110 aan de kas der Compagnie afstaan. Op overtreding stond verbeurte der ingehouden kapitalen en de andere straflFen, waarmede de particuliere handel bedreigd werd. ^) Of de Heeren te Batavia zelf veel effect van dit besluit verwacht hebben in handelscentra, waar makelaars gaarne bereid waren geld tegen interest te leenen, mag betwijfeld worden. Er waren nog andere middelen om zich, meer direct ten koste van de Compagnie, te verrijken. Daar zij evenals de particulariteiten uit den aard der zaak bedektelijk werden aangewend, zullen zij veelvul- diger toegepast zijn, dan zij openbaarheid gevonden hebben. Bij zijn vluchtige visite van Ceylon in 1653 ontdekte Van Goens, dat de koopman Joris Schilderhuysen te Negombo op zijn admini- stratie, die niet groot was, ƒ3300 ten achter was, waarover hij geen rekenschap kon geven. De schuldige stierf kort daarna. Gouverneur- Generaal en Raden konden slechts hopen, het tekort uit zijn „nage- laten middelkens" aan te zuiveren. ~) Te Gale was het de „winkelier" Jacobus de Vos van Teylingen van Alkmaar „altijt voor een geschiet en deugtsaem jongen aenge- sien," die op zijn administratie ƒ27,857 „te kort was gebleven," zonder dat hij eenige aanwijzing kon doen, waar het geld „bevaren sij." Bovendien bleek, dat hij „op der lieden [dienaren] reeckening verscheijden malversatien gepleeght" had. Naar Batavia gezonden, stierf hij onderweg. Te Gale had hij van het achterstallige slechts ƒ8125 kunnen bijpassen, zoodat er een schuld overbleef van ƒ19,672, wat niet op zijn arme weduwe, die met één kind achterbleef, ver- haald kon worden. Heeren Zeventien bleef dus niets anders over, dan zich uit zijn „erfgoed ende borgen te guarandeeren." ^) ^) Tot het decreet schijnt aanleiding gegeven te hebben de groote rijkdom van Elias Boudaen (zie beneden). Tot 1657 was het den dienaren van de Compagnie geoorloofd _n de kantoren Suratte enz. kapitalen te bezitten „mette welcke men altijd voorgegeven heeft, dat soo met bodemerijen als andersints buijten eenigh praejuditie van de Compagnie seer groote conquesten sijn te doen geweest ende waermet vele ministers in corten Jaeren soo rijck van dezelve plaetsen opgecomen souden sijn als men van tijdt tot tijdt niet sonder verwonderingh heeft gesien, soo hebben wij swa- richeyt gemaeckt tegen de middelen van den voorsz overleden [Boudaen] te doen procedeercn, uyt vreese, dat deselve procedure int vaderlandt niet staende soude hebben connen gehouden worden." Als plaatsen waar de Compagnie geen eigen colonic of gebied heeft, worden genoemd: Perzië, Suratte, Wingurla, Tonquin, Malabar, de kust van Coromandel, Bengalen, Arracan, Siam, Tonquin, Japan, Jamby. e. a. (Gen. Miss. 16 Jan. 1658, vgl. Daghregister Batavia 1656/57, p, 220. 2) Gen, Miss. 19 Jan. 1653. 3) Gen. Miss. 19 Jan. 1654. 111 Een dikwijls voorkomend soort van diefstal scheen te zijn; meer gelden te boeken, dan aan de makelaars was uitbetaald. Zoo ontdekte Van Goens, dat Elias Boudaen van Antwerpen, opperkoopman te Bassora in 1652 te Suratte overleden, 2177 mamoedi (± ƒ900) meer had geschreven, dan hij den makelaars in rekening had gebracht. ^) Voor Boudaen moet dat maar een kleinigheid geweest zijn, want zoowel de Heeren te Batavia, als die in patria stonden verbaasd over zijn in vijf jaren verworven rijkdommen. Aan de armen te Batavia en die te Amsterdam vermaakte hij ieder ƒ 4000. ") Van een soortgelijke handelwijze om zich geld te verschaffen werd ook Leendert Jansz verdacht. Dit opperhoofd te Wingurla immers had de logie, die hij mocht opknappen, geheel vernieuwd, vermoedelijk voor tweemaal zooveel geld als hij beweerde besteed te hebben. En als een van zelf sprekende zaak zeggen Gouverneur-Generaal en Raden, dat hij het meerdere „sal hebben weten te vinden aen andere reecke- ningen, waertoe hij met het groot getal schepen, dat wij verleden jaer voor Goa hebben gehadt, goede gelegentheijdt heeft gehadt." ^) De ontrouwe Pieter de Bie te Sindi was geinspecteerd door Joan Barra. Van den laatsten blijkt niet, dat hij deed aan particulieren handel, maar hij en zijn collega Cornelis Mey hadden andere streken. Zij boekten 1064^8 realen minder dan de verkoop der goederen te Bassora had opgebracht. ^) Voor den fiscaal van Indië te Batavia beweerden de heeren, dat die gelden gebruikt waren voor een „schenckage, blyckende bij particuliere reeckeningen", en „dat se met kennisse van den directeur Van Gendt zaliger de actie, daerse mede beschuldicht werden, hadden gepleeght." De particuliere reke- ningen en het beroep op den gestorven Van Gendt overtuigden den achtbaren Raad niet van hun onschuld. Mey werd wegens die „vuyle saeck" veroordeeld tot een uitkeering van 880 realen en Barra tot een dito van 428, mitsgaders beiden tot een boete van 12 maanden gage. ^) 1) Gen. Miss. 7 Nov. 1654. 2) Gen. Miss. 19 ]an. 1654 en 7 Nov. 1654. 3) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. *) Gen. Miss. 16 Jan. 1658. Directeur en Raad van Suratte hadden het beter met hen voor gehad, Tegen de orders van de Heeren Zeventien (dat n.1. geschenken aan dienaren van de Compagnie gegeven, aan de Compagnie behooren), hadden zij bij resolutie van 26 Oct. 1656 besloten, dat zij drie paarden, hun te Bassora geschonken, voor zich zelf mochten behouden. (Missive van Batavia naar Suratte, 5 Sept. 1657.) 112 De vermelde voorvallen zijn slechts enkele droppels, die uit het gesloten vat van „particulariteijten" en „vuijlicheden" naar buiten zijn gelekt. Zij zijn slechts „staeltjens uyt dewelcke men lichtelyck soude connen afmeten, hoe sommige in die quartieren soo haest rijck geworden sijn." ^) Gewone eerlijkheid schenen de Heeren trouwens van de dienaren niet te verwachten. Als zij schrijven over de verovering van vier engelsche schepen in de Golf van Perzië, ^) waarbij de Compagnie ƒ 425,000 geprofiteerd had, dan voegen zij aan dat bericht als een van zelf sprekende zaak toe: „hoewel sij [de Engelschen] vrij meerder daarbij comen te verhezen, connende (soo het schijnt) soo nauwen toezicht in diergelijcken occasie niet genomen werden, of weten haer de particuliere ministers daerbij te verrijcken, voornamentlijck bij de veroveringhe van comptanten ende andere clenicheden, die licht te verduijsteren zijn, gelyck deselve schepen veel in gehad hebben." ^) Of de Hooge Regeering, niettegenstaande haar geschetter tegen den particulieren handel in stukken, die onder de oogen van de Heeren Zeventien kwamen, overtreding van het handelsverbod wel zoo ernstig opnamen, mag betwijfeld worden. Pieter van Moerbeeck, wiens particuliere tin voor Colombo was aangehouden, werd toch aangesteld tot opperhoofd over het retour- schip de Hektor, met herstel van zijn gage (ƒ65 per maand), omdat er, zoo werd tot verontschuldiging gezegd, buiten den schipper weinig bekwame personen bij de retourschepen waren en hij altijd voor een bekwaam en eerlievend persoon was aangezien. *) Toen Directeur en Raad van Suratte denzelfden Moerbeeck van particulariteit beschul- digd aan 't hoofd van een vloot naar Batavia zonden, heette een dergelijke handelwijze, zooals wij zagen, te „smaken" naar „oppositie." Smaakte nu de aanstelling van Moerbeeck als hoofd van een schip naar patria naar „obediëntie" tegenover de Heeren Majores? Trouwens de Raad te Suratte ging verder dan dergelijke kleine bewijzen van ongehoorzaamheid. Pieter de Bie, die zoo droevige 1) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 2) Daghregister Batavia 1653, p. 117, 150, 155, 165. 3) Gen. Miss. 19 ]an. 1654. *) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. De Hektor ging in gezelschap van 5 andere schepen onder bevel van den Raad van Indie Joan Cunaeus 18 Dec. 1657. (Gen. Miss. 16 Jan. 1658.) 113 leiding had gegeven aan het gevecht tegen vier engelsche schepen voor Sindi, ^) die gestraft was voor particulieren handel, en den makelaar te Sindi had bedrogen, werd door den Raad na zijn „deportement" van het kantoor te Sindi aangesteld als hoofd van het gewichtige kantoor te Agra. En toch bepaalde zich de verontwaardiging over die bevordering, en nog wel eerst na een opmerking daarover van de Heeren in patria, tot de verzekering, dat zij niet „ledigh geweest [waren] daerover hun misnoegen te bethoonen." Dat was alles. ^) In 1659 benoemde de Regeering hem nog tot lid van een gezantschap naar Bantam en 1 1 December van hetzelfde jaar zeilde hij als medelid van den scheepsraad, met de retourvloot naar patria. ^) Ook de tot boete veroordeelde Joan Barra heeft nog eervolle betrekkingen bekleed. Tweemaal was hij hoofd van het kantoor te Makassar (1659 en 1660 — 1664). Te Batavia teruggekeerd werd hij schepen en commissaris van huwelijkszaken en in 1665 naar 't westen gezonden, om op Ceylon of Malabar aangesteld te worden. ^) Ook Van Goens was, na zijn inspectie van 1653/54, niet vrij gebleven van „suspicie". Door „eenige ministers in Suratte" was hem ten laste gelegd, dat hij, even goed als de directeuren, koper en tin beneden de waarde had verkocht en dus ook met de kooplieden had gecontracteerd, zonder daarvan in zijn rapport de reden op te geven. ^) Gouverneur-Generaal en Raden zelf brachten een andere beschuldiging tegen hem in. In de negotie-boeken van Suratte n.1. kwam een post voor van ƒ 5749 : 16 „daeraf geseijt wort, den voorz. [V^an Goens] ons alhier reeckening soude doen, die echter niet een woort voor sijn vertreck [naar 't vaderland] daeraf gerept heeft ende hoewel in de boecken gespecificeert staet, hem die tot de gints ende wederreijse van Suratte naar Amandabath ter hand gestelt sijn, soo hadde daarvan hooren bewijs ende reliqua te doen." In 't vaderland hebben de Heeren Zeventien Van Goens in hun vergadering zelf over die beschuldigingen gehoord en er zijn „verbaal en dagregister" op nagezien. Die onderzoekingen hadden hen tot de overtuiging gebracht, dat hij „doen ter tijd, daer hij met soo notabele ^) Zie beneden Bijlage I en boven p. 89. ') Gen. Miss. 4 Dec. 1656. 5) Daghregister Batavia, 1659, p. 139, 246. *) Daghregister Batavia, 1659, 1661, 1663, 1664, 1665, register op Barra. 5) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. AALBERS, O.-I. Compagnie. 8 114 partijen specerijen beladen was en buijten deselve weynich andere coopmanschappen hadde, int debiteren van deselve coopmansstyl gevolcht en sich daarin wel en naer behooren gequeten heeft." Ook aangaande de tweede aantijging heeft Van Goens den Heeren con- tentement gegeven en hun aangewezen, waartoe hij die gelden gebruikt had. Zij gaven zelfs aan de Regeering in Batavia een standje: „soo hij [Van Goens] geen reeckening daervan voor zijn vertreck uyt Indien aen U.E. heeft overgelevert, (gelyck hij verclaert van jae), hadden U.E, hem dezelve connen en behoren affgevordert te hebben." ^) Te Batavia heeft hij zich vooral tegen de eerste beschuldiging uitvoerig verdedigd in een vertoog, dat hij voor zijn vertrek als commissaris in 1657 bij de Hooge Regeering inleverde. ^) Slechts ter loops sprak hij over de niet verantwoorde ruim f 5700. Daarop moeten in het vertoog de volgende woorden betrekking hebben: „Om oock U.E. van de merckten op de binnenlantse comptoiren .... kennisse te doen hebben .... hebbe ick niet ontsien omtrent 4700 r^ ^) daeraen te cost te leggen, die niet door my maer 's Comp^. cassier in meer dan 150 posten (soo 't mij in reeck^. gebracht is) betaelt zijn. Deze reeck^. is ook nevens alle mijne pampieren, geen uytgesondert, onder den secretaris Op de Camp geweest, geschreven ende onderteyckent door de eygen hant van den coopman Laires." Breedvoerig echter verdedigde hij zich tegen de beschuldiging van contractatie. Met cijfers toonde hij aan, dat onder zijn leiding in 1654 de goederen zeer veel duurder verkocht waren dan in het jaar te voren. *) Niet alleen de specerijen maar ook tin, koper, kamfer, kwikzilver en vermiljoen; ^) en dat, terwijl er nog nooit ^) Gen. Miss. van Heeren Zeventien naar Batavia, 13 Oct. 1656. ') Vertoogh van den E. RycklofF van Goens, raeckende 's Compagnies handel in Suratte, in dato 6 Aug. 1657. 't pond. ^) ra = ropia. *) 5) Verkoop Nagelen Noten 1652153. Inkoop: ƒ303,502 Verkoop: ƒ693.269 /65253 34 stvrs. 't pond 11.. 1654 f3\\.777 ƒ952,423. 1654 51 stvrs. 18 .. Foelie 47 „ 69 „ Rompen Tin Koper 8 .. 21 ra 't picol 23 „ .. 11 .. 233 9 ra 't 25 .. 115 in Suratte zooveel specerijen, tin en koper waren aangeboden. „Die hier niet mede soude tevreden sijn", zegt Van Goens, „dunckt mij, dat des heeren seegen soude misbruycken. Ende soo noch het tin en cooper duurder heeft mogen vercocht worden, gelyck wel te gelooven en eenigsints gebleecken sij, ^) sulcx dunckt mij, dat onmogelijck is om mij te imputeeren, maar veeleer, die de directie vertrouwt ende aldaer geexpermenteert waren, consequent sulcx seer wel geweten hebben, die oock den last van de vercoop ende mij maer den toezicht over haer bedrijf bevolen was." Mochten al de prijzen voor tin en koper later hooger geworden zijn, vóór 1654 waren zij nooit zoo hoog geweest, zooals gebleken was uit een onderzoek van de boeken over 20 jaar, dat Van Goens, voor hij tot den verkoop was overgegaan, had laten instellen. Hem kon dus het verwijt, dat tin en koper niet meer hadden opgebracht, niet treffen, maar wel den directeur Pelgrom en zijn voorgangers, die van de markt op de hoogte hadden moeten zijn en, als zij het geweest waren, dienovereenkomstig prijzen hadden moeten bedingen. Hoe durfde die Pelgrom hem beschuldigen? Van Goens had de goederen geleverd aan den hem geheel onbekenden Sunderdas Narangie, wiens boeken hij 18 a 20 dagen later „geweldelick had laten intercipieeren" (vermoedelijk om ze te vergelijken met die van het kantoor der Compagnie), waardoor hij diens haat had opgewekt. Pelgrom evenwel had tegen bevel van Van Goens en de Regeering te Batavia het volgende jaar de goederen weer gegund aan den ouden contractant, Mondas Naan. Wie van beiden was dan suspect? Koper en tin hadden, zooals uit de latere verkoopingen bleek, wel duurder verkocht kunnen worden, maar dan zou de Compagnie met de specerijen zijn blijven zitten. Die vertegenwoordigden een waarde van vijf ton, en dat beteekende een rente van ƒ45,000 per jaar. Als dat gebeurd was, zouden Gouverneur-Generaal en Raden Van Goens „met reden voor een bengel en dwaas gedacht hebben." Van vermiljoen, kamfer en kwikzilver worden in het vertoog de prijzen van 1654 niet genoemd. 1) Tin 1655 verkocht 24 '/o r^ 't picol. 1656 „ 24'/2 .. 1657 Koper 1655 1656 1657 29V2 26 26 29V2 116 En hoe was het dan de volgende jaren met het tin en koper gegaan? In 1655 waren er zoo goed als geen specerijen aangebracht. ^) Waren dan onder zoo gunstige omstandigheden die metalen zooveel duurder verkocht geworden? Één mamoedi de man ^) hadden zij meer opgebracht! Op een verkoopsom van ƒ375,950 was dat een vermeerdering van ƒ10,000 „'t geen bij alle de andere redenen niet meerder dan een mier bij een oliphant te vergeUjken is!" Van Goens was verweten, dat hij in zijn rapport niet gesproken had over dien verkoop van het tin en koper, noch er mondeling melding van had gemaakt. Nu konden de aangevoerde redenen, n.1. dat hij bij vasthouden aan hooger prijs, met de specerijen zou zijn bhjven zitten, voor ieder „verstandige" duidelijk zijn. En waarom had hij er bijzonder over moeten spreken? Immers „sich ontschuldigen over een saecke daer men onschuldich aen is, is sich selven (na 't fransche spreekwoord) beschuldigen." Gouverneur-Generaal en Raden vonden het ook verdacht van den commissaris, dat hij zich zoo gunstig over den directeur Pelgrom had uitgelaten. Hoe konden zij hem daarvan een grief maken, die hem Pelgrom hadden aanbevolen als een „wacker, capas ende ge- trouw minister?" ^) Toen Van Goens bij de uitvoering van zijn commissie alle medewerking van den directeur had ondervonden, was hij daardoor bevestigd in de „taxatie", die de Heeren zelf van hem hadden gegeven. Nu, achteraf, was het Van Goens even duidelijk als den Heeren, dat Pelgrom niet zuiver was. *) Van Gendt, Pelgroms opvolger, was evenmin te vertrouwen. Hij had in 1656 voor de geringe hoeveelheid aangevoerde specerijen ^) Aanvoer van specerijen: 1654 1655 Nagelen 123000 ^ 37351 S Noten 72000 'S geen. Rompen 70000 ^ 76000 <g Foelie 22000 'S geen. 2) Mamoedi = ISVs stuiver. Man = 34 V2 pond. ^ Instructie voor Van Goens, 19 Sept. 1653. *) Pelgrom was in 1654 naar 't vaderland teruggekeerd. En daar bemerkt men, „dat de middelen, die de voorn. Pelgrom doenmaals vandaar heeft overgebracht, dewelcke hij aan alle kanten dede blijcken, vrij groot te zijn, daar hij nogtans maar weynigh jaren in dat comptoir hadde gelegen, wel uytgewesen hebben, dat hij die uit sijn gagie niet hadde overgewonnen." (Vém Dam, Beschrijving, t. a. p. f. 898.) 117 per pond minder bedongen dan in 1654 voor de groote partijen verkregen was. Ook andere artikelen hadden minder opgebracht. O Maar wat vooral vermoedens wekte: de geheele aanvoer was weer geleverd aan den eenen makelaar Mondas Naan. En daarover had zich Sunderdas Narangie, aan wien in 1654 geleverd was, in een brief bij Van Goens beklaagd, er bijvoegend, dat de goederen beneden de markt waren verkocht. Met deze verdediging, voor een groot deel een beschuldiging van zijn vermoedelijke aanklagers, Pelgrom en Van Gendt, zijn Gouverneur-Generaal en Raden tevreden geweest. Wel had ook hij moeten schacheren met tin en koper, maar die metalen waren dan toch duurder verkocht dan ooit sedert 20 jaren, en hij had toch ƒ150,000 meer bedongen dan bij vorige contractueele verkoo- pingen was verkregen. Deze weinige berichten over de ongerechtigheden van de dienaren der Compagnie in de westelijke kwartieren van 1652 — '57 geven den indruk, dat in dit bloei- en krachttijdperk van het groote handels- genootschap bij hoogere en lagere ambtenaren een algemeen streven heerschte naar ongeoorloofd winstbejag, dat hen dikwijls leidde tot handelingen in lijnrechten strijd met de belangen der Compagnie. De kleeden te Agra opgekocht leverden geen winst meer op bij verkoop, en de inkoop kon dus gestaakt worden, zooals het door Van Goens ingestelde onderzoek leerde. ^) Toch werd in 't zelfde jaar (1654) nog f 150,000 voor den kleedenhandel naar Agra ge- zonden, meer dan naar eenig kantoor onder Suratte ressorteerende. ^) Ook in 1655 zouden nog kleeden gekocht worden, hoewel gedeeltelijk als proef. De eene helft zou door de makelaars en de andere door de dienaren van de Compagnie worden ingekocht, om 't verschil in inkoopen na te gaan. Waar makelaars en winkeliers „coUudeerden " zou zeker de proef weinig resultaat hebben. Maar waarom die onvoordeelige handel niet gestaakt? De boeken van de makelaars der kleine kantoren werden in 1654 ^) Ruwe zijde 250 r^ 't picol minder. Radix china 2 F/g r» 't picol minder. Kaneel 3 strs 't pond minder. Thee 5^2 r^ 't picol minder. 2) Boven Hoofdstuk III, p. 89 vlg. ') Gen. Miss. 1 Febr. 1655. 118 onderzocht. Waarom niet die van den grootsten makelaar der Compagnie in Suratte? ^) Waarom verzetten de directeuren te Suratte zich tegen den verkoop der goederen aan den meest biedende en verkochten zij het koper en tin onder de waarde? -) Waarom vroeg de directeur Pelgrom een grooten aanvoer van specerijen voor 't laatste jaar, waarin zij volgens een voor de Compagnie nadeelig contract zouden worden verkocht? ^) Het zou redelijk geweest zijn te zorgen, dat de voorraad der Suratsche kooplieden in 't volgend jaar zoo klein mogehjk zou wezen. Waarom werden jaar op jaar in Wingurla de goederen der Compagnie aan de twee benjaansche kooplieden beneden de prijs geleverd? ^) Waarom werd de vaart op Mocha en Bassora tegen 't bevel der Hooge Regeering nog voortgezet? *) Het antwoord op die vragen geven de woorden douceur, faveur, particulariteit. Welke redenen de heeren ook mogen opgeven in remonstranties en vertoogen ter verdediging van hun handelwijzen, de Hooge Regeering „zou een beter behagen hebben en de sommige discoursen °) onwankelbaarder geloof geven", indien niet de koop- lieden, „die daer achtereenvolgens gelegen hebben, befaamd waren wegens de groote sommen, die zij hebben overgegaard. ^) En Van Goens? Had hij aan de verleiding, die hem in 1653/54 toch zeker wel geboden zou zijn, weerstand kunnen bieden? Het pleit zeker in zijn voordeel, dat „ministers an Suratte", die niet tot de zuivere en getrouwe dienaren behoor' .n, hem van het tegendeel hebben beschuldigd. De cijfers uit zijn jetoog laten aan duidelijkheid h Boven Hoofdstuk III, p. 89. 2) Het Vertoogh van 6 Aug. 1657 ') Hoofdstuk III. p. 105. *) Teekenend is, dat Van Gendt zijn voorganger l Pelgrom) beschuldigde voor één scheepslading, wegens particuliere inzichten naar Mocha, wel drie bodems gebruikt te hebben. Ofschoon Gouverneur-Generaal en Raden aan de particulariteit niet twij- felden, moesten zij toch erkennen, dat Van Gendt overdreef, en dat er nooit meer dan twee schepen gebruikt waren. (Gen. Miss. 24 Dec. 1655.) ^) De directeur Pelgrom b.v. beweerde, dat de moorsche en benjaansche kooplieden met de vaart naar Mocha niet meer verdienden dan de Compagnie. Als de koning hen niet dwong om zijn schepen met lijnwaad te bevrachten, zouden zij, volgens hem, die vaart al lang hebben opgegeven. Gouverneur-Generaal en Raden gelooven van zoon redeneering terecht niets. Indien toch P's bewering juist was, zouden immers die kooplieden op den duur te gronde gaan. En zij floreeren integendeel. Dan zou ook die vaart moeten afnemen en zij nam integendeel zoo toe, dat de Compagnie er uit raakte. (Gen. Miss. 24 Dec. 1655.) 6) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 119 niets te wenschen over. Maar de argumenten van zijn beschuldigers kennen wij niet. Tusschen hen, een knoeiende kliek, maakt hij den indruk van een ambtenaar, die de Compagnie eerlijk en naar zijn beste weten gediend heeft, — de aangewezen man om ten tweeden male het kantoor te inspecteeren, welke last hij, zoo zijn „vertoog" den Heeren genoegen had gegeven, „vroolyck [zou] accepteeren ende sonder eenich aensien van de personen ofte vreese van lijflF of goet" zou volbrengen. ^) Het rapport van die inspectie zou een nadere bevestiging zijn van de in de voorgaande bladzijden gegeven algemeene voorstelling der particulariteiten vooral op het kantoor Suratte in zwang. ^) ^ Vertoogh van 6 Aug. 1657. -) Zie beneden Hoofdstuk VIII. HOOFDSTUK V. VAN BATAVIA NAAR GOA. Naar de kantoren, van welker toestand in de vorige hoofdstukken een schets is gegeven, werd dan in 1657 Van Goens afgevaardigd. Hij stond aan het hoofd van de aanzienlijke macht van 13 schepen, van welke reeds negen „cloecke oorlogsschepen," onder bevel van den commandeur Adriaan Roothaas, naar Goa's bhare vooruit ge- zonden waren. Het eerste doel van de expeditie was de verovering van Diu. Opdat niet door het verschijnen van een groot aantal compagnie-schepen voor Goa de vijand zou kunnen vermoeden, dat er een aanslag op Diu gewaagd zou worden, werd den admiraal aangeraden, zich niet met de geheele scheepsmacht voor Goa te vertoonen. Een „positive ordre" van handelen werd overigens Van Goens niet voorgeschreven. Aan hem werd overgelaten zijn maatregelen te nemen en plannen te maken naar de omstandigheden, die hij voor Goa zou vinden. Na de verovering van Diu („soo 't Godt den Heere beheft"), zou de stad van „vertrouwd " garnizoen, „alsoo wij daar wat ver van de hant sullen gelegen sijn," en van voldoende levensmiddelen wor- den voorzien. Van Goens zelf zou dan met zijn vloot naar Ceylon stevenen, voor Goa een vijf- of zestal schepen achterlatende. Op Ceylon was zijn taak de verovering van het eiland Manaar en de stad JafFanapatnam, opdat de Compagnie met meer gerustheid de kaneellanden zou kunnen bezitten en niet meer bevreesd behoefde te zijn voor een samenspannen van Raja Singha met de Portugeezen. Tot grooter veiligheid diende dan ook de vijand van de tegenover 121
ORANG-ORANG YANG MENYOKONG
Selasa, 7 April 2020
110
Langgan:
Catat Ulasan (Atom)
220
220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...
CATATAN POPULAR
-
Kenapa isu anjing menjadi sensitif. Sudah lama aku perhatikan bagaimana orang melayu berhadapan dengan isu anjing. Dalam hal ini aku akan m...
-
Oh sudah lama rasnya saya tidak menjengok blog ini. Ketika itu lihat orang ada akaun blogspot.my rasa nak ada akaun blogspot jugalah. Ketik...
-
20 De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten het...
-
40 Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den maharadja „...
-
30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt en...
Tiada ulasan:
Catat Ulasan