140 met den koning voorzichtig gehandeld worden. Zoo de koning dan al niet als bondgenoot (als hoedanig hij toch nooit veel beteekend had) de Compagnie steunde, misschien kon hij door een „minlijck briefken" gepaaid worden, neutraal toeschouwer te blijven. Zoo'n brief werd hem gezonden, met begeleiding van een sergeant en vier lascarijns. ^) Zoo was in hoofdzaak het plan vastgesteld. „Dewyle" echter „alle geestelijcke ende tijtlijcke zegenen van boven van den Heere des hemels ende der aerden moet afFcomen, die daerom oock vieriglijck wil aengebeden zijn", werd besloten Woensdag den 23=*^° Januari een bededag uit te schrijven ,,om den almaghtigen Godt om zijnen H. zegen opentlyck aen te roepen ende dat het Zijne godtlycke Majt. gelieve dit ons voornemen te zeegenen tot aanwas van zijn duergecochte kercke, Eere zijns H. naems ende tot profijt van de lofFelijcke Oost- Indische Comp." Daarom werd voor dien dag alle handwerk en arbeid, drinkgelag en tapperij verboden op een boete van 100 realen van achten, die voor de eene helft den substituut-fiscaal ^) voor de andere de armen der stad ten goede zou komen. Den predikanten werd verzocht deze order van den kansel af te kondigen ,,ende haer E. E. godtvruchtige predicatiën tot boete des volcks tegen dien dagh te schicken." Van Goens vertrok een week later met het gros der troepen over land (13 of 14 Januari) naar Negombo, waar de meeste schepen en het ,,trainsvolck" lagen, om de tocht verder voor te bereiden. ^) Van der Meijden, bekend met Ceylon en omstreken gaf hem een memorie mede met aanwijzing over de te volgen zeilroute, approviandeering der troepen en verdere uitvoering der plannen. *) Voor hem zelf ^) De brief: Bijlage II. Missive van Van der Meijden naar Batavia, 30 April 1658. '-') De fiscaal Lucas van der Dussen was te Suratte ter visite. ^) Missive van Van der Meijden naar Batavia, 30 April 1658. *) Memorie tot indaghtingh [advies] voor d'Ed. Heer admiraal enz. Colombo 13^" January a° 1658 door Adriaan van der Meijden. Hierin geeft Van der Meijden te kennen, dat hij er nu ook mee instemt eerst Manaar te nemen ; wijst vervolgens Van Goens aan hoe hij te zeilen heeft; raadt hem aan de troepen te debarkeeren bij Mantotte tegen- over Manaar op Ceylon, om Jaffanapatnam en Manaar te scheiden; beveelt hem aan de inwoners 't vrije bezit van hun land toe te staan, en de inlandsche igentifs^e) en moorsche parel visschers niet te hinderen in hun bedrijf; om toegeeflijk te zijn bij een eventueele capitulatie en ten slotte om op de kust van Indië geen runderen te requireeren, omdat de inwoners het slachten daarvan voor zonde houden, en te zorgen, dat het volk niet te veel vleesch van langbeenige bokken te eten krijgt, omdat dat op den duur ongezond is. 141 liet Van Goens een memorie ^) achter, waarin den gouverneur zijn gedragslijn tijdens de afwezigheid van zijn superieur werd voorge- schreven. Omdat Ceylon en dan vooral Colombo zeer van garnizoen was ontbloot, moest Van der Meijden zonder eenig uitstel voortgaan met de verkleining der vesting, waardoor geringer bezetting in staat zou zijn haar te verdedigen. Om dat werk te voltooien ,,op soodanigh maet, royingh, strecking en distantie, als de baeckens present nae onze beste opiniën gezeth zijn" kon hij de diensten gebruiken van een vaandrig op het schip Naarden aanwezig. Alle huizen buiten de nieuwe ,,stadsroyingh" tot aan de stadhuisstraat moesten afgebroken en van het puin binnen de stad een heuvel gemaakt worden. Bij een overval kon dan het plein of de laagte onder water gezet en die heuvel bij de verdediging met voordeel gebruikt worden. De fluit Venenburgh, die van Suratte werd terug verwacht, even- tueele schepen uit de vloot voor Goa, en alle andere arriveerende vaartuigen van Coromandel of Batavia, moesten voor Colombo wor- den opgehouden, opdat de binnenlanden niet te zeer van troepen zouden worden ontbloot. Zelfs de koopvaarders van Tayoan en Malakka zouden niet zonder order van den admiraal hun reis naar Suratte en Perzië mogen voortzetten, omdat het vóór aankomst van eenig bericht uit de vloot voor Goa, niet geraden zou zijn, ze zonder convooi verder te laten gaan. Het was beter „die negotie een jaar stil te laeten staen, dan 's Comp. wapenen in disreputatie te brengen, ofte onse victorie om dat profijt van een jaer te verwaerloosen." Wat Raja Singha betrof, 't was te hopen, dat hij na ontvangst van het „minnelijck brief ken" van zijn vijandschap zou afzien en een antwoord op den brief zou zenden. Mocht dat antwoord komen, dan moest Van Goens er direct een afschrift van hebben en Van der Meijden den koning, als 't noodig was, in naam van den admiraal antwoorden om hem „soo langh in devotie te houden" tot Manaar en Jaffanapatnam veroverd waren, „wanneer wij sijn K. May. beeter als nu sullen connen bescheijt geven ende nae meerder billigheijt d' saecke afhandelen." Tot nu toe had de fortuin Van Goens „aen alle sijden den voet dwffs gezet", maar te Negombo kreeg hij een tijding, die hem hoop ^) Memorie voor d'Ed. Heer Adriaan van der Meijden, gouverneur over 's Comps. Omslagh op Ceylon. Colombo 19 januari 1658. 142 gaf, dat het „geval" nu wat met hem zou gaan „sollen". ^) Van der Laan was terecht! Den 16^° Januari bracht het schip Ter Veer ^) te Negombo het heugelijk bericht van den sergeant-majoor, dat hij met het schip Naarden voor Tutucorijn was aangekomen, de stad zonder succes had aangetast, maar een aantal fregatten in de bocht opgesloten hield. Nog denzelfden nacht reed Van Goens naar Colombo om aan Van der Meijden het verblijdende nieuws mee te deelen en met hem nader overleg te plegen. ^) Op zijn „privée" durfde hij de vastge- stelde plannen niet veranderen, 't Resultaat van hun beider bespre- kingen werd vastgelegd in de schriftelijke resolutie van 17 Januari. ^) 't Lag voor de hand, dat na de mislukte poging van Van der Laan, de tocht nu eerst naar Tutucorijn gericht moest worden, om die plaats te vermeesteren. Ter bescherming van Colombo zou, zoo lang de Salamander niet verschenen was, de uit Batavia gearriveerde Mars *) achterblijven. Zoodra echter het groote schip met zijn voor- raden zou zijn aangekomen, moesten het krijgsvolk en het oorlogs- tuig met de Mars of een ander schip de vloot worden nagezonden. Geen schip mocht door Van der Meijden beoosten om naar JafFana- patnam worden gezonden. Het schip Ter Veer, door Van der Laan gezonden, moest nog met zijn lading rijst mee om volk over te voeren, 't Zou zoo spoedig mogelijk terugkeeren en dan voor Colombo van Caylpatnam een nieuwe lading rijst halen of voor Cotchin gaan kruisen. In 't laatste geval zou de Mars gebruikt worden voor de rijstvoorziening. Wilde het geluk, dat de Salamander nog verscheen, dan behoefden de koopvaarders van Tayoan en Malakka niet opge- houden te worden, maar onder convooi van Ter Veer of Mars konden zij hun reis vervolgen, opdat de handel voortgang kon hebben. ^) Missive van Van Goens naar Batavia 17 Maart 1658. De hierin opgegeven data zijn niet altijd betrouwbaar. Mij geeft b.v. op, dat hij Van der Laan's bericht kreeg op den dag van zijn vertrek uit Negombo, welke was 21 Januari, terwijl hij 18 lanuari uit Negombo een brief aan Van der Laan schreef, in antwoord op diens missive van 14 Jan. -) Ter Veer was met Romeyn en Zeeblom begin Dec. 1657 naar „d'overcust gcdepescheert ' en reeds begin Januari terugverwacht. (Missive van Van der Meijden en Raad naar Batavia 6 Dec. 1657.) ^) Resolutie van de Vergadering van 17 Januari 1658. Geteekend door Van Goens en Van der Meijden. *) Gearriveerd te Gale 15 Jan. (Missive van Van der Meijden aan Van Goens 15 Jan. 1658.) 143 Slechts voor 't geval, dat Raja Singha vijandelijkheden vertoonde, zou men „met malcanders advys" de schepen tot meerder zekerheid van Colombo kunnen achterhouden. Van deze nieuwe plannen werd Van der Laan op de hoogte ge- bracht. ^) Maar eerst werd hem een zachte vermaning toegediend over zijn optreden tegen Tutucorijn, al was dat zonder schade en bloedstorting afgeloopen. Hij had de reputatie van de Compagnie te zeer gewaagd, daar hij niet wist waar Van Goens zich bevond. Hij had den Neik van Madure en den Teuver zijn plannen moeten bekend maken „onse ordre niet zijnde d'Inlantse grooten te altereren" noch om den vijand noodeloos te waarschuwen, „die nu alomme op hoede geweckt is." Waar hij van Colombo in vier dagen bericht had kunnen hebben, was Van der Laan verplicht geweest een „sampan" of de Zeeblom ^) om adviezen te sturen. Waarom dat niet gedaan? Omdat „'t schijnt, dat de eergiericheyt een gebreck is, daervan veel menschen gebreck hebben, en zieck of zijn." Vier jachten onder bevel van den koopman Eduard Ooms werden Van der Laan dadelijk toegezonden om hem te helpen de vijandelijke fregatten in te sluiten. Zij brachten mee een versterking van drie compagnieën soldaten (146 man) ), met welke Van der Laan in geen geval voor de komst van den admiraal offensief mocht optreden, tenzij hij het kon doen zonder „alteratie van de paruas" en andere inlanders. „Want het beginsel van desen oorlog sal 't gevolch voor ons ver- beteren ofte verslimmeren, naer dat wij ons wreet ofte goedertieren instellen." Om Van der Laan in die inlandsche zaken te raden, werd hem toegezonden de in die streken bekende onderkoopman Jacob van Rhee, en eenige inlanders, die konden lezen en schrijven en „een groote kennisse aldaer hadden." Zij moesten de inboorlingen overtuigen, „dat onse compste niet is om haer te beschadigen, maer om haer van 't lastich pack en tirannije der Portuguezen te be- vrijen." Daarom zou ook ieder, die buiten de Portugeezen iemand overlast aandeed, zelfs met den dood worden gestraft. 1) Missive van Van Goens aan d'Ed. Jan v. d. Laan endc den Raet Negombo 18 Januari 1658. ^) De Zeeblom en Ter Veer vond hij aan de overkust, zie boven p. 142. noot 2. ^) Manaar met 53 koppen onder luitenant Champlé; Waterpas en Botterblom met 40 koppen onder kapitein Joost Buschkingh, Romeijn met 53 Ternatanen en Javanen onder kapitein Raja Talella. 144 Den volgenden dag, 19 Januari konden weer drie kleine jachten naar Tutucorijn worden afgezonden, gevolgd door een paar grootere schepen en al het klein vaartuig, dat te Negombo verzameld was. ^) Voor Van Goens zelf met zijn „sneedigen Goes" vertrok, drukte hij Van der Meyden nog eens op het hart het „importante werck der afFsnijdinge" van Colombo met behulp van den ingenieur, die hem van 't schip Naarden zou worden toegezonden, „naer de const van geometrie " te voltrekken, om zoo „buyten reproche " te blijven. Hij moest er wel aan denken, dat het niet op zijn weg lag tijdens de afwe- zigheid van den admiraal, „fiscaels ofte andere qualiteyten op Ceylon te vergeven" en dat het zijn plicht was „niet nalatich te wezen bij alle occasie" te schrijven. ") Eenigszins geërgerd over dien herhaalden aandrang kon de goeverneur niet nalaten te schrijven: „tot geen fiscaels sonder hare Ed.*^ ordre te stellen, heb ich selfF noyt geindineert, ') en „schoon hare Ed.' mij jongst over eenige onrijpe dingen wat leppich off ruijm hebben gelieven te berispen, zoo isser nae mij dunct echter (onder correctie) noch noyt jemant op dit Eylant geweest, die der E. Comp.^ voordeel tot noch meer heeft bevordert". ^) Het werd 21 Januari voor Van Goens ter reede van Negombo het anker lichtte, om zich bij de vloot voor Tutucorijn te voegen. Toen hij drie dagen later daar was aangekomen, had de Com- pagnie er een vloot van 12 zeilen, 2 chaloepen en veel klein vaartuig met een troepenmacht van ruim 800 man. ^) Als dominee ^) Tayoan, Mozambique, Cancelschiller, gevolgd door Ter Veer en Avondster met het klein vaartuig. (Missive van Van Goens en Van der Meijden, 19 Januari 1658.) -) Missives van Van Goens, 19 en 20 Januari 1658. ^) Missive van Van der Meijden, 20 Januari 1658. *) Missive van Van der Meijden, 22 Januari 1658. ^) De vloot bestond uit de jachten Naarden (400 ton), Ter Goes (440 ton), Ter Veer (320 ton), Avondster (400 ton); de kleine jachtjes Zeeblom, Manaar, Waterpas, Mozambique, Cancelschiller, Romeijn: de galjoten Boterbloem en Tayoang; 2 chaloepen: Japara en Colombo. De kleine jachtjes en galjoten wel ongeveer zoo groot als de Romeijn, die in de „Lijst der Navale Macht" voorkomt met 60 ton. In zijn Missive van 18 Jan. aan Van der Laan spreekt Van Goens ook van 12 zeilen en 2 chaloupen. De opgave van het aantal manschappen is niet nauwkeurig na te gaan. Van Goens kwam in Colombo met 450 man (Res. Verg. 7 Jan. 1658) en lichtte op Ceylon 400 man en 300 Singaleezen. (Memorie voor Van der Meyden 19 Jan. 1658), dat zou maken 850 blanken, waarbij dan nog gevoegd moeten worden de soldaten van Van der Laan, die opgegeven worden als 270 man, wat onmogelijk is, want Van Goens ging uit de vloot voor Goa met 800 (de matrozen meegerekend, vgl. boven p. 136); hij zelf bracht in Colombo 450, dan bleven er voor Naarden en Salamander 350. 145 was aan de expeditie toegevoegd de eerw. Philippus Baldaeus. ^) Een dag na de aankomst van Van Goens waren de Nederlanders meester van Tutucorijn, of liever, hadden zij de Portugeezen uit de plaats verdreven. Alle landingstroepen waren op kleine jachten zoo dicht mogelijk bij den wal gebracht. Daar er niet voldoende klein vaartuig was om allen tegelijk aan land te brengen, was 's nachts onder Van der Laan en Hartman een deel der troepen ontscheept. Dezen hadden niet mogen opmarcheeren, voor de overigen zich in den morgen onder Gluwinck bij hen hadden gevoegd. Zoo konden de Nederlanders den vijand met alle macht op 't lijf vallen „ende 't minste perijckel van verhes subject wesen." ^) Van „perijckel" noch van „verlies" was bij de verovering sprake geweest. In ,het open vlek Tutucorijn, hadden de 80 Portugeezen ^) slechts geringen tegenstand geboden. Na 't in brand steken van hun drie geladen fregatten waren zij er van door gegaan. De uit den brand overgebleven drie kleine stukjes geschut waren de eenige buit voor de Compagnie. ^) Dat was zeer gering; ook de verovering beteekende niet veel. Immers de Portugeezen waren veilig weggetrokken en konden het garnizoen in Manaar en Jaffanapatnam versterken, wat men hun juist had willen verhinderen. Zij zouden ook na 't vertrek van de schepen een tegenaanval op de stad kunnen doen. ^) Dien te weerstaan Het laatste schip zou daarvan 300 hebben (Res. Verg. 9 Febr 1658). In een missive aan Van der Laan 18 Jan. 1658 noemt Van Goens de verzamelde macht groot 780 militaire koppen en 340 Lascarijns; in de missive naar Batavia 6 Juli 1658 spreekt hij ook van 800 man en Baldaeus, (Ceylon p. 149) noemt hetzelfde aantal. De matrozen zijn dan hier vermoedelijk niet bijgerekend alszijnde geen „militaire koppen". ^) Baldaeus, Malabar en Choromandel, p. 151. '^1 Resolutie der Vergadering 24 Januari 1658. ^) Baldaeus, a. w., p. 151. Hij stelt het nemen van Tutucorijn verkeerdelijk in Februari. *) J. Ribeyro: Histoire de l'Isle de Ceylan, présentée au Roi de Portugal en 1685 Traduite du Portugais par Monsr. L'Abbé Le Grand. Amsterdam 1701, p. 340: „lis [les HoUandais] nous vinrent attaquer d'abord a Titecorim. oü ils trouvèrent Alvare da Sylva avec trois navires, ils en coulèrent deux a fonds et après nous avoir tué et blessé beaucoup de gens, ils nous obligèrent a nous échouer, et nous brüler nous mêmes." °) Dit en 't volgende naar de Resolutiën der Vergadering van 28 Januari 1658 in de Kerck St. Paul op Tutucorin. Raadsleden: Van Goens, Van der Laan. Gluwinck, Rob, Pieter Berckhout, Hartman, secr. Valckenburgh. AALBERS, O.-I. Compagnie. 10 146 zou een vrij groot garnizoen eischen, en Van Goens kon zijn mannen niet missen. Zonder het bouwen van een sterkte zou de bezetting ook weinig beteekenen en daarvoor had de admiraal geen tijd. Niet alleen tegen de Portugeezen zou een versterking noodig zijn, maar ook gewenscht met het oog op de inwoners, die zich den nieuwen indringers niet genegen toonden en hun beloften van goede behandeling niet vertrouwden. Zonder meer weer heen- gaan ging kwalijk. Dan zouden de Portugeezen terugkeeren en, wakker geschud, de plaats versterken om later beter tegenstand te kunnen bieden. Van Goens vond er wat anders op. De stad zou in bewaring gegeven worden aan den gouverneur van den Neik van Madure („des Neycx Manigaer") onder bedreiging met 's Compagnies ongenade, zoo er Portugeezen binnen gelaten werden. Om meer zekerheid te hebben werd Eduard Ooms met niet onaanzienlijk gevolg ') en een goede „schenckagie" naar den Neik van Madure afgezonden. Ook „de Teuver, vrijheer van Rammanade Puram" moest ontzien worden. Uit zijn land kregen de Portugeezen al hun toevoer voor Jaffanapatnam en Manaar. Mocht hij verder gaan en hen zelfs steunen met volk, „dat in menichte met roers gewapend heeft", dan zou het er voor de Nederlanders niet best uitzien. Naar hem werd dus ook een gezant afgevaardigd met een „schenckagie", Jacob van Rhee, die in 1656 al eens gezant in Madure geweest was. ^) Nog een mindere grootheid, maar gewichtiger persoonlijkheid moest bedacht worden, de „lantregeerder Warmiliappa PuUe." „Aan hem" toch „bestond het meeste doen en laten" en wat hij had ingewilligd zou later bij den Neik „te hchter te optineeren" zijn. Ten slotte hadden ook de Manigaar van Tutucorijn en zijn plaats- vervanger nog een cadeau verdiend, want Ooms zou onder „des Manigaers savogarde" de reis naar Madure beginnen. Van het naaste belang was de zending van Van Rhee, omdat des ^) Het gevolg zou bestaan uit: de resident van Caylpatnam, boekhouder De Haas (Miss. van Van der Meyden aan Van Goens, 15 Jan. 1658), een jong assistent, 4 soldaten, die minst in den oorlog gevaceert en best gehabitucerd sijn, één araatsjie (inlandsche lagere officier) met 4 Lascarijns. -) Missive van Batavia aan den Gouverneur en Raad te Ceylon 25 Oct. 1657, waarin Gouverneur-Generaal en Raden die zending goedkeuren, al had van Rhee niet het „uitseggen der Portugesen" kunnen verkrijgen. 147 Teuvers houding den meesten invloed kon hebben op den aanslag op Manaar en Jaflfanapatnam. Van Rhee moest van hem zien te verkrijgen: een vasten vrede, vriendschap en alliantie; vijandschap tegen de Portugeezen en een verbod aan zijn onderdanen om de door Portugeezen bezette plaatsen te bezoeken en van voorraden te voorzien. Tegen betaling der kosten zou Van Goens door den vorst graag gesteund worden met 5 a 6 inlandsche vaartuigen (thonys), bemand met 12 a 15 koppen, om daarmede zijn soldaten te landen. De tegenprestatie van de Compagnie zou alleen bestaan in 't beschermen van des Teuvers landen tegen 't geweld der Portu- geezen, niet tegen eenige inlandsche vijanden, ^) Mocht de vorst zich niet met de Nederlanders willen verbinden, dan was het de taak van den gezant van hem ten minste neutraliteit te verkrijgen, zoodat hij de Europeanen „met malcanderen liet omspringen". Maar dan moest hij er op rekenen, dat de schepen van zijn onderdanen, die de Portugeezen wilden approviandeeren zouden worden prijs verklaard. Als Van Rhee zag, dat het niet tot een alliantie kwam, moest hij spoedig vertrekken en Van Goens ^) Uit de „schenckagies" blijkt de grootheid van de personages: De Neik. De Teuver. Pulle. Manigaar. Plaats- vervanger. 1 getande olifant 1 ongetande „ 1 Perzisch paard 240 U sandelhout 60 'S noten 60 <g nagelen 60 S foelie 1 cas rozewater 2 chineesche goudlakens 16 el rood scharlaken 1 getande olifant 1 Perzisch paard 50 'g sandelhout 25 'S noten 25 <g nagelen 25 'S foelie 1 cas rozewater el rood scharlaken 50 'S sandelhout 20 'S noten 20 U nagelen 20 <^ foelie 1 cas rozewater 1 [el] rood fluweel 14 'S sandelhout 6 'S noten 6 ^ nagelen 6 'S foelie 8 "g sandelhout 4 'S noten 4 S nagelen 4 S foelie De olifanten zouden eerst later van Ceylon volgen, met schepen van den Teuver („die met d' eerste van syne vaertuigen van Ceylon hem sal toecomen"). Van Goens had 4 paarden meegenomen om één of twee tot een vereering aan den Neik en den Teuver te geven, en de andere voor zich en Van der Laan te gebruiken (Missive vïin Van Goens aan Van der Meyden, 19 Jan- 1658). ^) Instructie voor den onderkoopman Jacob vêin Rhee, 31 Januari 1658. 148 voor Killecarre op de hoogte stellen, opdat er maatregelen genomen konden worden Rammanacoyl te bezetten. Want de 6 voet diepe ^) straat tusschen dat eiland en den vasten wal moest voor de schepen van de Compagnie vrij zijn, daar anders Manaar niet van de noordzijde te naderen was. Van Goens verwachtte niet, dat de Teuver een „finale Resolutie" zou nemen voor zijn heer, de Neik van Madure, met de Compagnie had „geaccordeert." Van Rhee moest dan ook in dat geval, na Van Goens voor Killecarre ingelicht te hebben, Ooms volgen op zijn reis naar Madure. Deze „expresse gezant" met een brief ^) naar den Neik gezonden moest dezen vorst hetzelfde vragen als Van Rhee den Teuver gedaan had: vriendschap en verbod van handel aan zijn onderdanen. Maar hoofdzaak was het verkrijgen van eenige voordeden in het land van den Neik: een vesting en woning te Tutucorijn, het protectoraat over de kustbevolking (patangatijns en en paruas), onverminderd hun schatting aan den Neik; de heer- schappij over de parelvisscherij in de bocht van Tutucorijn; ^) de afsluiting van dat vaarwater voor alle vreemdelingen; het monopolie voor den aanvoer van peper en de preferentie voor den aankoop van rijst. De Compagnie wenschte ten slotte drie jaar vrijen handel in 't land van den Neik, om daarna tot een overeenkomst te geraken, behalve voor de rijst, die hoogstens 2 fanums het last ^) mocht kosten. 't Zou niet gemakkelijk zijn deze voorrechten te verwerven. Ooms moest daarom eerst een bezoek brengen aan den „Lantregeerder PuUe", '") die de meeste macht in handen had en waarmede „meest te doen hebben." Vóór hij het met dien machtigen heer eens was geworden, behoefde Ooms niet naar het hof te vertrekken. Te Killecarre kon dan vooraf nog met Van Goens overlegd worden. ®) ^) Valentijn, Ceylon, p. 164. 2) Bijlage III. ') Van Kaap Commorijn tot Colombo, Manaar en Rammanacoyl. ■*) 1 fanum = 5 of 7Vj stuuver. 1 last = 3000 pond. Vermoedelijk zijn de gevraagde rechten dezelfde, die de Portugeezen ook langs de kust bezeten hadden. ^) Valentyn, Ceylon, 164, spreekt van den „stadhouder Warmiliappe Pulle." Mis- schien een soort major domus. ^) In de instructie van Ooms wordt nog gesproken van een schuld. Daarover Dcinvers II, p. 293 en twee verdragen door Johan Maetsuycker 12 en 18 Febr. 1649 te Tutucorijn gesloten met den kapitein der stad, den vicarius en den Jezuietenpater, rector van het college. De verdragen in het „Contractbocck 1596 — 1662" op het Algemeen Rijksarchief. Daaruit het volgende: 149 Zoo was voor Tutucorijn alles geregeld en zou er voortgang ge- maakt worden met den tocht naar Manaar, het eiland, dat door een ondiepe geul van Ceylon gescheiden, zich uitstrekte naar 't westen vijf uur lang en twee uur breed, met zeven kerkdorpen en een fort naar de zijde van Ceylon. ^) De acht slecht bezeilde schepen -) werden voor uitgezonden naar het eiland Rammanacoyl, waar zij de andere vijf zouden inwachten om dan samen naar Manaar over te steken. Intusschen zou men trachten nog zooveel klein vaartuig bijeen te brengen als mogelijk In 1648 waren de Nederlanders door den Neik van Madure uit Pattana (vermoede- lijk Caylpatnam) verdreven. Zij weten die onvriendelijkheid aan de Portugeezen. In Febr. 1649 verscheen Johan Maetsuycker, gouverneur van Ceylon met een vloot van 10 schepen, hernam Pattana en ging vandaar naar Tutucorijn. Daar sloot hij met bovengenoemde vertegenwoordigers der Portugeezen de twee verdragen. De Portu- geezen beloofden in naam van de inwoners der stad binnen drie dagen, beginnende met 12 Febr. ten 6 ure 's avonds „veertigh duyzent R^ van 8*^°" te zullen opbrengen. Deze zouden dienen tot een vergoeding voor de verliezen door de Compagnie op de kust geleden en voor de kosten van de vloot van Maetsuycker. Bij wanbetaling zou Maetsuycker zich schadeloos stellen aan de goederen der inwoners van Tutucorijn en de andere plaatsen langs de kust. Na drie dagen was de schatting niet betaald. Maet- suycker heeft toen eigendommen van de inwoners genomen o.a. 10 vaartuigen en 3 klokken. De drie vertegenwoordigers hebben daarna verklaard, dat wegens de absentie van de inwoners het geld niet zoo gauw bij elkaar te krijgen was en toen bij het verdrag van 18 Febr. verkregen, dat uitstel verleend werd tot 31 Mei. Van die schuld was in 1658 nog maar een deel betaald blijkens de woorden uit de instructie: „Dat over de schuit van 31000 R^' met de debiteuren van Patangatys na haer goet comportement sal gehandelt worden, ende naer dat sij haer vroech ofte laat sullen comen obedieeren, daertoe een jaer tijt sal gestelt werden, reeckenende van den 26«° January, dat wy Tutucorijn verovert hebben, binnen 't welcke onze uitspraecke daer- over verclaert sal werden." „Ons wert bericht dat PuUée over de 5 a 6000 Ra van onze pretentie op de 31000 Ra soude compt. inge vordert en ontfangen hebben, welcke penningen in alle billicheijt mogen pretendeeren; ende soo sij voorgeven dat onzen goeverneur van Ceylon onse geheele actie heefr quijt gescholden, sal U. E. hem directel. tegemoet voeren, dat sulcx maer gemeent wert soo veel 't ongelyck en de schade, die men ons op Cayl aengedaen heeft aengaet, maer om de schuit quijt te schelden, dat tot sulcx den gouverneur niet machtich is, als synde de goederen onser principalen in Hollant. 't Volgende kan niet op de schatting slaan, maar op een handelsschuld : „En sal U. E. mede stijff staen op onse pretentie, die wij noch op de chittijs (een geslacht van koop- lieden „arch ende doortrapt" Baldaeus, Ceylon, p. 185) en de coopluyden van outs hebben, welcke hun somme op leverantie van coopmanschap op 't verjagen op Cayl hadden ontfangen ende dat die ons comptant betaelt ofte met coopmansch. moeten betaelt worden. *) Baldaeus, Ceylon, p. 150. ^) De jachten Avondsterre, Ter Veer, Mozambique, Caneelschiller, Romeijn, Botter- blom, Tayoan, Zeeblom; de snellere waren: Ter Goes, Naarden, Manaar, Waterpas, Japara. Colombo wordt niet meer genoemd. 150
ORANG-ORANG YANG MENYOKONG
Selasa, 7 April 2020
140
Langgan:
Catat Ulasan (Atom)
220
220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...
CATATAN POPULAR
-
Kenapa isu anjing menjadi sensitif. Sudah lama aku perhatikan bagaimana orang melayu berhadapan dengan isu anjing. Dalam hal ini aku akan m...
-
Oh sudah lama rasnya saya tidak menjengok blog ini. Ketika itu lihat orang ada akaun blogspot.my rasa nak ada akaun blogspot jugalah. Ketik...
-
20 De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten het...
-
40 Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den maharadja „...
-
30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt en...
Tiada ulasan:
Catat Ulasan