ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

100

100 

hun inkoopen ^). Ook de Heeren Zeventien werden door de Regeering 
te Batavia op de hoogte gehouden van de „navale macht der 
Engelschen in India." Zij waren het, die de Compagnie „allerwegen 
in de negotie souden traverseren", vooral te Suratte „alwaer hare 
principaelste handel gedreven wert." Daarentegen moest de Compagnie 
zich „in postuer stellen, ende door gauwe wegen bevlijtigen, sij ons 
geen voordeel af en sien, om alsoo tegens haer voet te connen 
houden, daer anders .... ons doot ende gansch tot niet sullen 
soecken te varen." ^) 

Kon over 't geheel genomen de Compagnie tevreden zijn met 
haar kantoor te Suratte, zoowel wat aanging haar verhouding tot 
het hof, als wat betrof de winsten, die er gemaakt werden — toch 
heeft hare Hooge Regeering jaren lang plannen overwogen om het 
kantoor te verplaatsen. 

Niet naar een andere plaats onder het gebied van den Mogol, 
maar naar een stad, waar zij zelf dan heer en meester zou wezen. 
Daarvoor had zij het oog geslagen op Diu, een der oudste bezit- 
tingen der Portugeezen, welker verovering de Compagnie omstreeks 
1630 reeds had overwogen. ^) 

Die stad op een eilandje aan de zuidpunt van het schiereiland 
Cambaja was zeer gunstig gelegen tusschen Perzië en Arabië ter eene 
en Voor-Indië ter andere zijde. Het eiland was 2V2 a 3 mijlen in omtrek 
en lag omtrent één musketschot van den vasten wal. De baai bood 



1) In 1655 b.v. aangekomen 5 jachten, van welke 4 groot 160 a 170 last, en één 
50 a 60 last. Geladen met kwikzilver, vermiljoen, laken, contanten. Drie jachten waren 
gegaan naar Ragiapour en verder langs de kust naar Cotchin om peper, cardamom, 
salpeter, kaneel en andere goederen op te koopen. Begin Januari 1656 kwamen zij 
met goede lading in Suratte terug en vertrokken naar Engeland. (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) 

Van 13 Juni 1656—24 Januari 1657 kwamen 7 particuliere engelsche schepen in de 
baai van Suhaly met een lading van 200,000 spaansche realen, 400,000 gulden in 
gemunt en ongemunt goud, laken, lood, vermiljoen, kwikzilver en wel 140 metalen 
stukken om aan de Mooren te verkoopen, „dat al een merckelyck groot cargasoen 
is, daermede sij de onse in 't negotieeren de handen sullen vol geven." (Gen. Miss. 
17 Dec. 1657.) 

2) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 

^) Dat een verovering van Diu al vroeg overwogen is, blijkt uit de Instructie voor 
Gouverneur-Generaal Hendrik Brouwer, 1632. art. 45: „Op den voorslag van den 
Directeur Van Kaesell, om alleen of met adsistentie van de Engelschen en die van 
Suratte, Diu of eenige andere sterkte van de Portugeezen te incorporeren, zouden 
voor alsnog niet kunnen goed vinden, hetzelve voor te nemen, alzoo de handel aldaar 
zoodanige onkosten niet lijden mag." (P. Mijer, Verzameling enz., p. 58 vlg.) 



101 

een veilige ligplaats voor wel 100 schepen. ^) Als de Compagnie 
die stad in haar bezit had en daar haar specerijen en andere 
goederen kon stapelen zou zij niets meer met Suratte te maken 
hebben. Dan zou zij haar kantoor op eigen gebied kunnen vestigen, 
was zij vrij van tollen en daaraan verbonden „vexatiën" en zou zij 
zelfs Diu ten koste van Suratte kunnen verheffen tot een handels- 
plaats, welker tollen rijke inkomsten in der Compagniekas zouden 
doen vloeien. ^) Daarom zou inderdaad het bezit van Diu de Com- 
pagnie een „schat waerdig" en den Mooren „een dapperen bril op 
haren neuse" kunnen worden. ^) In Diu toch woonden vele Benjanen, 
Mooren en andere „heidensche natiën." Onder dezen waren zeer 
machtige kooplieden, die handel dreven op Cambaja, Suratte, Sindi, 
Perzië en Mocha. De tol, 10 7o van de uitgaande, 4 7o van de 
inkomende goederen en 2 7o van de contanten, '^) nu voor de Por- 
tugeezen, zou voor de Compagnie, vooral bij stijgende handelsbe- 
weging onder invloed van haar specerijen-monopolie, een aardige 
opbrengst geven. Vooral na de successen op Ceylon, waar de 
Compagnie ten zuiden van Voor-Indië voor goed vasten voet ge- 
kregen had, moest het verlangen naar 't bezit van Diu ten noorden 
van Voor-Indië versterkt zijn. Diu, Ceylon, Malakka zouden buiten 
den Archipel een drietal vaste steunpunten vormen; waaromheen de 
macht der Compagnie zich zou kunnen uitbreiden. Die uitbreiding 
moest dan gepaard gaan met een verovering van de heerschappij 
over die zeeën ten westen van den Archipel en een verdrijving van 
alle concurrenten. 

De begeerte der Compagnie was den Portugeezen wel bekend. 
Diu was goed versterkt. Midden in de baai lag een langwerpig 
waterkasteel, ongeveer zoo groot als een schip, gewapend met 15 
a 20 kanonnen. Op het eiland zelf lag een tamelijk groot, wat 
ouderwetsch fort met ronde bastions, waarvan het eene hooger was 
dan het andere. Tusschen beide kasteelen was de doorgang voor 



^) Pieter van Dam, Beschrijving der Compagnie. 

^) Met de verovering van Diu . . . „conde (de Compagnie) naar wensch alle 
moorsche questiën ter zijde leggen, om haer dan met een geconquestreert recht selfs 

de wet voor te schrijven" om bij veroveringe desselfs (Diu) de Mooren op de 

Indische cust naer onse pijpen te doen dansen." (Gen. Miss. 26 Jan. 1655.) 

^) Gen. Miss. 27 Dec. 1657 en Missive van Gouverneur-Generaal en Raden naar 
Suratte, 5 Sept. 1657. 

*) Pieter van Dam, a. hs. 



102 

groote schepen, slechts een slingerworp breed. Om niet door de 
Nederlanders overvallen te worden, hadden de Portugeezen over 
dien doorgang, drie of vier voet onder water, een ketting gespannen. 
De stad zelf was ook nog met een vrij hoogen, maar niet dikken 
muur omgeven. In de stad zouden, naar verluidde, de Portugeezen 
200 stukken geschut hebben en vóór het weder uitbreken van den 
oorlog slechts ongeveer 250 blanken: officieren, soldaten, burgers en 
kooplieden. *) Zoodra echter in 1652 de oorlog in Indië was hervat, 
waren Diu en Daman, naar men had vernomen, met een dubbel 
aantal kanonnen vivres en ammunitie voor twee jaar voorzien, en 
portugeesche spionnen trachtten er te Suratte achter te komen, of 
ook in Batavia een expeditie tegen die steden werd uitgerust. 

De vijand kon gerust zijn: de Compagnie had vooreerst geen schepen 
en mannen voor ondernemingen buiten den Achipel beschikbaar. ^) 
Ook haar bleef vooreerst niet anders te doen over dan te spion- 
neeren, om op de hoogte te komen van Diu's sterkte en bezetting. De 
beste raadgevers in deze materie, Johan Grevenraet en de timmerman 
Steven Claesz, die gedurende het bestand in Diu geweest waren, 
konden geen inlichtingen meer geven. Bij een overval van een 
nederlandsche chaloep door Portugeezen op de neutrale reede van 
Suhaly hadden beiden het leven verloren. ^) 

Telkens weer werd daarom aan de directeuren te Suratte opge- 
dragen „secretelyck te informeeren op de situatie van Diu." *) De 
directeur Van Gendt kwam in 1655 na verkregen inlichtingen tot 
de conclusie, dat de sterkte niet „soo heel faciel te attaqueeren sij." 
Hij had echter wel lust met vier schepen een poging te wagen 
omstreeks midden December. Dan zou de cafiila van Diu naar 
Cambaja vertrokken en er dus weinig volk in de vesting achter- 
gebleven zijn. Zijn plannen berustten op inlichtingen van een uit 
Goa naar Wingurla overgeloopen Portugees, die, naar Batavia over- 
gebracht, den Heeren aldaar te veel zwetste om betrouwbaar te 
kunnen zijn, zoodat zij op die plannen niet wilden ingaan. *) Het 
bleek later, dat zij gelijk hadden gehad. Na den val van Colombo 
werd genoemde Portugees, Simon Lopes, onder de bezetting gevangen 



^) Pieter van Dam, Beschrijving enz. Een prent van Diu bij Baldaeus, Malabar enz., p. 36. 

2) Gen. Miss. 24 Dec. 1652. 

^) Zie beneden. Bijlage I. 

*) Gen. Miss. 24 Dec, 1655. 



103 

genomen en als overlooper opgeknoopt. ^) Vóór hem dat overkwam, 
zal hij de Portugeezen wel op de hoogte gebracht hebben van de 
begeerte naar Diu, die er te Batavia bestond. 

Zoodra er schepen en troepen voor een onderneming in het westen 
beschikbaar waren, werd aan Diu gedacht. De tocht van Gerard 
Huift in 1655 gold wel in de eerste plaats Colombo, maar hem werd 
ernstig gerecommandeerd „het exploict tegen Diu in consideratie te 
nemen", nadat hij zijn zaken op Ceylon verricht zou hebben. Die 
duurden langer dan verwacht was, en Huift zelf beleefde het einde niet. 

Toen nu Van Goens in 1657 met uitgebreide opdracht naar het 
westen werd gezonden, werd er hem in zijn instructie door de Hooge 
Regeering met nadruk op gewezen, dat zij „alst Godt geliefde seer 
geern souden sien, dat de Portugese sterckte Diu onder Comps. ge- 
hoorzaamheyt conde worden gebracht, om de groote importantie 
van de plaats om consideratien U.E. alsoo wel als ons bekent, hetsy, 
dat deselve met entreprinse verrast ofte wel met belegeringh door 
Gracht van canon, granaden en anders gedwongen conde worden." 
Zelfs noemden zij de verovering van Diu „het eerste ende voor- 
naamste oogmerck" van de expeditie. ^) 

Niet alleen de Compagnie zou gaarne de Portugeezen uit Diu 
verdreven zien; ook de Mogol. Van zijn hulp zouden de Heeren te 
Batavia ook wel gebruik willen maken ■ — maar dan de stad voor 
zich zelf behouden; de Indische vorst moest dus om den tuin geleid 
worden. Daartoe moest Van Goens, als hij Diu ging aantasten, van 
zijn voornemen kennisgeven aan den gouverneur van Suratte, die 
altijd een trouw vriend van de Compagnie geweest was. In een brief, 
geschreven uit naam van de Regeering te Batavia, moest hij zeggen, dat 
hij naar de vroeger gedane voorstellen ^) van de zijde der Mooren 



1) Gen. Miss. 4 Dcc. 1656. 

^) Instructie voor Van Goens, 5 Sept. 1657. 

^) Gedurende zijn inspectie te Amadabad in 1654, werd Van Goens door den 
gouverneur en den commissaris van den Mogol aldaar „den pols getast" over een 
gezamenlijk optreden tegen Diu en Daman, wat door Van Goens niet geheel ver- 
worpen was. Als voorwaarde voor de samenwerking had hij gesteld vrijdom van tol 
te Suratte, Brootsja en in Bengalen. Daar waren de Mooren toen niet verder op 
ingegaan. Aan den directeur Pelgrom bleef echter opgedragen, indien de Mooren er 
weer over begonnen, de zaak „treyneerende" te houden. (Gen. Miss. 26 Jan. 1655.) 

Op een later aanbod van des Mogols zoon, Aurengzeb, om samen Daman te ver- 
overen, werd niet ingegaan, omdat de Compagnie eerst gezegelde toezegging wilde 
hebben van den gevraagden tolvrijdom. (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) 



104 

„expres van Batavia gesonden kwam ten dienste van Sijn Maj.* de 
groote Coninck van India met last om de casteelen Diu en Daman 
met de hulpe Godes te bemachtigen ende Sijn Maj.* te onderwerpen, 
dat hetselve een middel sal wesen om Sijn Maj.* gunst meer ende 
meer tot ons te trecken, versoeckende, dat Sijn Ed. daer de behulp- 
same handt toe geUefde te bieden ende te gelasten, dat ons volck 
van d'Inwoonderen des landts van alle noodlijckheden versorght 
ende gedient mach worden. " In dezelfde instructie, waaraan boven- 
staande woorden zijn ontleend volgens welke de genoemde steden 
aan den Mogol zouden worden afgestaan, heet het dan verder: „De 
intentie sou zijn bij vermeesteringe van Diu, dat Godt gunne, den 
ommeslagh der negotie van Suratte daer te transporteeren, om niet 
meer van de onredelijcke regeringe der Mooren te dependeren, maer 
onse eigen vooght te wesen." De dienaren der Compagnie hadden 
wel reden, wat zij zoo dikwijls doen, hun verontwaardiging uit te 
spreken over de trouweloosheid der inlandsche vorsten en der Mooren! 

Te Wingurla waren, na het vertrek van Van Goens op den 
3Qsten ^pril 1654, de zaken toevertrouwd gebleven aan den koopman 
Leendert Jansz van Tongeren , die er den ontrouwen Jacob Bacherach 
was opgevolgd. Het aantal van vijftig gegageerde personen, die in 
1652 in de logie verblijf hielden, was, vermoedelijk na de inspectie 
van Van Goens, gereduceerd tot zeventien. ^) Met de kooplieden 
Narsanna en Kitsanna Wey werd de handel voortgezet, onder beding 
dat zij bij iederen nieuwen aanvoer het vorige aangebrachte cargasoen 
betaalden, en bovendien 12 Vo van de achterstallige schuld der 
specerijen en 5 7o van de andere waren, aflosten, zooals zij zelf 
hadden voorgesteld. 

In 1655 ging naar Wingurla, oorspronkelijk toch slechts een obser- 
vatiepost bij Goa^), een niet onaanzienlijk cargasoen van ruim ƒ 70,000 
aan benzoë, specerijen, lood en tin. ^) 

Over den handel op het kantoor waren Goeverneur-Generaal en 
Raden echter niet goed te spreken. Hij leverde geen voordeel op. 
De schuld der twee benjaansche koopHeden beliep in 1657 nog ruim 
ƒ56,000. Met de percentsgewijze afbetaling was het eigenlijk niet in 

') Gen. Miss. 18 ]uli 1656. 

^) Zie boven, p. 82. 

3) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 



u er 

" n 

!? f' 

= O. 

t 5' 

S CQ 

s- < 

- DJ 

5. CL 
3 n 

° t— I 

J CD 

> ^' 

.. O 
3 13 



CQ 



^ 3 

w CQ 




105 

den haak. Want de Compagnie leverde al jaren achtereen verschil- 
lende goederen vrij wat beneden de waarde, en zoo had het er veel 
van, of de Compagnie „haer soo veel quyt schold ofte schonck" als 
zij jaarlijks moesten aflossen, n.1. het verschil tusschen hetgeen de 
goederen moesten opbrengen en hetgeen er voor werd betaald. 
Daarom werd dan ook in 1657 geen cargasoen gezonden. Uit de 
schepen, bestemd voor Suratte en Perzië, kon dan zooveel gelicht 
worden voor Wingurla, als daar tegen Suratsche en Perzische prijzen 
kon worden geleverd, ^) onverminderd de verplichting tot afbetaling. 
Daarmede konden dan de kosten van het kantoor worden goedge- 
maakt; meer was niet noodig, want de handel was maar bijzaak. 
Daarom ook waren er op dat kantoor zelfs geen zeventien dienaren 
noodig. Dat getal kon teruggebracht worden op vijf; een onder- 
koopman, twee assistenten, een chirurgijn en één matroos. ^) 

Leendert Jansz, die zich in 1655 opnieuw op een salaris van f 60 
per maand voor vijf jaar aan de Compagnie verbonden had, ^) zond 
geregeld zijn berichten naar Batavia over de uit Portugal aankomende 
schepen en troepen binnen Goa, ook wel over 't geen hij gewaar 
kon worden over den handel der „Engelsche vrunden" in de buurt, 
over de beroeringen, die in het land van Visiapour te wachten 
waren na 't sterven van den koning Mohamet Adelsia in October 
1656 en over de vriendschapsbetuigingen, den nieuwen vorst door 
den portugeeschen onderkoning bewezen. ^) 

Dat was zoo 't gewone werk, waarvoor het opperhoofd van de 
logie te Wingurla, naast den handel, had te zorgen. 

Maar Leendert Jansz deed meer. Hij ging, zij 't minder brutaal 
dan Bacherach, zijn boekje te buiten bij het bouwen van een nieuwe 
logie. In Maart 1655 waren er door de bouwvaUigheid van het 
oude gebouw ongelukken gebeurd. De resident had daarop naar 
Batavia geschreven, dat het hoogst noodzakelijk was het geheele 
huis behalve de „muragie, die sich uytterlyck seer sterck betoonde", 
te repareeren. De Heeren hadden hem in Augustus teruggeschreven, 
dat het gebouw „soo oncostelyck mogelyck" moest worden „ver- 



^) Uit de schepen werden gelicht 249 kisten japansch koper, die ook voor den 
gezetten prijs geleverd werden. (Gen. Miss. 14 Dec. 1658.) 

^) Het bovenstaande naar Gen. Miss. 17 Dec. 1657 en Instructie voor Van Goens 
5 Sept. 1657. 

3) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 1 Febr.. 18 Julij, 17 Dec. 1656. 



106 

macckt." Immers Wingurla was geen kantoor, dat voor den handel 
veel beteekenis had. Het was slechts een observatie-post bij Goa 
en een ververschingsplaats voor de blokkade-vloot. Voor zoo'n 
residentie was geen groote „ommeslagh" veel minder „uijtterlycke 
parade ofte aensien" noodig. In plaats van zich aan het voorschrift 
der Hooge Regeering te houden, had Leendert Jansz het geheele 
gebouw tot den grond toe afgebroken en er een nieuw groot steenen 
huis laten zetten met een prachtige galerij. Volgens zijn opgaven 
kostte het geheel ƒ13,000; maar anderen, die het gezien hadden, 
beweerden, dat het wel ruim tweemaal zooveel gekost moest hebben. 
Waar had hij dan dat geld vandaan gehaald? Vermoedelijk zou hij 
op andere rekeningen te veel geschreven hebben en wel in de eerste 
plaats op die voor de verversching van de schepen, die in 1655 en 
'56 Goa hadden geblokkeerd. ^) 

De visite van Van Goens in 1653/54 was niet geheel zonder 
resultaat gebleven. Dure gezantschappen naar Delhi werden verme- 
den en het geld hever besteed, om de gouverneurs ter plaatse te 
vriend te houden. Groote moeielijkheden met de overheden kwamen 
dan ook niet voor. 

De handel op Mocha was naar zijn aangegeven plan gewijzigd en 
daardoor aan het kantoor te Suratte onttrokken. De betrekkingen 
met Bassora waren vooreerst opgeheven. Het kantoor te Sindi, dat 
niet aan de groote verwachtingen ten opzichte van den kleedenhandel 
had beantwoord, was tot een observatie-post tegenover de engelsche 
concurrenten afgedaald, evenals Wingurla in hoofdzaak tot zijn oor- 
spronkelijke bestemming was teruggebracht. 

En het personeel op de kantoren? Van Leendert Jansz zagen 
wij zijn spilzucht. Van Gendt bleef bij den verkoop der goederen 
niet buiten vermoeden van contractatie. In 't algemeen stonden de 
dienaren der westelijke kwartieren, waartoe de genoemde plaatsen 
gerekend werden, bekend als besmet met „particulariteiten en andere 
vuijlicheden," waarover in een volgend hoofdstuk. 



') Instructie van Van Goens, 5 Sept. 1657. 



HOOFDSTUK IV. 



VAN „PARTICULARITEYTEN" EN ANDERE „VUIJLICHEDEN." 

In de instructie voor Van Goens van 1653 was hem gerecom- 
mandeerd „ten scherpsten te informeeren" naar den particulieren 
handel „zonder aanschouw van personen, wie deselve oock soude 
mogen wezen." Want Gouverneur-Generaal en Raden waren er van 
overtuigd, dat die handel groote afmetingen had aangenomen: „In 
Suratte en onderhoorige comptoiren schijnt den particulieren handel 
uijttermaten in swang te sijn, als blijckt uyt de groote capitalen, die 
de ministers van tijt tot tijt van daer brengen." ^) 

Van Goens heeft „genoech devoir aengewendt" om overtreders 
te ontdekken, maar geen overtuigende bewijzen kunnen krijgen. En 
toch wist de Hooge Regeering, dat „'s Compagnies ministers van tijt 
tot tijt successive op dat comptoir ende de onderhoorige residentien 
hare beursen soo weten te specken, dat in corte jaren rijck ende 
welig worden ende zich dan naer het vaderland transporteeren." ^) 

Het was echter moeilijk hen op heeterdaad te betrappen, omdat 
zij „hare particuliere concepten soo subtiel ende met sulcke bedeckte 
finessen [wisten] aen te leggen ende uyt te voeren, dattet schier 
onmogelijck [was], daar te connen achter comen; tot bevorderingh 
van welck kanckereus quaet de maeckelaers ordinaris groote helpers 
ende aenleiders [waren], die de onse met het verstrecken van pen- 
ningen op de been [hielpen] en in crediet" [brachten]. ") Ook van 
andere in Indië handelende Europeanen konden de dienaren hulp 



^) Instructie van 19 Sept. 1653. 
2) Gen. Miss. 26 Jan. 1655. 



108 

krijgen, zooals het volgende geval leert. Toen Van Goens in 1656 
als admiraal uit patria naar Indië terugkeerde, ontdekte hij tusschen 
Kaap de Goede Hoop en Batavia een engelsch schip, de „Societeyt", 
van Masulipatnam (kust van Coromandel), op weg naar Engeland. 
Uit dat schip had hij door „sonderlinghe bestieringe Gods" ver- 
scheidene brieven in handen gekregen van eenige ministers van het 
nederlandsche kantoor te Masulipatnam, o. a. van het opperhoofd 
Cornelis van Qualbergen. Daaruit bleek, dat deze met verscheidene 
gelegenheden over Engeland pakken lijnwaad naar 't vaderland had 
gezonden en zich bovendien vergrepen had aan het koopen en 
verzenden van ruwe diamanten, „hetwelk saecken sijn van seer quaet 
gevolgh." Welk gevolg voor hem dan ook niet uitbleef. Naar 
Batavia ontboden, werd hij door den Raad van Justitie veroordeeld 
tot ontzetting uit zijn betrekking en tot een boete van 3000 realen, 
zijnde de waarde der verhandelde goederen. ^) De praktijken, die op 
de oostkust van Voor-Indië in zwang waren, zullen te Suratte op 
de westkust niet onbekend zijn geweest. 

Waar zoo de dienaren van de Compagnie met hare makelaars en 
hare concurrenten samenspanden om het monopolie te ontduiken, 
was het voor een commissaris bijna ondoenlijk ongerechtigheden op 
het stuk van particulariteiten te ontdekken. 

Toch werden er wel eens van die ontrouwe handelingen open- 
baar. Boven -) is melding gemaakt van Jacob Bacherach te Wingurla, 
die brutaal bekende schulden te hebben uitstaan bij inlandsche koop- 
lieden. Van Goens ontdekte bij zijn inspectie, dat de assistent Johannes 
de Kater van de Benjanen een som van f 34,000 had geleend. ^) 
Waartoe anders dan om er handel mee te drijven? Een paar jaar 
later moest de koopman Pieter Moerbeeck, tweede persoon te Ama- 
dabad, naar Batavia komen om zich te verantwoorden over een 
partij tin, die Gerard Huift vóór Colombo had aangehouden. Eigen- 
aardig was de houding van Directeur en Raad te Suratte. Zij 
plaatsten den man, die zich als overtreder van den bezworen artikel- 
brief in Batavia had te verantwoorden, aan het hoofd van een vloot 
van vier schepen en gaven hem een loffelijk getuigschrift over zijn 



1) Gen. Miss. 16 Jan. 1658. 

2) p. 84 vlg. 

3) Gen. Miss. 26 Jan. 1655. 



109 

trouwe diensten mee. Daarin zag de Hooge Regeering een daad, 
die meer naar „oppositie dan naar obedientie smaeckte." ') Zou het 
niet meer een teeken zijn, dat men te Suratte den particulieren handel 
niet meer voelde als een overtreding, misschien in vertrouwen, dat 
er te Batavia gelijke gevoelens bestonden? 

Moerbeecks schuld kon door den fiskaal van Indië niet bewezen 
worden. Gestraft werd hij dus niet, maar zijn gage was hem sedert 
zijn vertrek uit Suratte onthouden „behoudens zijn guarand op zijn 
beschuldigers." ^) 

Het kantoor te Sindi was nog slechts een paar jaar gevestigd, of 
het eerste opperhoofd, Pieter de Bie, werd al niet vertrouwd wegens 
zijn „schraepachtigen aert ende andere ongerijmtheden." Toen hij 
naar Suratte ontboden was, bleek het, dat hij door den makelaar te 
Sindi voor 15000 ropias kleeden voor zich zelf had laten opkoopen. 
Toen hij echter inzag, dat er geen voordeel op te behalen viel, liet 
hij er den makelaar mee zitten. De Raad te Suratte veroordeelde 
hem en zijn „secunde" tot slechts 300 realen boete. Door Gouverneur- 
Generaal en Raden werd die straf wel wat licht gevonden, maar 
daarom niet veranderd. ^) 

Ook de hoogste ambtenaren schenen toen reeds niet van particu- 
lieren handel vrij. Van Dirk Sarcerius, gewezen directeur in Perzië, 
ontvanger-generaal, later lid van den Raad van Indië, en 4 Februari 
1657 als hoofd van de retourvloot naar patria vertrokken, berichtten 
de Heeren te Batavia, dat hij behoorde tot die dienaren, die „hier 
onder onze oogen hem derven laeten gebruijcken tot het bedecken 
ende volvoeren van groove particuliere handelingen." *) Hoe zal hij 
dan ver van Batavia in Perzië geprofiteerd hebben! 

Een poging van de Hooge Regeering om dezen particulieren handel 
tegen te gaan, was het plakkaat van 30 July 1657. ^) Het bepaalde, 
dat op plaatsen, waar de Compagnie geen colonie of eigen gebied 
had, de dienaren niet meer geld zouden mogen bezitten, dan zij voor 
hun huishouding noodig hadden. Het overige moesten zij tegen rente 



') Missive van Gouverneur-Generaal en Raden aan den E. Isaacq Coedijck (waar- 
nemend directeur j en Raedt te Suratte, 5 Sept. 1657. 
2) Gen. Miss. 4 Dec. 1656. 
^) Gen. Miss. 4 Dec. 1656. 

") Gen. Miss. 16 Jan. 1658. Vgl. Hotz, a. w., p. XXXVIII vlg. 
5) Van der Chijs, a. w. II. p. 240. 



110 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR