ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

160

160 

zecbastion („een lant- ende zeepunt",) waren zeker 30 rijnlandsche 
voeten hoog en dus niet te beklimmen. Na 't verlies van Colombo 
was dit laatste bolwerk der portugeesche macht op Ceylon, door 
Antonio d' Amaral y Menezes nog versterkt en de muren tot wel 
15 a 16 voet dikte verzwaard, zoodat het slechts door „bezonder 
gewelt van schieten en werpen van granaden ofte met uythongeren" 
tot overgave zou zijn te dwingen. En 't uithongeren zou niet 
te lang kunnen duren. Want door 't snelle opmarcheeren der 
Nederlanders was al het gepeupel uit de stad en de omliggende 
gehuchten „hol over bol" in de stad gevlucht. Deze hadden na de 
verovering der stad de wijk in het kasteel genomen, zoodat er 5 a 6 
duizend menschen zich binnen de beperkte ruimte ophielden. Onder 
dezen waren ongeveer 1000 Portugeezen en een aantal gewapende 
„toepassen" (kleurhngen). Dat was Van Goens echter toen nog niet 
bekend en hij achtte het later een zegen, „dat God de Heere" hem 
dat „doenmaals heeft verborgen gehouden", daarbij anders „zwaericheyt 
gemaect zou hebben, zoo machtige vyand in haer eygen nest te 
gaen bestoocken." 

Maar nu, de macht van den vijand niet bekend zijnde, werd na 
't veroveren van de stad, tot de insluiting van het kasteel overgegaan. 
Aan de noordzijde voerde Jan van der Laan het bevel, in 't zuiden 
leidde de admiraal zelf den aanleg der werken. Het was graven zoo 
snel als maar mogelijk was, om het kasteel met een wal te omgeven 
en daardoor de belegeraars te beveiligen. Na hard werken, verlies 
van eenig hollandsch, veel meer inlandsch werkvolk en van veel 
gekwetsten kwamen de gravers 30 April „rondom aen malcanderen". 

Intusschen moest het kasteel ook aan de zeezijde worden afgesloten. 
Twee toegangen leidden uit zee naar de stad. Van het zuiden langs 
een geul tusschen Ceylon en 't eiland Ouratura (later Leiden); van 
't westen tusschen genoemd eiland en Caradiva (later Amsterdam). 
Op een eilandje, Kays of St. Franciscus (later Hammen Hiel), midden 
in de laatste straat had Antonio d' Amaral y Menezes nog niet lang 
geleden een fort doen bouwen, om dien toegang af te sluiten. ^) 

De kleine jachten, juist van Manaar gekomen, met zooveel mannen 
als hij missen kon, had Van Goens na de verovering der stad onder 



^) Baldaeus, Ceylon, p. 155. 



161 

bevel van Cornelis Rob en den kapitein Petrus Wasch afgezonden 
naar beide naastliggende eilanden om het fort te beschieten. Maar 
in de hechte muren was geen bres te maken. En toch, een lange 
belegering was niet gewenscht. Want veel volk kon er niet gemist 
worden. Immers was nooit uitgesloten, dat Raja Singha alleen of 
met portugeesche hulp vijandelijkheden begon, of dat een aanval 
werd gedaan op Manaar, met slechts 60 van de slechtste soldaten 
bezet. Dan zou er hulp moeten worden gezonden van voor }afiFana- 
patnam. 't Was ook wenschelijk, dat de schepen, die naar Kaijs 
gezonden waren, terugkeerden om JafFanapatnam af te sluiten, dat nog 
altijd toevoer kreeg van de eilanden, wat door gebrek aan schepen 
niet kon worden verhinderd. De komst van het jacht Naarden ^) 
buitenom bracht de secrete vergadering er toe 8 April te besluiten 
eerst tegen Kays „iets forcelyck te ondernemen, 'tsij dat men 't selve 
door cracht van canon off wel door stormen na gemaeckte bressen 
sal trachten te dwingen." Daarna zou alle kracht tegen 't kasteel 
van Jaffanapatnam worden aangewend. Zoowel de admiraal als Van 
der Laan boden zich aan om den aanval op Kays te leiden, waartoe 
de eerste werd aangewezen, 't Bevel voor 't kasteel bleef den tweede 
toevertrouwd, die zich moest beijveren „met de bequaemste afsnydingh 
het leger vast te maecken, sonder vooreerst andere cracht te doen 
dan haer de neus te doen binnen houden." ^) 

Uit de Naarden werden zes twaalfponders gelicht en twee halve 
kartouwen, ^) zoodat er met een reeds aanwezige tienponder negen 
stukken, waaronder zwaar geschut, tegen het fort werden aangebracht. 
Den 19'^*° April, na een zeker niet zeer effectvolle beschieting (de 
muren waren te dik en de distantie van de beide eilanden af te 
groot, ^) begon Van Goens al de overgave te eischen. De bevelhebber 
Hieronimo de Paiva antwoordde, dat hij de hem toevertrouwde vesting 
voor zijn koning zou verdedigen tot zijn laatsten druppel bloed. ^) 



^) Het jacht was 28 Maart van Manaar te Colombo aangekomen. (Missive 
30 April 1658.) 

-) Resolutiën van de Vergaderingh van Maendagh 8*° April 1658. Aanwezig: 
Van Goens, Van der Laan, Gluwinck, secr. van Valckenburgh. 

^) Een half kartouw is een stuk van 27 pond. (De Jonge. Gesch. v. h. nederl. 
Zeewezen I, p. 282.) 

*) Baldaeus, p. 156. Van Goens in zijn missive van 6 Juli echter zegt, dat de 
kanonnen „vrijbres" hadden gemaakt. 

^) Zie de opeischingsbrief en 't antwoord, Baldaeus, p. 156. 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 11 



162 

Dan bleef er niets anders over, dan met de schepen door schans- 
korven en borstweringen versterkt een stormaanval te wagen, want 
Kaijs moest veroverd. De dorst kwam den belegeraars te hulp. Het 
fort had geen putten en slechts een beperkten voorraad water in 
bakken, die door de granaten gedeeltelijk waren vernield. Zoo 
wachtten de Portugeezen den storm niet af. Den 26^"° April gaf het 
fort zich over. 

Het garnizoen mocht uittrekken „met haer geweer, brandende 
lonten, kogels in de mont." Voor de 5 officieren en een priester 
was overtocht naar Goa bedongen; de 95 overige Portugeezen zouden 
naar Europa worden gebracht. 

De buit beteekende niet veel. 1 1 stukken van middelmatig of klein 
kaliber (4 — 16 pond), kruit, kogels, degens, pieken, musketten en 
andere wapens of uitrustingsstukken, ongeveer 50 duizend pond rijst 
en padi, wat peper en 15 slaven. ^) 

Den Zondag na de overgave werd door Baldaeus de „Dankzeg- 
ginge" gedaan naar aanleiding van Ps. 46 : 8. „De Heere der heer- 
scharen is met ons, de God Jacobs is ons een hoog vertrek." 

Nu de kans op ontzet was verminderd, zond Van Goens een eisch 
van overgave naar 't kasteel, waarop hij ten antwoord kreeg, dat 
de belegerden „als ware Portugezen geresolveert waren met het 
casteel het leven te verliezen." 

Zoo moest dan tot scherpere belegering worden overgegaan. Uit 
de schepen, waarbij zich nog gevoegd had de buiten Ceylon omge- 
zeilde Goes, werden de zware stukken gehaald en 8 batterijen met 
24 stukken werden rond het kasteel opgeworpen. Daarmede kon 
evenwel weinig worden uitgericht, want met het buskruit moest 
zuinig worden omgegaan. Gedurende één maand werden zelfs niet 
meer dan 30 schoten gelost. Nadat de naar Coromandel afgezonden 
boot Palleacatte met nieuwen voorraad was gekomen, werden met 
„ongelooffelijcken arbeyt" twee batterijen in zee uitgebouwd tegen- 
over de zeebastions. 

Terwijl men met dien arbeid bezig was, kwam er met een visschers- 
thony van Colombo over Manaar een verontrustend bericht. De in 



M Inventaris van 't gene naer de Veroveringh in 't fort Cays bevonden is. 
Get. 26 April. Pieter Berckhout, Lucas van der Dussen, Isbrandt Godsken, Gom. 
Valckenburgh. 



163 

Wingurla afgezette resident Leendert Jansz ^) met de Goutsbloem 
op weg naar Batavia ten zuiden van Gale geland, had persoonlijk 
aan Eduard Hauw te Gale gerapporteerd, dat er binnen Goa eenige 
fregatten werden klaargemaakt en met wel 1000 Portugeezen en 
gewapende toepassen werden bemand om Jaffanapatnam te ontzetten. 
In „bekommer lyke letteren" had Eduard Hauw geschreven naar 
Van der Meyden, en deze had dadelijk een visschersthony afgezonden 
om Van Goens met het bericht in kennis te stellen. ^) 

,,Om onder d'onse geen flauwe herten en de vyant door het aan- 
brengen van eenige spien geen meerder moet op haer secours te 
veroorsaecken", gaf Van Goens eerst alleen aan Van der Laan kennis 
van het bericht. Met hem overlegde hij, onmiddelHjk naar Kays, 
Manaar en de voor Negapatnam en Tutucorijn kruisende jachten 
bericht te zenden en Van der Dussen af te vaardigen naar Punte 
Pedras om daar met Cornelis Rob de wacht te houden, de beste 
landingsplaats nabij Cotjar „af te speculeeren" en er de prinsen vlag 
te hijschen. Daar zou het uit Gale verwachte schip Worcum ^) post- 
vatten om op 't aankomen van den vijand te letten. *) 



*) Zie beneden Hoofdst. VIII. 

2) Missive uit Gale naar Batavia, 20 Juni 1658 en uit Colombo 15 Juni 1658. 

^) Worcum was 15 Mei van Goa's bhare te Gale gearriveerd (Missive van Colombo 
15 Juni 1658) en 31 Mei met 200 soldaten naar Jaffanapatnam vertrokken. 

*) Resolutiën van Saterdag 25 Mey a° 1658. Secrete Vergaderingh. Aanwezig: 
Van Goens, Van der Laan, Van der Dussen (vóór 25 April teruggekeerd uit Suratte) 
secr. Valckenburgh. 

Van Goens schreef 6 Juli over deze zaak naar Batavia .... „de mare van ecnich 

notabel acncomend secours van Goa tot ontset van Jaffanapatnam afgesonden 

Dit gerucht was verbreyt door den coopman Leendert Jansz, dato 3 Meij van Wingurla 
ende Goa's bhare gescheyden ende op Gale acn den coopman Hauw gerapporteert, die 
sulcx met becommerlycke letteren den gouverneur Van den Meijden heeft aangeschreven 
ende denselven acn my met een visscherstony over Manaer, om wel op hoede te 
wezen. Maer docht ons alhier, dat onse scheepen den 3den Mey van Goa gescheiden 
zijnde ende wij versekert waren, dat geen galjoens door haer nederlage ende quaet 
genoten tractement (zie beneden Hoofdstuk VII) van d' overige ons conden bijcomen, 
dat de vreese voor fregatten bespottelyck was. Niettemin is dese vreese oorsaeck, 
dat de scheepen Goutsbloem ende Vlieland (tegens mijn ordre wegens 't emplooy 
der schepen) op Ceylon nog wat opgehouden sijn". Ook de Vogelensangh en de Saphier 
voor Coromandel bestemd, werden tot 6 Juni vastgehouden en ecnig volk van de buiten- 
wachten naar binnengetrokken (Missive van Colombo 25 Juni 1658):.... Middeler- 
wijl is van al dit gerucht macr verstaen, datter 40 fregatten op Coutchin waren ver- 
schenen en is de rest in roock verdwenen." Uit deze laatste zinsnede zou men kunnen 
afleiden, dat de Portugeezen toch wel aan een secours gewerkt hebben, maar te laat. 



164 

Ook binnen de vesting scheen men bericht te hebben ontvangen 
van aanstaande hulp. Door den bevelhebber van het kasteel, Joan de 
Mello, was 12 Mei een boodschapper met een brief afgezonden 
naar den „cap.° generael van navale macht, die dese plaatse comt 
secoureeren." ^) De benauwdheid en het gebrek, waarin de bevel- 
hebber zich bevond was, volgens dat schrijven, niet om uit te spreken. 
Volk had hij genoeg. Als hem maar bericht werd, waar de ontzet- 
tingstroepen zouden landen, zou hij eenige van zijn soldaten uitzenden 
om de hulpbenden te begeleiden. Liefst zou hij een landing zien, 
zoo dicht mogelijk bij de vesting. De Portugeezen zouden dan de 
Hollanders „in 't midden gecregen hebbende door Godes hulpe tot 
een geheele ruyne brengen .... tot Godes glorie, eere des Conincx 
en der Portugeze natie." 

Van ontzet werd nooit vernomen maar van overloopers wel, dat 
er binnen het kasteel een „pestilentiale siecte begon te raseren en 
veel menschen wechnam." Maar de vijand bleef hopen op verlos- 
sing en zelfs op wraak. Uit een onderschepten brief bleek, dat de 
Portugeezen aan de winnende hand komende voornemens waren alle 
Nederlanders over de kling te jagen. ^) Daarom besloot Van Goens 
bij de aanstaande bestorming „alles wat van 't spex geslacht wapenen 
droech" te vernielen. Zoover is het niet gekomen, 's Avonds, 21 Juni, 
ontving Van Goens een brief uit het kasteel met verzoek voor dien 
nacht een wapenstilstand te sluiten en den volgenden dag afgevaar- 
digden te ontvangen om te zien tot een verdrag te komen. Dit werd 
in zooverre toegestaan, dat het kanon zou rusten tot 's morgens 
negen uur, maar dat men aan de werken zou blijven arbeiden. 

Den volgenden morgen verschenen drie aanzienlijke Portugeezen. 
Zij vroegen vrijen uittocht met al hun goederen, slaven en twee 
stukken geschut, 't recht van verkoop hunner vaste goederen en 
meer „ongehoorde dingen." Van Goens liet hun door gecommitteerden 
weten, dat daarvan geen sprake kon zijn. Zij konden als soldaten 
uittrekken, de officieren en gehuwden tot bevelvoerende kapiteins 



En is misschien het „bespottelyck vinden" van Van Goens niet een opmerking ge- 
grond op latere feiten? De resolutiën van 25 Mei toonen een bezorgdheid geUjk aan 
die van Hauw en van Van der Meijden. 

') Copie van den origineelen brief en het translaat op het Algemeen Rijksarchief. 

^) Misschien is hiermede bovenbedoelde brief en de daaruit aangehaalde zin bedoeld. 



165 

incluis konden overtocht naar Goa krijgen; de rest bleef gevangen, 
tot zij naar Europa gebracht konden worden. Van hun bezittingen 
zouden zij slechts mogen meenemen, wat „wij uyt onze discretie 
haer zouden toestaen." De gezanten deden daarop „groote instantie" 
om den veldoverste zelf te spreken, maar die was daarvoor niet te 
vinden, voordat het verdrag van overgave op de gestelde conditiën 
was geteekend. Nog dienzelfden 22^'^° Juni had de onderteekening 
plaats. De voorwaarden van overgave waren heel wat harder, dan 
die waarop Colombo had gecapituleerd. ^) 

Den 23^'^° Juni werden de sleutels van het kasteel overgeleverd 
aan Jan van der Laan, en trokken de Portugeezen er uit. Buiten 
alle verwachting verlieten 3500 personen het kasteel. Van hen waren 
800 blanke Portugeezen, onder wie 60 priesters; 200 blanke vrouwen ; 
de overigen waren toepassen, kaffers, malabaren, slaven, slavinnen 
en dan een droeve schare van niet minder dan 1200 zieken, wijven, 
kinderen en dergelijk „onnut gespuys van menschen." Gestorven of 
gedood waren tijdens het beleg 2170 personen. ') 

Terwijl de Portugeezen het kasteel ontruimden, liet Van Goens 
de nederlandsche vlaggen en vaandels er op plaatsen en met kanon- 
salvo's begroeten. Maar hij liet het nog niet bezetten. Eerst drie 
dagen later trokken 250 man binnen, de rest bleef in de stad „uijt 
vreese van een zieckte te veroorsacken, soodanig beestachtich vuyl 
hadde deesen grooten hoop daerin gewoont." 

„Dusdanich is d'E. Comp.^ (door Godes besondere genade) heer 
van 't coninckrijck Jaffanapatnam ende dominateur van 't costelycke 
eylant Ceylon geworden, waervan nu den geheelen paepsen aenhangh 
met alle haer afgoderijen verdreven is." Zoo triomfeerde, trotsch op 
zijn succes, de calvinist Van Goens. Voor Woensdag 26 Juni schreef 
hij een dankdag uit te Jaffanapatnam en tegen den 7*^^" Augustus één 
voor geheel Ceylon. Baldaeus zocht weer in het Oude Testament 
een toepasselijken tekst: „En Mozes bouwde een altaar en hij noemde 
deszelfs naam: De Heere is mijn banier." (Ex. 17 : 15). 



^) Zie het verdrag Bijlage IV. 

-) Van Goens bericht, dat 400 Portugeezen gesneuveld of gestorven waren. Dan 
zouden er (met de 800, die uittrokken) 1200 geweest zijn. Van Goens spreekt echter 
Vcin een bezetting van 1000 man en 7 a 800 toepassen. Van die laatsten moeten er 
dan meer dan de helft zijn omgekomen, daar er maar 300 uittrokken. 



166 

De buit was niet zoo groot als men verwacht had. Hij werd ge- 
schat op een waarde, alles samen genomen, van ƒ43291 : 16 : 2, 
waarvan alleen het goud en zilver, de juweelen en contanten, 
ƒ33956 : 1. bedroegen. ^) 

De verovering van de drie sterkten had tot nu toe bijna 10 ^Iq 
van de europeesche manschappen het leven gekost. Den ó'^^" Juli 
waren er 98 gestorven en ongeveer 100 inlandsche koelies, terwijl 
er in 't ziekenhuis nog 5 lagen, „die 't Lijff daer niet apparent" waren 
„door te halen." De vijand daarentegen had op Manaar, Kays en 
JafFanapatnam aan gevangenen verloren ongeveer 1000 man en aan 
dooden 560 „blancke specken, buijten toepassen, vrouwen, kinderen, 
slaven, etc, soodat met de victorie van Goa ^) omtrent 2000 specken 
in de kaers gevlogen" waren. 

Het groot aantal gevangenen bezorgde den admiraal niet gcringen 
last. Hij zat er mee „beswaert ende verlegen". Hun invloed op de 
inlanders kon gevaarlijk worden en voor de Hollanders, minder in 
aantal dan zelfs de gevangen blanke Portugeezen, was de bewaking 
een zware taak, te meer daar het een weerspannige bende was. ^) 

Het verdrag van overgave hadden zij geschonden door zooveel 
goud en zilver mee te nemen, als zij bergen konden; daarom waren 
zij bij het uittrekken aan den lijve gevisiteerd geworden. Die visitatie 
had het meeste bijgedragen tot de som van ruim ƒ33,000, die aan edele 
metalen en juweelen was buitgemaakt. *) Zelfs was er onder de gevangenen 



') Behalve 't goud, zilver, juweelen en contanten was er gevonden: zilverwerk, 
spiegels, suiker, borax, comijn, caatsja (Hobson-Jobson, s.v. catechu, cutch, caut.) 
salpeter, tarwe, harpuijs, „chaye" (een verfstof), ijzer, staal, rijst, padi, peper, olifants- 
tanden, coperwerk, klokken (16*, geschut (24 metalen, 26 ijzeren I, kanonscherp, lijf- 
eigenen (608 1, olifanten [9 met tanden, 27 „alias ofte manneckens sonder tanden", 48 
wijfjesl, porcelein (640 stuks), musketten (579), haken (125), loopen (322), degens (81), 
pieken (233), pardilanen Ipardisanen?) (8), hellebaarden (15), ammunitie (kogels, spijkers, 
vuurpotten enz.), scheepsgereedschappen, martavanen (watervaten). 87 slaven werden 
onder de hoofdofficieren verdeeld. (Extract uyt de Leegemegotieboecken. In de stadt 
jaffanapatnam pr» Augustij anno 1658. 

-) Zie beneden Hoofdst. VII. 

^) 't Geheele getal gevangenen bedroeg 800 van JafFanapatnam + 95 van Kays + 
194 van Manaar = 1089 en bovendien nog 200 vrouwen. 

■*) Het eerste onderzoek naar den buit had aan goud, zilver en juweelen ongeveer 
ƒ30,000 opgeleverd, zooals Van Goens meedeelt in zijn missive van 6 Juli er bijvoegend: 
„ofte ons den tijt eenige verholen buijt sal aenwijzen, blijckt mij noch onbekent .... 
waerop UEd. vast gelieven te verlaten, dat er met mijn wille niet een stuyver sal 
vermindert werden." De meubelen en kleederen waren volgens den algemeenen 



167 

een complot ontdekt om Van Goens en Van der Laan om te bren- 
gen. ^) Tegen zijn zin was daarom de bevelhebber gedwongen hun 
alle „cortosije" te ontzeggen. 

Hij was er dus op uit zich zoo spoedig mogelijk van die gevan- 
genen te ontdoen. Eerst van de gevaarlijksten, de papen, die naar 
Coromandel gestuurd werden en daarna van den aanvoerder en van 
hen, die aan het complot hadden deelgenomen. Deze laatsten werden 
met een andere bezending van de aanzienlijksten ten getale van 300 
op 't schip Naarden in 't begin van Juh naar Batavia gezonden. ^) 

Op de bijgevoegde lijst werden de samenspanners met een teeken 
gemerkt en Van Goens zou wenschen, dat zij te Batavia bleven tot 
nader bericht van hem, om hen zoo lang als „koeyen met de kwaet- 
ste horens" nog wat van de kust van India verwijderd te houden, 
In 't bijzonder werden voor gevaarlijk gehouden Anthonio Mendes 
d'Orangie, op Manaar gewond, en aan wien „onse maximen meest 
bekent sijn ", en Gaspar Figeiro, „die d'onse wel eer de borst heeft 
opgehact ende 't vel van andere heeft afgetrocken." De Hooge Re- 
geering moest zich niet laten bewegen hen met een beroep op hun 
rang naar Goa te zenden, maar hen naar Europa transporteeren, 
„alsoo waerachtich is, dat een van dese ons quader is dan 5 andere, 
die onse maximen niet kennen, ende wij hun nae 't vader 1' zendende 
van nu af oock nog wel 3 jaren sullen quyt sijn." ^) 

Den 25^**" Juli werden met de Leeuwin, van Colombo ontboden. 



artikelbrief ter plundering overgelaten aan de officieren en soldaten. (Aangehaald in 
de Instructie voor Roothaas 1 Aug. 1657). 

Dat er nog verborgen schatten gevonden zijn. blijkt uit de latere opgave van 
bijna ƒ34,000 aan goud en zilver. Hoe hiervoor visitatie der eigen soldaten noodig 
was illustreert het verhaal van J. ]. Saar, die vertelt, dat hij op aanwijzing van een 
ouden duitschen priester in het klooster uit een kussen ƒ 2000 aan gemunt geld 
machtig was geworden, die hem voor het scheepgaan bij visitatie werden ontnomen. 
„Wenn ich es gewuszt hatte wollte ichs ehe ins wasser geschmissen haben" toornt hij 
nog bij de herinnering in zijn „Ost Indianische Fünfzehn Jahrige Kriegsdienst" 
1644-1659. Nürnberg 1662. 

^) hebben met bezondere listen toegeleijt mij ende den E. majoor specialijck 

door moort ofte vergift om te brengen, dat soo claer als den dach blijcken kan." 

-) Missive van Van Goens naar Batavia 23 Juli 1658. 

•^) Onder de met de Naarden vervoerde gevangenen werden met name genoemd: 
De kapitein v. h. kasteel Joan de Mello (jean de Mello Sempayo), die Antonio 
d'Amaral y Menezes als gouverneur van Ceylon had opgevolgd; Anthony Mendes 
d'Orange (Antonio Mendes Aranhas) capt.-moor de campo, met zijn huisvrouw, 
zoon en familie; Leonardo d'Oliveira d'Almedo, viadoor de fasende (opperkoopman) ; 



168 

weer ongeveer 500 Portugeezen, meest getrouwden met hun vrouwen 
en kinderen, ^) weggezonden, zoodat er op Jaffanapatnam nog maar 
overbleven 200 soldaten en nog 300 „alderley Portugees gespuijs," 
die echter minder te vreezen waren. Verscheidene Portugeezen en een 
paar honderd „toepassen" waren in dienst der Compagnie overgegaan. 

Toen Van Goens door de ontboden scheepsruimte zeker was, dat 
hij zich spoedig van de overtollige gevangenen kon ontlasten, had 
hij de expeditie voortgezet met een aanval op Negapatnam aan de 
overkust, bij den ingang van de baai van Tondi. Ter zee was de 
stad reeds eenigen tijd door een paar kruisende jachten geblokkeerd 
geweest. Jan van der Laan begon den tocht op 20 Juli met 1 1 
vaartuigen en 700 man, de Amboineezen meegerekend. Van Goens 
zou later volgen. 

't Plan was niet om zich „aen Negapatnam ofte St. Thomée zoo 
te vergapen, dat daerom eenich notabel volck zullen in pryckel 
stellen maer wel om onze soldaten in gedurige actie te houden." 
Daartoe zou Negapatnam tot 31 Augustus geblokkeerd worden, met 
vaste hoop echter, dat de stad dan wel zou zijn gevallen. 

Zij viel, zoo spoedig zij maar vallen kon. Ter reede aangekomen, 
zond de commandant den fiscaal Van der Dussen met „favorabele 
conditien" om de stad op te eischen. Spoedig daarna keerde hij terug 



Alvo Rodrigo Boralho (Alvare Ruys Borallio). De namen tusschen haakjes zijn 
ontleend aan Ribeiro, die in zijn Histoire de Ceylon eenige notabele gevangenen noemt. 

Figeiro was 17 Oct- 1655 door Van der Laan bij Paneture naar Colombo terug- 
geslagen (Baldaeus, Ceylon, p. 65). 

Van Goens motiveert zijn meening, dat de twee genoemde gevangenen niet naar 
Goa moeten gebracht worden, maar naar Europa (zie contract van overgave art. 4) 
met de niet duidelijke woorden: „soo sullen sij oock stijfF staen op haer qualiteijten 
ende dat het contract spreeckt van cappiteijnen incluijs, maer dit can volgens onse 
expresse meningh niet verstaen werden op de reformados („Capiteijnen, reformados 
bij de Portugeezen genaemt", zegt Baldaeus, Ceylon, p. 127) maar alleen op diegene, 
die zij „vivos" noemen ofte in actueelen dienst zijn." 

Ribeiro, p. 341, stemt overeen met 't verslag van Van Goens aangaande de slechte 
behandeling der gevangenen, maar de reden ervoor geeft hij niet op. Hij is hevig 
verontwaardigd want: „il y eut un de leurs officiers assez insolent, pour vouloir 
fouiller les femmes, sans avoir aucun égard pour celles, que leur naissance devait 
faire considérer plus que les autres, et il neut point de honte de violer les lois de 
la pudeur, cequi nous fit plus de peine que la perte de nos amis, de nos bien et que 
toutes les misères que nous avons souÉFertes." 

^) De Leeuwin kwam 31 Juli voor 't fort Geldria op de kust van Coromandel aan 
met 449 portugecsche gevangenen n.1. 193 mannen, 156 vrouwen en 100 kinderen. 
Missive van 't fort Geldria naar Batavia 2 Aug. 1658. 



169 

met gecommitteerden van de Portugeezen en 23 July reeds was op 
het schip Ter Goes het contract van overgave geteekend. Zonder 
een schot te lossen was de Compagnie meester geworden van 
Negapatnam. De kleine bezetting van 367 Portugeezen trad uit de 
poort en legde voor het groote vaandel der Nederlanders haar 
wapenen neer. ^) De groote stad met haar 12 bastions zou door zoo'n 
klein garnizoen, slecht voorzien van wapens en amunitie als het was, ^) 
niet te verdedigen zijn geweest. De voorwaarden van het contract 
waren bovendien vergeleken bij die van Colombo en JafFanapatnam zeer 
gunstig. ^) De soldaten mochten uittrekken met militaire eer, slaande 
trom enz., de officieren tot vaandrig incluis bleven in 't bezit van hun 
degens, en bij vertrek zou aan alle Portugeezen het zijdgeweer 
worden teruggegeven. De bewoners van de stad, ook de geestelijken, 
zouden met al hun bezittingen, wapens uitgezonderd, vrij en onge- 
molesteerd blijven tot den laatsten September of October. Daarna 
zouden zij naar Goa of noordelijker worden gebracht. Bij hun vertrek 
mochten burgers en geestelijken al hun bezittingen en slaven, ook 



^) Missive van Van der Laan aan den Gouverneur Laurens Pit 25 Juli 1658. 
Van der Laan zegt den 12den Juli voor Negapatnam verschenen te zijn. Van 
Goens noemt den datum van vertrek uit JafFanapatnam twee maal 20 Juli. Daar 
van geen landing of belegering sprake is, de gevangenen eerst ingescheept moesten zijn 
en de afstand tusschen JafFanapatnam en Negapatnam met een schip in 10 uren was 
af te leggen, zal 20 Juli wel de datum van vertrek en misschien ook van aankomst 
geweest zijn. Baldaeus, Malabar en Coromandel, p. 155: „ik ben 's middags ten 11 
uuren 't zeyl gegaen van Jaffanapatnam, dat wij ten 4 uuren al onder 't Landt waren, 
ende 's avonts ten 9 uuren voor Negapatnam al op Anker lagen. " 

^) Memorie van alle amonitie van oorloge, scharp, cruyt enz. welcke bij 't over- 
geven der stad Negapatnam door d' onderschr. gecommitteerdens bevonden is ge- 
vonden. 26 July 1658. Get. Hendrick Gluwinck en Adriaen van Nieuwlant. — De 
buit was niets anders dan oorlogsmateriaal; 51 stukken geschut van allerlei kaliber, 
348 musketten, 189 kardoezen, 610 vuurpotten, 854 kogels, 518 pond buskruit. Van 
waarde waren de 18 kerkklokken. 

^) Articulen van Verdrag ende accoord gemaakt tusschen pater Emanuel Carvalho 
van d' ordre Jesus, Louis de Quintal Pereiro, capt Diego Botelho, capt Emanuel de 
Almedo etc. als gemachtigde van Gaspar Alfonzo de Carvalho, cap» Moor en com- 
mandant van de gefortificeerde stad Negapatnam, in den name van Zijn May' den 
coninck van Portugaal ter eenre, ende d'h' Joan van der Laan commandeur ende 
majoor van d'Nederlantse crygsmacht onder 't beleijt van d'E.hr Rijckloff van Goens, 
Raad-Ordinaris van India enz. ende gevolmachtigde van zijn opgemelde Ed« tot 
naervolgende, in de name van d'Ho. Mo. H^^n Staten-Generael der Vrij Vereenigde 
Nederlanden, ende dEd-h"" Gouvernf Generael, ende Raden van India enz. 

Bij ampliatie van het verdrag werd nog toegestaan, dat allen blanken Portugeezen 
bij vertrek het zijdgeweer zou worden teruggegeven en dat de Commandant Gaspar 
Alfonso de Carvalho met zijn familie zou mogen vertrekken, waarheen hij wilde. 



170 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR