ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

150

150 

was, om in staat te zijn al het volk tegelijk aan land te zetten. Als 
kapitein over de vier uit matrozen gevormde landingscompagnieën 
werd Cornelis Rob aangesteld, de schipper van Ter Goes, terwijl 
de schipper van Ter Veer, Pieter Berckhout, werd benoemd tot 
commandeur over 't klein vaartuig. Over de krijgsvoorraden en 
de proviand („treyns-artilierij en vivres") werd gezet de koopman 
Isbrant Godsken met den adjunct Walraven Thomée, twee assis- 
tenten en een „capiteyn des armes." Godsken zou „van derselver 
uytgifte pertinente reeckeninge houden", en van de „onspendibele 
waren als schoppen, spaden, sijtgeweer, musquets etc. bij opbreekingh 
weder goede insamelingh doen, daervooren dan sal hebben te ver- 
antwoorden." ^) 

Met Ter Goes en de andere goed bezeilde schepen verUet Van 
Goens 4 Februari Tutucorijn, om de andere schepen te volgen in de 
richting van Rammanacoyl; ^) nog niet direct naar dat eiland. Eerst 
moest bij Killecarre gewacht worden op bericht van Van Rhee. Daar 
was twee dagen na 't vertrek toch weer de geheele ^) vloot bijeen, en 
Van Rhee bracht bericht van zijn zending. De Teuver was genegen 
veel klein vaartuig ter beschikking te stellen. Veel meer zelfs, dan 
gevraagd was. Wel 20 thonys kon de admiraal krijgen en daarbij 
een goed getal krijgsvolk. Hij meende, dat de Compagnie met haar 
macht niet in staat zou zijn alleen iets van belang uit te voeren en 
daarom wel genoodzaakt zou wezen als loon voor de verleende hulp 
de geheele of een deel van de veroveringen aan hem af te staan. 
Om den admiraal zijn vermeende afhankelijkheid te doen gevoelen, 
talmde hij nu al drie dagen met het zenden der toegezegde vaartui- 
gen en liet de Nederlanders hun tijd verspillen met wachten op zijn 
thonys. Niet met wachten op zijn krijgsvolk, want daarvan was Van 
Goens niet gediend. Hij voelde zich sterk genoeg om alleen de Por- 
tugeezen aan te tasten, desnoods zonder het klein vaartuig van den 
vorst, maar zeker zonder zijn krijgsvolk en de daarmede verbonden 
eischen. Nog één dag besloot de raad te wachten, maar dan den 



^) Resolutie van de Vergadering 28 January 1658. 

2) Missive van 17 Maart 1658 naar Batavia. 

^) De „geheele ", want aan de vergadering op 9 Febr. nam deel Berckhout schipper 
van Ter Veer, een vooruitgezeild jacht, terwijl de Res. van 16 Febr. meldt, dat voor 
Rammanacoyl nog op achtergebleven schepen moest worden gewacht, die vermoede- 
lijk tegelijk van Killecarre vertrokken waren. 



151 

jjdeD pebr. 't vertrek niet langer uit te stellen, om niet, door langer 
dralen, het voordeel van de lichte maan te verliezen. Het klein 
vaartuig kwam nog op tijd ^), en Van Rhee had den Teuver zelfs 
met „grote wackerheyt" bewogen zich ..publyck vyandt tegens de 
Portugeezen te verclaren." ^) Met de kleine jachtjes verspreid, voort- 
durend in het onbekende water peilend, voorop, laveerend met contrarie 
noordoosten wind, vorderde de vloot slechts langzaam en kwam zij 
eerst 16 Februari bij het eiland Rammanacoyl. ^) Hier moest weer 
gewacht worden, want vier slecht bezeilde schepen *) hadden zwaar 
met tegenwind te tobben. Toen zij er waren kon de gecombineerde 
vloot in dezelfde veiligheidsformatie ten zuiden van de Adamsbrug 
naar Manaar stevenen. Daar zou men trachten te landen bij het vlek 



*) Resolutie der secrcte Vergadering van 9 Febr. 1658 int schip Ter Goes ge- 
anckert voor Killecarre. Van der Meyden in zijn missive naar Batavia van 30 April 
1658 spreekt van klein vaartuig van de Mooren en van den Teuver. Jacob v. Rhee 
had blijkbaar met den Teuver een ontwerp verdrag gereed. Ten minste werd hem 
bevolen, als er geen thonys kwamen, de artikelen niet te teekenen. Zij zijn gekomen 
en toen is gesloten het „Verbondt .... tusschen ranganade Teuver ter eenre ende den 
Heer RyckloflF van Goens enz. ter andere zijde, 10 Febr. 1658" (Contractboeck 1596 — 
1662, Algemeen Rijksarchief). Het bestaat uit vijf artikelen van den volgenden 
inhoud: 1°. Tusschen beide natiën zal „tot den eeuwigen dagen" een vaste vriendschap 
en alliantie zijn. De koopmanschappen in beide landen ingevoerd zullen niet meer vrij- 
heden genieten dan andere. 2°. De Portugeezen zullen beider vijanden zijn. 3°. Des 
Teuvers onderdanen zullen geen handel drijven op Manaar, Jaffanapatnam en Nega- 
patnam of eenige plaats van den vijand. 4°. De Hollanders zullen des Teuvers stran- 
den tegen de Portugeezen verdedigen. 5°. De Teuver zal, evenals tijdens de Portu- 
geesche heerschappij 7 thonys voor de parelvisscherij mogen hebben. Jacob van Rhee 
heeft het verdrag voor de Compagnie bezworen en de Teuver heeft het bevestigd 
met „sweren bij sijn Heer Neyx beyde voeten". 

In de vergadering van 9 Febr. werd nog besloten Olphert Brouwer, schipper van 
Naarden voor een scheepsraad te brengen (hem in rechten te laten trekken), omdat 
hij ten deele de oorzaak was, dat Salamander en Naarden gescheiden waren. 
Toen n.1. beide schepen 's nachts bij kaap Commorijn zeilden, had Brouwer, zonder 
Van der Laan te waarschuwen en den Salamander door een kanonschot een teeken 
te geven, het schip voor den wind gewend en was afgezakt, toonende een groote 
„slofficheyt en cleynen iver tot den dienst van de Comp'^." Aan Van der Laan werd 
opgedragen rapport over 't gebeurde uit te brengen („reede soude bijbrengen "). Ook 
werd in de vergadering de raad geconstitueerd n.1. de aanwezige leden (Van Goens, 
Van der Laan, Gluwinck, Rob, Berckhout), die in justitieele zaken zouden worden 
vermeerderd met Johannes Hartman, kapit. Olphert Brouwer, Radia Talella (als er 
over Amboineezen moest worden geoordeeld), luiten. Jochem Blok en Adriaan Hem, 
schipper van de Avontsterre. 

^) Missive van Van Goens 6 July 1658 naar Batavia. 

^) Resolutie van de Vergadering van 16 Febr. 1658. 

*) Mozambique, Caneelschiller, Tayoan, Romeyn. 



152 

Narcoura op de zuidkust van Manaar. Vooraf werd een plan voor 
de landing opgemaakt en de troepen werden ingedeeld in een voor- 
hoede onder Van der Laan, een middentocht onder den admiraal, 
en een achterhoede, waarover Gluwinck het bevel zou voeren. ^) 
Men wist echter niet, hoe men den vijand zou aantreffen, en de 
omstandigheden bleken anders te zijn, dan zij volgens het gemaakte 
plan waren verwacht. 

Toen de vloot op 19 Febr. voor Narcoura verscheen vonden de 
Nederlanders de Portugeezen tot hun ontvangst bereid. Acht fregatten 
lagen voor het strand, dat versterkt was met een twee mijlen lange 
loopgraaf. Zevenhonderd soldaten waren ter verdediging bijeenge- 
bracht. ') Op die fregatten hadden de aanvallers niet gerekend; zij 
vormden de grootste hindernis voor de landing der troepen. Wat te 
doen? Een andere landingsplaats zoeken? Maar men wist, dat aan 
de noordkust bij Tellemanaar ook fregatten lagen; en als de landing 
meer oostelijk volbracht werd, dan zou men tusschen twee vuren 
komen, de troepen van Narcoura en die van het kasteel, op den 
oostelijken oever tegenover Ceylon. Na ,,langhsame meditatie" be- 
sloot de secrete raad eenstemmig de fregatten aan te vallen. Waren 
die eenmaal vernietigd, dan zou men het met de landmacht wel klaar 
spelen (,,die getroost sijn."). 

't Volgend plan werd vastgesteld. De kleine jachtjes Caneelschiller 
en Mozambique ,,out enne onbequaem langer te varen," ^) en waaraan 
dus weinig verloren zou zijn, moesten zoo dicht mogelijk tegen den 



^) De verdere officieren waren, van de „avondguarde" : „Jochem Block, luitenant 
van de vierroers, Albert Hetterson, Frederick Hendrick Donck, Adolf Schetz, Michiel 
Grijsaard, Radia Talella, cap' der Amboynesen, Olphert Brouwer, cap* der boots- 
gezellen; van de „Batalie": Barent Clebolt, luytenant van de vierroers, Gerrit Wil- 
louw, Joost Bussingh, Jacob Alebier, Symon Schreuder, Pieter van Ando, Cornclis 
Rob, capt van de matrosen, Pieter Berckhout, cap' van de Artilerije; van de Arricer- 
guarde : Jan Diedericx, luytenant van de vierroers, Pieter Schiamplé, Jan Grif, Nicolas 
Jacobssen, d'jou (?) Joncker, luytenant van de Amboynesen, Adriaan Hem, cap* van 
de bootsgezellen." 

^) Voor 't volgende: Resolutie der Vergadering van 19 Febr. 1658 en de Missive 
van Van Goens naar Batavia van 17 Maart 1658. 

De missive van 17 Maart geeft op 700 Portugeezen, Baldaeus (Ceylon 141) 1000. 
Ook omtrent het aantal fregatten bestaat verschil: Van Goens in zijn missive noemt 
14, Baldaeus 12, en de Resolutie van 19 Febr., dus op den dag zelf, 8, wat wel het 
betrouwbaarste zal zijn. 

^) Resolutie van de Vergadering 16 Febr. 1658. 






0) 

a 

CL 






**^ 



(I ' 'ii ui 






J a 










i/i 



1) !^^ 



^ v< ; i" (UI 



* tl 






i-,^iir 



^'^ 1'li 



1 ( ,(t 













I 'f' '('/' l( ■ 'II 






^ si 






1 ifm \\!^m^ 



(II 'i ( 



k 













...,:t^ 



Ivf' /', I „„ 

l'" f I '','1' 1' 



'{V , I . I, , .W. ., II, ,..i .Vi I ,1, ,. ,U,.i/ ,. , ',lMSi f , (.Ir 'f 






153 

wal en bij de vijandelijke schepen opzeilen, om deze en ook den vijand 
op 't strand, als die hulp wilde verleenen, te beschieten. De overige 
zeven jachtjes, versterkt met vier van twee stukjes geschut voorziene 
booten, moesten den vijand aanvallen. Opdat de schippers in goede 
orde zouden opzeilen werd ieder van hen schriftelijk aangewezen, welk 
vijandelijk fregat hij had aan te tasten. Achter de jachten bleven de 
groote schepen in 't ruime water (,,in 't vlak") om, waar het noodig 
mocht zijn, hulp te verleenen. Uit alle raadsleden, die zich ,,rustich" 
hadden aangeboden om met ,,couragie en dapperheijt" de onderneming 
der kleine schepen te ,,beleijden", werden als commandeurs over de 
jachtjes aangewezen Rob, Berckhout en Gluwinck. Hun werd de 
voorbereiding opgedragen, om den volgenden morgen met den dage- 
raad, ieder op zijn eigen vaartuig het ,,werck bij der hant te nemen." 
Terwijl de kleine jachten met de fregatten bezig waren, zouden de 
landingstroepen gereed gehouden worden om, zoodra de nederlaag 
der fregatten duidelijk bleek, aan land gebracht te worden. 

Den 20'*^° begon het gevecht. Het bleek dien eersten dag al, dat 
het voor de Nederlanders geen gemakkelijke taak zou worden. Het 
in den raad vastgestelde plan kon niet zoo vlot worden uitgevoerd 
als het was vastgesteld. De vijand was ,,om haer leste goet op Seylon 
te beschermen mannelijck geresol veert". Met een verlies voor de 
Nederlanders van drie dooden en even zoovele gewonden werd de 
aanval door de Portugeezen afgeslagen. De kapitein der Amboneezen 
Radja Talella was „mannelyck vechtende" in den strijd gebleven. 
Ook de vijand verloor twee officieren. ^) 

Den volgenden dag had de vijand zijn fregatten met den spiegel 
naar den wal gekeerd en den steven gericht op de aanvallers, waar- 
door zij minder trefkans boden. Het gevecht werd ingeleid door een 
kanonnade van de groote schepen, die zoo dicht mogelijk den wal 
naderden om met grof geschut de kleine fregatten te lijf te gaan. 
Daarna gingen wederom de kleine jachten er op af. Zij slaagden er 
nog niet in de fregatten te vermeesteren of te vernielen. Aan 't eind 
van den dag was er door 't geschut nog maar één fregat vernield 
en waren 24 man gedood, maar de Nederlanders hadden door de 
,, groote en gansch onvoorzichtige couragie van den Luitenant Block, 



^) Een kapitein van de armade en een vaandrig. 



154 

cnde de cleijne van andere, die hem niet genoegh adsisteerden", de 
boot van 't jacht Naarden en 13 man verloren. ^) 

Krijgslist en onversaagdheid moesten den derden dag de beslissing 
brengen. Den avond van den tweeden dag zeilden de schepen van 
de kust weg, zeewaarts, alsof de Nederlanders van plan waren zich 
terug te trekken. De Portugeezen begonnen nu „grotelyckx 't hooft 
op te steecken" en kwamen ook verder uit den wal. Maar te 
middernacht keerde de vloot met een gunstigen wind terug en zette 
de schepen zoo ver mogelijk op 't strand, zoodat van de schepen 
uit het strand met musketten te bestrijken was. Nu lagen de kleine 
jachten beneden, de vijandelijke fregatten boven den wind, zoodat 
zij, gekeerd door de verder in zee tusschen beide gelegen groote 
schepen het landen der soldaten uit de kleine jachten niet meer 
zouden kunnen verhinderen. De manoeuvre was gelukt, de vijandelijke 
scheepjes waren onschadelijk gemaakt. Zoo werd de morgen afgewacht. 
Maar toen bestond de vijand een niet verwachte „zeer desperaeten 
daet." De fregatten kwamen aanzeilen en poogden tusschen de 
schepen en het land door te schieten om aan de kleine jachten en 
de booten der groote schepen het landen van troepen te kunnen 
beletten. Het grof geschut van de groote schepen, het kleine van 
de jachten en de musketten van de soldaten deden hun voornemen 
mislukken. De meeste fregatten gingen verloren en de andere raakten 
beneden den wind. Van Goens gaf aan schipper Rob bevel met de 
kleine jachten de overblijvende aan te tasten. Hij had niets anders 
te doen, dan de reeds verlaten vaartuigen te verbranden. 

Intusschen werden met 30 „thonys " de soldaten aan land gebracht. 
Eerst bereikte de voorhoede onder Jan van der Laan en Hartman 
den oever. Toen Van Goens met den middentocht hem te hulp was 
gekomen vluchtte de vijand, nog voor de achterhoede aan land was 
geklommen. De Portugeezen schenen na 't verlies der fregatten de 
zaak als verloren te beschouwen, want volgens Van Goens kwamen 
de vaartuigjes van voorhoede en middentocht bijna te gelijk aan 
land. Van der Laan zette dadelijk den vijand, die in de bosschen 
gevlucht was, na, maar van de vervolging kwam niet veel terecht. 



^) Baldaeus, Ceylon, p. 148: „Wij verloren een Vaandrager en voor het Landen 
(wanneer de boot van 't Jacht Naerden door de Portugeezen genomen wierdt) den 
wackeren Luytenant Blok." Hier zou uit kunnen worden afgeleid dat de 13 man 
gevangen werden. Van Goens meldt niets van het verlies van de boot. 



155 

De Portugeezen kenden de paden en wegen, en *s Compagnies 
soldaten waren spoedig zoo moe, dat zij den vijand lieten loopen. 

Onder een meer dan twee uur aanhoudenden regen, die 't optrekken 
der troepen danig hinderde, werd langs het strand oostwaarts opge- 
marcheerd. Nog in den voornacht kwam men bij een kleine vesting, 
die de Portugeezen op den zuidoost hoek tegenover Ceylon hadden 
aangelegd. De sterkte was verlaten. Blijkbaar waren de Portugeezen 
inderhaast gevlucht, want op de wallen stonden nog 6 geladen 
kanonnen. Den volgenden dag werd geen ernstige tegenstand meer 
geboden. Toen de Nederlanders met vliegende vaandels naderden, 
werden maar een paar schoten van het kasteel gelost zonder iemand 
te treflFen. Van Goens meent met opzet „uyt vreeze ons te vertoornen." 
Zoodra het fort werd opgeeischt, kwamen twee personen naar buiten 
om in naam van den bevelhebber over de overgave te onderhandelen. 

Daarover was men het spoedig eens. De bezetting moest 50 treden 
buiten het fort haar wapens overleveren en zich gevangen geven. 
De ongehuwden zouden bij gelegenheid naar Batavia en vandaar 
naar Europa gebracht worden, de gehuwden met vrouw en kinderen 
naar de kust van Indië. ^) 

Uit het fort kwamen slechts 124 Portugeezen. In en na het 
gevecht bij Narcoura waren er 70 gevangen genomen. De Portu- 
geezen verklaarden zelf, dat er in den strijd wel 100 gesneuveld 
waren. Tot die gevallenen behoorde de bevelhebber van Ceylon 
Antonio d' Amaral y Menezes, die door een kogel in den hals was 
getroffen. *) Met een salvo van zeven kanonschoten liet Van Goens 
hem op het strand begraven. 

De buit in het kasteel gevonden toonde aan, dat de bezetting 
nog geen gebrek had aan ammunitie of levensmiddelen: 12 stukken 
geschut, 140 musketten, 2200 pond buskruit, een partij ijzeren en 
steenen kogels, 20 lasten rijst, 24 dito padi, wat suiker, tabak, slaven 



*) „Contract besloten bij den Heer admirael en veltoverste deser armade ende den 
sergeant-majoor joan van der Laen, uyt den name van de H. M. Heeren Statcn- 
Generael der Nederlanden en de Vereenichde Oostindische Comp« ter eenre ende 
Anthony Rodrigo en Aloncc Macias als gemachtighde van den Capiteyn moor 
(= major) van de fortresse Manaer, Andre Velossa, ter andrc zijde. In de kerck St. Q)c 
dezen 24e° Febr. 1658 in de stadt Manaer." De datum kan niet juist zijn. (Zie p. 156, 
noot 1.) 

») Baldaeus, Ceylon, p. 148. 



156 

en slavinnen en voorts allerlei ander gerei vielen den overwinnaars 
in handen. 

Zoo was Manaar Zaterdag 23 Februari ^) in 't bezit der Edele 
Compagnie gekomen. De eerwaarde Baldaeus kon den volgenden 
dag in de hoofdkerk der stad voor een goeden toeloop van volk 
de ware religie verkondigen. Ter overpeinzing beval hij zijn hoorders 
aan de woorden, die hunne aandacht kon opgeteekend vinden in 
I Sam. 1 '.1', de overwinning der Israëlieten op de Filistijnen bij 
Mizpa, en de oprichting van den steen Eben Haezer: „Tot hier toe 
heeft ons de Heere geholpen." ^) 

Het zal wel na kerktijd geweest zijn, dat Van Goens op dien 
Zondag zijn geheimen raad bijeen riep en „in deliberatie leijde, hoe 
men tot vorder vervolgh harer Ed.^ concepten ons scheepsmacht en 
lantsmacht soude gebruijcken." ^) 

Over de scheepsmacht werd als volgt beschikt. De twee oude en 
onbruikbare jachten Caneelschiller en Mozambique werden naar 
Colombo gestuurd om de gevangen Portugeezen over te voeren. 
Met hen ging het jacht Ter Veer, dat met zijn lading rijst noodig 
Ceylon moest voorzien, om dan door den gouverneur van het eiland 
voor andere diensten gebruikt te worden. Het galjoot Tayoan moest 
mee om zoodra mogelijk met adviezen uit Colombo terug te keeren, 
terwijl de Botterblom naar Tutucorijn zou gaan, om de berichten 
aldaar van Eduard Ooms gekregen, naar Colombo te brengen. De 
„cappitaele" jachten Ter Goes, Naarden en Avontsterre zouden onder 
Pieter Berckhout als schipper-commandeur, zoodra tijd en gelegenheid 
gunstig waren ten oosten van Ceylon om naar Jaffanapatnam zeilen. 
Aan Van der Laan werd opgedragen de oorlogsbehoeften en zooveel 
vleesch, spek en ander proviand als mogelijk was in de overige vijf 



^) 19 Febr. werd besloten den aanval op Narcoura den volgenden dag te be- 
ginnen dus den 20sten. „Des anderen daeghs" werd het gevecht hervat dus den 21 sten, 
aan den avond van welken dag de vloot naar zee voer om den 22sten 's nachts terug 
te keeren, en op dien dag den strijd aldaar te beëindigen. Denzelfden 22sten werd in de 
voornacht nog de vesting op den zuidoosthoek bereikt en den volgenden dus den 
23sten 't kasteel overgegeven. De datum 22 Febr. van de missive van 1 7 Maart, en 
van de copie inventaris van den buit, kan dus evenmin juist zijn als die van 
Baldaeus, p. 149 

2) Baldaeus, Ceylon, p. 149. 

^) Resolutie der Vergaderingh Sondagh 24 Febr. A» 1658 in de stadt Manaer. 



157 

kleine schepen te laden. De ook met den titel schipper-commandeur 
vereerde Cornelis Rob moest met alle mogelijke middelen trachten 
die schepen binnen door naar Jaffanapatnam te brengen. 

De compagnie matrozen, geformeerd voor de landing op Manaar 
werd nu ontbonden, daar zij op de schepen noodig waren. Tachtig 
man werden aangewezen om de vijf schepen te bemannen, terwijl 
de „gedresseerde" {in den wapenhandel geoefende) en gekwetste 
matrozen en soldaten, tezamen 60 man als bezetting in Manaar zouden 
achterblijven. Zij werden gesteld onder 't bevel van Jacob van Rhee, 
die met alle kracht de parelvisscherij moest bevorderen, en daarvoor 
in verbinding blijven met Eduard Ooms te Tutucorijn, „als hangende 
deze plaatsen in cas van de paerlnegotie seer aen malcanderen, opdat 
de Comp.^ 't zijner tijt de behoorlijke en smakelijcke incomsten 
magh gaudeeren." 

De Portugeezen hadden na de nederlaag bij Narcoura geen stand 
gehouden, het kasteel op Manaar met zijn bezetting in den steek 
gelaten en waren 's nachts, naar schatting 400 man sterk, overge- 
stoken naar Ceylon om Jaffanapatnam, dat ter verdediging van 
Manaar van troepen en vaartuig was ontbloot, te bereiken. ^) Zoo 
spoedig mogelijk moesten zij vervolgd worden. Met het gros van het 
leger en de noodzakelijkste „treynsbehoeften" stak Van der Laan den 
25sten pebruari over naar Mantotte, om den vijand te achterhalen. Drie 
dagen later brak ook de admiraal op. Van vervolging door de voor- 
hoede was zeker nog niet veel gekomen, want een dag na zijn vertrek 
had Van Goens zijn onderbevelhebber reeds ingehaald. De gevluchte 
vijanden waren toen zeker reeds in Jaffanapatnam, zoodat van een 
vervolging geen sprake meer kon zijn. 

Door het land van der Malabaren koning Coylot Wannea ") werd 



^) Missive van 17 Maart 1658 naar Batavia. Missive van Van Goens van 6 Juli 
1658 noemt een getal van 800, die zouden zijn ontkomen. Dat klopt heelemaal niet 
met Van Goens' opgave van de sterkte der Portugeezen op Manaar n.1. 700 man 
van welke er 350 zouden zijn gedood of gevangen. 

't Volgende naar de Missive van 17 Maart en 6 Juli 1658 en Baldaeus, Ceylon 
p. 154 vlg. 

-) Robert Knox, a. w., p. 271 : „De Malabaren zijn vrijwillige inwoners op dit Eylant. 
Hun land leght tegen 't Noorden van des Koninghs grenzen, tusschen hem en de 
Hollanders. Zij hebben haer eijgen spraeck voor haer selven ... leven onder een 
prins genaemd Coylat Wannea. De Rivier Corunda Wy scheyd haer Gebied af van 
dat des Koninghs. " 



158 

nu met de geheele macht 16 compagnieën van 53 man ieder, zoo 
snel mogelijk voortgerukt. Maar „d'impotentie van 't volck, die wij 
dagelijcx onder de voet marcheerden," belette een vlugge opmarsch. 
De levensmiddelen waren ook maar nauwelijks voldoende, zoodat een 
gering rijstrantsoem (één clapperdop) werd uitgereikt. Al dreigde ook 
wegens de geringe voeding een muiterij onder 't volk. Van Goens 
wilde niet de inlanders tot eenige opbrengst dwingen, om hun 
vertrouwen in de nieuwe heerschers niet bij voorbaat te verspelen. 

Zoo duurde het drie dagen voor de troep bij de 1 V2 uur breede, 
aan de oevers modderige inham kwam, die het schiereiland Jaffana- 
patnam scheidde van het overige Ceylon. Hier zou de vijand met 
succes tegenstand hebben kunnen bieden, daar door gebrek aan 
klein vaartuig slechts acht compagnieën tegelijk konden worden over- 
gezet en 't wel 8 uren duren zou, voor de andere acht compagnieën 
ook aangeland waren. „Maer den schrick, die den vyandt nu gevat 
hadde benam haer al 't verstandt." Zoo oordeelt Van Goens. 
Baldaeus echter meent, dat de vijand verwacht had, dat de Nederlan- 
ders om den inham heen zouden marcheeren. Tot dien driedaagschen 
marsch had Van Goens zijn volk niet meer in staat gerekend. Tot 
zijn geluk kon hij nu, bij afwezigheid der Portugeezen zijn geheele 
macht zonder moeite naar de andere zijde van het water overbrengen, 
waarvoor hij toch nog 24 uren noodig had. ^) De vijand was er den 
vorigen dag geweest, maar in de meening dat de Nederlanders den 
landweg zouden kiezen, weggetrokken. Zoo werd vernomen van 
de inwoners, die gul met levensmiddelen den uitgeputten troepen 
tegemoet kwamen. 

Tegenstand werd eerst eenige dagen later ondervonden bij een steenen 
kerk (Sundecouli), een klein half uur van de stad Jaffanapatnam gelegen. 
Na een kort gevecht vlood de vijand met een verlies van 14 dooden 
en 10 gevangenen, zoodat de Nederlanders een rustplaats vonden 
in de kerk, waaruit zij de Portugeezen verdreven hadden. (7 Maart.) 

Nu werd de tegenstand ernstiger. De stad wel niet met muren 
omringd, maar voorzien van vele zware steenen huizen en kerken, 



*) Baldaeus is met zichzelf in tegenspraak als hij vertelt, dat de vijand daags 
tevoren op de plaats van overtocht geweest was en tevens beweert: „Hier quam de 
noot aan den man, dewijl onze vijanden aan de overzijde van de Rivierc ons 
wachtten, wetende, dat wij ten hoogste niet meer dan 200 a 300 mannen konden 
voor de eerste maal overvoeren." 






y 






'^. 















c 






re 






-o 






w 






o 






-C 






w 






O) 

c 


T3 




en 


i-i 






(U 




^ 






c 


O 




(U 


;-! 




< 


O 






O 


CA 


<y 


w 


*^ 




o 




t-l 


&> 


U 


o 




CO 


o 


-T3 


H 




'm 


05 


Ë 


<U _G 


T) 


U 


ra 


W 


c 

co 


G 


2 


ro 




-O 


o, 


<u 


W 


ra 

c 




co -o 




G 
O 


m 


W 






CO 




TJ 






m 




co 


C/) 




U 




b4 
O 
O 
> 


o 
U 


<U 






Xl 


w 


d) 


gtj J^ 


w 


c 
<y 


en 










&) 


■J 


(0 

u 


a 


l/l 


'&3 


ü 

O 


*^ 


-O 




% 


^ 




> 






O) 






c 












T) 












w 






<U 






_Q 







u cc 

c 

1 
< 



159 

moest genomen worden. Van Goens trok met 10 compagnieën 
noordwaarts om, wierp den vijand uit de kerk S. Paul ^) en maakte 
zich aan die zijde meester van de stad, het kasteel tot op 4 piek- 
lengten naderend. 

Meer moeite kostte het zuidelijk deel der stad. De straten waren 
gebarrikadeerd en de steenen huizen en kerken moesten als kleine 
forten met grof geschut worden bestookt. 

Gelukkig kwam er hulp. De verloren Salamander was eindelijk na 
veel zwervens bij de Maladieven ^) den l?'^^" Februari te Colombo 
aangekomen; behouden, maar met wel 50 zieken aan boord. ^) 
Vijf dagen later vertrok de Mars, ^) zooals was afgesproken, van 
Colombo met de soldaten en voorraden van het groote schip over 
Manaar naar Jaffanapatnam. Daardoor werd het leger versterkt 
met 209 soldaten, zoodat van Goens over 1100 man beschikte, 
de Amboineezen meegerekend. Kort daarna kwamen ook de kleine 
jachten onder Cornelis Rob. *) Andere werden nog ontboden van 
Suratte en Coromandel. 

De aanval op het zuidelijk deel der stad werd nu van twee kanten 
voortgezet. Van der Laan viel de groote huizen in 't oosten aan. 
Van Goens nam in 't westen de kerk S. Domingo (9 Maart), 
's Avonds ontmoetten beide aanvallers elkander. De vijand had zich 
teruggetrokken in een andere kerk S. Misericordia en eenige groote 
huizen in de buurt. Weer werd van twee zijden met geschut aange- 
vallen. In de kerk werd een bres geschoten en daarna storm geloopen. 
De Portugeezen vluchtten met groote confusie binnen het kasteel, 
twee metalen veldstukken in handen der Nederlanders latend 
(18 Maart). Zoo was Van Goens meester van de stad. De eigenlijke 
belegering van het kasteel moest beginnen. 

Dat kasteel met de westzijde aan zee gelegen was een derde grooter 
dan het kasteel Batavia en verdiende, zegt Van Goens, dien naam 
„meer dan eenigh, dat ich oyt in India gezien hebbe." Het geheel was 
een vierkant met groote bolwerken op de hoeken. Eén land- en één 



*) Zie de tcekening van de stad. 

^) Baldaeus, Ceylon 149. Ten onrechte wordt daar Eduard Ooms onder de 
passagiers genoemd. 

^) Missive van Van der Meijden naar Batavia 30 April 1658. 

*) Missive vam Van Goens naar Batavia 6 Juli 1658. De kleine jachten waren: 
Morgenster, Manaar, Waterpas, de chaloupen Amsterdam en Japara. 



160 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR