ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

110

110 

aan de kas der Compagnie afstaan. Op overtreding stond verbeurte der 
ingehouden kapitalen en de andere straflFen, waarmede de particuliere 
handel bedreigd werd. ^) Of de Heeren te Batavia zelf veel effect van 
dit besluit verwacht hebben in handelscentra, waar makelaars gaarne 
bereid waren geld tegen interest te leenen, mag betwijfeld worden. 

Er waren nog andere middelen om zich, meer direct ten koste van 
de Compagnie, te verrijken. Daar zij evenals de particulariteiten uit 
den aard der zaak bedektelijk werden aangewend, zullen zij veelvul- 
diger toegepast zijn, dan zij openbaarheid gevonden hebben. 

Bij zijn vluchtige visite van Ceylon in 1653 ontdekte Van Goens, 
dat de koopman Joris Schilderhuysen te Negombo op zijn admini- 
stratie, die niet groot was, ƒ3300 ten achter was, waarover hij geen 
rekenschap kon geven. De schuldige stierf kort daarna. Gouverneur- 
Generaal en Raden konden slechts hopen, het tekort uit zijn „nage- 
laten middelkens" aan te zuiveren. ~) 

Te Gale was het de „winkelier" Jacobus de Vos van Teylingen 
van Alkmaar „altijt voor een geschiet en deugtsaem jongen aenge- 
sien," die op zijn administratie ƒ27,857 „te kort was gebleven," 
zonder dat hij eenige aanwijzing kon doen, waar het geld „bevaren 
sij." Bovendien bleek, dat hij „op der lieden [dienaren] reeckening 
verscheijden malversatien gepleeght" had. Naar Batavia gezonden, 
stierf hij onderweg. Te Gale had hij van het achterstallige slechts 
ƒ8125 kunnen bijpassen, zoodat er een schuld overbleef van ƒ19,672, 
wat niet op zijn arme weduwe, die met één kind achterbleef, ver- 
haald kon worden. Heeren Zeventien bleef dus niets anders over, 
dan zich uit zijn „erfgoed ende borgen te guarandeeren." ^) 



^) Tot het decreet schijnt aanleiding gegeven te hebben de groote rijkdom van 
Elias Boudaen (zie beneden). Tot 1657 was het den dienaren van de Compagnie 
geoorloofd _n de kantoren Suratte enz. kapitalen te bezitten „mette welcke men altijd 
voorgegeven heeft, dat soo met bodemerijen als andersints buijten eenigh praejuditie 
van de Compagnie seer groote conquesten sijn te doen geweest ende waermet vele 
ministers in corten Jaeren soo rijck van dezelve plaetsen opgecomen souden sijn als 
men van tijdt tot tijdt niet sonder verwonderingh heeft gesien, soo hebben wij swa- 
richeyt gemaeckt tegen de middelen van den voorsz overleden [Boudaen] te doen 
procedeercn, uyt vreese, dat deselve procedure int vaderlandt niet staende soude 
hebben connen gehouden worden." Als plaatsen waar de Compagnie geen eigen colonic 
of gebied heeft, worden genoemd: Perzië, Suratte, Wingurla, Tonquin, Malabar, de 
kust van Coromandel, Bengalen, Arracan, Siam, Tonquin, Japan, Jamby. e. a. (Gen. 
Miss. 16 Jan. 1658, vgl. Daghregister Batavia 1656/57, p, 220. 

2) Gen, Miss. 19 Jan. 1653. 

3) Gen. Miss. 19 Jan. 1654. 



111 

Een dikwijls voorkomend soort van diefstal scheen te zijn; meer 
gelden te boeken, dan aan de makelaars was uitbetaald. Zoo ontdekte 
Van Goens, dat Elias Boudaen van Antwerpen, opperkoopman te 
Bassora in 1652 te Suratte overleden, 2177 mamoedi (± ƒ900) meer 
had geschreven, dan hij den makelaars in rekening had gebracht. ^) 
Voor Boudaen moet dat maar een kleinigheid geweest zijn, want 
zoowel de Heeren te Batavia, als die in patria stonden verbaasd 
over zijn in vijf jaren verworven rijkdommen. Aan de armen te 
Batavia en die te Amsterdam vermaakte hij ieder ƒ 4000. ") 

Van een soortgelijke handelwijze om zich geld te verschaffen werd ook 
Leendert Jansz verdacht. Dit opperhoofd te Wingurla immers had de 
logie, die hij mocht opknappen, geheel vernieuwd, vermoedelijk voor 
tweemaal zooveel geld als hij beweerde besteed te hebben. En als een 
van zelf sprekende zaak zeggen Gouverneur-Generaal en Raden, dat 
hij het meerdere „sal hebben weten te vinden aen andere reecke- 
ningen, waertoe hij met het groot getal schepen, dat wij verleden 
jaer voor Goa hebben gehadt, goede gelegentheijdt heeft gehadt." ^) 

De ontrouwe Pieter de Bie te Sindi was geinspecteerd door Joan 
Barra. Van den laatsten blijkt niet, dat hij deed aan particulieren 
handel, maar hij en zijn collega Cornelis Mey hadden andere streken. 
Zij boekten 1064^8 realen minder dan de verkoop der goederen te 
Bassora had opgebracht. ^) Voor den fiscaal van Indië te Batavia 
beweerden de heeren, dat die gelden gebruikt waren voor een 
„schenckage, blyckende bij particuliere reeckeningen", en „dat se 
met kennisse van den directeur Van Gendt zaliger de actie, daerse 
mede beschuldicht werden, hadden gepleeght." De particuliere reke- 
ningen en het beroep op den gestorven Van Gendt overtuigden den 
achtbaren Raad niet van hun onschuld. Mey werd wegens die 
„vuyle saeck" veroordeeld tot een uitkeering van 880 realen en 
Barra tot een dito van 428, mitsgaders beiden tot een boete van 
12 maanden gage. ^) 



1) Gen. Miss. 7 Nov. 1654. 

2) Gen. Miss. 19 ]an. 1654 en 7 Nov. 1654. 

3) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 

*) Gen. Miss. 16 Jan. 1658. Directeur en Raad van Suratte hadden het beter met 
hen voor gehad, Tegen de orders van de Heeren Zeventien (dat n.1. geschenken aan 
dienaren van de Compagnie gegeven, aan de Compagnie behooren), hadden zij bij 
resolutie van 26 Oct. 1656 besloten, dat zij drie paarden, hun te Bassora geschonken, 
voor zich zelf mochten behouden. (Missive van Batavia naar Suratte, 5 Sept. 1657.) 



112 

De vermelde voorvallen zijn slechts enkele droppels, die uit het 
gesloten vat van „particulariteijten" en „vuijlicheden" naar buiten 
zijn gelekt. Zij zijn slechts „staeltjens uyt dewelcke men lichtelyck 
soude connen afmeten, hoe sommige in die quartieren soo haest rijck 
geworden sijn." ^) 

Gewone eerlijkheid schenen de Heeren trouwens van de dienaren 
niet te verwachten. Als zij schrijven over de verovering van vier 
engelsche schepen in de Golf van Perzië, ^) waarbij de Compagnie 
ƒ 425,000 geprofiteerd had, dan voegen zij aan dat bericht als een 
van zelf sprekende zaak toe: „hoewel sij [de Engelschen] vrij meerder 
daarbij comen te verhezen, connende (soo het schijnt) soo nauwen 
toezicht in diergelijcken occasie niet genomen werden, of weten haer 
de particuliere ministers daerbij te verrijcken, voornamentlijck bij de 
veroveringhe van comptanten ende andere clenicheden, die licht te 
verduijsteren zijn, gelyck deselve schepen veel in gehad hebben." ^) 

Of de Hooge Regeering, niettegenstaande haar geschetter tegen den 
particulieren handel in stukken, die onder de oogen van de Heeren 
Zeventien kwamen, overtreding van het handelsverbod wel zoo ernstig 
opnamen, mag betwijfeld worden. 

Pieter van Moerbeeck, wiens particuliere tin voor Colombo was 
aangehouden, werd toch aangesteld tot opperhoofd over het retour- 
schip de Hektor, met herstel van zijn gage (ƒ65 per maand), omdat 
er, zoo werd tot verontschuldiging gezegd, buiten den schipper weinig 
bekwame personen bij de retourschepen waren en hij altijd voor een 
bekwaam en eerlievend persoon was aangezien. *) Toen Directeur en 
Raad van Suratte denzelfden Moerbeeck van particulariteit beschul- 
digd aan 't hoofd van een vloot naar Batavia zonden, heette een 
dergelijke handelwijze, zooals wij zagen, te „smaken" naar „oppositie." 
Smaakte nu de aanstelling van Moerbeeck als hoofd van een schip 
naar patria naar „obediëntie" tegenover de Heeren Majores? 

Trouwens de Raad te Suratte ging verder dan dergelijke kleine 
bewijzen van ongehoorzaamheid. Pieter de Bie, die zoo droevige 



1) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 

2) Daghregister Batavia 1653, p. 117, 150, 155, 165. 

3) Gen. Miss. 19 ]an. 1654. 

*) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. De Hektor ging in gezelschap van 5 andere schepen 
onder bevel van den Raad van Indie Joan Cunaeus 18 Dec. 1657. (Gen. Miss. 
16 Jan. 1658.) 



113 

leiding had gegeven aan het gevecht tegen vier engelsche schepen 
voor Sindi, ^) die gestraft was voor particulieren handel, en den makelaar 
te Sindi had bedrogen, werd door den Raad na zijn „deportement" 
van het kantoor te Sindi aangesteld als hoofd van het gewichtige 
kantoor te Agra. En toch bepaalde zich de verontwaardiging over 
die bevordering, en nog wel eerst na een opmerking daarover van 
de Heeren in patria, tot de verzekering, dat zij niet „ledigh geweest 
[waren] daerover hun misnoegen te bethoonen." Dat was alles. ^) 
In 1659 benoemde de Regeering hem nog tot lid van een gezantschap 
naar Bantam en 1 1 December van hetzelfde jaar zeilde hij als medelid 
van den scheepsraad, met de retourvloot naar patria. ^) Ook de tot 
boete veroordeelde Joan Barra heeft nog eervolle betrekkingen 
bekleed. Tweemaal was hij hoofd van het kantoor te Makassar 
(1659 en 1660 — 1664). Te Batavia teruggekeerd werd hij schepen en 
commissaris van huwelijkszaken en in 1665 naar 't westen gezonden, 
om op Ceylon of Malabar aangesteld te worden. ^) 

Ook Van Goens was, na zijn inspectie van 1653/54, niet vrij 
gebleven van „suspicie". Door „eenige ministers in Suratte" was 
hem ten laste gelegd, dat hij, even goed als de directeuren, koper en 
tin beneden de waarde had verkocht en dus ook met de kooplieden 
had gecontracteerd, zonder daarvan in zijn rapport de reden op te 
geven. ^) Gouverneur-Generaal en Raden zelf brachten een andere 
beschuldiging tegen hem in. In de negotie-boeken van Suratte n.1. 
kwam een post voor van ƒ 5749 : 16 „daeraf geseijt wort, den voorz. 
[V^an Goens] ons alhier reeckening soude doen, die echter niet een 
woort voor sijn vertreck [naar 't vaderland] daeraf gerept heeft ende 
hoewel in de boecken gespecificeert staet, hem die tot de gints ende 
wederreijse van Suratte naar Amandabath ter hand gestelt sijn, soo 
hadde daarvan hooren bewijs ende reliqua te doen." 

In 't vaderland hebben de Heeren Zeventien Van Goens in hun 
vergadering zelf over die beschuldigingen gehoord en er zijn „verbaal 
en dagregister" op nagezien. Die onderzoekingen hadden hen tot de 
overtuiging gebracht, dat hij „doen ter tijd, daer hij met soo notabele 



^) Zie beneden Bijlage I en boven p. 89. 

') Gen. Miss. 4 Dec. 1656. 

5) Daghregister Batavia, 1659, p. 139, 246. 

*) Daghregister Batavia, 1659, 1661, 1663, 1664, 1665, register op Barra. 

5) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 8 



114 

partijen specerijen beladen was en buijten deselve weynich andere 
coopmanschappen hadde, int debiteren van deselve coopmansstyl 
gevolcht en sich daarin wel en naer behooren gequeten heeft." Ook 
aangaande de tweede aantijging heeft Van Goens den Heeren con- 
tentement gegeven en hun aangewezen, waartoe hij die gelden gebruikt 
had. Zij gaven zelfs aan de Regeering in Batavia een standje: „soo 
hij [Van Goens] geen reeckening daervan voor zijn vertreck uyt 
Indien aen U.E. heeft overgelevert, (gelyck hij verclaert van jae), 
hadden U.E, hem dezelve connen en behoren affgevordert te hebben." ^) 

Te Batavia heeft hij zich vooral tegen de eerste beschuldiging 
uitvoerig verdedigd in een vertoog, dat hij voor zijn vertrek als 
commissaris in 1657 bij de Hooge Regeering inleverde. ^) 

Slechts ter loops sprak hij over de niet verantwoorde ruim f 5700. 
Daarop moeten in het vertoog de volgende woorden betrekking hebben: 
„Om oock U.E. van de merckten op de binnenlantse comptoiren 
.... kennisse te doen hebben .... hebbe ick niet ontsien omtrent 
4700 r^ ^) daeraen te cost te leggen, die niet door my maer 's Comp^. 
cassier in meer dan 150 posten (soo 't mij in reeck^. gebracht is) 
betaelt zijn. Deze reeck^. is ook nevens alle mijne pampieren, geen 
uytgesondert, onder den secretaris Op de Camp geweest, geschreven 
ende onderteyckent door de eygen hant van den coopman Laires." 

Breedvoerig echter verdedigde hij zich tegen de beschuldiging 
van contractatie. Met cijfers toonde hij aan, dat onder zijn leiding 
in 1654 de goederen zeer veel duurder verkocht waren dan in het 
jaar te voren. *) Niet alleen de specerijen maar ook tin, koper, 
kamfer, kwikzilver en vermiljoen; ^) en dat, terwijl er nog nooit 



^) Gen. Miss. van Heeren Zeventien naar Batavia, 13 Oct. 1656. 
') Vertoogh van den E. RycklofF van Goens, raeckende 's Compagnies handel in 
Suratte, in dato 6 Aug. 1657. 



't pond. 



^) ra = ropia. 
*) 

5) Verkoop 

Nagelen 
Noten 


1652153. 
Inkoop: ƒ303,502 
Verkoop: ƒ693.269 
/65253 

34 stvrs. 't pond 
11.. 


1654 
f3\\.777 
ƒ952,423. 

1654 
51 stvrs. 
18 .. 


Foelie 


47 „ 


69 „ 


Rompen 

Tin 

Koper 


8 .. 

21 ra 't picol 
23 „ .. 


11 .. 

233 9 ra 't 
25 .. 



115 

in Suratte zooveel specerijen, tin en koper waren aangeboden. 
„Die hier niet mede soude tevreden sijn", zegt Van Goens, „dunckt 
mij, dat des heeren seegen soude misbruycken. Ende soo noch 
het tin en cooper duurder heeft mogen vercocht worden, gelyck 
wel te gelooven en eenigsints gebleecken sij, ^) sulcx dunckt mij, 
dat onmogelijck is om mij te imputeeren, maar veeleer, die de directie 
vertrouwt ende aldaer geexpermenteert waren, consequent sulcx seer 
wel geweten hebben, die oock den last van de vercoop ende mij 
maer den toezicht over haer bedrijf bevolen was." Mochten al de 
prijzen voor tin en koper later hooger geworden zijn, vóór 1654 
waren zij nooit zoo hoog geweest, zooals gebleken was uit een 
onderzoek van de boeken over 20 jaar, dat Van Goens, voor hij 
tot den verkoop was overgegaan, had laten instellen. Hem kon dus 
het verwijt, dat tin en koper niet meer hadden opgebracht, niet 
treffen, maar wel den directeur Pelgrom en zijn voorgangers, die 
van de markt op de hoogte hadden moeten zijn en, als zij het geweest 
waren, dienovereenkomstig prijzen hadden moeten bedingen. 

Hoe durfde die Pelgrom hem beschuldigen? Van Goens had de 
goederen geleverd aan den hem geheel onbekenden Sunderdas 
Narangie, wiens boeken hij 18 a 20 dagen later „geweldelick had 
laten intercipieeren" (vermoedelijk om ze te vergelijken met die van 
het kantoor der Compagnie), waardoor hij diens haat had opgewekt. 
Pelgrom evenwel had tegen bevel van Van Goens en de Regeering 
te Batavia het volgende jaar de goederen weer gegund aan den 
ouden contractant, Mondas Naan. Wie van beiden was dan suspect? 

Koper en tin hadden, zooals uit de latere verkoopingen bleek, 
wel duurder verkocht kunnen worden, maar dan zou de Compagnie 
met de specerijen zijn blijven zitten. Die vertegenwoordigden een 
waarde van vijf ton, en dat beteekende een rente van ƒ45,000 per 
jaar. Als dat gebeurd was, zouden Gouverneur-Generaal en Raden 
Van Goens „met reden voor een bengel en dwaas gedacht hebben." 



Van vermiljoen, kamfer en kwikzilver worden in het vertoog de prijzen van 1654 
niet genoemd. 

1) Tin 1655 verkocht 24 '/o r^ 't picol. 

1656 „ 24'/2 .. 



1657 

Koper 1655 

1656 

1657 



29V2 
26 
26 
29V2 



116 

En hoe was het dan de volgende jaren met het tin en koper 
gegaan? In 1655 waren er zoo goed als geen specerijen aangebracht. ^) 
Waren dan onder zoo gunstige omstandigheden die metalen zooveel 
duurder verkocht geworden? 

Één mamoedi de man ^) hadden zij meer opgebracht! Op een 
verkoopsom van ƒ375,950 was dat een vermeerdering van ƒ10,000 
„'t geen bij alle de andere redenen niet meerder dan een mier bij 
een oliphant te vergeUjken is!" 

Van Goens was verweten, dat hij in zijn rapport niet gesproken 
had over dien verkoop van het tin en koper, noch er mondeling 
melding van had gemaakt. Nu konden de aangevoerde redenen, n.1. 
dat hij bij vasthouden aan hooger prijs, met de specerijen zou zijn 
bhjven zitten, voor ieder „verstandige" duidelijk zijn. En waarom 
had hij er bijzonder over moeten spreken? Immers „sich ontschuldigen 
over een saecke daer men onschuldich aen is, is sich selven (na 
't fransche spreekwoord) beschuldigen." 

Gouverneur-Generaal en Raden vonden het ook verdacht van den 
commissaris, dat hij zich zoo gunstig over den directeur Pelgrom 
had uitgelaten. Hoe konden zij hem daarvan een grief maken, die 
hem Pelgrom hadden aanbevolen als een „wacker, capas ende ge- 
trouw minister?" ^) Toen Van Goens bij de uitvoering van zijn 
commissie alle medewerking van den directeur had ondervonden, was 
hij daardoor bevestigd in de „taxatie", die de Heeren zelf van hem 
hadden gegeven. Nu, achteraf, was het Van Goens even duidelijk 
als den Heeren, dat Pelgrom niet zuiver was. *) 

Van Gendt, Pelgroms opvolger, was evenmin te vertrouwen. 
Hij had in 1656 voor de geringe hoeveelheid aangevoerde specerijen 



^) Aanvoer van specerijen: 1654 1655 

Nagelen 123000 ^ 37351 S 
Noten 72000 'S geen. 

Rompen 70000 ^ 76000 <g 
Foelie 22000 'S geen. 

2) Mamoedi = ISVs stuiver. Man = 34 V2 pond. 
^ Instructie voor Van Goens, 19 Sept. 1653. 

*) Pelgrom was in 1654 naar 't vaderland teruggekeerd. En daar bemerkt men, 
„dat de middelen, die de voorn. Pelgrom doenmaals vandaar heeft overgebracht, 
dewelcke hij aan alle kanten dede blijcken, vrij groot te zijn, daar hij nogtans maar 
weynigh jaren in dat comptoir hadde gelegen, wel uytgewesen hebben, dat hij die uit 
sijn gagie niet hadde overgewonnen." (Vém Dam, Beschrijving, t. a. p. f. 898.) 



117 

per pond minder bedongen dan in 1654 voor de groote partijen 
verkregen was. Ook andere artikelen hadden minder opgebracht. O 
Maar wat vooral vermoedens wekte: de geheele aanvoer was weer 
geleverd aan den eenen makelaar Mondas Naan. En daarover had 
zich Sunderdas Narangie, aan wien in 1654 geleverd was, in een 
brief bij Van Goens beklaagd, er bijvoegend, dat de goederen 
beneden de markt waren verkocht. 

Met deze verdediging, voor een groot deel een beschuldiging 
van zijn vermoedelijke aanklagers, Pelgrom en Van Gendt, zijn 
Gouverneur-Generaal en Raden tevreden geweest. Wel had ook 
hij moeten schacheren met tin en koper, maar die metalen waren 
dan toch duurder verkocht dan ooit sedert 20 jaren, en hij had 
toch ƒ150,000 meer bedongen dan bij vorige contractueele verkoo- 
pingen was verkregen. 

Deze weinige berichten over de ongerechtigheden van de dienaren 
der Compagnie in de westelijke kwartieren van 1652 — '57 geven den 
indruk, dat in dit bloei- en krachttijdperk van het groote handels- 
genootschap bij hoogere en lagere ambtenaren een algemeen streven 
heerschte naar ongeoorloofd winstbejag, dat hen dikwijls leidde tot 
handelingen in lijnrechten strijd met de belangen der Compagnie. 

De kleeden te Agra opgekocht leverden geen winst meer op bij 
verkoop, en de inkoop kon dus gestaakt worden, zooals het door 
Van Goens ingestelde onderzoek leerde. ^) Toch werd in 't zelfde 
jaar (1654) nog f 150,000 voor den kleedenhandel naar Agra ge- 
zonden, meer dan naar eenig kantoor onder Suratte ressorteerende. ^) 
Ook in 1655 zouden nog kleeden gekocht worden, hoewel gedeeltelijk 
als proef. De eene helft zou door de makelaars en de andere door 
de dienaren van de Compagnie worden ingekocht, om 't verschil in 
inkoopen na te gaan. Waar makelaars en winkeliers „coUudeerden " 
zou zeker de proef weinig resultaat hebben. Maar waarom die 
onvoordeelige handel niet gestaakt? 

De boeken van de makelaars der kleine kantoren werden in 1654 



^) Ruwe zijde 250 r^ 't picol minder. Radix china 2 F/g r» 't picol minder. 

Kaneel 3 strs 't pond minder. Thee 5^2 r^ 't picol minder. 
2) Boven Hoofdstuk III, p. 89 vlg. 
') Gen. Miss. 1 Febr. 1655. 



118 

onderzocht. Waarom niet die van den grootsten makelaar der 
Compagnie in Suratte? ^) Waarom verzetten de directeuren te Suratte 
zich tegen den verkoop der goederen aan den meest biedende en 
verkochten zij het koper en tin onder de waarde? -) Waarom vroeg 
de directeur Pelgrom een grooten aanvoer van specerijen voor 't laatste 
jaar, waarin zij volgens een voor de Compagnie nadeelig contract 
zouden worden verkocht? ^) Het zou redelijk geweest zijn te zorgen, 
dat de voorraad der Suratsche kooplieden in 't volgend jaar zoo klein 
mogehjk zou wezen. Waarom werden jaar op jaar in Wingurla 
de goederen der Compagnie aan de twee benjaansche kooplieden 
beneden de prijs geleverd? ^) Waarom werd de vaart op Mocha 
en Bassora tegen 't bevel der Hooge Regeering nog voortgezet? *) 

Het antwoord op die vragen geven de woorden douceur, faveur, 
particulariteit. Welke redenen de heeren ook mogen opgeven in 
remonstranties en vertoogen ter verdediging van hun handelwijzen, 
de Hooge Regeering „zou een beter behagen hebben en de sommige 
discoursen °) onwankelbaarder geloof geven", indien niet de koop- 
lieden, „die daer achtereenvolgens gelegen hebben, befaamd waren 
wegens de groote sommen, die zij hebben overgegaard. ^) 

En Van Goens? Had hij aan de verleiding, die hem in 1653/54 
toch zeker wel geboden zou zijn, weerstand kunnen bieden? Het 
pleit zeker in zijn voordeel, dat „ministers an Suratte", die niet tot 
de zuivere en getrouwe dienaren behoor' .n, hem van het tegendeel 
hebben beschuldigd. De cijfers uit zijn jetoog laten aan duidelijkheid 



h Boven Hoofdstuk III, p. 89. 

2) Het Vertoogh van 6 Aug. 1657 

') Hoofdstuk III. p. 105. 

*) Teekenend is, dat Van Gendt zijn voorganger l Pelgrom) beschuldigde voor één 
scheepslading, wegens particuliere inzichten naar Mocha, wel drie bodems gebruikt 
te hebben. Ofschoon Gouverneur-Generaal en Raden aan de particulariteit niet twij- 
felden, moesten zij toch erkennen, dat Van Gendt overdreef, en dat er nooit meer dan 
twee schepen gebruikt waren. (Gen. Miss. 24 Dec. 1655.) 

^) De directeur Pelgrom b.v. beweerde, dat de moorsche en benjaansche kooplieden 
met de vaart naar Mocha niet meer verdienden dan de Compagnie. Als de koning 
hen niet dwong om zijn schepen met lijnwaad te bevrachten, zouden zij, volgens hem, 
die vaart al lang hebben opgegeven. Gouverneur-Generaal en Raden gelooven van 
zoon redeneering terecht niets. Indien toch P's bewering juist was, zouden immers 
die kooplieden op den duur te gronde gaan. En zij floreeren integendeel. Dan zou 
ook die vaart moeten afnemen en zij nam integendeel zoo toe, dat de Compagnie er 
uit raakte. (Gen. Miss. 24 Dec. 1655.) 

6) Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 



119 

niets te wenschen over. Maar de argumenten van zijn beschuldigers 
kennen wij niet. Tusschen hen, een knoeiende kliek, maakt hij den 
indruk van een ambtenaar, die de Compagnie eerlijk en naar zijn 
beste weten gediend heeft, — de aangewezen man om ten tweeden 
male het kantoor te inspecteeren, welke last hij, zoo zijn „vertoog" 
den Heeren genoegen had gegeven, „vroolyck [zou] accepteeren 
ende sonder eenich aensien van de personen ofte vreese van lijflF of 
goet" zou volbrengen. ^) 

Het rapport van die inspectie zou een nadere bevestiging zijn van 
de in de voorgaande bladzijden gegeven algemeene voorstelling der 
particulariteiten vooral op het kantoor Suratte in zwang. ^) 



^ Vertoogh van 6 Aug. 1657. 
-) Zie beneden Hoofdstuk VIII. 



HOOFDSTUK V. 



VAN BATAVIA NAAR GOA. 

Naar de kantoren, van welker toestand in de vorige hoofdstukken 
een schets is gegeven, werd dan in 1657 Van Goens afgevaardigd. 
Hij stond aan het hoofd van de aanzienlijke macht van 13 schepen, 
van welke reeds negen „cloecke oorlogsschepen," onder bevel van 
den commandeur Adriaan Roothaas, naar Goa's bhare vooruit ge- 
zonden waren. Het eerste doel van de expeditie was de verovering 
van Diu. Opdat niet door het verschijnen van een groot aantal 
compagnie-schepen voor Goa de vijand zou kunnen vermoeden, dat 
er een aanslag op Diu gewaagd zou worden, werd den admiraal 
aangeraden, zich niet met de geheele scheepsmacht voor Goa 
te vertoonen. 

Een „positive ordre" van handelen werd overigens Van Goens 
niet voorgeschreven. Aan hem werd overgelaten zijn maatregelen 
te nemen en plannen te maken naar de omstandigheden, die hij voor 
Goa zou vinden. 

Na de verovering van Diu („soo 't Godt den Heere beheft"), zou 
de stad van „vertrouwd " garnizoen, „alsoo wij daar wat ver van 
de hant sullen gelegen sijn," en van voldoende levensmiddelen wor- 
den voorzien. Van Goens zelf zou dan met zijn vloot naar Ceylon 
stevenen, voor Goa een vijf- of zestal schepen achterlatende. 

Op Ceylon was zijn taak de verovering van het eiland Manaar 
en de stad JafFanapatnam, opdat de Compagnie met meer gerustheid 
de kaneellanden zou kunnen bezitten en niet meer bevreesd behoefde 
te zijn voor een samenspannen van Raja Singha met de Portugeezen. 
Tot grooter veiligheid diende dan ook de vijand van de tegenover 



121 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR