ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

140

140 

met den koning voorzichtig gehandeld worden. Zoo de koning dan 
al niet als bondgenoot (als hoedanig hij toch nooit veel beteekend 
had) de Compagnie steunde, misschien kon hij door een „minlijck 
briefken" gepaaid worden, neutraal toeschouwer te blijven. Zoo'n 
brief werd hem gezonden, met begeleiding van een sergeant en 
vier lascarijns. ^) 

Zoo was in hoofdzaak het plan vastgesteld. „Dewyle" echter „alle 
geestelijcke ende tijtlijcke zegenen van boven van den Heere des 
hemels ende der aerden moet afFcomen, die daerom oock vieriglijck wil 
aengebeden zijn", werd besloten Woensdag den 23=*^° Januari een 
bededag uit te schrijven ,,om den almaghtigen Godt om zijnen H. zegen 
opentlyck aen te roepen ende dat het Zijne godtlycke Majt. gelieve 
dit ons voornemen te zeegenen tot aanwas van zijn duergecochte 
kercke, Eere zijns H. naems ende tot profijt van de lofFelijcke Oost- 
Indische Comp." Daarom werd voor dien dag alle handwerk en 
arbeid, drinkgelag en tapperij verboden op een boete van 100 realen 
van achten, die voor de eene helft den substituut-fiscaal ^) voor de 
andere de armen der stad ten goede zou komen. Den predikanten 
werd verzocht deze order van den kansel af te kondigen ,,ende 
haer E. E. godtvruchtige predicatiën tot boete des volcks tegen dien 
dagh te schicken." 

Van Goens vertrok een week later met het gros der troepen over 
land (13 of 14 Januari) naar Negombo, waar de meeste schepen en 
het ,,trainsvolck" lagen, om de tocht verder voor te bereiden. ^) Van 
der Meijden, bekend met Ceylon en omstreken gaf hem een memorie 
mede met aanwijzing over de te volgen zeilroute, approviandeering 
der troepen en verdere uitvoering der plannen. *) Voor hem zelf 



^) De brief: Bijlage II. Missive van Van der Meijden naar Batavia, 30 April 1658. 

'-') De fiscaal Lucas van der Dussen was te Suratte ter visite. 

^) Missive van Van der Meijden naar Batavia, 30 April 1658. 

*) Memorie tot indaghtingh [advies] voor d'Ed. Heer admiraal enz. Colombo 13^" 
January a° 1658 door Adriaan van der Meijden. Hierin geeft Van der Meijden te kennen, 
dat hij er nu ook mee instemt eerst Manaar te nemen ; wijst vervolgens Van Goens aan 
hoe hij te zeilen heeft; raadt hem aan de troepen te debarkeeren bij Mantotte tegen- 
over Manaar op Ceylon, om Jaffanapatnam en Manaar te scheiden; beveelt hem aan 
de inwoners 't vrije bezit van hun land toe te staan, en de inlandsche igentifs^e) en 
moorsche parel visschers niet te hinderen in hun bedrijf; om toegeeflijk te zijn bij een 
eventueele capitulatie en ten slotte om op de kust van Indië geen runderen te 
requireeren, omdat de inwoners het slachten daarvan voor zonde houden, en te zorgen, 
dat het volk niet te veel vleesch van langbeenige bokken te eten krijgt, omdat dat 
op den duur ongezond is. 



141 

liet Van Goens een memorie ^) achter, waarin den gouverneur zijn 
gedragslijn tijdens de afwezigheid van zijn superieur werd voorge- 
schreven. Omdat Ceylon en dan vooral Colombo zeer van garnizoen 
was ontbloot, moest Van der Meijden zonder eenig uitstel voortgaan 
met de verkleining der vesting, waardoor geringer bezetting in staat 
zou zijn haar te verdedigen. Om dat werk te voltooien ,,op soodanigh 
maet, royingh, strecking en distantie, als de baeckens present nae 
onze beste opiniën gezeth zijn" kon hij de diensten gebruiken van 
een vaandrig op het schip Naarden aanwezig. Alle huizen buiten de 
nieuwe ,,stadsroyingh" tot aan de stadhuisstraat moesten afgebroken 
en van het puin binnen de stad een heuvel gemaakt worden. Bij 
een overval kon dan het plein of de laagte onder water gezet en 
die heuvel bij de verdediging met voordeel gebruikt worden. 

De fluit Venenburgh, die van Suratte werd terug verwacht, even- 
tueele schepen uit de vloot voor Goa, en alle andere arriveerende 
vaartuigen van Coromandel of Batavia, moesten voor Colombo wor- 
den opgehouden, opdat de binnenlanden niet te zeer van troepen 
zouden worden ontbloot. Zelfs de koopvaarders van Tayoan en 
Malakka zouden niet zonder order van den admiraal hun reis naar 
Suratte en Perzië mogen voortzetten, omdat het vóór aankomst van 
eenig bericht uit de vloot voor Goa, niet geraden zou zijn, ze zonder 
convooi verder te laten gaan. Het was beter „die negotie een jaar 
stil te laeten staen, dan 's Comp. wapenen in disreputatie te brengen, 
ofte onse victorie om dat profijt van een jaer te verwaerloosen." 

Wat Raja Singha betrof, 't was te hopen, dat hij na ontvangst 
van het „minnelijck brief ken" van zijn vijandschap zou afzien en 
een antwoord op den brief zou zenden. Mocht dat antwoord komen, 
dan moest Van Goens er direct een afschrift van hebben en Van 
der Meijden den koning, als 't noodig was, in naam van den admiraal 
antwoorden om hem „soo langh in devotie te houden" tot Manaar 
en Jaffanapatnam veroverd waren, „wanneer wij sijn K. May. beeter 
als nu sullen connen bescheijt geven ende nae meerder billigheijt 
d' saecke afhandelen." 

Tot nu toe had de fortuin Van Goens „aen alle sijden den voet 
dwffs gezet", maar te Negombo kreeg hij een tijding, die hem hoop 



^) Memorie voor d'Ed. Heer Adriaan van der Meijden, gouverneur over 's Comps. 
Omslagh op Ceylon. Colombo 19 januari 1658. 



142 

gaf, dat het „geval" nu wat met hem zou gaan „sollen". ^) Van der 
Laan was terecht! 

Den 16^° Januari bracht het schip Ter Veer ^) te Negombo het 
heugelijk bericht van den sergeant-majoor, dat hij met het schip 
Naarden voor Tutucorijn was aangekomen, de stad zonder succes 
had aangetast, maar een aantal fregatten in de bocht opgesloten hield. 
Nog denzelfden nacht reed Van Goens naar Colombo om aan Van 
der Meijden het verblijdende nieuws mee te deelen en met hem 
nader overleg te plegen. ^) Op zijn „privée" durfde hij de vastge- 
stelde plannen niet veranderen, 't Resultaat van hun beider bespre- 
kingen werd vastgelegd in de schriftelijke resolutie van 17 Januari. ^) 

't Lag voor de hand, dat na de mislukte poging van Van der 
Laan, de tocht nu eerst naar Tutucorijn gericht moest worden, om 
die plaats te vermeesteren. Ter bescherming van Colombo zou, zoo 
lang de Salamander niet verschenen was, de uit Batavia gearriveerde 
Mars *) achterblijven. Zoodra echter het groote schip met zijn voor- 
raden zou zijn aangekomen, moesten het krijgsvolk en het oorlogs- 
tuig met de Mars of een ander schip de vloot worden nagezonden. 
Geen schip mocht door Van der Meijden beoosten om naar JafFana- 
patnam worden gezonden. Het schip Ter Veer, door Van der Laan 
gezonden, moest nog met zijn lading rijst mee om volk over te voeren, 
't Zou zoo spoedig mogelijk terugkeeren en dan voor Colombo van 
Caylpatnam een nieuwe lading rijst halen of voor Cotchin gaan 
kruisen. In 't laatste geval zou de Mars gebruikt worden voor de 
rijstvoorziening. Wilde het geluk, dat de Salamander nog verscheen, 
dan behoefden de koopvaarders van Tayoan en Malakka niet opge- 
houden te worden, maar onder convooi van Ter Veer of Mars 
konden zij hun reis vervolgen, opdat de handel voortgang kon hebben. 



^) Missive van Van Goens naar Batavia 17 Maart 1658. De hierin opgegeven 
data zijn niet altijd betrouwbaar. Mij geeft b.v. op, dat hij Van der Laan's bericht 
kreeg op den dag van zijn vertrek uit Negombo, welke was 21 Januari, terwijl hij 
18 lanuari uit Negombo een brief aan Van der Laan schreef, in antwoord op diens 
missive van 14 Jan. 

-) Ter Veer was met Romeyn en Zeeblom begin Dec. 1657 naar „d'overcust 
gcdepescheert ' en reeds begin Januari terugverwacht. (Missive van Van der Meijden 
en Raad naar Batavia 6 Dec. 1657.) 

^) Resolutie van de Vergadering van 17 Januari 1658. Geteekend door Van Goens 
en Van der Meijden. 

*) Gearriveerd te Gale 15 Jan. (Missive van Van der Meijden aan Van Goens 
15 Jan. 1658.) 



143 

Slechts voor 't geval, dat Raja Singha vijandelijkheden vertoonde, 
zou men „met malcanders advys" de schepen tot meerder zekerheid 
van Colombo kunnen achterhouden. 

Van deze nieuwe plannen werd Van der Laan op de hoogte ge- 
bracht. ^) Maar eerst werd hem een zachte vermaning toegediend 
over zijn optreden tegen Tutucorijn, al was dat zonder schade en 
bloedstorting afgeloopen. Hij had de reputatie van de Compagnie 
te zeer gewaagd, daar hij niet wist waar Van Goens zich bevond. 
Hij had den Neik van Madure en den Teuver zijn plannen moeten 
bekend maken „onse ordre niet zijnde d'Inlantse grooten te altereren" 
noch om den vijand noodeloos te waarschuwen, „die nu alomme op 
hoede geweckt is." Waar hij van Colombo in vier dagen bericht had 
kunnen hebben, was Van der Laan verplicht geweest een „sampan" 
of de Zeeblom ^) om adviezen te sturen. Waarom dat niet gedaan? 
Omdat „'t schijnt, dat de eergiericheyt een gebreck is, daervan veel 
menschen gebreck hebben, en zieck of zijn." 

Vier jachten onder bevel van den koopman Eduard Ooms werden 
Van der Laan dadelijk toegezonden om hem te helpen de vijandelijke 
fregatten in te sluiten. Zij brachten mee een versterking van drie 
compagnieën soldaten (146 man) ), met welke Van der Laan in geen 
geval voor de komst van den admiraal offensief mocht optreden, tenzij 
hij het kon doen zonder „alteratie van de paruas" en andere inlanders. 
„Want het beginsel van desen oorlog sal 't gevolch voor ons ver- 
beteren ofte verslimmeren, naer dat wij ons wreet ofte goedertieren 
instellen." Om Van der Laan in die inlandsche zaken te raden, werd 
hem toegezonden de in die streken bekende onderkoopman Jacob 
van Rhee, en eenige inlanders, die konden lezen en schrijven en 
„een groote kennisse aldaer hadden." Zij moesten de inboorlingen 
overtuigen, „dat onse compste niet is om haer te beschadigen, maer 
om haer van 't lastich pack en tirannije der Portuguezen te be- 
vrijen." Daarom zou ook ieder, die buiten de Portugeezen iemand 
overlast aandeed, zelfs met den dood worden gestraft. 



1) Missive van Van Goens aan d'Ed. Jan v. d. Laan endc den Raet Negombo 
18 Januari 1658. 

^) De Zeeblom en Ter Veer vond hij aan de overkust, zie boven p. 142. noot 2. 

^) Manaar met 53 koppen onder luitenant Champlé; Waterpas en Botterblom 
met 40 koppen onder kapitein Joost Buschkingh, Romeijn met 53 Ternatanen en 
Javanen onder kapitein Raja Talella. 



144 

Den volgenden dag, 19 Januari konden weer drie kleine jachten 
naar Tutucorijn worden afgezonden, gevolgd door een paar grootere 
schepen en al het klein vaartuig, dat te Negombo verzameld was. ^) 
Voor Van Goens zelf met zijn „sneedigen Goes" vertrok, drukte hij 
Van der Meyden nog eens op het hart het „importante werck der 
afFsnijdinge" van Colombo met behulp van den ingenieur, die hem 
van 't schip Naarden zou worden toegezonden, „naer de const van 
geometrie " te voltrekken, om zoo „buyten reproche " te blijven. Hij 
moest er wel aan denken, dat het niet op zijn weg lag tijdens de afwe- 
zigheid van den admiraal, „fiscaels ofte andere qualiteyten op Ceylon te 
vergeven" en dat het zijn plicht was „niet nalatich te wezen bij alle 
occasie" te schrijven. ") Eenigszins geërgerd over dien herhaalden 
aandrang kon de goeverneur niet nalaten te schrijven: „tot geen 
fiscaels sonder hare Ed.*^ ordre te stellen, heb ich selfF noyt 
geindineert, ') en „schoon hare Ed.' mij jongst over eenige onrijpe 
dingen wat leppich off ruijm hebben gelieven te berispen, zoo isser 
nae mij dunct echter (onder correctie) noch noyt jemant op dit Eylant 
geweest, die der E. Comp.^ voordeel tot noch meer heeft bevordert". ^) 

Het werd 21 Januari voor Van Goens ter reede van Negombo 
het anker lichtte, om zich bij de vloot voor Tutucorijn te voegen. 
Toen hij drie dagen later daar was aangekomen, had de Com- 
pagnie er een vloot van 12 zeilen, 2 chaloepen en veel klein 
vaartuig met een troepenmacht van ruim 800 man. ^) Als dominee 



^) Tayoan, Mozambique, Cancelschiller, gevolgd door Ter Veer en Avondster 
met het klein vaartuig. (Missive van Van Goens en Van der Meijden, 19 Januari 1658.) 

-) Missives van Van Goens, 19 en 20 Januari 1658. 

^) Missive van Van der Meijden, 20 Januari 1658. 

*) Missive van Van der Meijden, 22 Januari 1658. 

^) De vloot bestond uit de jachten Naarden (400 ton), Ter Goes (440 ton), Ter 
Veer (320 ton), Avondster (400 ton); de kleine jachtjes Zeeblom, Manaar, Waterpas, 
Mozambique, Cancelschiller, Romeijn: de galjoten Boterbloem en Tayoang; 2 chaloepen: 
Japara en Colombo. De kleine jachtjes en galjoten wel ongeveer zoo groot als de 
Romeijn, die in de „Lijst der Navale Macht" voorkomt met 60 ton. In zijn Missive 
van 18 Jan. aan Van der Laan spreekt Van Goens ook van 12 zeilen en 2 chaloupen. 

De opgave van het aantal manschappen is niet nauwkeurig na te gaan. Van Goens 
kwam in Colombo met 450 man (Res. Verg. 7 Jan. 1658) en lichtte op Ceylon 400 
man en 300 Singaleezen. (Memorie voor Van der Meyden 19 Jan. 1658), dat zou 
maken 850 blanken, waarbij dan nog gevoegd moeten worden de soldaten van Van 
der Laan, die opgegeven worden als 270 man, wat onmogelijk is, want Van Goens 
ging uit de vloot voor Goa met 800 (de matrozen meegerekend, vgl. boven p. 136); 
hij zelf bracht in Colombo 450, dan bleven er voor Naarden en Salamander 350. 



145 

was aan de expeditie toegevoegd de eerw. Philippus Baldaeus. ^) 
Een dag na de aankomst van Van Goens waren de Nederlanders 
meester van Tutucorijn, of liever, hadden zij de Portugeezen uit de 
plaats verdreven. Alle landingstroepen waren op kleine jachten zoo 
dicht mogelijk bij den wal gebracht. Daar er niet voldoende klein 
vaartuig was om allen tegelijk aan land te brengen, was 's nachts 
onder Van der Laan en Hartman een deel der troepen ontscheept. 
Dezen hadden niet mogen opmarcheeren, voor de overigen zich 
in den morgen onder Gluwinck bij hen hadden gevoegd. Zoo 
konden de Nederlanders den vijand met alle macht op 't lijf 
vallen „ende 't minste perijckel van verhes subject wesen." ^) 

Van „perijckel" noch van „verlies" was bij de verovering sprake 
geweest. In ,het open vlek Tutucorijn, hadden de 80 Portugeezen ^) 
slechts geringen tegenstand geboden. Na 't in brand steken van hun 
drie geladen fregatten waren zij er van door gegaan. De uit den 
brand overgebleven drie kleine stukjes geschut waren de eenige 
buit voor de Compagnie. ^) 

Dat was zeer gering; ook de verovering beteekende niet veel. 
Immers de Portugeezen waren veilig weggetrokken en konden het 
garnizoen in Manaar en Jaffanapatnam versterken, wat men hun 
juist had willen verhinderen. Zij zouden ook na 't vertrek van de 
schepen een tegenaanval op de stad kunnen doen. ^) Dien te weerstaan 



Het laatste schip zou daarvan 300 hebben (Res. Verg. 9 Febr 1658). In een missive 
aan Van der Laan 18 Jan. 1658 noemt Van Goens de verzamelde macht groot 
780 militaire koppen en 340 Lascarijns; in de missive naar Batavia 6 Juli 1658 
spreekt hij ook van 800 man en Baldaeus, (Ceylon p. 149) noemt hetzelfde 
aantal. De matrozen zijn dan hier vermoedelijk niet bijgerekend alszijnde geen 
„militaire koppen". 

^) Baldaeus, Malabar en Choromandel, p. 151. 

'^1 Resolutie der Vergadering 24 Januari 1658. 

^) Baldaeus, a. w., p. 151. Hij stelt het nemen van Tutucorijn verkeerdelijk in 
Februari. 

*) J. Ribeyro: Histoire de l'Isle de Ceylan, présentée au Roi de Portugal en 1685 
Traduite du Portugais par Monsr. L'Abbé Le Grand. Amsterdam 1701, p. 340: „lis 
[les HoUandais] nous vinrent attaquer d'abord a Titecorim. oü ils trouvèrent Alvare 
da Sylva avec trois navires, ils en coulèrent deux a fonds et après nous avoir tué 
et blessé beaucoup de gens, ils nous obligèrent a nous échouer, et nous brüler 
nous mêmes." 

°) Dit en 't volgende naar de Resolutiën der Vergadering van 28 Januari 1658 in 
de Kerck St. Paul op Tutucorin. Raadsleden: Van Goens, Van der Laan. Gluwinck, 
Rob, Pieter Berckhout, Hartman, secr. Valckenburgh. 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 10 



146 

zou een vrij groot garnizoen eischen, en Van Goens kon zijn mannen 
niet missen. Zonder het bouwen van een sterkte zou de bezetting 
ook weinig beteekenen en daarvoor had de admiraal geen tijd. 
Niet alleen tegen de Portugeezen zou een versterking noodig zijn, 
maar ook gewenscht met het oog op de inwoners, die zich den 
nieuwen indringers niet genegen toonden en hun beloften van 
goede behandeling niet vertrouwden. Zonder meer weer heen- 
gaan ging kwalijk. Dan zouden de Portugeezen terugkeeren en, 
wakker geschud, de plaats versterken om later beter tegenstand te 
kunnen bieden. 

Van Goens vond er wat anders op. De stad zou in bewaring 
gegeven worden aan den gouverneur van den Neik van Madure („des 
Neycx Manigaer") onder bedreiging met 's Compagnies ongenade, 
zoo er Portugeezen binnen gelaten werden. Om meer zekerheid te 
hebben werd Eduard Ooms met niet onaanzienlijk gevolg ') en een 
goede „schenckagie" naar den Neik van Madure afgezonden. 

Ook „de Teuver, vrijheer van Rammanade Puram" moest ontzien 
worden. Uit zijn land kregen de Portugeezen al hun toevoer voor 
Jaffanapatnam en Manaar. Mocht hij verder gaan en hen zelfs steunen 
met volk, „dat in menichte met roers gewapend heeft", dan zou het 
er voor de Nederlanders niet best uitzien. Naar hem werd dus ook 
een gezant afgevaardigd met een „schenckagie", Jacob van Rhee, 
die in 1656 al eens gezant in Madure geweest was. ^) 

Nog een mindere grootheid, maar gewichtiger persoonlijkheid moest 
bedacht worden, de „lantregeerder Warmiliappa PuUe." „Aan hem" 
toch „bestond het meeste doen en laten" en wat hij had ingewilligd 
zou later bij den Neik „te hchter te optineeren" zijn. 

Ten slotte hadden ook de Manigaar van Tutucorijn en zijn plaats- 
vervanger nog een cadeau verdiend, want Ooms zou onder „des 
Manigaers savogarde" de reis naar Madure beginnen. 

Van het naaste belang was de zending van Van Rhee, omdat des 



^) Het gevolg zou bestaan uit: de resident van Caylpatnam, boekhouder De Haas 
(Miss. van Van der Meyden aan Van Goens, 15 Jan. 1658), een jong assistent, 4 
soldaten, die minst in den oorlog gevaceert en best gehabitucerd sijn, één araatsjie 
(inlandsche lagere officier) met 4 Lascarijns. 

-) Missive van Batavia aan den Gouverneur en Raad te Ceylon 25 Oct. 1657, 
waarin Gouverneur-Generaal en Raden die zending goedkeuren, al had van Rhee niet 
het „uitseggen der Portugesen" kunnen verkrijgen. 



147 

Teuvers houding den meesten invloed kon hebben op den aanslag 
op Manaar en Jaflfanapatnam. Van Rhee moest van hem zien te 
verkrijgen: een vasten vrede, vriendschap en alliantie; vijandschap 
tegen de Portugeezen en een verbod aan zijn onderdanen om de 
door Portugeezen bezette plaatsen te bezoeken en van voorraden te 
voorzien. Tegen betaling der kosten zou Van Goens door den 
vorst graag gesteund worden met 5 a 6 inlandsche vaartuigen 
(thonys), bemand met 12 a 15 koppen, om daarmede zijn soldaten 
te landen. De tegenprestatie van de Compagnie zou alleen bestaan 
in 't beschermen van des Teuvers landen tegen 't geweld der Portu- 
geezen, niet tegen eenige inlandsche vijanden, ^) 

Mocht de vorst zich niet met de Nederlanders willen verbinden, 
dan was het de taak van den gezant van hem ten minste neutraliteit 
te verkrijgen, zoodat hij de Europeanen „met malcanderen liet 
omspringen". Maar dan moest hij er op rekenen, dat de schepen 
van zijn onderdanen, die de Portugeezen wilden approviandeeren 
zouden worden prijs verklaard. Als Van Rhee zag, dat het niet tot 
een alliantie kwam, moest hij spoedig vertrekken en Van Goens 



^) Uit de „schenckagies" blijkt de grootheid van de personages: 



De Neik. 



De Teuver. 



Pulle. 



Manigaar. 



Plaats- 
vervanger. 



1 getande olifant 
1 ongetande „ 
1 Perzisch paard 
240 U sandelhout 
60 'S noten 
60 <g nagelen 
60 S foelie 

1 cas rozewater 

2 chineesche 

goudlakens 
16 el rood 

scharlaken 



1 getande olifant 

1 Perzisch paard 
50 'g sandelhout 
25 'S noten 
25 <g nagelen 
25 'S foelie 
1 cas rozewater 



el rood 

scharlaken 



50 'S sandelhout 
20 'S noten 
20 U nagelen 
20 <^ foelie 
1 cas rozewater 



1 [el] rood fluweel 



14 'S sandelhout 
6 'S noten 
6 ^ nagelen 
6 'S foelie 



8 "g sandelhout 
4 'S noten 
4 S nagelen 
4 S foelie 



De olifanten zouden eerst later van Ceylon volgen, met schepen van den Teuver 
(„die met d' eerste van syne vaertuigen van Ceylon hem sal toecomen"). 

Van Goens had 4 paarden meegenomen om één of twee tot een vereering aan den 
Neik en den Teuver te geven, en de andere voor zich en Van der Laan te gebruiken 
(Missive vïin Van Goens aan Van der Meyden, 19 Jan- 1658). 

^) Instructie voor den onderkoopman Jacob vêin Rhee, 31 Januari 1658. 



148 

voor Killecarre op de hoogte stellen, opdat er maatregelen genomen 
konden worden Rammanacoyl te bezetten. Want de 6 voet diepe ^) 
straat tusschen dat eiland en den vasten wal moest voor de schepen 
van de Compagnie vrij zijn, daar anders Manaar niet van de noordzijde 
te naderen was. 

Van Goens verwachtte niet, dat de Teuver een „finale Resolutie" 
zou nemen voor zijn heer, de Neik van Madure, met de Compagnie 
had „geaccordeert." Van Rhee moest dan ook in dat geval, na Van 
Goens voor Killecarre ingelicht te hebben, Ooms volgen op zijn 
reis naar Madure. Deze „expresse gezant" met een brief ^) naar den 
Neik gezonden moest dezen vorst hetzelfde vragen als Van Rhee 
den Teuver gedaan had: vriendschap en verbod van handel aan 
zijn onderdanen. Maar hoofdzaak was het verkrijgen van eenige 
voordeden in het land van den Neik: een vesting en woning te 
Tutucorijn, het protectoraat over de kustbevolking (patangatijns en 
en paruas), onverminderd hun schatting aan den Neik; de heer- 
schappij over de parelvisscherij in de bocht van Tutucorijn; ^) de 
afsluiting van dat vaarwater voor alle vreemdelingen; het monopolie 
voor den aanvoer van peper en de preferentie voor den aankoop 
van rijst. De Compagnie wenschte ten slotte drie jaar vrijen handel 
in 't land van den Neik, om daarna tot een overeenkomst te geraken, 
behalve voor de rijst, die hoogstens 2 fanums het last ^) mocht kosten. 
't Zou niet gemakkelijk zijn deze voorrechten te verwerven. Ooms 
moest daarom eerst een bezoek brengen aan den „Lantregeerder 
PuUe", '") die de meeste macht in handen had en waarmede „meest 
te doen hebben." Vóór hij het met dien machtigen heer eens was 
geworden, behoefde Ooms niet naar het hof te vertrekken. Te 
Killecarre kon dan vooraf nog met Van Goens overlegd worden. ®) 



^) Valentijn, Ceylon, p. 164. 

2) Bijlage III. 

') Van Kaap Commorijn tot Colombo, Manaar en Rammanacoyl. 

■*) 1 fanum = 5 of 7Vj stuuver. 1 last = 3000 pond. Vermoedelijk zijn de 
gevraagde rechten dezelfde, die de Portugeezen ook langs de kust bezeten hadden. 

^) Valentyn, Ceylon, 164, spreekt van den „stadhouder Warmiliappe Pulle." Mis- 
schien een soort major domus. 

^) In de instructie van Ooms wordt nog gesproken van een schuld. Daarover 
Dcinvers II, p. 293 en twee verdragen door Johan Maetsuycker 12 en 18 Febr. 1649 
te Tutucorijn gesloten met den kapitein der stad, den vicarius en den Jezuietenpater, 
rector van het college. De verdragen in het „Contractbocck 1596 — 1662" op het 
Algemeen Rijksarchief. Daaruit het volgende: 



149 

Zoo was voor Tutucorijn alles geregeld en zou er voortgang ge- 
maakt worden met den tocht naar Manaar, het eiland, dat door een 
ondiepe geul van Ceylon gescheiden, zich uitstrekte naar 't westen 
vijf uur lang en twee uur breed, met zeven kerkdorpen en een fort 
naar de zijde van Ceylon. ^) 

De acht slecht bezeilde schepen -) werden voor uitgezonden naar 
het eiland Rammanacoyl, waar zij de andere vijf zouden inwachten 
om dan samen naar Manaar over te steken. Intusschen zou men 
trachten nog zooveel klein vaartuig bijeen te brengen als mogelijk 



In 1648 waren de Nederlanders door den Neik van Madure uit Pattana (vermoede- 
lijk Caylpatnam) verdreven. Zij weten die onvriendelijkheid aan de Portugeezen. In 
Febr. 1649 verscheen Johan Maetsuycker, gouverneur van Ceylon met een vloot van 
10 schepen, hernam Pattana en ging vandaar naar Tutucorijn. Daar sloot hij met 
bovengenoemde vertegenwoordigers der Portugeezen de twee verdragen. De Portu- 
geezen beloofden in naam van de inwoners der stad binnen drie dagen, beginnende 
met 12 Febr. ten 6 ure 's avonds „veertigh duyzent R^ van 8*^°" te zullen opbrengen. 
Deze zouden dienen tot een vergoeding voor de verliezen door de Compagnie op de 
kust geleden en voor de kosten van de vloot van Maetsuycker. Bij wanbetaling zou 
Maetsuycker zich schadeloos stellen aan de goederen der inwoners van Tutucorijn en 
de andere plaatsen langs de kust. Na drie dagen was de schatting niet betaald. Maet- 
suycker heeft toen eigendommen van de inwoners genomen o.a. 10 vaartuigen en 3 
klokken. De drie vertegenwoordigers hebben daarna verklaard, dat wegens de absentie 
van de inwoners het geld niet zoo gauw bij elkaar te krijgen was en toen bij het 
verdrag van 18 Febr. verkregen, dat uitstel verleend werd tot 31 Mei. Van die schuld 
was in 1658 nog maar een deel betaald blijkens de woorden uit de instructie: 

„Dat over de schuit van 31000 R^' met de debiteuren van Patangatys na haer goet 
comportement sal gehandelt worden, ende naer dat sij haer vroech ofte laat sullen 
comen obedieeren, daertoe een jaer tijt sal gestelt werden, reeckenende van den 26«° 
January, dat wy Tutucorijn verovert hebben, binnen 't welcke onze uitspraecke daer- 
over verclaert sal werden." 

„Ons wert bericht dat PuUée over de 5 a 6000 Ra van onze pretentie op de 
31000 Ra soude compt. inge vordert en ontfangen hebben, welcke penningen in alle 
billicheijt mogen pretendeeren; ende soo sij voorgeven dat onzen goeverneur van 
Ceylon onse geheele actie heefr quijt gescholden, sal U. E. hem directel. tegemoet 
voeren, dat sulcx maer gemeent wert soo veel 't ongelyck en de schade, die men ons 
op Cayl aengedaen heeft aengaet, maer om de schuit quijt te schelden, dat tot sulcx 
den gouverneur niet machtich is, als synde de goederen onser principalen in Hollant. 
't Volgende kan niet op de schatting slaan, maar op een handelsschuld : „En sal U. E. 
mede stijff staen op onse pretentie, die wij noch op de chittijs (een geslacht van koop- 
lieden „arch ende doortrapt" Baldaeus, Ceylon, p. 185) en de coopluyden van outs 
hebben, welcke hun somme op leverantie van coopmanschap op 't verjagen op Cayl 
hadden ontfangen ende dat die ons comptant betaelt ofte met coopmansch. moeten 
betaelt worden. 

*) Baldaeus, Ceylon, p. 150. 

^) De jachten Avondsterre, Ter Veer, Mozambique, Caneelschiller, Romeijn, Botter- 
blom, Tayoan, Zeeblom; de snellere waren: Ter Goes, Naarden, Manaar, Waterpas, 
Japara. Colombo wordt niet meer genoemd. 



150 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR