200 voorschrift, zoo ontdekte Van der Dussen in de „logieboeckjens", werd te Suratte niet altijd gehandhaafd. Van tijd tot tijd was de gage geheel (comptant) uitbetaald. Beter middel om den particulieren handel of uitspattingen in de hand te werken, was er niet. Maar was misschien voor het personeel van het kantoor Suratte die parti- culiere handel niet het voornaamste doel van hun verblijf? Dat het belang van de Compagnie hun niet altijd het naast aan het hart lag, bewijst de quaestie van den afkoop van den tol, waarvoor jaarlijks ƒ66,000 werd betaald. Die afkoop was niet meegevallen. Gouverneur-Generaal en Raden hadden al meermalen aangedrongen op afschaffing van het contract en terugkeer tot de gewone tolbe- tahng. ^) Nu was door 't heengaan van Shah Jehan de gelegenheid gunstig om het contract vervallen te verklaren en geen nieuw weer aan te gaan. Van der Dussen bemerkte echter, dat de dienaren van het kantoor zeer „inclineerden" tot het maken van een nieuwe over- eenkomst, ofschoon door „d'ongelegenheyt des tijts de commersie 't eenenmael verstorven" was. De fiscaal had dus een ernstig onder- zoek ingesteld naar de reden van die „inclinatie." Hij kwam tot het inzicht, dat de koning evenveel reden had over het contract te klagen als de Heeren te Batavia. Hem toch was verzekerd, dat heel wat goederen van de benjaansche kooplieden op naam der Compagnie en met papieren door de Compagnie gezegeld ■werden doorgesmokkeld. En hij had reden die verzekeringen voor geloofwaardig te houden. Tijdens zijn eigen verblijf was het voorge- komen, dat door een benjaansch wisselaar met de sjambok van de Compagnie voor meer dan 10,000 realen aan goederen, behoorend aan Wiersia Wora, langs het tolhuis zouden worden gesmokkeld. Een ander wisselaar had het echter uit haat verklapt, de sjambok laten aanhouden, en daardoor 't meerendeel der goederen in beslag doen nemen. De ambtenaren der Compagnie maakten van hun ont- duikingen ook geenszins een geheim. Zij beroemden er zich zelfs op, hoe zij, die door het contract beschermd niet gevisiteerd werden, bij aankomst te Suhaly van de moorsche schepen uit Bassora en Mocha, geladen met contanten, ongelooflijk veel daarvan zonder tolbetaling binnen Suratte hadden gesmokkeld. Soms waren op één tocht wel 5 a 600 ropieën verdiend. ^) Zie boven p. 96. 201 Hoe kon men anders verwachten van subalternen, als de directeur van het kantoor het voorbeeld gaf? Eenige jaren geleden zou deze zelf (misschien van Gendt?) betrapt zijn, als hij niet bij 't opvaren van de rivier gewaarschuwd was. Hij kon nog tijdig de onder zijn zitkussen verborgen schat door één van zijn huisdienaren laten terugbrengen naar Suhaly's strand aan den koopman Albert Breugel. Die had het er toen een paar dagen later allemaal door gesmokkeld en den moorschen eigenaar ter hand gesteld. Na deze inlichtingen meent Van der Dussen dan ook te moeten advi- seeren, het contract niet te vernieuwen. Wel was er door de dienaren der Compagnie in Agra al een contract gesloten met den oudsten prins Moerad Bax tot vernieuwing van de tolovereenkomst, maar dat verplichtte de Heeren te Batavia en Suratte tot niets. En dit was wel duidelijk: zoon contract was niet in 't belang van de Compagnie, noch werd het gesloten om de vermindering, die de goederen in de tolhuizen ondergingen, te voorkomen, maar eenig en alleen, opdat de dienaren alles, wat zij begeerden, door den tol konden sleepen. Aan het slot van zijn rapport gaf Van der Dussen te kennen, dat naar zijn meening bovenal twee fouten op den toestand der Compagnie drukten, zoowel te Suratte als elders, n.1. het beheer der logie („de mesnagie") en de particuliere handel. Wat de „mesnagie" betrof, werd er een te druk gebruik gemaakt van „majeurs." ^) Ieder van de dienaren, die te Suratte, wat te ver- richten of te bestellen had, zond maar op eigen houtje een „majeur" zonder te vragen, of er al niet een voor de Compagnie met een zending belast was en of ook anderen van zijn diensten gebruik konden maken. Zoo werden soms op één dag 3 a 4 van die men- schen gebruikt, terwijl één het werk best af gekund had. In de logie en in de stallen was het aantal inlandsche dienaren veel te groot, 't Was toch niet noodig, dat ieder paard zijn eigen knecht had? ^) De nieuwe directeur had op dat onderdeel van de huishouding al 80 realen in de maand kunnen besparen, zoodat de fiscaal niet twijfelde of in die materie zou verbetering worden aangebracht. ^) Volgens den zin moeten het zijn boden, dienstmannen, voerlieden of sjouwers van Suhaly's strand naar Suratte. ^) Te Suratte bestond tijdens 't verblijf van v. d. Dussen de staluitrusting uit 5 karossen, 10 karreossen (vgl. boven p. 69), 6 paarden. 202 Ook op de karrevrachten van Suratte naar 't strand kon veel bezuinigd worden. Waar 20 karren het werk wel af konden, werden er soms 100 gebruikt. En toch had de Compagnie eenige eigen vaartuigen, waarmede de verbinding met de kust werd onderhouden. Maar op de afvaart van die scheepjes werd nooit gewacht. Kwamen er schepen aan en wilden de schippers, boekhouders en andere oflSciercn aan land passagieren, dan zorgde de logie op kosten van de Compagnie wel voor voertuig naar Suratte. De grootste verkwisting echter heerschte er bij de „gemeene tafel." 't Zou noodig zijn die geheel af te schaffen en de dienaren voor hun kostgeld eigen menage te laten voeren. Daarmede zou de Compagnie niet alleen besparen 't geen zij nu meer betaalde aan de tafel dan de kostgelden bedroegen n.1. 12 a 1500 realen, maar bovendien nog wat de keuken boven de tafel kostte aan olie, azijn, kaarsen, potten, pannen, doeken en allerlei keukengerei. Deze bedroegen jaarlijks onder den post huisonkosten 4000 ropieën, waarbij dan nog niet gerekend waren de loonen van de koks, marktgangers en andere keukendienaren. De bovengenoemde onkosten ten laste van de Compagnie waren openbaar, maar de fiscaal was er zeker van, dat er nog andere waren, die der Compagnie op verborgen wijze in rekening werden gebracht. Om de tweede fout, den particulieren handel, te bestrijden was door Van Goens de eenig mogelijke weg aangewezen. Zooals Van der Dussen bij het lossen en laden der schepen dag en nacht tegen- woordig geweest was, moest er altijd een dwarskijker aanwezig zijn. Daarom had Van Goens gelast, dat er aan Suhaly's strand een onder- koopman als fiscaal zou worden aangesteld, die op den particulieren handel zou toezien. Ofschoon de bedoelde fiscaal Vs van de aangehaalde goederen zou krijgen, was er door „ongenegentheyt" geen te vinden, die het baantje wilde waarnemen. Die misschien wel genegen waren, werden onbekwaam geacht. Een onderkoopman, meende Van der Dussen, was ook iemand van te geringe qualiteit om zoo'n ver- antwoordelijke en zelfstandige positie in te nemen. Hij gaf daarom in alle bescheidenheid in overweging daarvoor aan te stellen de tweede persoon te Suratte, die direct onder den directeur stond. Want naar iemand, die geen zitting in den raad had, zou niet geluisterd worden. Integendeel zouden zijn bemoeiingen worden tegengewerkt en niets kunnen uitrichten „als synde die cancker al in 't gebeente 203 gecropen." Die tweede persoon, aangesteld als fiscaal, zou dan 't recht moeten hebben, dadelijk bij aankomst der schepen den schipper, de stuurlui en den bottelier aan land te brengen en daar te houden tot het schip gelost was. Tot zoover het rapport over Suratte. Het geeft ons een kijkje in de grootere en kleinere knoeierijen op een der gewichtigste factorijen van de Compagnie. Met de stukken is het niet te bewijzen, maar de weinige feiten rechtvaardigen het vermoeden, dat er door de dienaren der Compagnie van den hoogsten tot den laagsten werd gekuipt met de wisselaars, gecontracteerd met de kooplieden, geknoeid in de boeken, en handel gedreven voor eigen rekening tegen den eed aan de Compagnie gedaan. Het rapport van Van der Dussen wijst niet alle wegen aan, waarlangs rijkdommen te vergaren waren, maar na de lezing kan het geen verwondering wekken, dat „in die quartieren de dienaren der Compagnie groote schatten seer schielijck hebben bijeen vergadert gehadt", en het is zeer duidelijk, dat „hun die door de wint niet aangewaijt, maar met ongeoorloofde middelen geprospereert sijn." ^) En zouden de door den fiscaal aangeprezen maatregelen verbetering kunnen brengen? De verleiding tot particulieren handel in zoo'n centrum van verkeer was groot; de schippers waren gewillig om tegen vergoeding de waren te bergen of aan den handel deel te nemen; het geld was te Suratte, in vergelijking met andere plaatsen, niet te duur te krijgen; een fiscaal bij 't lossen en laden der schepen zou toch ook niet onomkoopbaar zijn; Batavia was verre en zelf niet al te nauwgezet, commissarissen waren een sporadisch verschijnsel, en ... . meenden die heeren het zelf wel zoo ernstig? Den 2*^^° Maart vertrok Van der Dussen om in Wingurla de daden van Leendert Jansz na te gaan, zijn nieuwe logie te bezien en te onderzoeken, hoe hij aan het geld voor den bouw was gekomen. ') Leendert Jansz was, van 't geen hem boven 't hoofd hing, door Van Goens verwittigd en tevens in een hartige réprimande berispt. De commissaris had hem verweten, dat hij het eigenlijke doel, waarvoor het kantoor te Wingurla diende, niet naar behooren behartigde. Eigenbelang scheen hem daarin te verhinderen. Zoolang Van Goens voor Goa lag, had hem van Wingurla nooit eenig advies bereikt ^) Missive van Gouv.-Gen. en R. aan Isaacq Coedijck te Suratte, 5 Sept. 1657. '^) Zie boven p. 105 vlg. 204 over de „constitutie" des vijands, noch eenig bericht aangaande zijn voornemens, wat voorzeker een teeken was, niet alleen van geringen ijver, maar ook van klein verstand van het opperhoofd te Wingurla. Hij moest zorgen voor betere spionnen, die, van elkaar niets afwetend, berichten binnen brachten, opdat „door conferentie van d'een en d'ander" eens juiste inlichtingen mochten worden verkregen. „Hierop alleen siet al 't werck van Wingurla en uw beroep 't selve maer wel te doen, buyten 't welcke daer anders geen kantoor noodig is." ^) Den 7^^^° Maart kwam Van der Dussen voor Wingurla ten anker en begon hij zijn visite om de onregelmatigheden, die er waren voor- gevallen, te ontdekken en zoo mogelijk de schuldigen aan te wijzen. Dat viel niet mee. Hij trachtte den resident, alle dienaren en de twee benjaansche kooplieden een scherp verhoor tegenover twee gecommitteerden onder eede te doen ondergaan. Hiertoe waren noch Leendert Jansz, noch de onderkoopman Pieter van Santvliet te bewegen. Zij beweerden daartoe niet verpHcht te zijn. Twee der assistenten, Leendert Leendertsen en Harmen Heesters, wilden wel op de ge- stelde vragen antwoorden, maar weigerden hun verklaringen met een eed te bevestigen. Zij hadden eenmaal een eed aan de Com- pagnie gedaan en waren dus niet gehouden nogmaals een eed af te leggen. Alleen de soldaat Jan ChristofFel deed in dezen, wat van hem verlangd werd en evenzoo de koopman Narsanna Weij met een bevestiging op de benjaansche wet, volgens zijn wijze en ge- bruik. Zijn broeder kon niet verhoord worden, die was naar het binnenland vertrokken. Van der Dussen kreeg den indruk, dat de ondervraagden veel meer wisten dan zij kwijt wilden wezen. Daarom en omdat de Compagnie aan de waarheid der behandelde punten veel gelegen was, kwam het den fiscaal dienstig voor ten minste de beide assistenten van Wingurla mee te nemen. Maar ook hier waren weer bezwaren. Leendert Leendertsen was chirurgijn en had onder zijn behandeling eenige gekwetsten van de vloot voor Goa. Hij kon dus moeilijk gemist worden en mocht blijven. Heesters echter ging mee en Covert Bruijn, van het schip Venenburgh, werd als voorloopig assistent op nadere goedkeuring van Van Goens ach- tergelaten. 1) Instructie voor Leendert jansz enz. 3 Dec. 1657. 205 Aan Roothaas werd verzocht met 't eerste naar Ceylon vertrek- kende schip den bottehersmaat Lambert de Groot over te zenden, die niet ondervraagd was, omdat hij, onder voorwendsel van levens- middelen te moeten koopen, naar Bardes (t. n.-o. v. Goa) was ge- gaan en eenige dagen moest uitblijven. Ook Leendert Jansz zelf kon nog niet mee, daar zijn aangewezen opvolger Van Santvliet eerst een zending naar Canara had te vervullen. Als die zending was afgeloopen, zou de gewezen resident over Ceylon naar Batavia ge- bracht worden. Van de dienaren was er maar één, die meer geld had, dan noodig was voor zijn onderhoud. Pieter van Santvliet had 500 pagoden (2000 gulden) aan 't kantoor te Wingurla afgedragen om te Batavia op interest gezet te worden. Van de anderen bleek voldoende, dat zij niets over hadden. Daarmede was de opdracht van den fiscaal afgeloopen. Zijn visite had zoo goed als niets opgeleverd. Hij was alleen in zijn overtuiging gesterkt, dat te Wingurla geknoeid was, dat de dienaren ook wel wisten op welke wijze, maar dat hij er niet achter kon komen. Van nazien der boeken, noch van vermindering van perso- neel wordt door Van der Dussen in zijn rapport gesproken. Leendert Jansz verliet begin Mei op de Goutsbloem met de laatste schepen der bezetting voor Goa de kust van Indië; 15 Mei kwam hij te Gale aan, waar hij de verontrustende mare verspreidde van het door de Portugeezen voorgenomen ontzet van Jaffanapatnam ^): en eerst 9 Augustus arriveerde hij op de reede van Batavia. ^) Daar heeft hij zijn handelingen voor Gouverneur-Generaal en Raden verdedigd in een vertoog, dat hij 6 December 1658 bij de Heeren inleverde. ^) Het komt hierop neer, dat hij volgens order van de Heeren in overleg met de scheepshoofden Simon den Danser en Abraham Hartman, vóór Wingurla vertoevende, met het oog op het meer- malen te ontvangen hooge inlandsche bezoek, besloten had, de logie *) Missive uit Colombo naar Batavia, 15 Juni 1658, Zie boven p. 163. -) Gen. Miss. 14 Dec. 1658, •^) Omstandelijck verhael wegens de nieuwe stene in Wingurla geboude E. Comp. Residentieplaets om te vertoonen den E. hoogachtbaren Heer Johan Maetsuycker Gouverneur-Generael ende d'E.E. heeren Raaden wegens d' Nederlandtschen standt in Orienten. Batavia 6 Dec. 1658. 206 netjes in orde te brengen. Daar nu in die dagen wegens onlusten het hout duur en de steen naar verhouding goedkoop was, en veel solieder, dus op den duur voordeeliger, ^) was ook door boven- genoemde heeren goedgevonden ten meesten dienste van de Compagnie het huis en de galerij geheel van steen te doen bouwen. Dat was ook zooveel beter met 't oog op dreigende brandstichting door de Portugeezen! Gedurende het bouwen waren er allerlei tegenvallers geweest, zooals ingevallen oude muren en een ingestorte pilaar in de groote zaal. 't Schrijven van Batavia, waarin bevolen werd, de geheele galerij weg te laten of met slechts V* van de kosten op te trekken, was te laat gekomen om het begonnen werk weer af te breken. En 't was ook zoo noodig gebleken voor 't vele hooge inlandsche bezoek en de vele „gequalificeerde personen" van de Compagnie, die er gehuisvest waren geweest. Men moest toch be- denken, dat de oude woning in 7 jaar tijds (1649— 1656) ƒ 7000 had gekost aan reparatie. Daarom had Leendert Jansz, ofschoon het wat duur was, er een pannen dak op laten zetten. Hij erkende wel tegen 't bevel van de Heeren gehandeld te hebben, maar hij had overwogen, dat hun order aangaande de verbouwing niet zonder schade voor de Compagnie had kunnen worden afgewacht en dat het in zoo'n geval ieder „subaltern voorsichtich over hooft toecomt met zijn sup- poosten te beraden" hoe de Compagnie in die gevallen het best werd gediend. Hij kon gedwaald hebben. In dat geval hoopte hij „zoo in mijn doen en laten („gel. vertrouwe neen") erreure mochte bespeurt werden, nevens andere oprechte dienaers UEd." gebruycke- lycke goedertierentheyt mach erlangen." De schrijver legde voortdurend den nadruk op 't hooge bezoek, waarvoor de praal en pracht, die de Hooge Regeering juist niet wenschte, noodig was, maar hij zweeg over de kosten van den bouw. Gouverneur-Generaal en Raden hebben dan ook geen genoegen genomen met de verdediging en aan Van Goens opgedragen bij zijn komst te Wingurla de zaak nader te onderzoeken. ^) Ernstig gestraft is de aangeklaagde oud-resident van Wingurla vermoedelijk niet, al wordt hij niet, zooals Pieter de Bie en Joan Barra, later nog in eervolle betrekkingen vermeld. ^) M Slechts een verschil van 2, 3 a 400 pagoden. 2) Gen. Miss. 14 Dec. 1658. 3) Vgl. boven, p. 113. 207 Wat door Van Goens zelf of onder zijn opperbevel tot eind Juli verricht was, was niet meer dan een begin van uitvoering der opdracht hem te Batavia gegeven. Het nieuw veroverde gebied moest nog georganiseerd, geschikte opperhoofden moesten aangesteld, vestingen aangelegd of geslecht en met de inlandsche vorsten nader onderhandeld en gecontracteerd worden. Het project op Diu was nog niet geheel opgegeven. De verovering van Cotchin en andere plaatsen op de kust van Malabar bleef hem nog aanbevolen. En dan wachtte nog op vollediger uitvoering de hem gegeven commissie als commissaris ter visite van Ceylon, Suratte, Wingurla, Coromandel, Malakka en, als het kon, van Bengalen. Nog vier jaar is Van Goens in de westelijke kwartieren geweest. Den 29^'^° Augustus 1662 leverde hij bij de Hooge Regeering een „Gort relaes" in „om te dienen van Raport ende aenwijsinge van de verrichtingen van oorloghssaecken ende commissie geschiet ende uytgevoert." Dat relaas is zeer kort en eigenlijk een verontschuldi- ging wegens „indispositie ende den corten tyt mijns aenwesen" voor het niet indienen van een uitvoerig rapport over al het in de ver- loopen 5 jaren verrichte werk. Hij verwijst dan ook naar zijn brieven, overgeleverde papieren, dagregisters en uitgevaardigde instructies „waeruyt can geconstrueert werden wat rapport ick U.E. te doen hadde." De schrijver van de voorgaande bladzijden hoopt gelegenheid te vinden uit bovengenoemde papieren het begonnen verhaal over Van Goens' optreden in de westelijke kwartieren voort te zetten. BIJLAGEN. AALBERS, O.-I, Compagnie. ^^ BIJLAGE I. Uit de Generale missive van 26 Januari 1655. 25 Dec. 1653 was de commissaris met de schepen Sluys, Avenhorn en Cabeljau in Sualys kom gearriveerd. Daar werd „ter eerster instantie verstendicht", zooals ook te voren voor Daman door een briefje van den E. Pelgrom was bericht, hoe twee engelsche schepen door particulieren uitgerust eerst genaamd Egel en Gulden Vlies, en naderhand door henzelf genoemd Boodschap en Duif binnen Diu lagen, en hoe bovendien het engelsche jacht Valck buiten Diu op de „Bassuraesche" schepen kruiste. Daarom vond Z.E. met den raad te Suratte goed eenige schepen in allerijl te lossen en op den vijand af te sturen, waartoe de jachten Muyden, Sluys en Cabeljau 't eerst gereed waren, welke met de „chaloup" de Maagd van Dorth vooruit naar Diu werden gezonden. Deze schepen ontdekten voor Diu een caffila van vele Portugeesche vaartuigen, waarvan de Nederlanders slechts een barkje met 18 lasten rijst, die als provisie voor de vloot zeer goed te pas kwamen, in handen kregen. Behalve dit vaartuig , .beknelde " de chaloup onder den wal nog een visscher, naar 't scheen, maar naar vast gemeend werd een spion, die de overheden van de schepen geraden vonden op te zenden naar Suratte, om aldaar uit dien man te vernemen, wat zij nauwelijks hadden durven gelooven. Van dezen visscher toch, in Suratte gebracht, werd men gewaar, dat drie engelsche schepen, de Boodschap, Wellekom en Valk elf dagen voor de komst onzer schepen over Sindi naar Perzië waren gegaan om hun schip de Endever, dat door de Nederlanders in Perzië werd ingesloten, te halen, om dan terug te keeren en gezamenlijk onder Diu „met avantagie" op onze schepen te kruisen. Hij vertelde, dat in Diu niet meer dan 100 blanke Portugeezen waren, onder wie wel 40 papen. Onder alle omstandigheden bleef deze oude moor zonder eenige „variatie" bij zijn beweringen, zoodat aan de waarheid niet te twijfelen viel. Op die gewichtige getuigenissen werd in Suratte be- sloten de geheele aanwezige macht van de Comp. naar Sindi te zenden, in de hoop de Engelschen daar nog te „beloopen", en anders gezamenlijk naar Perzië te gaan, en, als het geviel, dat de vijand de jachten Leeuw en Popkensburch, die toen van Bassora verwacht werden had genomen, hem die prooi weder te ontrukken, al moest het zijn onder het kasteel van Ormoes zelf. 't Was trouwens maar goed, dat het niet noodig geweest was, daar „de Persiaen dier gelycke violente proceduyren sonder retorsie, op zijn rheede van ons niet en soude hebben gedoocht, daervan infalibelyck voor 212
ORANG-ORANG YANG MENYOKONG
Selasa, 7 April 2020
200
Langgan:
Catat Ulasan (Atom)
220
220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...
CATATAN POPULAR
-
Kenapa isu anjing menjadi sensitif. Sudah lama aku perhatikan bagaimana orang melayu berhadapan dengan isu anjing. Dalam hal ini aku akan m...
-
Oh sudah lama rasnya saya tidak menjengok blog ini. Ketika itu lihat orang ada akaun blogspot.my rasa nak ada akaun blogspot jugalah. Ketik...
-
20 De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten het...
-
40 Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den maharadja „...
-
30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt en...
Tiada ulasan:
Catat Ulasan