ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

200

200 

voorschrift, zoo ontdekte Van der Dussen in de „logieboeckjens", 
werd te Suratte niet altijd gehandhaafd. Van tijd tot tijd was de 
gage geheel (comptant) uitbetaald. Beter middel om den particulieren 
handel of uitspattingen in de hand te werken, was er niet. Maar 
was misschien voor het personeel van het kantoor Suratte die parti- 
culiere handel niet het voornaamste doel van hun verblijf? 

Dat het belang van de Compagnie hun niet altijd het naast aan het 
hart lag, bewijst de quaestie van den afkoop van den tol, waarvoor 
jaarlijks ƒ66,000 werd betaald. Die afkoop was niet meegevallen. 
Gouverneur-Generaal en Raden hadden al meermalen aangedrongen 
op afschaffing van het contract en terugkeer tot de gewone tolbe- 
tahng. ^) Nu was door 't heengaan van Shah Jehan de gelegenheid 
gunstig om het contract vervallen te verklaren en geen nieuw weer 
aan te gaan. Van der Dussen bemerkte echter, dat de dienaren van 
het kantoor zeer „inclineerden" tot het maken van een nieuwe over- 
eenkomst, ofschoon door „d'ongelegenheyt des tijts de commersie 
't eenenmael verstorven" was. De fiscaal had dus een ernstig onder- 
zoek ingesteld naar de reden van die „inclinatie." 

Hij kwam tot het inzicht, dat de koning evenveel reden had over 
het contract te klagen als de Heeren te Batavia. Hem toch was 
verzekerd, dat heel wat goederen van de benjaansche kooplieden op 
naam der Compagnie en met papieren door de Compagnie gezegeld 
■werden doorgesmokkeld. En hij had reden die verzekeringen voor 
geloofwaardig te houden. Tijdens zijn eigen verblijf was het voorge- 
komen, dat door een benjaansch wisselaar met de sjambok van de 
Compagnie voor meer dan 10,000 realen aan goederen, behoorend 
aan Wiersia Wora, langs het tolhuis zouden worden gesmokkeld. 
Een ander wisselaar had het echter uit haat verklapt, de sjambok 
laten aanhouden, en daardoor 't meerendeel der goederen in beslag 
doen nemen. De ambtenaren der Compagnie maakten van hun ont- 
duikingen ook geenszins een geheim. Zij beroemden er zich zelfs op, 
hoe zij, die door het contract beschermd niet gevisiteerd werden, bij 
aankomst te Suhaly van de moorsche schepen uit Bassora en Mocha, 
geladen met contanten, ongelooflijk veel daarvan zonder tolbetaling 
binnen Suratte hadden gesmokkeld. Soms waren op één tocht wel 
5 a 600 ropieën verdiend. 



^) Zie boven p. 96. 



201 

Hoe kon men anders verwachten van subalternen, als de directeur 
van het kantoor het voorbeeld gaf? Eenige jaren geleden zou deze zelf 
(misschien van Gendt?) betrapt zijn, als hij niet bij 't opvaren van de 
rivier gewaarschuwd was. Hij kon nog tijdig de onder zijn zitkussen 
verborgen schat door één van zijn huisdienaren laten terugbrengen 
naar Suhaly's strand aan den koopman Albert Breugel. Die had het 
er toen een paar dagen later allemaal door gesmokkeld en den 
moorschen eigenaar ter hand gesteld. 

Na deze inlichtingen meent Van der Dussen dan ook te moeten advi- 
seeren, het contract niet te vernieuwen. Wel was er door de dienaren 
der Compagnie in Agra al een contract gesloten met den oudsten 
prins Moerad Bax tot vernieuwing van de tolovereenkomst, maar dat 
verplichtte de Heeren te Batavia en Suratte tot niets. En dit was wel 
duidelijk: zoon contract was niet in 't belang van de Compagnie, 
noch werd het gesloten om de vermindering, die de goederen in de 
tolhuizen ondergingen, te voorkomen, maar eenig en alleen, opdat de 
dienaren alles, wat zij begeerden, door den tol konden sleepen. 

Aan het slot van zijn rapport gaf Van der Dussen te kennen, dat 
naar zijn meening bovenal twee fouten op den toestand der Compagnie 
drukten, zoowel te Suratte als elders, n.1. het beheer der logie („de 
mesnagie") en de particuliere handel. 

Wat de „mesnagie" betrof, werd er een te druk gebruik gemaakt 
van „majeurs." ^) Ieder van de dienaren, die te Suratte, wat te ver- 
richten of te bestellen had, zond maar op eigen houtje een „majeur" 
zonder te vragen, of er al niet een voor de Compagnie met een 
zending belast was en of ook anderen van zijn diensten gebruik 
konden maken. Zoo werden soms op één dag 3 a 4 van die men- 
schen gebruikt, terwijl één het werk best af gekund had. 

In de logie en in de stallen was het aantal inlandsche dienaren 
veel te groot, 't Was toch niet noodig, dat ieder paard zijn eigen 
knecht had? ^) De nieuwe directeur had op dat onderdeel van de 
huishouding al 80 realen in de maand kunnen besparen, zoodat de 
fiscaal niet twijfelde of in die materie zou verbetering worden 
aangebracht. 



^) Volgens den zin moeten het zijn boden, dienstmannen, voerlieden of sjouwers 
van Suhaly's strand naar Suratte. 

^) Te Suratte bestond tijdens 't verblijf van v. d. Dussen de staluitrusting uit 5 
karossen, 10 karreossen (vgl. boven p. 69), 6 paarden. 



202 

Ook op de karrevrachten van Suratte naar 't strand kon veel 
bezuinigd worden. Waar 20 karren het werk wel af konden, werden 
er soms 100 gebruikt. En toch had de Compagnie eenige eigen 
vaartuigen, waarmede de verbinding met de kust werd onderhouden. 
Maar op de afvaart van die scheepjes werd nooit gewacht. Kwamen 
er schepen aan en wilden de schippers, boekhouders en andere 
oflSciercn aan land passagieren, dan zorgde de logie op kosten van de 
Compagnie wel voor voertuig naar Suratte. 

De grootste verkwisting echter heerschte er bij de „gemeene tafel." 
't Zou noodig zijn die geheel af te schaffen en de dienaren voor hun 
kostgeld eigen menage te laten voeren. Daarmede zou de Compagnie 
niet alleen besparen 't geen zij nu meer betaalde aan de tafel dan 
de kostgelden bedroegen n.1. 12 a 1500 realen, maar bovendien nog 
wat de keuken boven de tafel kostte aan olie, azijn, kaarsen, potten, 
pannen, doeken en allerlei keukengerei. Deze bedroegen jaarlijks 
onder den post huisonkosten 4000 ropieën, waarbij dan nog niet 
gerekend waren de loonen van de koks, marktgangers en andere 
keukendienaren. 

De bovengenoemde onkosten ten laste van de Compagnie waren 
openbaar, maar de fiscaal was er zeker van, dat er nog andere waren, 
die der Compagnie op verborgen wijze in rekening werden gebracht. 

Om de tweede fout, den particulieren handel, te bestrijden was door 
Van Goens de eenig mogelijke weg aangewezen. Zooals Van der 
Dussen bij het lossen en laden der schepen dag en nacht tegen- 
woordig geweest was, moest er altijd een dwarskijker aanwezig zijn. 
Daarom had Van Goens gelast, dat er aan Suhaly's strand een onder- 
koopman als fiscaal zou worden aangesteld, die op den particulieren 
handel zou toezien. Ofschoon de bedoelde fiscaal Vs van de aangehaalde 
goederen zou krijgen, was er door „ongenegentheyt" geen te vinden, 
die het baantje wilde waarnemen. Die misschien wel genegen waren, 
werden onbekwaam geacht. Een onderkoopman, meende Van der 
Dussen, was ook iemand van te geringe qualiteit om zoo'n ver- 
antwoordelijke en zelfstandige positie in te nemen. Hij gaf daarom 
in alle bescheidenheid in overweging daarvoor aan te stellen de 
tweede persoon te Suratte, die direct onder den directeur stond. 
Want naar iemand, die geen zitting in den raad had, zou niet geluisterd 
worden. Integendeel zouden zijn bemoeiingen worden tegengewerkt 
en niets kunnen uitrichten „als synde die cancker al in 't gebeente 



203 

gecropen." Die tweede persoon, aangesteld als fiscaal, zou dan 't recht 
moeten hebben, dadelijk bij aankomst der schepen den schipper, 
de stuurlui en den bottelier aan land te brengen en daar te houden 
tot het schip gelost was. 

Tot zoover het rapport over Suratte. Het geeft ons een kijkje in 
de grootere en kleinere knoeierijen op een der gewichtigste factorijen 
van de Compagnie. Met de stukken is het niet te bewijzen, maar de 
weinige feiten rechtvaardigen het vermoeden, dat er door de dienaren 
der Compagnie van den hoogsten tot den laagsten werd gekuipt met 
de wisselaars, gecontracteerd met de kooplieden, geknoeid in de 
boeken, en handel gedreven voor eigen rekening tegen den eed aan 
de Compagnie gedaan. Het rapport van Van der Dussen wijst niet 
alle wegen aan, waarlangs rijkdommen te vergaren waren, maar na 
de lezing kan het geen verwondering wekken, dat „in die quartieren de 
dienaren der Compagnie groote schatten seer schielijck hebben bijeen 
vergadert gehadt", en het is zeer duidelijk, dat „hun die door de wint 
niet aangewaijt, maar met ongeoorloofde middelen geprospereert sijn." ^) 

En zouden de door den fiscaal aangeprezen maatregelen verbetering 
kunnen brengen? De verleiding tot particulieren handel in zoo'n 
centrum van verkeer was groot; de schippers waren gewillig om 
tegen vergoeding de waren te bergen of aan den handel deel te nemen; 
het geld was te Suratte, in vergelijking met andere plaatsen, niet 
te duur te krijgen; een fiscaal bij 't lossen en laden der schepen zou 
toch ook niet onomkoopbaar zijn; Batavia was verre en zelf niet al 
te nauwgezet, commissarissen waren een sporadisch verschijnsel, en ... . 
meenden die heeren het zelf wel zoo ernstig? 

Den 2*^^° Maart vertrok Van der Dussen om in Wingurla de daden 
van Leendert Jansz na te gaan, zijn nieuwe logie te bezien en te 
onderzoeken, hoe hij aan het geld voor den bouw was gekomen. ') 

Leendert Jansz was, van 't geen hem boven 't hoofd hing, door 
Van Goens verwittigd en tevens in een hartige réprimande berispt. 
De commissaris had hem verweten, dat hij het eigenlijke doel, waarvoor 
het kantoor te Wingurla diende, niet naar behooren behartigde. 
Eigenbelang scheen hem daarin te verhinderen. Zoolang Van Goens 
voor Goa lag, had hem van Wingurla nooit eenig advies bereikt 



^) Missive van Gouv.-Gen. en R. aan Isaacq Coedijck te Suratte, 5 Sept. 1657. 
'^) Zie boven p. 105 vlg. 



204 

over de „constitutie" des vijands, noch eenig bericht aangaande zijn 
voornemens, wat voorzeker een teeken was, niet alleen van geringen 
ijver, maar ook van klein verstand van het opperhoofd te Wingurla. 
Hij moest zorgen voor betere spionnen, die, van elkaar niets afwetend, 
berichten binnen brachten, opdat „door conferentie van d'een en 
d'ander" eens juiste inlichtingen mochten worden verkregen. „Hierop 
alleen siet al 't werck van Wingurla en uw beroep 't selve maer 
wel te doen, buyten 't welcke daer anders geen kantoor noodig is." ^) 

Den 7^^^° Maart kwam Van der Dussen voor Wingurla ten anker 
en begon hij zijn visite om de onregelmatigheden, die er waren voor- 
gevallen, te ontdekken en zoo mogelijk de schuldigen aan te wijzen. 
Dat viel niet mee. 

Hij trachtte den resident, alle dienaren en de twee benjaansche 
kooplieden een scherp verhoor tegenover twee gecommitteerden 
onder eede te doen ondergaan. Hiertoe waren noch Leendert 
Jansz, noch de onderkoopman Pieter van Santvliet te bewegen. 
Zij beweerden daartoe niet verpHcht te zijn. Twee der assistenten, 
Leendert Leendertsen en Harmen Heesters, wilden wel op de ge- 
stelde vragen antwoorden, maar weigerden hun verklaringen met 
een eed te bevestigen. Zij hadden eenmaal een eed aan de Com- 
pagnie gedaan en waren dus niet gehouden nogmaals een eed af te 
leggen. Alleen de soldaat Jan ChristofFel deed in dezen, wat van 
hem verlangd werd en evenzoo de koopman Narsanna Weij met 
een bevestiging op de benjaansche wet, volgens zijn wijze en ge- 
bruik. Zijn broeder kon niet verhoord worden, die was naar het 
binnenland vertrokken. Van der Dussen kreeg den indruk, dat de 
ondervraagden veel meer wisten dan zij kwijt wilden wezen. Daarom 
en omdat de Compagnie aan de waarheid der behandelde punten 
veel gelegen was, kwam het den fiscaal dienstig voor ten minste 
de beide assistenten van Wingurla mee te nemen. Maar ook hier 
waren weer bezwaren. Leendert Leendertsen was chirurgijn en had 
onder zijn behandeling eenige gekwetsten van de vloot voor Goa. 
Hij kon dus moeilijk gemist worden en mocht blijven. Heesters 
echter ging mee en Covert Bruijn, van het schip Venenburgh, werd 
als voorloopig assistent op nadere goedkeuring van Van Goens ach- 
tergelaten. 



1) Instructie voor Leendert jansz enz. 3 Dec. 1657. 



205 

Aan Roothaas werd verzocht met 't eerste naar Ceylon vertrek- 
kende schip den bottehersmaat Lambert de Groot over te zenden, 
die niet ondervraagd was, omdat hij, onder voorwendsel van levens- 
middelen te moeten koopen, naar Bardes (t. n.-o. v. Goa) was ge- 
gaan en eenige dagen moest uitblijven. Ook Leendert Jansz zelf kon 
nog niet mee, daar zijn aangewezen opvolger Van Santvliet eerst 
een zending naar Canara had te vervullen. Als die zending was 
afgeloopen, zou de gewezen resident over Ceylon naar Batavia ge- 
bracht worden. 

Van de dienaren was er maar één, die meer geld had, dan noodig 
was voor zijn onderhoud. Pieter van Santvliet had 500 pagoden 
(2000 gulden) aan 't kantoor te Wingurla afgedragen om te Batavia 
op interest gezet te worden. Van de anderen bleek voldoende, dat 
zij niets over hadden. 

Daarmede was de opdracht van den fiscaal afgeloopen. Zijn 
visite had zoo goed als niets opgeleverd. Hij was alleen in zijn 
overtuiging gesterkt, dat te Wingurla geknoeid was, dat de dienaren 
ook wel wisten op welke wijze, maar dat hij er niet achter kon 
komen. Van nazien der boeken, noch van vermindering van perso- 
neel wordt door Van der Dussen in zijn rapport gesproken. 

Leendert Jansz verliet begin Mei op de Goutsbloem met de laatste 
schepen der bezetting voor Goa de kust van Indië; 15 Mei kwam 
hij te Gale aan, waar hij de verontrustende mare verspreidde van 
het door de Portugeezen voorgenomen ontzet van Jaffanapatnam ^): 
en eerst 9 Augustus arriveerde hij op de reede van Batavia. ^) Daar 
heeft hij zijn handelingen voor Gouverneur-Generaal en Raden 
verdedigd in een vertoog, dat hij 6 December 1658 bij de Heeren 
inleverde. ^) 

Het komt hierop neer, dat hij volgens order van de Heeren in 
overleg met de scheepshoofden Simon den Danser en Abraham 
Hartman, vóór Wingurla vertoevende, met het oog op het meer- 
malen te ontvangen hooge inlandsche bezoek, besloten had, de logie 



*) Missive uit Colombo naar Batavia, 15 Juni 1658, Zie boven p. 163. 

-) Gen. Miss. 14 Dec. 1658, 

•^) Omstandelijck verhael wegens de nieuwe stene in Wingurla geboude E. Comp. 
Residentieplaets om te vertoonen den E. hoogachtbaren Heer Johan Maetsuycker 
Gouverneur-Generael ende d'E.E. heeren Raaden wegens d' Nederlandtschen standt 
in Orienten. Batavia 6 Dec. 1658. 



206 

netjes in orde te brengen. Daar nu in die dagen wegens onlusten 
het hout duur en de steen naar verhouding goedkoop was, en veel 
solieder, dus op den duur voordeeliger, ^) was ook door boven- 
genoemde heeren goedgevonden ten meesten dienste van de Compagnie 
het huis en de galerij geheel van steen te doen bouwen. Dat was 
ook zooveel beter met 't oog op dreigende brandstichting door de 
Portugeezen! Gedurende het bouwen waren er allerlei tegenvallers 
geweest, zooals ingevallen oude muren en een ingestorte pilaar in de 
groote zaal. 't Schrijven van Batavia, waarin bevolen werd, de 
geheele galerij weg te laten of met slechts V* van de kosten op te 
trekken, was te laat gekomen om het begonnen werk weer af te 
breken. En 't was ook zoo noodig gebleken voor 't vele hooge 
inlandsche bezoek en de vele „gequalificeerde personen" van de 
Compagnie, die er gehuisvest waren geweest. Men moest toch be- 
denken, dat de oude woning in 7 jaar tijds (1649— 1656) ƒ 7000 had 
gekost aan reparatie. Daarom had Leendert Jansz, ofschoon het wat 
duur was, er een pannen dak op laten zetten. Hij erkende wel tegen 
't bevel van de Heeren gehandeld te hebben, maar hij had overwogen, 
dat hun order aangaande de verbouwing niet zonder schade voor 
de Compagnie had kunnen worden afgewacht en dat het in zoo'n 
geval ieder „subaltern voorsichtich over hooft toecomt met zijn sup- 
poosten te beraden" hoe de Compagnie in die gevallen het best 
werd gediend. Hij kon gedwaald hebben. In dat geval hoopte hij 
„zoo in mijn doen en laten („gel. vertrouwe neen") erreure mochte 
bespeurt werden, nevens andere oprechte dienaers UEd." gebruycke- 
lycke goedertierentheyt mach erlangen." 

De schrijver legde voortdurend den nadruk op 't hooge bezoek, 
waarvoor de praal en pracht, die de Hooge Regeering juist niet 
wenschte, noodig was, maar hij zweeg over de kosten van den bouw. 
Gouverneur-Generaal en Raden hebben dan ook geen genoegen 
genomen met de verdediging en aan Van Goens opgedragen bij zijn 
komst te Wingurla de zaak nader te onderzoeken. ^) Ernstig gestraft 
is de aangeklaagde oud-resident van Wingurla vermoedelijk niet, al 
wordt hij niet, zooals Pieter de Bie en Joan Barra, later nog in 
eervolle betrekkingen vermeld. ^) 



M Slechts een verschil van 2, 3 a 400 pagoden. 

2) Gen. Miss. 14 Dec. 1658. 

3) Vgl. boven, p. 113. 



207 

Wat door Van Goens zelf of onder zijn opperbevel tot eind Juli 
verricht was, was niet meer dan een begin van uitvoering der 
opdracht hem te Batavia gegeven. Het nieuw veroverde gebied 
moest nog georganiseerd, geschikte opperhoofden moesten aangesteld, 
vestingen aangelegd of geslecht en met de inlandsche vorsten nader 
onderhandeld en gecontracteerd worden. Het project op Diu was 
nog niet geheel opgegeven. De verovering van Cotchin en andere 
plaatsen op de kust van Malabar bleef hem nog aanbevolen. En 
dan wachtte nog op vollediger uitvoering de hem gegeven commissie 
als commissaris ter visite van Ceylon, Suratte, Wingurla, Coromandel, 
Malakka en, als het kon, van Bengalen. 

Nog vier jaar is Van Goens in de westelijke kwartieren geweest. 
Den 29^'^° Augustus 1662 leverde hij bij de Hooge Regeering een 
„Gort relaes" in „om te dienen van Raport ende aenwijsinge van 
de verrichtingen van oorloghssaecken ende commissie geschiet ende 
uytgevoert." Dat relaas is zeer kort en eigenlijk een verontschuldi- 
ging wegens „indispositie ende den corten tyt mijns aenwesen" voor 
het niet indienen van een uitvoerig rapport over al het in de ver- 
loopen 5 jaren verrichte werk. Hij verwijst dan ook naar zijn brieven, 
overgeleverde papieren, dagregisters en uitgevaardigde instructies 
„waeruyt can geconstrueert werden wat rapport ick U.E. te doen hadde." 

De schrijver van de voorgaande bladzijden hoopt gelegenheid te 
vinden uit bovengenoemde papieren het begonnen verhaal over Van 
Goens' optreden in de westelijke kwartieren voort te zetten. 



BIJLAGEN. 



AALBERS, O.-I, Compagnie. ^^ 



BIJLAGE I. 



Uit de Generale missive van 26 Januari 1655. 

25 Dec. 1653 was de commissaris met de schepen Sluys, Avenhorn en 
Cabeljau in Sualys kom gearriveerd. 

Daar werd „ter eerster instantie verstendicht", zooals ook te voren 
voor Daman door een briefje van den E. Pelgrom was bericht, hoe 
twee engelsche schepen door particulieren uitgerust eerst genaamd Egel en 
Gulden Vlies, en naderhand door henzelf genoemd Boodschap en Duif 
binnen Diu lagen, en hoe bovendien het engelsche jacht Valck buiten Diu 
op de „Bassuraesche" schepen kruiste. Daarom vond Z.E. met den raad 
te Suratte goed eenige schepen in allerijl te lossen en op den vijand af 
te sturen, waartoe de jachten Muyden, Sluys en Cabeljau 't eerst gereed 
waren, welke met de „chaloup" de Maagd van Dorth vooruit naar Diu werden 
gezonden. Deze schepen ontdekten voor Diu een caffila van vele Portugeesche 
vaartuigen, waarvan de Nederlanders slechts een barkje met 18 lasten rijst, die 
als provisie voor de vloot zeer goed te pas kwamen, in handen kregen. Behalve 
dit vaartuig , .beknelde " de chaloup onder den wal nog een visscher, naar 
't scheen, maar naar vast gemeend werd een spion, die de overheden van de 
schepen geraden vonden op te zenden naar Suratte, om aldaar uit dien man 
te vernemen, wat zij nauwelijks hadden durven gelooven. Van dezen visscher 
toch, in Suratte gebracht, werd men gewaar, dat drie engelsche schepen, 
de Boodschap, Wellekom en Valk elf dagen voor de komst onzer schepen 
over Sindi naar Perzië waren gegaan om hun schip de Endever, dat door 
de Nederlanders in Perzië werd ingesloten, te halen, om dan terug te keeren 
en gezamenlijk onder Diu „met avantagie" op onze schepen te kruisen. 
Hij vertelde, dat in Diu niet meer dan 100 blanke Portugeezen waren, 
onder wie wel 40 papen. Onder alle omstandigheden bleef deze oude moor 
zonder eenige „variatie" bij zijn beweringen, zoodat aan de waarheid niet 
te twijfelen viel. Op die gewichtige getuigenissen werd in Suratte be- 
sloten de geheele aanwezige macht van de Comp. naar Sindi te zenden, 
in de hoop de Engelschen daar nog te „beloopen", en anders gezamenlijk 
naar Perzië te gaan, en, als het geviel, dat de vijand de jachten Leeuw 
en Popkensburch, die toen van Bassora verwacht werden had genomen, 
hem die prooi weder te ontrukken, al moest het zijn onder het kasteel van 
Ormoes zelf. 't Was trouwens maar goed, dat het niet noodig geweest was, 
daar „de Persiaen dier gelycke violente proceduyren sonder retorsie, op zijn 
rheede van ons niet en soude hebben gedoocht, daervan infalibelyck voor 



212 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR