100 hun inkoopen ^). Ook de Heeren Zeventien werden door de Regeering te Batavia op de hoogte gehouden van de „navale macht der Engelschen in India." Zij waren het, die de Compagnie „allerwegen in de negotie souden traverseren", vooral te Suratte „alwaer hare principaelste handel gedreven wert." Daarentegen moest de Compagnie zich „in postuer stellen, ende door gauwe wegen bevlijtigen, sij ons geen voordeel af en sien, om alsoo tegens haer voet te connen houden, daer anders .... ons doot ende gansch tot niet sullen soecken te varen." ^) Kon over 't geheel genomen de Compagnie tevreden zijn met haar kantoor te Suratte, zoowel wat aanging haar verhouding tot het hof, als wat betrof de winsten, die er gemaakt werden — toch heeft hare Hooge Regeering jaren lang plannen overwogen om het kantoor te verplaatsen. Niet naar een andere plaats onder het gebied van den Mogol, maar naar een stad, waar zij zelf dan heer en meester zou wezen. Daarvoor had zij het oog geslagen op Diu, een der oudste bezit- tingen der Portugeezen, welker verovering de Compagnie omstreeks 1630 reeds had overwogen. ^) Die stad op een eilandje aan de zuidpunt van het schiereiland Cambaja was zeer gunstig gelegen tusschen Perzië en Arabië ter eene en Voor-Indië ter andere zijde. Het eiland was 2V2 a 3 mijlen in omtrek en lag omtrent één musketschot van den vasten wal. De baai bood 1) In 1655 b.v. aangekomen 5 jachten, van welke 4 groot 160 a 170 last, en één 50 a 60 last. Geladen met kwikzilver, vermiljoen, laken, contanten. Drie jachten waren gegaan naar Ragiapour en verder langs de kust naar Cotchin om peper, cardamom, salpeter, kaneel en andere goederen op te koopen. Begin Januari 1656 kwamen zij met goede lading in Suratte terug en vertrokken naar Engeland. (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) Van 13 Juni 1656—24 Januari 1657 kwamen 7 particuliere engelsche schepen in de baai van Suhaly met een lading van 200,000 spaansche realen, 400,000 gulden in gemunt en ongemunt goud, laken, lood, vermiljoen, kwikzilver en wel 140 metalen stukken om aan de Mooren te verkoopen, „dat al een merckelyck groot cargasoen is, daermede sij de onse in 't negotieeren de handen sullen vol geven." (Gen. Miss. 17 Dec. 1657.) 2) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. ^) Dat een verovering van Diu al vroeg overwogen is, blijkt uit de Instructie voor Gouverneur-Generaal Hendrik Brouwer, 1632. art. 45: „Op den voorslag van den Directeur Van Kaesell, om alleen of met adsistentie van de Engelschen en die van Suratte, Diu of eenige andere sterkte van de Portugeezen te incorporeren, zouden voor alsnog niet kunnen goed vinden, hetzelve voor te nemen, alzoo de handel aldaar zoodanige onkosten niet lijden mag." (P. Mijer, Verzameling enz., p. 58 vlg.) 101 een veilige ligplaats voor wel 100 schepen. ^) Als de Compagnie die stad in haar bezit had en daar haar specerijen en andere goederen kon stapelen zou zij niets meer met Suratte te maken hebben. Dan zou zij haar kantoor op eigen gebied kunnen vestigen, was zij vrij van tollen en daaraan verbonden „vexatiën" en zou zij zelfs Diu ten koste van Suratte kunnen verheffen tot een handels- plaats, welker tollen rijke inkomsten in der Compagniekas zouden doen vloeien. ^) Daarom zou inderdaad het bezit van Diu de Com- pagnie een „schat waerdig" en den Mooren „een dapperen bril op haren neuse" kunnen worden. ^) In Diu toch woonden vele Benjanen, Mooren en andere „heidensche natiën." Onder dezen waren zeer machtige kooplieden, die handel dreven op Cambaja, Suratte, Sindi, Perzië en Mocha. De tol, 10 7o van de uitgaande, 4 7o van de inkomende goederen en 2 7o van de contanten, '^) nu voor de Por- tugeezen, zou voor de Compagnie, vooral bij stijgende handelsbe- weging onder invloed van haar specerijen-monopolie, een aardige opbrengst geven. Vooral na de successen op Ceylon, waar de Compagnie ten zuiden van Voor-Indië voor goed vasten voet ge- kregen had, moest het verlangen naar 't bezit van Diu ten noorden van Voor-Indië versterkt zijn. Diu, Ceylon, Malakka zouden buiten den Archipel een drietal vaste steunpunten vormen; waaromheen de macht der Compagnie zich zou kunnen uitbreiden. Die uitbreiding moest dan gepaard gaan met een verovering van de heerschappij over die zeeën ten westen van den Archipel en een verdrijving van alle concurrenten. De begeerte der Compagnie was den Portugeezen wel bekend. Diu was goed versterkt. Midden in de baai lag een langwerpig waterkasteel, ongeveer zoo groot als een schip, gewapend met 15 a 20 kanonnen. Op het eiland zelf lag een tamelijk groot, wat ouderwetsch fort met ronde bastions, waarvan het eene hooger was dan het andere. Tusschen beide kasteelen was de doorgang voor ^) Pieter van Dam, Beschrijving der Compagnie. ^) Met de verovering van Diu . . . „conde (de Compagnie) naar wensch alle moorsche questiën ter zijde leggen, om haer dan met een geconquestreert recht selfs de wet voor te schrijven" om bij veroveringe desselfs (Diu) de Mooren op de Indische cust naer onse pijpen te doen dansen." (Gen. Miss. 26 Jan. 1655.) ^) Gen. Miss. 27 Dec. 1657 en Missive van Gouverneur-Generaal en Raden naar Suratte, 5 Sept. 1657. *) Pieter van Dam, a. hs. 102 groote schepen, slechts een slingerworp breed. Om niet door de Nederlanders overvallen te worden, hadden de Portugeezen over dien doorgang, drie of vier voet onder water, een ketting gespannen. De stad zelf was ook nog met een vrij hoogen, maar niet dikken muur omgeven. In de stad zouden, naar verluidde, de Portugeezen 200 stukken geschut hebben en vóór het weder uitbreken van den oorlog slechts ongeveer 250 blanken: officieren, soldaten, burgers en kooplieden. *) Zoodra echter in 1652 de oorlog in Indië was hervat, waren Diu en Daman, naar men had vernomen, met een dubbel aantal kanonnen vivres en ammunitie voor twee jaar voorzien, en portugeesche spionnen trachtten er te Suratte achter te komen, of ook in Batavia een expeditie tegen die steden werd uitgerust. De vijand kon gerust zijn: de Compagnie had vooreerst geen schepen en mannen voor ondernemingen buiten den Achipel beschikbaar. ^) Ook haar bleef vooreerst niet anders te doen over dan te spion- neeren, om op de hoogte te komen van Diu's sterkte en bezetting. De beste raadgevers in deze materie, Johan Grevenraet en de timmerman Steven Claesz, die gedurende het bestand in Diu geweest waren, konden geen inlichtingen meer geven. Bij een overval van een nederlandsche chaloep door Portugeezen op de neutrale reede van Suhaly hadden beiden het leven verloren. ^) Telkens weer werd daarom aan de directeuren te Suratte opge- dragen „secretelyck te informeeren op de situatie van Diu." *) De directeur Van Gendt kwam in 1655 na verkregen inlichtingen tot de conclusie, dat de sterkte niet „soo heel faciel te attaqueeren sij." Hij had echter wel lust met vier schepen een poging te wagen omstreeks midden December. Dan zou de cafiila van Diu naar Cambaja vertrokken en er dus weinig volk in de vesting achter- gebleven zijn. Zijn plannen berustten op inlichtingen van een uit Goa naar Wingurla overgeloopen Portugees, die, naar Batavia over- gebracht, den Heeren aldaar te veel zwetste om betrouwbaar te kunnen zijn, zoodat zij op die plannen niet wilden ingaan. *) Het bleek later, dat zij gelijk hadden gehad. Na den val van Colombo werd genoemde Portugees, Simon Lopes, onder de bezetting gevangen ^) Pieter van Dam, Beschrijving enz. Een prent van Diu bij Baldaeus, Malabar enz., p. 36. 2) Gen. Miss. 24 Dec. 1652. ^) Zie beneden. Bijlage I. *) Gen. Miss. 24 Dec, 1655. 103 genomen en als overlooper opgeknoopt. ^) Vóór hem dat overkwam, zal hij de Portugeezen wel op de hoogte gebracht hebben van de begeerte naar Diu, die er te Batavia bestond. Zoodra er schepen en troepen voor een onderneming in het westen beschikbaar waren, werd aan Diu gedacht. De tocht van Gerard Huift in 1655 gold wel in de eerste plaats Colombo, maar hem werd ernstig gerecommandeerd „het exploict tegen Diu in consideratie te nemen", nadat hij zijn zaken op Ceylon verricht zou hebben. Die duurden langer dan verwacht was, en Huift zelf beleefde het einde niet. Toen nu Van Goens in 1657 met uitgebreide opdracht naar het westen werd gezonden, werd er hem in zijn instructie door de Hooge Regeering met nadruk op gewezen, dat zij „alst Godt geliefde seer geern souden sien, dat de Portugese sterckte Diu onder Comps. ge- hoorzaamheyt conde worden gebracht, om de groote importantie van de plaats om consideratien U.E. alsoo wel als ons bekent, hetsy, dat deselve met entreprinse verrast ofte wel met belegeringh door Gracht van canon, granaden en anders gedwongen conde worden." Zelfs noemden zij de verovering van Diu „het eerste ende voor- naamste oogmerck" van de expeditie. ^) Niet alleen de Compagnie zou gaarne de Portugeezen uit Diu verdreven zien; ook de Mogol. Van zijn hulp zouden de Heeren te Batavia ook wel gebruik willen maken ■ — maar dan de stad voor zich zelf behouden; de Indische vorst moest dus om den tuin geleid worden. Daartoe moest Van Goens, als hij Diu ging aantasten, van zijn voornemen kennisgeven aan den gouverneur van Suratte, die altijd een trouw vriend van de Compagnie geweest was. In een brief, geschreven uit naam van de Regeering te Batavia, moest hij zeggen, dat hij naar de vroeger gedane voorstellen ^) van de zijde der Mooren 1) Gen. Miss. 4 Dcc. 1656. ^) Instructie voor Van Goens, 5 Sept. 1657. ^) Gedurende zijn inspectie te Amadabad in 1654, werd Van Goens door den gouverneur en den commissaris van den Mogol aldaar „den pols getast" over een gezamenlijk optreden tegen Diu en Daman, wat door Van Goens niet geheel ver- worpen was. Als voorwaarde voor de samenwerking had hij gesteld vrijdom van tol te Suratte, Brootsja en in Bengalen. Daar waren de Mooren toen niet verder op ingegaan. Aan den directeur Pelgrom bleef echter opgedragen, indien de Mooren er weer over begonnen, de zaak „treyneerende" te houden. (Gen. Miss. 26 Jan. 1655.) Op een later aanbod van des Mogols zoon, Aurengzeb, om samen Daman te ver- overen, werd niet ingegaan, omdat de Compagnie eerst gezegelde toezegging wilde hebben van den gevraagden tolvrijdom. (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) 104 „expres van Batavia gesonden kwam ten dienste van Sijn Maj.* de groote Coninck van India met last om de casteelen Diu en Daman met de hulpe Godes te bemachtigen ende Sijn Maj.* te onderwerpen, dat hetselve een middel sal wesen om Sijn Maj.* gunst meer ende meer tot ons te trecken, versoeckende, dat Sijn Ed. daer de behulp- same handt toe geUefde te bieden ende te gelasten, dat ons volck van d'Inwoonderen des landts van alle noodlijckheden versorght ende gedient mach worden. " In dezelfde instructie, waaraan boven- staande woorden zijn ontleend volgens welke de genoemde steden aan den Mogol zouden worden afgestaan, heet het dan verder: „De intentie sou zijn bij vermeesteringe van Diu, dat Godt gunne, den ommeslagh der negotie van Suratte daer te transporteeren, om niet meer van de onredelijcke regeringe der Mooren te dependeren, maer onse eigen vooght te wesen." De dienaren der Compagnie hadden wel reden, wat zij zoo dikwijls doen, hun verontwaardiging uit te spreken over de trouweloosheid der inlandsche vorsten en der Mooren! Te Wingurla waren, na het vertrek van Van Goens op den 3Qsten ^pril 1654, de zaken toevertrouwd gebleven aan den koopman Leendert Jansz van Tongeren , die er den ontrouwen Jacob Bacherach was opgevolgd. Het aantal van vijftig gegageerde personen, die in 1652 in de logie verblijf hielden, was, vermoedelijk na de inspectie van Van Goens, gereduceerd tot zeventien. ^) Met de kooplieden Narsanna en Kitsanna Wey werd de handel voortgezet, onder beding dat zij bij iederen nieuwen aanvoer het vorige aangebrachte cargasoen betaalden, en bovendien 12 Vo van de achterstallige schuld der specerijen en 5 7o van de andere waren, aflosten, zooals zij zelf hadden voorgesteld. In 1655 ging naar Wingurla, oorspronkelijk toch slechts een obser- vatiepost bij Goa^), een niet onaanzienlijk cargasoen van ruim ƒ 70,000 aan benzoë, specerijen, lood en tin. ^) Over den handel op het kantoor waren Goeverneur-Generaal en Raden echter niet goed te spreken. Hij leverde geen voordeel op. De schuld der twee benjaansche koopHeden beliep in 1657 nog ruim ƒ56,000. Met de percentsgewijze afbetaling was het eigenlijk niet in ') Gen. Miss. 18 ]uli 1656. ^) Zie boven, p. 82. 3) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. u er " n !? f' = O. t 5' S CQ s- < - DJ 5. CL 3 n ° t— I J CD > ^' .. O 3 13 CQ ^ 3 w CQ 105 den haak. Want de Compagnie leverde al jaren achtereen verschil- lende goederen vrij wat beneden de waarde, en zoo had het er veel van, of de Compagnie „haer soo veel quyt schold ofte schonck" als zij jaarlijks moesten aflossen, n.1. het verschil tusschen hetgeen de goederen moesten opbrengen en hetgeen er voor werd betaald. Daarom werd dan ook in 1657 geen cargasoen gezonden. Uit de schepen, bestemd voor Suratte en Perzië, kon dan zooveel gelicht worden voor Wingurla, als daar tegen Suratsche en Perzische prijzen kon worden geleverd, ^) onverminderd de verplichting tot afbetaling. Daarmede konden dan de kosten van het kantoor worden goedge- maakt; meer was niet noodig, want de handel was maar bijzaak. Daarom ook waren er op dat kantoor zelfs geen zeventien dienaren noodig. Dat getal kon teruggebracht worden op vijf; een onder- koopman, twee assistenten, een chirurgijn en één matroos. ^) Leendert Jansz, die zich in 1655 opnieuw op een salaris van f 60 per maand voor vijf jaar aan de Compagnie verbonden had, ^) zond geregeld zijn berichten naar Batavia over de uit Portugal aankomende schepen en troepen binnen Goa, ook wel over 't geen hij gewaar kon worden over den handel der „Engelsche vrunden" in de buurt, over de beroeringen, die in het land van Visiapour te wachten waren na 't sterven van den koning Mohamet Adelsia in October 1656 en over de vriendschapsbetuigingen, den nieuwen vorst door den portugeeschen onderkoning bewezen. ^) Dat was zoo 't gewone werk, waarvoor het opperhoofd van de logie te Wingurla, naast den handel, had te zorgen. Maar Leendert Jansz deed meer. Hij ging, zij 't minder brutaal dan Bacherach, zijn boekje te buiten bij het bouwen van een nieuwe logie. In Maart 1655 waren er door de bouwvaUigheid van het oude gebouw ongelukken gebeurd. De resident had daarop naar Batavia geschreven, dat het hoogst noodzakelijk was het geheele huis behalve de „muragie, die sich uytterlyck seer sterck betoonde", te repareeren. De Heeren hadden hem in Augustus teruggeschreven, dat het gebouw „soo oncostelyck mogelyck" moest worden „ver- ^) Uit de schepen werden gelicht 249 kisten japansch koper, die ook voor den gezetten prijs geleverd werden. (Gen. Miss. 14 Dec. 1658.) ^) Het bovenstaande naar Gen. Miss. 17 Dec. 1657 en Instructie voor Van Goens 5 Sept. 1657. 3) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 1 Febr.. 18 Julij, 17 Dec. 1656. 106 macckt." Immers Wingurla was geen kantoor, dat voor den handel veel beteekenis had. Het was slechts een observatie-post bij Goa en een ververschingsplaats voor de blokkade-vloot. Voor zoo'n residentie was geen groote „ommeslagh" veel minder „uijtterlycke parade ofte aensien" noodig. In plaats van zich aan het voorschrift der Hooge Regeering te houden, had Leendert Jansz het geheele gebouw tot den grond toe afgebroken en er een nieuw groot steenen huis laten zetten met een prachtige galerij. Volgens zijn opgaven kostte het geheel ƒ13,000; maar anderen, die het gezien hadden, beweerden, dat het wel ruim tweemaal zooveel gekost moest hebben. Waar had hij dan dat geld vandaan gehaald? Vermoedelijk zou hij op andere rekeningen te veel geschreven hebben en wel in de eerste plaats op die voor de verversching van de schepen, die in 1655 en '56 Goa hadden geblokkeerd. ^) De visite van Van Goens in 1653/54 was niet geheel zonder resultaat gebleven. Dure gezantschappen naar Delhi werden verme- den en het geld hever besteed, om de gouverneurs ter plaatse te vriend te houden. Groote moeielijkheden met de overheden kwamen dan ook niet voor. De handel op Mocha was naar zijn aangegeven plan gewijzigd en daardoor aan het kantoor te Suratte onttrokken. De betrekkingen met Bassora waren vooreerst opgeheven. Het kantoor te Sindi, dat niet aan de groote verwachtingen ten opzichte van den kleedenhandel had beantwoord, was tot een observatie-post tegenover de engelsche concurrenten afgedaald, evenals Wingurla in hoofdzaak tot zijn oor- spronkelijke bestemming was teruggebracht. En het personeel op de kantoren? Van Leendert Jansz zagen wij zijn spilzucht. Van Gendt bleef bij den verkoop der goederen niet buiten vermoeden van contractatie. In 't algemeen stonden de dienaren der westelijke kwartieren, waartoe de genoemde plaatsen gerekend werden, bekend als besmet met „particulariteiten en andere vuijlicheden," waarover in een volgend hoofdstuk. ') Instructie van Van Goens, 5 Sept. 1657. HOOFDSTUK IV. VAN „PARTICULARITEYTEN" EN ANDERE „VUIJLICHEDEN." In de instructie voor Van Goens van 1653 was hem gerecom- mandeerd „ten scherpsten te informeeren" naar den particulieren handel „zonder aanschouw van personen, wie deselve oock soude mogen wezen." Want Gouverneur-Generaal en Raden waren er van overtuigd, dat die handel groote afmetingen had aangenomen: „In Suratte en onderhoorige comptoiren schijnt den particulieren handel uijttermaten in swang te sijn, als blijckt uyt de groote capitalen, die de ministers van tijt tot tijt van daer brengen." ^) Van Goens heeft „genoech devoir aengewendt" om overtreders te ontdekken, maar geen overtuigende bewijzen kunnen krijgen. En toch wist de Hooge Regeering, dat „'s Compagnies ministers van tijt tot tijt successive op dat comptoir ende de onderhoorige residentien hare beursen soo weten te specken, dat in corte jaren rijck ende welig worden ende zich dan naer het vaderland transporteeren." ^) Het was echter moeilijk hen op heeterdaad te betrappen, omdat zij „hare particuliere concepten soo subtiel ende met sulcke bedeckte finessen [wisten] aen te leggen ende uyt te voeren, dattet schier onmogelijck [was], daar te connen achter comen; tot bevorderingh van welck kanckereus quaet de maeckelaers ordinaris groote helpers ende aenleiders [waren], die de onse met het verstrecken van pen- ningen op de been [hielpen] en in crediet" [brachten]. ") Ook van andere in Indië handelende Europeanen konden de dienaren hulp ^) Instructie van 19 Sept. 1653. 2) Gen. Miss. 26 Jan. 1655. 108 krijgen, zooals het volgende geval leert. Toen Van Goens in 1656 als admiraal uit patria naar Indië terugkeerde, ontdekte hij tusschen Kaap de Goede Hoop en Batavia een engelsch schip, de „Societeyt", van Masulipatnam (kust van Coromandel), op weg naar Engeland. Uit dat schip had hij door „sonderlinghe bestieringe Gods" ver- scheidene brieven in handen gekregen van eenige ministers van het nederlandsche kantoor te Masulipatnam, o. a. van het opperhoofd Cornelis van Qualbergen. Daaruit bleek, dat deze met verscheidene gelegenheden over Engeland pakken lijnwaad naar 't vaderland had gezonden en zich bovendien vergrepen had aan het koopen en verzenden van ruwe diamanten, „hetwelk saecken sijn van seer quaet gevolgh." Welk gevolg voor hem dan ook niet uitbleef. Naar Batavia ontboden, werd hij door den Raad van Justitie veroordeeld tot ontzetting uit zijn betrekking en tot een boete van 3000 realen, zijnde de waarde der verhandelde goederen. ^) De praktijken, die op de oostkust van Voor-Indië in zwang waren, zullen te Suratte op de westkust niet onbekend zijn geweest. Waar zoo de dienaren van de Compagnie met hare makelaars en hare concurrenten samenspanden om het monopolie te ontduiken, was het voor een commissaris bijna ondoenlijk ongerechtigheden op het stuk van particulariteiten te ontdekken. Toch werden er wel eens van die ontrouwe handelingen open- baar. Boven -) is melding gemaakt van Jacob Bacherach te Wingurla, die brutaal bekende schulden te hebben uitstaan bij inlandsche koop- lieden. Van Goens ontdekte bij zijn inspectie, dat de assistent Johannes de Kater van de Benjanen een som van f 34,000 had geleend. ^) Waartoe anders dan om er handel mee te drijven? Een paar jaar later moest de koopman Pieter Moerbeeck, tweede persoon te Ama- dabad, naar Batavia komen om zich te verantwoorden over een partij tin, die Gerard Huift vóór Colombo had aangehouden. Eigen- aardig was de houding van Directeur en Raad te Suratte. Zij plaatsten den man, die zich als overtreder van den bezworen artikel- brief in Batavia had te verantwoorden, aan het hoofd van een vloot van vier schepen en gaven hem een loffelijk getuigschrift over zijn 1) Gen. Miss. 16 Jan. 1658. 2) p. 84 vlg. 3) Gen. Miss. 26 Jan. 1655. 109 trouwe diensten mee. Daarin zag de Hooge Regeering een daad, die meer naar „oppositie dan naar obedientie smaeckte." ') Zou het niet meer een teeken zijn, dat men te Suratte den particulieren handel niet meer voelde als een overtreding, misschien in vertrouwen, dat er te Batavia gelijke gevoelens bestonden? Moerbeecks schuld kon door den fiskaal van Indië niet bewezen worden. Gestraft werd hij dus niet, maar zijn gage was hem sedert zijn vertrek uit Suratte onthouden „behoudens zijn guarand op zijn beschuldigers." ^) Het kantoor te Sindi was nog slechts een paar jaar gevestigd, of het eerste opperhoofd, Pieter de Bie, werd al niet vertrouwd wegens zijn „schraepachtigen aert ende andere ongerijmtheden." Toen hij naar Suratte ontboden was, bleek het, dat hij door den makelaar te Sindi voor 15000 ropias kleeden voor zich zelf had laten opkoopen. Toen hij echter inzag, dat er geen voordeel op te behalen viel, liet hij er den makelaar mee zitten. De Raad te Suratte veroordeelde hem en zijn „secunde" tot slechts 300 realen boete. Door Gouverneur- Generaal en Raden werd die straf wel wat licht gevonden, maar daarom niet veranderd. ^) Ook de hoogste ambtenaren schenen toen reeds niet van particu- lieren handel vrij. Van Dirk Sarcerius, gewezen directeur in Perzië, ontvanger-generaal, later lid van den Raad van Indië, en 4 Februari 1657 als hoofd van de retourvloot naar patria vertrokken, berichtten de Heeren te Batavia, dat hij behoorde tot die dienaren, die „hier onder onze oogen hem derven laeten gebruijcken tot het bedecken ende volvoeren van groove particuliere handelingen." *) Hoe zal hij dan ver van Batavia in Perzië geprofiteerd hebben! Een poging van de Hooge Regeering om dezen particulieren handel tegen te gaan, was het plakkaat van 30 July 1657. ^) Het bepaalde, dat op plaatsen, waar de Compagnie geen colonie of eigen gebied had, de dienaren niet meer geld zouden mogen bezitten, dan zij voor hun huishouding noodig hadden. Het overige moesten zij tegen rente ') Missive van Gouverneur-Generaal en Raden aan den E. Isaacq Coedijck (waar- nemend directeur j en Raedt te Suratte, 5 Sept. 1657. 2) Gen. Miss. 4 Dec. 1656. ^) Gen. Miss. 4 Dec. 1656. ") Gen. Miss. 16 Jan. 1658. Vgl. Hotz, a. w., p. XXXVIII vlg. 5) Van der Chijs, a. w. II. p. 240. 110
ORANG-ORANG YANG MENYOKONG
Selasa, 7 April 2020
100
Langgan:
Catat Ulasan (Atom)
220
220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...
CATATAN POPULAR
-
Kenapa isu anjing menjadi sensitif. Sudah lama aku perhatikan bagaimana orang melayu berhadapan dengan isu anjing. Dalam hal ini aku akan m...
-
Oh sudah lama rasnya saya tidak menjengok blog ini. Ketika itu lihat orang ada akaun blogspot.my rasa nak ada akaun blogspot jugalah. Ketik...
-
20 De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten het...
-
40 Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den maharadja „...
-
30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt en...
Tiada ulasan:
Catat Ulasan