ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

80

80 

Een bron van inkomsten voor de Compagnie was de vrachtvaart 
van Suratte op Perzië. Zij vervoerde goederen van inlandsche koop- 
lieden, waaraan b.v. in 1652 ruim ƒ60,000 werd verdiend. In die 
vaart had de Compagnie met toenemende concurrentie te kampen. 
De Mogol zelf had zes, en later zelfs twaalf ..groote bakken van 
schepen", en verbood de bevrachting van andere schepen, vóór de 
zijne volgeladen waren. ^) Zijn zoon het ook twee groote schepen 
bouwen. De Engelschen trachtten eveneens aan die vrachtvaart deel 
te nemen en de guzeratsche Mooren hadden in de jaren 1654 en 
1655 wel 40 schepen in de vaart van Mocha tot langs de geheele 
kust van Voor-Indië. 

Van de kantoren in Hindoestan, direct onder Suratte ressorteerende, 
wilde alleen op dat te Agra de handel „rechtevoort niet beschieten." 
De doeken, daar ingekocht, konden in Perzië den inkoopsprijs niet 
opbrengen. Ook werd door de dienaren der Compagnie op de deug- 
delijkheid niet zoo nauwkeurig gelet, als de moorsche kooplieden dat 
wisten te doen. ^) 

Van Suratte uit werden door de Compagnie ook handelsbetrek- 
kingen onderhouden met Mocha aan den ingang der Roode Zee, 
Bassora aan 't eind der Perzische golf, en Sindi, in het aan den 
Mogol onderworpen rijk van dien naam, aan den benedenloop van 
den Indus. 

Naar Mocha ^) voeren jaarlijks twee schepen. Zij brachten daar 
tin, lood, benzoë, spiauter, specerijen, katoen, aguilhout en „cauris", 
kleine witte schelpjes, als muntstukjes gebruikt. *) 

Het eene schip bracht de gebeurde contanten naar Suratte, het 
andere ging met de gekochte „cauwa" (kofiBe) naar Bassora. In den 
laatsten tijd ging het met dien handel niet best. De winst bedroeg 
over 't jaar 1651/52 maar ruim ƒ2700, „dat sober" was. ^) De Engel- 
schen en Portugeezen deden de Compagnie te veel concurrentie aan. 

Naar Bassora werd jaarlijks van Suratte uit gevaren, behalve met 
de genoemde „cauwa " van Mocha, met kleeden en specerijen. Ook 



1) Gen. Miss. 24 Dec. 1652. Vgl. boven, p. 73. 

2) Gen. Miss. 19 jan. 1654. 

') Voor Mocha: Baldaeus, Malabar, p. 17 vlg. 

■*) Hobson-jobson, s. v. cowry. 

5) Gen. Miss. 24 Dec. 1652. 




,Afbeeldinge van 's Compagnies Logic in Agra' 

Naar een teekening op het Algemeen Rijksarchief. 



81 

daar ging het niet best. ^) Een nieuw kantoor was Sindi, over land 
een maand, over zee acht of negen dagen reizens van Suratte. 
Omdat de Engelschen op de daar gekochte kleeden een „trefFelijcke 
stuijver" wonnen, had de directeur Pelgrom in overleg met den 
commissaris Johan Cunaeus ^) den koopman Pieter de Bie er in 1652 
over land heen gezonden. Hij had bij de overheden trots de tegen- 
werking der Engelschen en Portugeezen een goede ontvangst ge- 
vonden. Niet slechts op de kleeden voor Perzië bestemd, ook aan 
vrachtgelden zou er volgens De Bie veel te verdienen zijn. ^) De 
eerste ingekochte lijnwaden in Januari 1653 met het jacht Concordia 
naar Gamron (Perzië) gezonden hadden ook „smaeckelijcke advancen" 
gegeven, en een voordeelige handel in geraffineerde salpeter werd 
in uitzicht gesteld. ^) 

Naast de Mooren waren de Engelschen en Portugeezen de voor- 
naamste concurrenten langs de geheele kust van Mocha tot Cotchin 
„Dat gespuys" [van Portugeezen] had „de gewesten van Mocha en 
Bassora met een hoop slecht vaertuijgh met cleeden overcropt" 
klaagden scheldend Gouverneur-Generaal en Raden. Zij vonden het 
„droevig te zien, dat de Engelsen soo daer [d. i. Mocha] als op 
andere plaetsen de onsen in de negotie soo wisten te vercloecken." ^) 

Met Portugeezen en Engelschen beiden was de Compagnie sedert 
1652 in oorlog, een toestand, die de Heeren te Batavia prefereerden 
boven een vrede. Zij hoopten, dat „bij continuatie van den oorlogh 
met Engeland, die natie, die zeer tegen ons woelen, vandaer [d. i. Sindi] 
konde worden gehouden" en „dat de gerenoveerde oorlog met de 
Portugezen merckelyck tot stijvinge ende advance van 's Compagnies 
handel sou strecken." De vijanden zouden bij gebrek aan „defencijflF 
vaertuijch" de vaart naar Mocha en Bassora „ten meerendeele moeten 
staecken ofte ten Rove van d'E. Compagnie staen te vallen." °) 

De eerste Engelsche oorlog werd dan ook in Indië met meer 
succes gevoerd dan in Europa. In 't begin van 1654 kon de Hooge 



') 


Gen. Miss. 19 ]an. 


1654. 


') 


Gezant naar Perzië 


1651-1652. 


») 


Gen. Miss. 24 Dec. 


1652. 


') 


Gen. Miss. 19 Jan. 


1654. 


') 


Gen. Miss. 24 Dec. 


1652. 



AALBERS, O.-I. Compagnie. 



82 

Regeering naar patria berichten, dat zij al vijf engelsche schepen 
had buitgemaakt, één bij Batavia en vier in de Golf van Perzië, 
welke prijzen, behalve de schepen ruim ƒ 454,000 hadden opgebracht. 
De schepen van de Compagnie hadden van de Engelschen nog geen 
overlast gehad. ^) 

De Portugeezen hadden meer te verliezen dan schepen en goe- 
deren; hun sterkten en daarmede hun trouwens dalende positie in 
Indië. Op 't bericht van de hernieuwde oorlogsverklaring hadden zij 
dan ook hun vestingen Diu en Daman voor twee jaar van „mainte- 
mentos" en ammunitie, „dubbel canon en tamelycke macht van blancke 
coppen" voorzien. ^) 

In 1636 was Van Diemen, zooals wij reeds zagen, begonnen in den 
strijd tegen de Portugeezen op de kust van Voor-Indië geregeld de 
„bhare van Goa" te blokkeeren. Ieder jaar, zoo was zijn plan, moest 
er omstreeks September een vloot voor Goa's rivier verschijnen, om 
tot het intreden van den west-moesson in Mei alle in- en uitgaan van 
schepen te beletten. Aan dien maatregel had in 1637 de nederlandsche 
nederzetting te Wingurla, ^) eenige mijlen ten noorden van Goa, in 
het gebied van den koning van Visiapour gelegen, haar ontstaan te 
danken. Zij diende om de nieuwste berichten aangaande den toestand 
der Portugeezen binnen Goa te verkrijgen en inlichtingen te ver- 
schaffen over de sterkte van hun krijgsmacht en het te verwachten 
„secours" uit Portugal. De omgeving van Wingurla was ruim voorzien 
van tarwe, rijst en vee, zoodat de blokkadevloot van daar van alle 
ververschingen kon worden voorzien. 

In 1652 bij het hervatten van den krijg was de logie van de 
Compagnie, een oud steenen gebouw, door den resident Jacob Bacherach 



^) Gen. Miss. 19 Jan. 1654. Daarin komt ook voor het verhaal van het engelsche 
jacht de Zeehors, dat van Suratte naar Mocha gevaren, op het gerucht van den 
uitgebroken oorlog, zoo spoedig mogelijk zijn goederen zelfs onder de markt had 
verkocht („geklad"), om ijlings naar Suratte terug te kunnen keeren. Uit vrees voor 
nederlandsche schepen was het echter naar het noordelijker Cambaya gegaan, waar 
het jacht wel drie mijlen de rivier was opgehaald. De contanten en bagage waren 
uit Mocha met moorsche schepen „bedecktelyck" naar Suratte gezonden, „dat haer 
tot groote cleenachtinge was streckende." 

2) Gen. Miss. 24 Dec. 1652. 

^) Baldaeus, Malabar, p. 71. Danvers, a. w., II p. 262. 



83 

voorzien van een steenen ringmuur, versterkt met twee bastions 
(„punten"). ^) Aan die logie waren vijftig bezoldigde dienaren ver- 
bonden, wat voor een plaats, die zoo weinig winsten opleverde, te 
veel geoordeeld werd. Want de handel in specerijen en enkele andere 
artikelen had er weinig te beteekenen. *) 

De opperkoopman }acob Bacherach was 4 Mei 1652 ter vervanging 
van het reeds vertrokken opperhoofd Otto Hoeckgeest te Wingurla 
gekomen. ^) Onder zijn voorganger waren moeilijkheden ontstaan naar 
aanleiding van een twist tusschen dienaren der Compagnie en van 
den gouverneur. Een Nederlander was gedood en eenige waren ge- 
wond. Om voor deze beleediging voldoening te verkrijgen, had 
Hoeckgeest de onderkooplieden Leendert Jansz en Hayo Harderwijck 
gezonden naar hertog Fettechan, heer van Wingurla, toen verkeerende 
aan het hof van zijn heer, den koning van Visiapour, in de stad 
van dien naam. Welwillend ontvangen, werd hun beloofd, dat de 
misdadigers gestraft zouden worden. De hertog gaf hun den raad, 
voor hun vertrek een bezoek bij den koning te brengen. Daar geen 
bezoek mogelijk was zonder geschenk, gaf Fettechan hun een robijnen 
ring •*), geschat op een waarde van 300 pagoden, en nog 500 pagoden 
van 4 gulden, om aan den koning te vereeren. De onderkooplieden 
volgden den raad, de koning nam het geschenk aan en hield met de 
heeren „verscheide vrundelicke discoursen." 

De gedane beloften echter werden niet vervuld. Integendeel. Na 
de komst van Bacherach zond de hertog hem een afgezant met een 
klein geschenk om hem van 't voorgevallene op de hoogte te bren- 
gen, en ter betaling van het geleende geschenk een som te vragen 
van 7500 pagoden. 

Bacherach, die gemeend had, dat de hertog de ring en de pagoden 



1) Gen. Miss. 24 Dec. 1652. 

^) Gen. Miss. 24 Dec. 1652: „De negotie van Wingurla is van geen importcment, 
hoewel onse residenten daar doorgaans seer om woelen." Uit. Febr. 1652 was het 
kantoor ten achter f 232 1 : 9 : 11. 

Gen. Miss. 19 Jan. 1654: Een cargasocn van Ceylon aangebracht bedroeg slechts 
ƒ 15399 en werd verkocht met een winst van 97 °/o, vooral te danken aan de specerijen. 
De winst op het laken b.v. was maar 4 ^/q. 

2) Gen. Miss. 24 Dec. 1652. Deze Bacherach was 30 Nov. 1639 lid van de Raad 
van Justitie geworden; 20 Dec. 1650 opperkoopman; 21 Febr. 1651, gezant naar Bali. 
(Hotz, Cunaeus, Bijlage C.) 

*) Instructie voor den commissaris Ryckloff van Goens, 19 Sept. 1653. 



84 

van zijn eigen geschenk had afgehouden, „opdat den coninck mede 
gekent soude wezen", voer tegen den gezant uit en verkreeg van 
dezen uitstel van antwoord tot de komst van schepen uit Batavia. 

Eenige dagen later verscheen een secretaris van den hertog, die 
nu zijn eisch tot 15,000 pagoden of ƒ60,000 had verdubbeld, en 
allerlei dreigementen tegen de Compagnie liet aankondigen. 

Bacherach en zijn Raad besloten daarop bij den koning zelf beklag 
in te dienen. Wederom werd Harderwyck naar Visiapour gestuurd. 
Zijn tocht had geen succes. Onderweg beleedigd en voor de poort 
bespot, werd hij niet eens in de stad toegelaten. 

De twist liep ten slotte zoo hoog, dat de hertog Bacherach liet 
weten, dat de Compagnie, als de pagoden niet betaald werden, 
Wingurla maar moest verlaten. 

Bij die moeilijkheden kwam nu nog, dat de twee kooplieden, met 
wie de Compagnie te Wingurla handel dreef, Narsanna en Kitsanna 
Weij, er vandoor gegaan waren met een schuld aan de Compagnie 
en particuliere schulden aan Compagnies dienaren van ƒ 82, 168. Op 
schriftelijke klachten bij den koning en andere grooten ingediend 
over den hertog en de gevluchte kooplieden, kreeg Bacherach na 
lang wachten bericht, dat hij kon verhuizen naar Achera Salse, 
ongeveer 6 mijlen ten noorden van Wingurla, onder een anderen 
hertog staande. En zoo deed Bacherach. 

Over die geschiedenis waren de Heeren te Batavia zeer slecht te 
spreken. Bacherach had niet zoo maar dadelijk moeten opbreken, 
waar, zooals uit de brieven bleek, nog geen gevaar dreigde. Hij had 
de beslissing uit Batavia moeten afwachten. En indien hij gedwongen 
was geweest te vertrekken, dan was hij door een resolutie een jaar 
te voren met den commissaris Cunaeus ^) overlegd, gehouden geweest 
niet naar Salse, maar naar Suratte of Gale te vertrekken. Waarom 
was hij daar niet heengegaan? 

Met ongeëvenaarde brutaliteit had hij naar Batavia geschreven, 
dat bij de ruim ƒ82,000, die de gevluchte koopUeden schuldig waren, 
ƒ30,000 hem zelf toekwamen. Daarmede erkende hij zonder schroom 
zijn eigen particulieren handel. Hoe zou hij te Suratte of Gale die 



^) Gezant naar Perzië en commissaris ter visite van de kantoren Gamron, 
Suratte, Wingurla, en de gouvernementen van Ceylon, Coromandel en Malacca. (Hotz, 
Cunaeus, p. 373,; Cunaeus is van 2 Oct. 's avonds tot 6 Oct. 1653 in Wingurla geweest. 



85 

ƒ30,000 kunnen innen? Gouverneur-Generaal en Raden waren er van 
overtuigd, dat de hertog en de kooplieden en misschien zelfs de 
koning ^) het met elkaar eens waren, en de buit samen zouden deelen. 
En aan die kooplieden had Bacherach op crediet goederen geleverd 
tot een bedrag van 70 a 80 duizend gulden, die hij uit voorbijgaande 
schepen had gelicht. ^) Die goederen, die nog verzegeld in de pak- 
huizen gelegen hadden, waren door de twee kooplieden aan den hertog 
gegeven in afbetaling, zoo 't heette, van de 15,000 pagoden, terwijl 
zij hem ook nog compagniesgoederen, onder hun berusting te Ragia- 
bach, hadden toegezegd ter voldoening van andere vorderingen, die 
hij nog meende op de Compagnie te hebben. 

Intusschen werden over Coromandel brieven ontvangen van de twee 
kooplieden met klachten over de „superbe ende rude proceduren" 
van Bacherach tegenover de grooten des lands, waaruit volgens hun 
zeggen al deze misère voortkwam. Zij verzochten weer goederen 
van de Compagnie te mogen ontvangen en beloofden in weinig 
jaren de schuld, die de Compagnie van hen te goed had, te zullen 
afbetalen. ^) 

In 1651 was aan den raad van Indie, Joan Cunaeus, gezant naar 
Perzië opgedragen op zijn terugreis o.a. de kantoren Suratte, Win- 
gurla en het gouvernement Ceylon te visiteeren. *) Door gebrek aan 
tijd was Cunaeus niet aan de visite toegekomen. Daar de Heeren 
Zeventien er, als wij weten, op gesteld waren, dat de kantoren, 
gouvernementen en residenties der Compagnie om de twee jaren 
werden geïnspecteerd, werd, nu er na eene van Barentsen in 1648 ') 
geen visite had plaats gehad, een inspectie noodzakelijk geacht. Te 
Batavia waren maar twee extra-ordinaris raden aanwezig, die men 
liefst in de stad hield. Daarom werd uitgezien naar een „gequalificeert, 
capas (capabel) ende verstandich persoon" aan wien men de zending 



^) Instructie voor Van Gocns 19 Sept. 1653: die met Fettechan en de coop- 

lieden colludeert, ons tot een spot houdende." 

^) Het bovenstaande naar Gen. Miss. 24 Dec. 1652, en Instructie voor Van Goens 
19 Sept. 1653. 

3) Gen. Miss. 19 Jan. 1654 

*) Hotz, Cunaeus, p. XIX, vlgg.: De Instructie voor Cunaeus. 

^) Zie boven, p. 72 vig. 



86 

zou kunnen opdragen. Die werd gevonden, als reeds werd gezegd, 
in den eersten koopman van het kasteel Batavia, Rijckloff van Goens, 
sedert eenige maanden geassumeerd in Rade van India. ^) 

Den 19^^^° September 1653 werd zijn Instructie, door Gouverneur- 
Generaal en Raden geteekend, hem ter hand gesteld. Bovendien 
werden hem meegegeven het Verbaal van de laatste visite door 
Arent Barentsen ^) en de algemeene Instructie van 1626, ^) opgesteld 
door Heeren Zeventien. 

Volgens zijn Instructie moest de commissaris zich eerst naar Ceylon 
begeven om de 60 soldaten en 50 Mardijkers, hem van Batavia 
meegegeven, aan land te zetten ter versterking van de troepen 
tegen de Portugeezen. Op Ceylon zou hij zich niet lang ophouden, 
maar doorvaren naar Suratte en passant Salse aandoende, waarheen 
Bacherach het kantoor van Wingurla had verplaatst. Onverwacht 
in Salse verschenen, moest hij de commissaris Bacherach gevangen 
zetten, zijn papieren ten overstaan van minstens twee zijner raden ver- 
zegelen en met hem naar Batavia zenden. 

Omdat Van Goens met 't oog op zijn bezoek aan Suratte, waar 
de koopwaar tijdig moest arriveeren, niet lang genoeg te Salse zou 
kunnen blijven om de „embroilles te doorsnuffelen" ging met hem 
mee Sr. Petrus Andreas, gewezen „opperchirurgijn des kasteels", nu op 
verzoek uit den dienst der Compagnie ontslagen. Hij had langen tijd te 
Visiapour gewoond, kende de taal en was bij de grooten van het 
hof „familjaar bekent." Andreas zou bij het vertrek van Van Goens 
achterblijven om de zaken te regelen en, zoo noodig, een reis maken 
naar het hof te Visiapour. In geen geval moesten de betrekkingen 
met den koning afgebroken worden, omdat men zijn genegenheid 
later noodig zou kunnen hebben bij moeilijkheden met andere vorsten 
op de oostkust van Voor-India, misschien ook voor den handel op 
de zuidkust, waar hij den vorst van Tansjouwer verslagen had. 

Te Suratte had Van Goens, behalve de gewone inspectie volgens 



^) Commissie 19 Sept. 1653. Voor het assumeeren in Rade: boven, p. 13. 

^) Volgens het Register van de stukken aan Van Goens meegegeven, was dit 
Verbaal getrokken uit het dagregister van Barentsen van 13 Febr.^ — 8 Juni 1649. 
Barentsen begon zijn reis 6 Aug. 1648 en kwam op de reede van Suhaly aan in Oct. 
1648. Zie boven p. 72 vlg. 

^) Vgl. boven p. 27 vlgg. 



87 

de instructie van 1626, vooral te zorgen, dat er met de kooplieden 
geen contract meer werd gemaakt, maar de goederen „aan den man 
geholpen werden, na de marckt als dan bevonden sal worden, uyt- 
gezondert de specerijen, die wij door de genade Gods in ons gewelt 
hebbende, goet gevonden hebben op een seekeren vasten prijs te 
stellen." Wilden de kooplieden die prijzen niet betalen, dan moesten 
de specerijen maar in de pakhuizen blijven liggen, tot zij er om 
kwamen vragen. 

Als de tijd het toeliet, zou een bezoek van Van Goens aan 
de onderhoorige, in het binnenland gelegen kantoren, zeer gewenscht 
zijn. De Hooge Regeering was er niet zeker van dat de inkoopen 
daar „met genoechsame opmerckingen ende trouwe" werden gedaan. 
En evenzoo meende zij, dat de Compagnie te Bassora en Mocha 
„niet vroom gedient" werd, waarnaar de commissaris te Suratte eens 
zoo goed mogelijk zou kunnen informeeren. 

Als raadspersonen werden Van Goens toegevoegd de opperkoop- 
lieden Anthonio van Voorst en Jacob Kerstman, als fiscaal de koopman 
Joan Grevenraet en als secretaris Hendrik op de Kamp. Overal waar 
hij kwam had hij het recht den Raad bijeen te roepen en te presi- 
deeren. Als tweede persoon moest dan altijd zitting hebben de gou- 
verneur van de plaats, behalve Bacherach, die niet in den raad mocht 
worden toegelaten. 

Den 20^'^° September 1653 vertrok Van Goens van Batavia's reede. 
Slechts korten tijd bleef hij op Ceylon, om de meegebrachte soldaten 
aan land te zetten, met zijn schepen eenige vertooning te maken 
tegenover de Portugeezen en een vluchtige visite te doen. ^) 

In December kwam hij voor Salse -) ten anker. De gezant, door 
Bacherach gestuurd om hem te begroeten, werd op de vloot achter- 
gehouden. Van Goens, zijn fiscaal en zijn twee raadspersonen gingen 
aan land. Nadat hij aan Bacherach zijn commissie had bekend gemaakt, 
kreeg Grevenraet bevel, om de opdracht der Hooge Regeering uit 



^) In Gen. Miss. 7 Nov. 1654 wordt melding gemaakt van het rapport, dat Van 
Goens den 24sten juni 1.1. aan Gouverneur-Generaal en Raden heeft overhandigd en 
door dezen in copie naar patria is gezonden. Op het Rijksarchief werd dit rapport 
niet meer gevonden. Dr. J. de Hullu zij hier mijn dank gebracht voor zijn bemoeiingen 
om het te vinden. Het verhaal van de visite van Goens is geput uit Gen. Miss. 
7 Nov. 1654. 

^) In de vroegere missives was sprake van Achera Salse. In de volgende heet het 
Tape Salze of Salze. 



88 

te voeren. Hij liet Bacherach in een kamer van de logie opsluiten 
en alles, wat er in huis was, verzegelen met 's Compagnies zegel en 
zijn eigen signet. Daarna werd de resident weer vrijgelaten en alles 
in 't bijzijn van zijn vrouw, ten overstaan van gecommitteerden, 
geopend. Alle papieren en particuliere stukken werden daarop „onder 
inventaris gecolligeert" aan boord gebracht, om „gevisiteerd" te 
worden. In de plaats van Bacherach, werd te Salse de gewezen 
opperchirurgijn Petrus Andreas aangesteld. 

Uit het onderzoek der papieren bleek, dat Bacherach zich had 
schuldig gemaakt aan handel in tin, laken, goud, aluin en andere 
zaken, tot een bedrag van ƒ29,000. Door den raad werd hij daarop 
van „ambt, qualiteit en gagie gedeporteert," de ƒ 29,000 werden ver- 
beurd verklaard en bovendien nog ƒ 28,000, die hij tegen uitdrukkelijke 
order van de Regeering te Batavia had uitgeleend. Tegen deze uit- 
spraak is door Bacherach verzet aangeteekend, omdat hem geen 
gelegenheid tot verantwoording was gegeven en hij bovendien de 
drie rechters, die het vonnis geveld hadden, wraakte. ^) Wegens 
't gewicht van de zaak, en opdat hij later niets te klagen zou hebben, 
werd hem toegestaan, dat het proces te Batavia door den fiscaal van 
Indië voor den achtbaren Raad van Justitie opnieuw zou worden 
gevoerd. De zaak is dan ook in appel te Batavia behandeld en niet te 
zijnen gunste afgeloopen. Boven hetgeen „op Wingurla 't sijnen laste bleef 
uytgeset" werd hij veroordeeld tot een boete van 12,000 realen. ^) 

Alle suppoosten uit de logie te Wingurla had Van Goens meege- 
nomen naar Suratte, behalve Bacherach. Die kon intusschen probeeren 
de schulden der Compagnie, die te zijnen laste gebracht waren, 
te innen. 

Petrus Andreas en Hayo Harderwijck moesten bij den hertog en 
den koning trachten in orde te maken, wat Bacherach in de war 
gestuurd had en het daarheen zien te leiden, dat de logie te Wingurla 
„behoudens Comp.'s respect" weer kon worden betrokken. Van Goens 
intusschen zette zijn reis voort naar Suratte. 



*) bovendien op drie rechters bij dewelckc desselfs vonnis eenlyck is gevelt, 

excipieerendc." 

-) Hij komt nog voor in het Daghregister van Batavia 1656 57 (pp. 11, 15, 146, 
309) als vrijburger, exploitant van suikerplantages en koopman. Den 4^^° Oct. 1657 
is hij te Japara overleden. Een jaar later ging zijn weduwe met vrijen overtocht naar 
patria. (Hotz. Cunaeus, Bijlage C.) Kreeg zij misschien vrijen overtocht, omdat de 
Compagnie zich had schadeloos gesteld aan de nagelaten goederen? 



89 

Den 25**'° December 1653 kwam hij voor Suhaly aan. Daar ver- 
nam hij, dat twee engelsche schepen binnen Diu lagen en nog één 
schip daarbuiten kruiste op de nederlandsche schepen, die van Bassora 
verwacht werden. Zonder verwijl besloot hij drie jachten en een 
chaloup vooruit naar Diu te zenden en later nog twee jachten, als 
zij gelost waren, op de Engelschen af te sturen. De nederlandsche 
schepen bevochten wel een overwinning op den vijand, maar zij was, 
door de slechte leiding van Pieter de Bie en het droevig gedrag van 
het scheepsvolk, veel geringer dan zij had moeten zijn. ^) 

Daarna ging Van Goens over tot het verkoopen der aange- 
brachte goederen, niet meer volgens contract, maar aan den meest- 
biedende. Door deze nieuwe wijze van verkoop maakte de Compagnie 
f 1 50.000 meer dan zij volgens de vroeger geldende overeenkomst 
zou hebben gekregen. 

Na de vendutie heeft Van Goens zich begeven naar de kantoren 
Amadabad, Brodera en Brootsja, met het gevolg, dat het kantoor 
te Brodera, als strekkende meer tot na- dan tot voordeel, werd 
opgeheven. 

Hem ontbrak den tijd om ook Agra te bezoeken. De makelaars 
van die plaats werden echter naar Suratte ontboden en hun boeken 
vergeleken met die van de andere kantoren, maar niet met die van 
den makelaar Mondas Naen en de andere suratsche makelaars. Deze 
werden „geëxcuseerd uit vreeze. dat uijt dezelve soude aen den dag 
komen, het sluyken der gelden van tijt tot tijt in Suratte gepleecht, 
waerdoor de Comp. in haperinge mochte geraken." De Suratsche 
waren juist de voornaamste makelaars ! Berustend merkten Gouverneur- 
Generaal en Raden hierbij op: „hetwelck wij dan zoo moeten aennemen." 

Op de kleeden te Agra gekocht, werd in den laatsten tijd in 
Perzië 8 Vo bij verkoop verloren, terwijl toch de Mooren dien handel 
met grooten ijver dreven. ') Na een onderzoek gaf Van Goens voor 
dien achteruitgang twee redenen op. Ten eerste was door de voordeehge 
afzet in Perzië de vraag in Agra vergroot en daarmede de prijs 
verhoogd en had de grootere toevoer in Perzië de prijs doen 
dalen. De andere oorzaak was moeilijk na te gaan en kon slechts 
gegist worden, want die zou kunnen zitten bij de makelaars, die voor 



*) Zie hierachter Bijlage I. 
2) Instr. 19 Sept. 1653. 



90 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR