ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

190

190 

Uit het bovenstaande blijkt wel, dat de afsluiting van Goa niet 
volkomen was. Zij kon dat niet zijn, indien de groote schepen niet 
geassisteerd werden door klein vaartuig. Evenals in zijn vorig rapport ') 
gaf Roothaas de Heeren te Batavia ook nu weer in overweging bij een 
volgende uitrusting daarvoor te zorgen. Twee of drie lichte jachten ge- 
monteerd ieder met 8 a 10 stukjes en zooveel roeiriemen als mogelijk 
is, zouden met de 4 roeivaartuigen, die in Wingurla gebouwd werden 
naar zijn meening voldoende zijn, om ook de kleine, langs de kust 
varende scheepjes, het in- en uitzeilen te beletten. Als daardoor dan 
de voorziening van levensmiddelen te Goa stokte, zou dat onder de 
Portugeezen een groote „commotie ende revolte" kunnen verwekken. 
Aan het gebruik van die kleine jachten en de roeibooten was echter 
één bezwaar verbonden: de nederlandsche matrozen konden zoo slecht 
met het inlandsche roeivolk en het dito roeivaartuig omgaan. *) 

De bedoeling der Portugeezen was blijkbaar niet geweest in de eerste 
plaats een ontzettingsmacht uit Goa naar Ceylon af te zenden. Daartoe 



^) Van 13 ]uly 1657. De raad v. h. vorige rapport hadden de Heeren wel graag 
opgevolgd, maar zij konden niet bij gebrek aan klein vaartuig. „Ondertusschen souden 
niet ongeraden vinden dat U.E. op de Cust van Canara, dewijl wij mette vorst 
van hetselve in contract getreden sijn, in de eene ofte andere haven daer goet 
timmerhout is vallende 2 of 3 soodanige snedige lichte jachtjes ofte fregats lieten 
opsetten, als U.E. ons hebben voorgeslagen .... op welcke vaertuigen U.E. dan 
Canarijns of andere ervaren seeluijden souden moeten gebruijcken, om de schepen niet 
te veel van haer nodich volck te ontblooten, mits dat gelet werde, dat wij haer altijt 
meester mogen blijven .... dat deselve inlantse matrosen door de rouwicheit van 
ons volck geen oorsaack en werde gegeven op ons verbittert te wesen ende tegens 
ons op te staen." (Instructie voor Roothaas 1 Aug. 1657.) Roothaas heeft voor zijn 
vertrek te Wingurla opdracht gegeven eenige kleine vaartuigen te laten mciken en 
daarvoor twee timmerlieden achtergelaten. Deze zouden in Sept. gereed moeten zijn. 

^) Roothaas vertelt over de „rouwicheyt" van het volk, het volgende: 

„hadden wij een moors vaertuijchie gekocht met 18 riemen en dacrop gebuurt 10 
moorse matroosen; monteerden selve met 1 clcen metaele stuckjen, 8 a 10 soldaten, 
tot opperhooft een onderstuurman nevens 5 a 6 matroosen, die, zoo wij dochten al 
van de civielste basen waren. Met dit vaertuychie neffens 2 a 3 scheeps chialoupen 
souden wij omtrent de rivier Chiappeta (Chapora) beletten, dat geen cleijne vaer- 
tuijgen uijt off in Goa soude comen. Hadden tot haer retraict 't jacht Thoolen daer 
soo nae aen de wal doen anckeren, als de zeemanschap lyden mocht. 2 a 3 dagen 
daerin gecontinueert en eenige vaertuijgen tegen de wal gejaecht hebbende sijn de 
voorsegde Moors roeyers bij mij gecomen en claegden, dat heel rouw gehandelt wierde 
en dagelycx gescholden voor Catchors (port. cachorro = jonge hond, brutale vlegel.) 
en andere meer scheltwoorden. D'onse daerover aensprekende manqueerde geen blauwe 
excusen: in fin kon de mooren niet bewegen om in haeren dienst te continueren, 
maer was genoodsaeckt haer te largeren en souden voort onse matroosen op hetselve 
vaertuych den selven dienst doen, maer hielpen 't selve, alsoo een swack genaijt 
dinck was, haest om hals." 



191 

zijn zij meermalen in de gelegenheid geweest, zoowel door 't „diver- 
teeren" van de blokkade-vloot, als door 't voordeel van den wind. Hun 
pogen scheen allereerst ten doel te hebben de vloot der Nederlanders 
te vernielen, of althans het geladen galjoen de Bon Jezu door de 
vloot te brengen. Daarin zijn zij niet geslaagd, en in zooverre heeft 
Roothaas zijn taak goed volbracht. Maar volgens zijn „ordre" mocht 
dit galjoen er desnoods door, als hij maar den vijand bezuiden de 
bhare lokte en zoo mogelijk vernielde. ^) Daarin is hij niet geslaagd. 
En ernstige moeite heeft hij er ook niet voor gedaan. De vijand door 
hst te verlokken was zijn werk niet — wel dat van de Portugeezen 
met hun valsche vuren op 't strand en 't ontkomen in de duisternis 
op 3 Februari. Zelfs als hij overtuigd is, dat de Portugeezen het er op 
toelegden hem zijn „amminutie te doen consumeeren" spaart hij die 
niet — maar schiet er zoo lustig op los, dat een vijfde aanval der 
vijanden hem vermoedelijk een nederlaag zou hebben bezorgd. *) 

Een voorzichtig, tactisch vlootvoogd heeft Roothaas zich niet betoond. 
Maar wel een vechtcommandeur, die „de trots van ons soo te tergen 
(20 Januari) niet kon verdragen", die brandde van verlangen om 
eenmaal „tot ons contentement te connen attaqueren." Voor hem is 
een scheepsstrijd een sport. Met den vijand slaags zijn heet in zijn 
taal: „een contredans met hem dansen." 

Maar zulke dappere braven met durf en wat haat tegen de 
Portugeezen had de Compagnie noodig. En de Hooge Regeering 
gaf haar tevredenheid over zijn optreden te kennen, door hem ten 
derden male tot commandeur over de blokkade-vloot te benoemen. 
Den 6'^" Augustus 1658 verliet hij weer Batavia's reede met 9 schepen 
en 1068 koppen om nogmaals Goa's bhare af te sluiten. ^) 



^) Misschien ook was hij het niet met Van Goens eens, dat de victorie moet gaan 
boven de buit en wilde hij zich daarom niet te ver van de bhare begeven met de 
portugeesche vloot. Een zestiende deel van de buit was voor de veroveraars. 
(Instructie voor Roothaas 1 Aug. 1657.) 

*) G. G. en R. in hun Gen. Miss. van 14 Dec. 1658 schrijven ook, dat het een 
geluk mocht heeten, dat de Portugeezen niet nog één maal uitgekomen zijn. 

3) Gen. Miss. 14 Dec. 1658. 



HOOFDSTUK VIII. 



DE VISITATIE VAN SURATTE EN WINGURLA DOOR DEN FISCAAL 
LUCAS VAN DER DUSSEN. 

In zijn instructie was Van Goens, zooals wij weten, in de eerste 
plaats opgedragen Diu te veroveren en de Portugeezen van Ceylon 
te verdrijven. Eerst daarna kwam de visitatie der kantoren en gouver- 
nementen in aanmerking. Toch heeft Van Goens niet met een inspectie 
van Suratte en Wingurla willen wachten, tot hij van zijn krijgs- 
operaties zou zijn teruggekeerd, al was hij vermoedelijk wel van 
plan, die kantoren, hem van zijn bezoek in 1653/54 bekend, later, 
als hij gelegenheid had, zelf aan een inspectie te onderwerpen. 

Voorloopig zond hij er zijn fiscaal Lucas van der Dussen heen. 
Deze kreeg de opdracht vooral te letten op de particuliere goederen, 
die te Suratte met de fluiten Venenburgh en Oyevaar zouden kunnen 
worden aangebracht, of vandaar naar Perzië of Batavia gezonden 
zouden kunnen worden. In 't bijzonder zou hij moeten zorgen voor 
de uitvoering van de order der Hooge Regeering van 30 July 1657, 
waarbij den dienaren der Compagnie gelast werd, het geld, dat zij 
voor hun onderhoud niet noodig hadden, op interest aan 's Com- 
pagnieskas af te staan. ^) 

Den 25^'^° November 1657 zeilde de fiscaal met de fluiten Venenburgh 
en Oyevaar uit de vloot voor Goa en vertrok daags daarna van 
Wingurla's reede. Met hem ging de nieuwe directeur van 't kantoor 



^) Instructie voor den fiscaal Lucas van der Dussen, waer nacr hem geduercnde 
de reijse naer Suratte sal hebben te reguleren. In 't schip Worcum, 25 Nov. 1657. 
Voor bovengenoemde order, zie boven, p. 109. 



193 

te Suratte, Leonard Winnincx, om daar de plaats in te nemen van 
den waarnemenden directeur Isaack Coedijck, „die niet in de negotie, 
maar in de schilderkunst opgevoed en gestileert was", en daarom 
op bevel van Heer en Zeventien uit zijn ambt moest worden ontzet, 
om ergens als vrijburger de schilderkunst weer te gaan uitoefenen. ^) 

Eerst den ly*^" December kwamen de schepen, door harde noorden- 
winden tegengehouden, in „Suhalys Kom" aan. ^) 

Daar vonden zij het land in rep en roer, den handel gestaakt, de 
nederlandsche kolonie gevlucht naar Suhalys strand. Zelfs lag er een 
scheepje van den wisselaar Mondas Naan op stroom, van alles wel 
voorzien, om, als 't noodig was, de vlucht te nemen. Alleen de waar- 
nemende directeur en een paar anderen waren te Suratte gebleven. 

Wat was er aan de hand? 't Gerucht was verspreid, dat de mogol 
Shah Jehan (1627^ — 1658) was gestorven en zijn jongste zoon, prins 
Moerad Bax, die als vice-koning de benedenlanden voor zijn vader 
bestuurde, belegerde het kasteel van Suratte, om het bij een eventueelen 
troonstrijd met zijn broers in bezit te hebben. ^) Hij had ook hulp ge- 
vraagd aan de Compagnie, met de belofte, dat zij dan voor altijd bevrijd 
zou zijn van den halven Suratschen tol. Als men zeker was geweest, 
dat Moerad Bax zich zou kunnen handhaven, zou het een aardig 
voordeel voor de Compagnie hebben opgeleverd. Nu echter de toe- 
komst onzeker was, had men het verzoek beleefdelijk afgeslagen. Van 
deze beroeringen zou Van der Dussen op zijn visite eenigen last 
ondervinden. 

De eerste maatregel van den fiscaal was te zorgen, dat niemand 
aan land ging, voordat alle brieven, die van Batavia meegegeven 
waren aan vrienden en verwanten, aan hem werden ter hand ge- 
steld. In een zitting van den scheepsraad werden de meeste met 
toestemming van den directeur Winnincx geopend. Slechts drie ver- 
dachte brieven werden gevonden. 

De huisvrouw van notaris Huisman *) liet haar zoon, assistent te 



^) De directeur Hendrik van Gendt was in April 1657 gestorven. Over Isaack 
Coedijck: Dr. A. Bredius in Oud-Holland, 1909, p. 5 vlgg. 

^) Dit en 't volgende ontleend aan „Rapport aen d'E. Heer Ryckloff van Goens 
enz. nopende 't gunt in de quartieren van Guseratte uijt crachte van sijn opgemelte 
Ede gegeven ordre bij hem is verricht. Overgclevert in 't nederlants veltleger voor 
't casteel van Jaffenapatnam 25 April 1658. 

3) Gen. Miss. H Dec. 1658. 

•*) Anthony Huisman, notaris te Batavia. Daghr. Batavia 1656/57, p. 64. 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 13 



194 

Suratte weten, dat de opperkoopman Pieter Speelman onder zijn 
bewaring drie pikols koper (± 360 pond) aan boord had, waarvoor 
zij graag tarwe zou terug ontvangen. 

Voor den koopman Albert van Breugel was er een ongeteekende 
memorie, waarvan het handschrift als den schrijver verried de chi- 
rurgijn de Roo te Batavia. Ingesloten bevatte het epistel een staafje 
goud, waard drie realen, waarvoor hij graag eenige benoodigdheden 
voor zijn huisvrouw gekocht zou zien. 

Van het derde briefje was de herkomst niet vast te stellen. Het 
was gericht aan den wisselaar Mondas Naan en bevatte een „schuyt- 
jen" ^) goud. Er bleek uit, dat de schijver met den wisselaar handel 
gedreven had en hem nog 118 realen schuldig was. Mondas Naan 
werd ontboden en ondervraagd. Natuurlijk wist hij zich niet te herin- 
neren, dat iemand te Batavia hem nog 118 realen schuldig was! 

Deze oogst van ongerechtigheden was gering. Het goud en koper 
werden verbeurd verklaard. Maar er werd meer ontdekt. 

Voordat de Oyevaar naar Perzië vertrok (28 Dec), werden er 
nog 24 pikols koper in gevonden. Daarvan behoorden 16 aan den 
schipper Jacob van Doorn en 8 aan verschillende bootsgezellen. 
Voor den raad had de schipper zich te verantwoorden. Zijn recht- 
vaardiging doet zien, hoe de particulariteit tot de hoogste en eer- 
baarste ambtenaren was doorgedrongen. Van Doorn verklaarde, dat 
hij het koper had moeten aannemen van Abraham Pittavin ") als 
betaling voor een partij fransche wijn (van 450 realen), geleverd 
aan het lid van den achtbaren raad van justitie Cauw. Zonder 
verbreking van zijn eed aan de Compagnie kon die achtbare heer 
moeilijk aan koper gekomen zijn. Maar in allen gevalle mocht Van 
Doorn het metaal niet gaan verhandelen in Perzië. Dus werd het 
in beslag genomen en de schipper, voorloopig met verlies van zijn 
gage, als schipper afgezet, onder nadere goedkeuring van Van Goens. 
De opperstuurman Christiaan Gerritsen kreeg het commando over 
het schip. 

Over den gang van zaken te Suratte en onderhoorige kantoren waren 
de Heeren te Batavia alles behalve tevreden. De dienaren aldaar 



^) „Schuitje is een plomp gegoten stuk geld omtrent een vierde van een el lêing, 
ongelijk en ruim een duim breed." 

^) Procureur en vrijburger te Batavia. Daghregister Batavia 1653, p. 15; 1659, p. 88. 



195 

werden te spoedig rijk en er waren er te veel. Aan Van Goens was 
dan ook in zijn instructie opgedragen op geen kantoor meer dienaren 
te laten dan er noodig waren voor het verrichten van den dienst. 

Zoo ging dan van der Dussen over tot besnoeiing van het perso- 
neel. Het geheele kantoor, behalve den directeur en die bij den koning 
waren, ^) bestond uit 73 personen, ^) aan wie maandelijks voor tracte- 
ment en kostgeld ƒ3049 : 16 werd uitbetaald. Van hen werden dadelijk 
of zouden later ^) met verschillende schepen over Ceylon worden 
weggezonden 33, zoodat op de Guseratsche kantoren Suratte, Amada- 
bad, Agra en Sindi behalve den directeur, nog overbleven twee 
opperkooplieden, twee kooplieden, vijf onderkooplieden, vijftien 
assistenten, één krankbezoeker, drie opperchirurgijns, acht militairen 
en vier zeevarende personen, te zamen veertig dienaren. De zee- 
varenden waren noodig voor de bediening van de drie kleine vaar- 
tuigen, *) die het verkeer te water tusschen „Suhalys kom" en Suratte 
moesten onderhouden. Onder deze veertig, verzekerde van der Dussen, 
waren er geen, die elkaar in „bloet of affiniteit" te na bestonden. 
De maandelijksche uitkeering was door deze vermindering van per- 
soneel teruggebracht op f 1682 : 8. 

Minder succes had de fiscaal bij het ten uitvoer brengen van de 
order, die voorschreef, dat de overtollige gelden der dienaren in de 
kas der Compagnie moesten worden gestort. 

De directeur Winnincx had het geld al afgegeven vóór zijn vertrek. 
Zij, die uit Suratte weggestuurd werden, beweerden „onverobhgeert" 
te zijn, want de order sloeg alleen op de kantoren, waar de Com- 
pagnie geen kolonie had, en zij gingen nu naar Ceylon of Batavia, 
waar zulks wel het geval was. 

De brieven over die opvordering aan Jan Tack te Agra gezonden, 
waren teruggekomen. Zij hadden hem dus niet bereikt, wat uit den 
oorlogstoestand te verklaren was. 



^) Zie boven, p. 77 . 

2) n.1. 3 opperkooplieden, 7 kooplieden, 9 onderkooplieden, 21 assistenten, 1 
krankenbezocker, 3 opperchirurgijns, 13 militairen en 16 zeevarende matrozen. 

') Als de weg van Agra naar zee weer veilig was en de kantoren Brootsja en 
Brodera waren opgeheven. Hieruit blijkt, dat het kantoor te Brodera dus nog bestond, 
terwijl het na de eerste inspectie van Van Goens reeds zou zijn opgeheven (vgl. 
boven, p. 89). 

*) Het smalschip Haarlem, en de sjamboks Amsterdêun en Middelburg. 



196 

Het opperhoofd te Amadabad, Abraham Hartman, en de meeste 
anderen verklaarden geen geld te hebben. 

Een onderkoopman te Sindi, Vertange, had wegens gebrek aan 
schepen nog niet kunnen antwoorden, hetgeen volgens Van der 
Dussen „al eenigsints met de waarheyt balanceerde." 

Slechts twee verklaarden een aardige som te hebben overgespaard. 
De opperkoopman Dirk van Adrichem had 4000 realen en de koopman 
Joost Clant ƒ3000 beschikbaar. Maar — en het zal hun wel niet 
onaangenaam geweest zijn — dat geld was juist nu niet los te krijgen 
door de „gestaltenisse des tijts ende den oorlogh." Zoo kon de 
order der Hooge Regeering dus heelemaal niet worden uitgevoerd. 

De fiscaal vertrouwde de opgaven dan ook niet en om te weten 
te komen of de dienaren „haer tot derzelver onderhout niet al te veel 
en aproprieeren" eischte hij, wat hem in zijn instructie bevolen was 
„de openinge der middelen met leveren van staet en inventaris." 
Daartoe echter was geen der dienaren te bewegen. Inzage van 
particuliere zaken, dat ging niet. Van den directeur Winnincx kreeg 
van der Dussen geen steun. Die beriep zich er op, dat ook in Masuli- 
patnam op de kust van Coromandel slechts op een „simpele verclaringe 
was geprocedeerd." Dus moest de fiscaal van het straffe, maar 
afdoende middel afzien. De weigering der heeren doet wel ten zeerste 
vermoeden, dat er wel overgegaarde penningen waren, die quasi voor 
de huishouding noodig, in den handel gebruikt werden. 

De raad te Suratte had het niet wenschelijk geacht direct na aankomst 
het schip Venenburgh te lossen, omdat de tijdsomstandigheden den 
handel belemmerden en de uitgeladen goederen misschien aan plundering 
zouden worden bloot gesteld. Toen evenwel eind Januari 1658, Moerad 
Bax van de stad was weggetrokken, zijn oudsten broer Daragacour 
tegemoet, kwam er verlevendiging in den handel en werd 4 Februari 
met 't lossen begonnen, waarmede men 21 Februari gereed was. 

Van der Dussen, volgens zijn instructie, was voortdurend in het 
ruim van het schip er bij tegenwoordig geweest. Hij vond de drie 
pikols koper voor den assistent Huisman bestemd en bovendien, 
verborgen onder de kruidnagels, nog 17 pikols, die bleken toe te 
behooren aan den opperstuurman Pieter Speelman. 

In de zeilkamer achter het beschot „dat onmogelijk bedacht scheen" 
had schipper Hendrik Juriaensen zijn partijtje van meer dan 50 pikols 
koper verborgen gehad. Zij waren met de boot door den onder- 



197 

stuurman Cornelis Joosten aan boord gebracht. Op reis tusschen 
Wingurla en Suratte was het koper uit de kistjes genomen en in 
meer dan 300 zakjes genaaid, die bij donkeren nacht in 2 of 3 
reizen weer door den onderstuurman met de boot naar 't strand 
waren geroeid. 

De 17 pikols van Speelman waren door den hoogbootsman „uyt 
de nagelen gegraven", aan de matrozen in hun kisten in bewaring 
gegeven en eveneens bij nacht van boord gebracht. 

Hoe de fiscaal deze particulariteiten ontdekte, vertelt hij niet. De 
bijzonderheden moeten gebleken zijn bij het verhoor, waaraan de 
medephchtigen voor den raad te Suratte werden onderworpen. 

Slechts enkelen legden verklaringen af, maar zij weigerden die met 
een eed te bevestigen. Tegen een onderteekening hadden zij geen 
bezwaar. Maar de raad, die behalve den nieuwen directeur niet den 
minsten ijver toonde, had dat wel. En zoo was de fiscaal gedwongen 
de begonnen procedure op te schorten, tot Van Goens zelf te Suratte 
zou verschijnen. 

Bij het laden van de Venenburgh had Van der Dussen geen parti- 
culiere goederen kunnen ontdekken. 

Van de opbrengst der geloste goederen kon de fiscaal in zijn rapport 
nog niets mededeelen, daar de tijdsomstandigheden de veiling nog niet 
gewenscht maakten. Maar wel kon hij de verzekering geven, dat de 
voorgenomen manier van verkoop bij gesloten briefjes (de japansche 
wijze) door de kooplieden zeer werd gewaardeerd. Alleen de twee 
groote handelaars Wiersia Wora en Mondas Naan moesten er niets 
van hebben, de contractatie was hun wel zoo aangenaam geweest. De 
fiscaal verwachtte, dat in het vervolg de voorgeschreven methode 
zou worden gevolgd en dat dan de vastgestelde prijzen met name 
van de nagelen zou worden bereikt. Ten minste „soo den iver 
ende vigilantie, die den E. directeur daerinne betoont, van anderen, 
die 't niet betamen soude, door instigatie, misleydinge, directie ofi^ 
wel prodigaliteyt van de ongeneijgde Benjanen (Wiersia Wora en 
Mondas Naan) niet en wordt gecontramineert." Van der Dussen 
voelde wel, dat een nieuwe directeur te Suratte heel vast in zijn 
schoenen moest staan om tegen de „prodigaliteit" der groote koop- 
heden en tegen de ingeroeste gewoonten der dienaren van het kantoor 
bestand te zijn. 

Ook de administratie der gelden werd door het nazien der boeken 



198 

aan een inspectie onderworpen. Hieruit bleek, dat het beheer der 
gelden van het kantoor, die na den verkoop der specerijen een 
hooge som beliepen, was opgedragen aan den opperkoopman Dirk 
van Adrichem. Deze liet het geheel over aan den wisselaar Mondas 
Naan. die voor kassier fungeerde en die voor zoo'n groote 
administratie nooit eenige borgstelling had gestort (nooit heeft „geca- 
veerd"). Van de ontvangen gelden kwam nooit een penning in de 
logie. Slechts vond de fiscaal quitanties voor kleine dagelijksche 
uitgaven („dagelycxe kleyne guastos"), die de wisselaar aan de logie 
had uitbetaald. 

En met deze gelden uit de kas der Compagnie was het ook niet zuiver. 
Zij waren gebruikt „soo men voorgeeft" tot betaling van hetgeen de 
tafel maandelijks meer kostte dan het kostgeld bedroeg. Aan dien 
wantoestand werd op bevel van Van Goens een eind gemaakt. 
Koopman Joost Clant, die daarvoor uit Brootsja ontboden was en 
lederen dag kon arriveeren, was aangewezen om in 't vervolg de 
„tresorie der penningen" te beheeren, waarvoor in de logie een 
vertrek werd ingeruimd. 

Naast deze groote onregelmatigheid vond Van der Dussen kleine 
knoeierijen in de op 31 Mei 1657 gesloten boeken van het kantoor. 
Zoo waren de honoraria (ƒ2340 : 18.) aan een moorschen en hol- 
landschen dokter, die den gestorven directeur Van Gendt hadden 
behandeld, op rekening van de Compagnie gesteld. ^) Evenzoo was 
geschied met de salarissen door juffrouw Van Gendt bij haar vertrek 
betaald aan moorsche makelaars en huisdienaren. Voor dezelfde 
juffrouw, geboren EUsabeth Calandrijn, was op de onkostenrekening 
van het jacht Naarden, dat haar naar Batavia voerde, een som 
gebracht van ƒ493, „bij haer over diverse ververschingen gegasteert." 

Het logie-gebouw van de Compagnie had behoord aan zekeren 
Palloan Sopheet, die gestorven was. Aan de erfgenamen van genoem- 
den heer was in Mei 1657 boven de huur een som geleend van 
f 7491 : 16., waarvoor nog nooit eenige rente was betaald. De Com- 
pagnie moest intusschen het geld tegen hooge interest „negotieeren." 

Van den vroeger reeds genoemden Pieter de Bie ^) met zijn 



h Het graf en de begrafenis van Van Gendt was ook al op rekening v. d. Comp. 
gesteld voor ƒ 4376 De Heeren in Batavia zullen het echter zijn weduwe laten resti- 
tuceren. (Missive v. G.-G. en R. aan Isacq Coedijck 5 Sept. 1657). 

2) Zie boven p. 109. 



199 

„schraepachtigen aert", die, eerste opperhoofd op het nieuwe kan- 
toor te Sindi, dadehjk aan den particulieren handel was gegaan, 
vond Van der Dussen in het resolutieboek van den raad, weer 
nieuwe „vuijlicheden." Hij had n.1. de in Sindi gekochte goederen 
voor 8887 V4 realen meer ingeschreven, dan er voor betaald waren. 
Zijn „gedoente" was door een commissaris en diens adjunct ^) ge- 
inspecteerd, met het gevolg, dat hij naar Suratte was opgezonden. 
Hij moet echter een beschermeling, misschien handlanger, van Van 
Gendt geweest zijn. Want, ofschoon die directeur zijn handelingen 
ten zeerste strafbaar noemde, was de ontrouwe dienaar niet voor 
den raad gedaagd, waren de commissaris en zijn adjunct niet ge- 
hoord, noch was een rapport van hen verlangd. Bij eenvoudige 
resolutie, zonder procedure, waren de handelingen van De Bie ge- 
laakt. En hij zelf was, zooals wij reeds zagen, ^) benoemd tot 
opperhoofd van het gewichtige kantoor te Agra. Om voor hem 
plaats te maken, was de koopman Jan Tack teruggeroepen onder 
voorwendsel van „neglegentie." Na den dood van Van Gendt was 
bij Tacks verantwoording gebleken, dat van die beschuldiging niets 
waar was, en hij werd dan ook naar zijn vorige standplaats terug- 
gezonden, Aan de Compagnie had deze wisseling van opperhoofd 
intusschen 4000 realen gekost! 

En De Bie te Agra? Die had weer dadelijk van de gelegenheid 
geprofiteerd. Met een partij tin en 11 a 12 sokkels') foelie was hij 
vertrokken. Op naam van de Compagnie had hij die goederen door 
den tol gesmokkeld, en ze daarna tegen hoogen prijs verkocht. 

De fiscaal klaagde hem aan bij den raad en eischte, dat de ge- 
slepen, ontrouwe dienstknecht „gesuspenseert van qualiteijt en gages" 
naar Batavia werd gezonden. Het laatste konden de confraters niet 
tegenhouden; maar zijn qualiteit en gage ontnamen zij hem niet. 
Ten minste zoo lang zij konden. Hij ging over Ceylon en daar zou 
Van Goens verder over die zaak beslissen. 

Aan de dienaren der Compagnie werd in Indië het salaris maar 
voor een deel uitbetaald, de rest bleef onder beheer van de Com- 
pagnie en werd bij terugkeer in patria met rente uitbetaald. *) Dat 



') 


Zie 


boven p. 


111. 




') 


Zie 


boven p. 


113 


vlg. 


') 


Een sokkel = 


= 154 


pond. 


') 


Zie 


boven p. 


18. 





200 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR