeden geroofd. Daar de directeur 
Van Gendt te Suratte geen satisfactie had kunnen krijgen, had hij 
in 1657 Jan Tack van Agra naar 't hof gezonden, om klachten in 
te dienen. De geroofde kleeden, ter waarde van 12,950 ropias, werden 
voor den koning begroot op 30,000 ropias, om er zoodoende de 
schenking aan den vorst en eenige oude pretensies uit te halen. Jan 
Tack verkreeg maar 608 ropias, die vroeger door een gouverneur 
van een indigo-dorp aan dienaren van de Compagnie waren afge- 
perst. De schenking aan den Mogol, die zonder cadeau niet bezocht 
kon worden, bedroeg daarentegen 3000 ropias. Bij gelegenheid nu van 
die geheel mislukte zending had Jan Tack ook de annulatie van het 
tolcontract ter sprake gebracht. Natuurlijk zonder resultaat. Dat in 
Batavia zoo'n duur gezantschap, dat niets uitwerkte, werd afgekeurd, 
spreekt van zelf. ^) 

Van Goens had, zooals wij weten, de goederen der Compagnie 
aan de meestbiedenden verkocht en veel grooter winsten behaald dan 
vroeger de directeuren. In het volgende jaar werd nog evenzoo 
gehandeld en de specerijen werden voor den vastgestelden prijs van 
de hand gedaan, Om echter die prijzen te kunnen bedingen, was het 
tin en het koper ver beneden de waarde geleverd. Volgens den 
directeur Van Gendt zou hij anders met de specerijen zijn blijven zitten. *) 



1) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 

2) In 1655 en 1656 was ƒ32,000 meer betaald, dan zonder het contract het geval 
zou zijn geweest; in 1657 was het te veel ƒ 15890 : 17 : 7. (Gen. Miss. 4 Dec. 1656 
en 17 Dec. 1657.) Vgl. boven p. 78 noot 6. 

3) Gen. Miss. 4 Dec. 1656 en 17 Dec. 1657. 
*) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 



97 

In 1656 klaagden Gouverneur-Generaal en Raden, dat de oude 
„cancker van monopolie noch 't eenemale niet was uytgebeten." Van 
verkoop aan de meest biedende was geen sprake meer; koper en tin 
werden nog beneden de waarde verkocht; alle goederen werden 
geleverd aan den eenen wisselaar Mondas Naen. Daaronder moest 
wel „monopolie en genietingh van faveur" ^) schuilen. 

Op strenge aanschrijving van de Hooge Regeering had dan de 
laatste veiUng in 1657 wel in het openbaar plaats gehad, maar nog 
niet „buiten contractatie," daar 3 a 4 van de machtigste kooplieden 
de kleinere onder hun „subjectie" hadden gehouden. Daarom werd nu 
uit Batavia bevolen, dat in 't vervolg op de „japansche wijze" moest 
worden te werk gegaan door „'t inleggen van brief kens." Deze zouden 
dan geopend worden in den geheelen aanwezigen Raad en de meest 
biedende zou worden geprefereerd. ") 

Ofschoon bevolen was de vaart van Suratte op Mocha te schorsen, 
was er onder directeur Pelgrom begin 1655 toch nog een schip heen 
gezonden om een partij te Suratte niet verkochte goederen aan den 
man te brengen. Gouverneur-Generaal en Raden namen met deze 
reden nog genoegen, maar gelastten Van Gendt die vaart te staken. 
Ook hij wilde er niet aan, ^) tot hem uitdrukkelijk bevolen werd geen 
bezending meer te doen. ^) Van waar toch die vasthoudendheid der 
Suratsche directeuren aan den handel op Mocha? Zij zelf beweerden: 
wegens de groote winsten op de nagelen te behalen. Heeren Zeven- 
tien daarentegen gaven een andere en zeker meer juiste verklaring. 
Van de beweringen der directeuren over de nagelen geloofden zij 
niets. „Indien," schreven zij, „alleen op 't voordeel van de Compagnie 
en niet van de particulieren gesien wierdt, zij zouden welhaest van 
een ander gevoelen wezen." De Compagnie had te Mocha lange 
jaren „achter 't net gevist," maar „aen de voormouwen van diegene, 

1) Gen. Miss. 4 Dec. 1656. 

2) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 

3) Géh. Miss. 24 Dec. 1655. 

*) De laatste bezending had maar 10 % opgebracht. Het laatste opperhoofd 
Justinus Weynsz had bij zijn terugkeer te Suratte een remonstrantie overgegeven en 
daarin betoogd, hoe men de particuliere handelsscbeepjes, die van Cotchin en Diu 
(beide portugeesch) naar Mocha voeren, zou kunnen veroveren, door 2 jachten in de 
Roode Zee te stationeeren. Gouverneur-Generaal en Raden keurden het plan af, omdat 
vele kooplieden van Diu of Cotchin handelend op Mocha, te Suratte thuis hoorden, 
't Zou moeilijkheden kunnen geven te Mocha en Suratte. Bovendien konden geen 
twee jachten gemist worden. (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 7 



98 

die daar lang gelegen hebben, blijckt wel, datter voor particulieren 
meer als voor de Compagnie te halen is geweest, dat immers be- 
claachlijck valt." ^) 

Den 10'*^° Nov. 1657 vertrok het eerste schip onder den koopman 
Justinus Weynsz, vroeger opperhoofd te Mocha, direct van Batavia 
over Malakka en Ceylon naar Mocha. Daarmede was dus het advies 
van Van Goens gevolgd, al vertrok het later dan hij had aanbevolen. ') 

Naar Bassora werd in 1654 geen bezending gezonden. Het 
laatste cargasoen had slechts 12 7o opgebracht. Wat er nog aan 
goederen over was, zou aan den man gebracht worden; de kleeden 
reeds in Sindi opgekocht, zouden door twee onderkooplieden, ^) 
van het perzische kantoor Gamron op gehuurde moorsche schepen 
naar Bassora worden gebracht. Voor de opbrengst kon dan in Perzië 
zijde worden gekocht. Door het verlaten der Compagnie van Mocha 
en Bassora kon verwacht worden een toenemende vraag naar 
Compagnies goederen te Gamron en (Perzië) Suratte. *) Ofschoon de 
laatste te Bassora verkochte goederen een beetje meer opbrachten 
(I6V5 7o) <^ani de voorlaatste, meende de Hooge Regeering toch, dat 
die winst niet voldoende was om de betrekkingen met die plaats aan 
te houden. Een beslissing, zooals over Mocha, wilden zij echter niet 
nemen, maar de zaak overlaten aan het oordeel van directeur en 
Raad te Suratte. Dezen probeerden het in 1656 nog eens met het 
jacht Vlieland, dat de kleeden van Sindi met een „vrachtscheepken" 
naar Gamron gebracht, daar kon inladen. °) Deze reis bracht, mede 
door 't verlies van eenige pakken kleeden in de baai van Sindi door 
roovers gestolen, ^) meer schade dan voordeel, en zoo werd dan 



^) Missive der Heeren Zeventien naar Batavia, 16 April 1657. Aangaande de 
nagelen merkten de Heeren zeer terecht op: Indien in Mocha de nagelen inderdaad 
72 stuivers 't pond zouden opbrengen tegen 48 stuivers in Suratte, dan zouden de 
Mooren er in Suratte veel meer dan 48 stuivers voor geven. 

^) Het jacht Sluys met specerijen e. a. goederen, ter waarde van ƒ45846 : 17:6. 
Te Malakka zou nog tin, op Ceylon kaneel geladen worden. De reis zou wel 10 a 
12 maanden duren. Vertrek van Mocha half Juli. De „cauwa" moest het naar 
Gamron brengen, de gebeurde moorsche ducaten naar Coromandel. Met kaneel van 
Ceylon en kleeden van Coromandel kon het naar Batavia terugkeeren. (Gen. Miss. 
n Dec. 1657.) 

^) Joannes Barra en Lucas van Waerden. 

*) Gen. Miss. 26 Jan. 1655. 

^) Onder Cornelis Mey en Joan Barra met een cargasoen van ƒ121112 en aan 
kleeden nog ƒ39665 : 8 : 8. (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) 

^) Zie boven, p. 96. 



99 

besloten ook dien handel op Bassora als onnut „geheelyck te aban- 
donneeren", en naar Suratte wel „expresselyck te ordonneeren", dien 
niet weder op te vatten, dan na speciale last uit Batavia. Een expeditie 
van vier schepen om de roovers te straffen liep door „contrarie en 
vehemente" winden op niets uit. Een nieuwe onderneming tegen de 
piraten mocht te Suratte niet op touw gezet worden, voordat de 
commissaris Van Goens grondig onderzocht had, of er eenige kans 
bestond, dat de Compagnie door de wapenen aan haar recht zou 
kunnen komen. ^) 

Het nieuwe veelbelovende kantoor te Sindi scheen inderdaad een 
goede toekomst te hebben. Van Goens had echter Pelgrom wel onder 
't oog gebracht er op te letten, „hoe spoedich de prijs van de kleeden 
door teekenen van slap of stijven incoop te doen 30 of 40 °/o op 
en afdalen kan." De bedoeling was met het Sindische kantoor de 
inkoop van kleeden te Suratte eenigermate in de hand te hebben. 
Want daar de kleeden te Sindi even goedkoop te krijgen waren als 
te Suratte, konden door het inkoopen te Sindi de verkoopers te 
Suratte eenigszins „in balance gehouden worden", die nu zouden 
weten, dat wanneer ons de prijs van hun goed „niet en behaecht, wij 
haer den rugge toewenden connen." En evenzoo kon tegenover de 
verkoopers te Sindi gehandeld worden. ^) Die illusie was van korten duur. 
Sindi's handel was geheel afhankelijk van de markt der kleeden in Perzië 
en te Bassora. Die ging steeds achteruit ^) en daarmede was de inkoop 
van kleeden te Sindi niet meer noodig. Zoo werd reeds in 1657 het 
kantoorpersoneel verminderd tot één onderkoopman en één assistent, 
wier voornaamste werk was te letten op het bedrijf der Engelschen. *) 

De concurrentie van deze „Engelse vrunden" was na den vrede 
weer begonnen. Eind December 1654 en begin Januari 1655 hadden 
zij drie volgepropte schepen naar Engeland gezonden. Nauwkeurig 
werden door de dienaren der Compagnie te Suratte hun gangen na- 
gegaan, en werd naar Batavia bericht gezonden over het aantal hunner 
schepen, hun aangebrachte goederen, hun reizen langs de kust en 



1) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 

-) Gen. Miss. 26 Jan. 1655. In 1654 was te Sindi aan kleeden gekocht voor Perzië, 
Bassora, patria en Batavia voor het aanzienlijk bedrag van ƒ 143126 : 14:8. 

3) In 1654: Inkoop te Sindi: ƒ44462 : 13 : 4. Verkoop in Perzië ƒ48573 (Gen. 
Miss. 24 Dec. 1655. Gen. Miss. 1656.) 

*) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 



100 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR