130 19 Nov., twee dagen na zijn aankomst, een secrete vergadering zou worden gehouden, hun aanbevelend ernstig over de te nemen maat- regelen te denken. Nadat in deze vergadering de admiraal van de leden de verklaring had verkregen, dat zij bereid waren hem bij te staan in het uitroeien van den particulieren handel, dat zij onpartijdig adviezen zouden geven, en bovenal het „gearresteerde heyligh ende secreet bewaren", zette hij in een „perfecte" rede den toestand voor en in Goa en het doel van den tocht uiteen. Hij bracht in herinnering, hoe Roothaas vooruit was gezonden en hij zelf was gevolgd. Dat de bedoeling was Diu aan te tasten, of, als dat niet ging, langs de kust van Indië, den vijand afbreuk doende, af te zakken naar Tutucorijn, Manaar en als 't mogelijk was naar JafiFanapatnam, om die plaatsen aan de Portugeezen te ontrukken. Binnen Goa hadden de Portugeezen nu zeker wel 1000 man versterking gekregen en beschikten zij over een scheepsmacht van tien wel voorziene vaartuigen, terwijl men te Batavia maar gerekend had op 5 a 6. ^) Zijn instructie schreef hem in 't bijzonder voor die scheepsmacht te vernielen. ^) Van Roothaas en zijn raad had hij vernomen, dat de vijand alle mogelijke moeite zou doen, om met eenige fregatten naar Ceylon door te breken en de garnizoenen op dat eiland met eenige van de nieuw aangekomen soldaten te versterken. Na deze uiteenzetting stelde de admiraal aan de vergadering de vraag: „Met hoeveel schepen moet de bhare van Goa geblokkeerd blijven?" De opperhoofden van de blokkadevloot (Roothaas, de Bitter en Looper) meenden, dat de macht niet mocht worden verminderd „soo men 's Comp.^ reputatie tegens den vyant lieff hadde, ende dat op de macht ter zee ons fundament van den ganschen indischen handel rusten moet." Met eenparige stemmen werd dan ook besloten, dat ^) Instructie voor Van Goens 5 Sept. 1657. 2) In de Instructie: „ . . . . ten ware cans gezien wcrt, die (de schepen der Portugeezen binnen Goa's bhare) te vernielen ofte den viandt afhandich te maken, dat vooral een groote saake soude wesen, voornamentlyck bijaldien haar secours uit Portugal comende condc slaen, alsoo hetselve geluckende, haer te lande voort niet seer souden hebben te ontsien, daer dan bovenal op te letten hebt." Deze woorden werden door Van Goens aldus opgevat: „Deze zeemacht des vyandts dus gesteld zijnde, maeckt sijn E. den raet bekent, hoe sijn order speciaal dicteert deselve door alle mogehjcke macht te vernielen, ende dat men daerop boven alles te letten heeft." (Secrete vergadering van 19 Nov. 1657.) 131 de vloot wel verre van verminderd, versterkt zou worden. Daartoe werd het onbekwame jacht de Avontsterre vervangen door het oorlogsjacht Vlieland. Van de schepen Ter Goes, Naarden, en Avont- sterre zouden nog eenige stukken geschut op de achterblijvende schepen worden overgebracht en de bemanning door een vermeerdering met 115 koppen (onder wie 90 soldaten) op 1050 man worden gebracht. Van Goens had verwacht voor zijn aanval op Diu versterking te zullen krijgen uit de vloot voor Goa. ^) Nu hij integendeel een van zijn eigen schepen en een vrij groot aantal van zijn mannen had moeten afstaan, kon het antwoord op de tweede aan de vergadering voorgelegde „propositie" niet twijfelachtig zijn. Deze luidde: „ofFmen onse overige crijgsmacht sal wenden na Diu benoorden, ofFte langs de cust offencerende afsacken na zuyden ende Ceylon." Tot het laatste werd om zeer overwegende redenen met eenparige stemmen besloten. Indien toch de vloot voor Goa eens werd verslagen, zou een aangevangen beleg van Diu moeten worden opgebroken, om Ceylon te hulp te komen, zelfs al werden de schepen voor Goa niet geheel vernietigd. Ging men met die mogelijkheid voor oogen naar Diu, dan zou „het seeckere in perijckel gestelt ende het onseeckere bij der hant genomen" en „onse dure reputatie te ver in de waechschael gestelt" worden. Immers zouden bij een tegenslag voor Goa beide vloten, ook die voor Diu, gevaar loopen en daarmede tevens de koopvaarders van Tayoan en Malakka naar Suratte en Perzië. -) Nu de tocht naar Diu van de baan was, bestond er geen reden meer een gedeelte van de scheepsmacht *) nog buiten de bhare uit het gezicht der vijanden te houden. Dan was het zelfs beter den vijand te toonen, met welke macht de Compagnie tegen hem optrad. Daarom zouden alle schepen van de blokkade-vloot de vier buiten hggende tegemoet zeilen om dan allen gezamenlijk terug te keeren en op kanonschot afstand van de kasteelen geankerd, tot meerder ver- toon het admiraalschip met geschutsalvo's begroeten. Zoo geschiedde. Den volgenden avond, 20 November, vertrokken onder Leonard Winnincx de fluiten Venenburgh en Oyevaer over Wingurla naar Suratte en Perzië. ^) Missive van den admiraal nacir Batavia 17 Maart 1658. ^) Over die schepen zie boven, p. 11 vlg. ^) Salamander, Vlieland, Bottcrblom, Oyevaer. 132 In den breeden raad van de vloot was er al over beraad- slaagd, of de Nederlanders met hun groote macht niet meer zouden kunnen uitvoeren dan intimideeren en afsluiten. Alle schippers op één na (Jan Compas) hadden een aanval op de vijandelijke schepen onder 't bereik van 't geschut der kasteelen voor een te gevaarlijke onderneming verklaard en ook was er nu bij lichte maan geen gelegenheid geweest om de diepte van 's vijands haven te peilen. In de vergadering van 29 November ^) kwam die quaestie weer aan de orde. De admiraal had de leden van den raad expres bijeen- geroepen „om de mannelycke gemoederen op te w^ekken tot eere en grootachtinge van de Nederlantse naem yets heylsaems te be- sluyten." Daartoe stelde hij twee plannen voor. Het eerste was om bij nacht met den landwind onder de Aguade, het kasteel aan den noordelijken uitgang van de bhare, met drie schepen naar binnen te zeilen en 't schip van den vice-admiraal en een kleiner vaartuig aan te vallen, de ankers te kappen en zoo vóór den wind naar de blokkade-vloot te laten drijven of in brand te steken. Het tweede project was afkomstig van den commandeur Roothaas. Hij wilde „den geprepareerden brander" door eenige schepen de haven doen binnenbrengen en loslaten op de vijandelijke schepen onder Mormagon, het kasteel aan den zuidelijken uitgang der bhare. Allicht zou het eene schip het andere aansteken. Als zoo de zes vijandelijke schepen verbrand waren, zou men in staat zijn met de geheele macht naar Ceylon te varen, vóór Goa maar twee of drie schepen achter- latende. Wegens 't gewicht van het te nemen besluit moest ieder zijn advies schriftelijk uitbrengen, opdat „sich den eenen naer des anderen ad vijs niet soude reguleeren". Bij opening der briefjes bleek dat allen onder wie, dus ook Roothaas zelf, van meening waren geen aanslag te moeten wagen, omdat de schepen te zeer aan 't vuur der forten bloot stonden, en 't volk bij 't in den grond boren van een schip moeilijk te redden zou zijn. Ofschoon de admiraal dit laatste gevaar zoo groot niet achtte, maar meer vreesde voor de verzwak- king van de macht, die naar Ceylon moest vertrekken, verklaarde ^) Resoluties van de Breeden raets Vcrgaderinge, Donderdagh, 29 Nov. 1657. 133 hij met de gegeven adviezen in te stemmen. Zoo werd er niets tot „eere en grootachtinge van den Nederlantsen naem" ondernomen. Nadat besloten was de vloot voor Goa nog met een klein aantal kanonnen te versterken, en de raad de ligging der schepen vast- gesteld en de order voor een eventueel gevecht met den vijand had uitgevaardigd, ^) werd in de bevelvoering nog eenige verande- ring aangebracht. Pieter de Bitter, die reeds vroeger op Ceylon gediend had en daardoor „experientie van landexploicten" had bekomen, werd overgeplaatst op den Salamander om mee te gaan naar Ceylon. In zijn plaats werd vice-commandeur de schipper Adriaan van Leenen. *) Tot schout-bij-nacht werd aangesteld de kapitein Rins Jansen, „een out trouw comp.^ knecht," terwijl de schipper van de Salmander, ') Hierover beneden Hoofdstuk VII. -j Adriaan van Leenen was vermoedelijk schipper op Ter Goes, hij is ten minste de vierde onderteekenaar van de vergadering van 21 Sept. 1657 (zie boven p. 127, noot 3i. Rins Jansen was kapitein op Vlielandt. Roothaas maakte nog aan de vergadering bekend, dat aan ieder schipper uit de op de buitgemaakte schepen gevangen „cafFers" een „slaefken ofte jongen" werd vereerd. Alleen werden op bevel van den admiraal daarvan uitgezonderd Pieter de Bitter, de schipper van Weesp (Jacob Lippens) en die van de Avontsterre (niet met name genoemd I, die geen goede zorg gedragen hadden voor de kostelijke veroverde goederen. Zij moesten hun jongens bij de andere slaven op de Salamander voegen. Van Goens bericht in zijn missive van 17 Maart 1658, dat De Bitter „uyt het prysken van Mosambique" (vgl. p. 125) had doen lichten 3 swaere kisten, daervan in confesso is een doos met niet min dan 200 on. amber de grijs, over de 2000 onsen muscus ende 83 ^ goudt is noch 't soeck. Dat hij muscus aen alle de schippers heeft omgedeelt (hoewel yder maer 2 ballen) is oock notoir, maer 't goudt wilder noch niet uyt, dat ick synent halve vreese noch op sijn Cap druypen sal. " Die druiperij is zeker niet erg geweest. In zijn missive van 6 Juli 1658 naar Batavia getuigt Van Goens vcin hem als volgt : „Pieter de Bitter, waervan ick goede hulpe in 't commanderen over de werckluyden, constapels, busschieters, 't maecken van batterijen, exploicten te water tegen den vijand etc. genooten hebbe, ende dewijl hij verclaert, dat alle t geene hem oyt uijt de Mosambiquese prijs te handen is gecomen, aan den commandeur Roothaes heeft overhandicht, soo hebbe alhier geen proces tegens hem connen in 't werck stellen, maer gaen hiernevens alle stucken die sijnent halven beleyt sijn, om door UEd. ofte den Raet van Justitie op Batavia gedecideert te werden." De Gouverneur- Generaal en Raden van Justitie hebben tegen hem zeker geen al te zware bewijzen van schuld gevonden, want 24 Dec. 1664 gaat Pieter de Bitter naar 't vaderland als commandeur van de retourvloot van 1 1 schepen. Hij was de dappere verdediger van zijn schepen en de hollandsche vlag op de reede van Bergen 1 1 Aug. 1665, toen een overmachtige engelsche oorlogsvloot de rijke nederlandsche schepen aanviel. Zie Wouter Schouten, Reistochten naar en door Oost-Indië, 3de druk, Amsterdam 1740. II, 203 vlgg, (vooral zijn mannelijke toespraak p. 211). 134 Cornelis Rob, vervangen door De Bitter, op 't admiraalschip Ter Goes werd overgeplaatst. Hiermede had Van Goens de zaken der Compagnie voor Goa geregeld en kon hij zelf naar Ceylon gaan. Ceylon, van welks gouverneur hij tot zijn groote bekommernis nog geen bericht had, en waar hij niet, als in Diu zou zijn geschied, een nieuwe verovering voor de Compagnie zou aanvangen, maar den bijna volbrachten arbeid van het uitwerpen der Portugeezen zou voleindigen. Het zuiden van Voor-Indie en het noorden van Ceylon. Uu Valentijn, Oud en Nieuw Oost-Indien, V. HOOFDSTUK VI. VEROVERING VAN TUTUCORIJN, MANAAR, JAFFANAPATNAM EN NEGAPATNAM. Den zelfden dag (29 Nov.) waarop de admiraal met zijn raad orders had gegeven aan de achterblijvende schepen voor Goa, zond hij een brief ^) aan den gouverneur van Ceylon, Adriaan van der Meyden, met het galjoot de Botterblom. ^) Het jacht Avondsterre ^) zou het kleinere schip begeleiden tot kaap Commorijn, voorbij de sterkten der Portugeezen. Het galjoot werd zoo spoedig mogelijk terug verwacht met berichten aangaande den toestand op Ceylon. Gaarne zou de admiraal zien, dat het terugkeerende galjoot een ervaren zeeman mee terugbracht, die met het vaarwater tusschen Tutucorijn en Ceylon bekend was. Botterblom en Avontsterre konden dan samen bij genoemde kaap de komst van Van Goens afwachten, en hij daar naar de verkregen inlichtingen, zijn plannen regelen. Zijn voornemen was 6 a 7 dagen na 't vertrek der twee genoemde schepen van Goa's bhare op te breken met de schepen Salamander, Naarden en Ter Goes, en als het zonder veel tijdverlies en gevaar mogelijk was, de portugeesche plaatsen Cananor en Coelan af te loopen, Tutucorijn te veroveren en als 't mogelijk was, ook nog Manaar. Zoo zou hij den vijand overal verontrusten en ten slotte afsnijden van zijn laatste en sterkste vesting op Ceylon, JaflFanapatnam, ^) Missive van Van Goens aan Adriaan van der Meijden, In't schip Ter Goes, 29 Nov. 1657. ^) Het scheepje was bewapend met slechts 2 gotelingen van 3 pond (Verg. 29 Nov. 1657). ^) Avontsterre, 400 ton en 14 stukken (Verg. 29 Nov. 1657). 136 na Diu het hoofddoel van den tocht. Met zijn macht van 800 man ^), gevoegd bij de bezetting van Ceylon, meende Van Goens wel op een goeden uitslag te mogen rekenen. Op advies van Adriaan Roothaas werd het plan den 4'^^° December al weer veranderd. ^) De portugeesche plaatsen zouden niet veront- rust worden, om ,,haer niet voor den tijt wacker te maecken." Na de verovering van Tutucorijn en Manaar zou met de geheele macht eerst Cotchin en daarna Cananor worden aangevallen om JafFana- patnam geheel te isoleeren. Daarom moest de sergeant-majoor Jan van der Laan, die 5 December met de schepen Salamander en Naarden ^) naar kaap Commorijn vertrok, eerst naar 't noorden zeilen en dan 's nachts westwaarts om buiten 't gezicht der portugeesche sterkten de kaap te bereiken en er te bUjven kruisen. Zou hij 't galjoot Botterblom daar ontmoeten, dan mocht hij de brieven van Van der Meyden dadelijk openen om bij de komst van Van Goens van raad te kunnen dienen. De admiraal zelf was gedwongen nog eenige dagen voor Goa te blijven. Zijn schip Ter Goes *) moest nog van Wingurla uit van water voorzien worden, en vóór de terugkomst van het waterhalend jacht Leeuwin wilde hij niet vertrekken, opdat niet de vloot met ook maar één schip zou worden verzwakt. Zoo vertrok hij dan eerst den 9^^^" Dec. ^) om de vooruitgezonden schepen in te halen en het plan: de isoleering van Jaffanapatnam van de overige portugeesche sterkten, uit te voeren. Hoeveel wijzigingen zou ook dit voornemen weer ondergaan! Want weer werd het een „pinibele" reis vol teleurstellingen. Eerst tien dagen na 't vertrek uit de vloot voor Goa kwam Van Goens onder kaap Commorijn. Hij vond er wel de Avondsterre en Botter- ^) „500 nederlantse uytgesochte soldaten, 70 amboinesen, daerbij omtrent 200 geëxcerceerde bootsgesellen, sullende met d'officieren ruym uytmaeckcn 800 coppen om te landen." ^) Secrete ordre door d'E. commandeur jan van der Laan, Sergt. Majoor over de militie van 't Eylandt Ceylon in dese vloot. Int schip ter Goes, den 4deQ X^" 1657. ^1 Naarden 400 ton en 32 stukken. Salamander 1000 ton. 't Aantal stukken is niet opgegeven. (Vergadering van 29 Nov. 1657, en de Lysten v. d. Novale macht 15 Jan. en 11 Dec. 1658.) *l 440 ton en 18 stukken. (Verg. 29 Nov. 1657.) ^) Missive van Van Goens aan Van der Meijden. Int schip Ter Goes, 26 Dec. 1657, om de oostelycke hoeck van Gaap Gommorijn geanckert omtrent 7 mijlen van Manapaar. 137 blom, maar geen berichten uit Ceylon. Het galjoot had wegens den hevigen noordoosten wind de vaart naar Ceylon niet durven wagen. ') Ook Van der Laan was er nog niet, ofschoon zijn schepen op de hoogte van Cochin nog gezien waren. Drie etmalen werd er gewacht, maar van der Laan verscheen niet. Zonder die schepen, „daerin alle oorlogsgereetschappen en de meeste crijgers" waren, was er, meende Van Goens, tegen den vijand weinig te ondernemen. De zorg, dat zij te ver uit de kust door stroom en wind de kaap, die in dit jaargetijde juist vlak langs de kust bezeild moest worden, niet hadden kunnen halen, deed bij den admiraal „bijna alle slapens en etenslust vergaen." ^) Zijn eenige hoop was, dat zij naar Colombo afgezakt en daar behouden aangekomen waren. Avondsterre en Botter- blom zond hij af naar Colombo om den gouverneur van zijn plannen te onderrichten en van Ceylon alle mogelijke hulp van zeevolk en militairen te ontbieden. Zelf poogde hij Tutucorijn te bereiken. Maar hoe hij ook met verlies van zeilen en ankers trachtte tegen den noordoosten wind op te laveeren, het gelukte hem niet. Van der Laan bleef weg, de matrozen en soldaten begonnen „hard in te vallen"; wat zou hij langer onder kaap Commerijn blijven tobben? Den 28^^^° December stelde hij den raad voor, of het ook met het oog op het drinkwater niet beter was Tutucorijn en Manaar te laten rusten, en naar Colombo te zeilen, om vandaar bij beter gelegenheid den tocht te hervatten. Volgens ervaren schippers was met den noord- oosten wind, die vermoedelijk bij Ceylon nog wat noordelijker zou zijn, Colombo wel te bezeilen. Dus werd besloten niet langer te wachten, maar Ceylon zoo hoog mogelijk aan te doen en daar in overleg met gouverneur en raad nieuwe plannen te overwegen. ^) De schippers hadden gelijk gehad: Colombo was te bezeilen. Vier dagen na 't vertrek van Commorijn, den P*^° Januari 1658 *) kwam Van Goens op de reede voor de stad aan. Daar vernam hij, dat geen van zijn brieven naar Van der Meijden zijn bestemming had ') Missive van den admiraal Van Goens naar Batavia 17 Maart 1658. ^) Brief van Van Goens aan Van der Meijden. 26 Dec. 1657. ^) Resolutie van de Vergadering van 28 Dec. 1657. Int schip Ter Goes leggende ten ancker aen Cabo Comorijn. Aanwezig: Van Goens, Comelis Rob, Johannes Hartman, secretaris Corn. Valckenburgh. ^) Origineele Gouverneurs missive van Adr. v. d. Meijden aen Bewinthcbberen, 9 Febr. 1658. 138 bereikt. Avondsterre en Botterblom verschenen eerst drie dagen later. Van Jan van der Laan met zijn Salamander en Naarden was niets vernomen. Daarom meende de admiraal eerst te moeten wachten op versterking, daar volgens zijn bekomen inlichtingen de garnizoenen op Ceylon te zwak waren om hem hulp te verleenen. Bij nader onderzoek viel dat nog al mee ^) en zoo ging hij met Van der Meijden en den raad overleggen, wat er gedaan moest worden. In secrete vergadering werd 7 Januari te Colombo beraadslaagd. Er werd besloten de 450 man, die Van Goens met zijn drie schepen had meegebracht, te versterken tot 800 blanke koppen en 300 Singaleezen en later nog met zooveel krijgers als Ceylon missen kon. Desnoods zouden de buitenposten worden opgeheven en alleen de vier vestingen Mature, Gale, Colombo en Negombo bezet blijven. Over de vraag, waarheen de admiraal die verzamelde macht zou voeren, rezen „verscheyden debatten." ') De gouverneur Van der Meyden nl. was het met de anderen niet eens. Dezen wilden den aanval beginnen op Manaar en voortzetten tegen JafFanapatnam. Van der Meyden daarentegen, op grond van inlichtingen uit Coromandel over de sterkte der Portugeezen op Manaar, naar men zeide wel 1000 man, meende dat daar een te krachtige tegenstand te verwachten was. Daarom moest volgens hem eerst, met of zonder toestemming van de regeerders van Madure, een „vastigheidje" worden „begrepen" ten noorden van het laaggelegen Tutucorijn. Daarna zou Van Goens over Coelan naar Coschin gaan, om te zien of daar eenig voordeel te behalen viel. Ging dat niet, dan zou de geheele vloot terugkeeren om in Maart of April Jaffanapatnam en Manaar aan te vallen. ^) Dat was dus eigenlijk een terugkeer tot het eerste plan, dat bedoeld had de plaatsen op Ceylon te isoleeren en daarna te veroveren. Hiertegen adviseerden anderen, op Manaar beter bekend, den aanval te wagen om daarmede den weg binnendoor naar Coromandel te beveiligen, en onkosten en gebruik van schepen voor de Compagnie te sparen. Deze argumenten behaalden de overhand en zoo werd besloten de expeditie eerst naar Manaar en dan naar JafFanapatnam te richten. 1) Missive van Van Goens naar Batavia, 17 Maart 1658. ^) Resolutiën van de secrete Vergadering van Maendagh 1^^ January 1658. Aanwezig waren : Van Goens, Van der Meijden, de kapiteins Hendrick Gerritz en ]ohan Hartman ; de schipper Comelis Rob. Secretarissen: Cornelis Valckenburgh en Jacob van Rhee. ^) Missive van Adriaan v. d. Meijden aan Van Goens. Colombo 7 Jan. 1658. 139 Daar Van der Laan nog altijd niet verscheen, werd bij provisie de kapitein Hendrik [Gerritsz] Gluwinck ') als commandant over de soldaten aangesteld. De onderkoopman Van Rhee werd aangewezen den tocht mee te maken om als gezant bij den Teuver, vazal van den Neik van Madure, gebruikt of bij gelegenheid naar Tutucorijn gezonden te worden. Hij was reeds vroeger in die streken geweest en er dus bekend. Voor de expeditie werden aangewezen de jachten Ter Goes en Avontsterre, die voor 't overvoeren van manschappen begeleid zouden worden door de fregatten en galjoten -) Mozambique, Manaar, Water- pas, Botterblom, Caneelschiller en al het klein vaartuig, dat Ceylon te missen had. Daarop zouden dan nog nagezonden worden de jachten Ter Veer, Romeijn en Zeeblom, die van de „overcust" terug gewacht werden ^), en Naarden, zoodra het schip terecht was, met de in Ceylon vrijgemaakte troepen. Tot verdediging van Colombo en Gale, zou dan Van der Laan's andere schip, de Salamander, achterblijven. Een punt van overweging was ook de verhouding tot Raja Singha. Zijn lieden traden tegen de buitenposten nog al eens vijandig op, en hij zelf onderhield betrekkingen met de Portugeezen, al wist men niet recht welke. ^) Wat van hem te wachten was, viel niet te berekenen. De instructie van Van Goens schreef hem voor naar omstandigheden te handelen. ,,Is der Portugezen macht soo deijn, dat wij zijn [Raja Singha's] machinatien ende raatslaagen metteselven niet te vresen hebben, soo sal de minste vrundtschap de grootste gerustheyt geven; maer anders sijnde sal hij hoe eer hoe liever weder dienen gecom- plementeert, ende met een honorabile vereeringe besocht, met excuse, dat ons de onlusten ende misverstanden tusschen sijn Majt. ende d' onse geresen ten hoochsten leet sijn ende desnietjegenstaende on- veranderlyck genegen blijven het contract met sijn Majt. gemaeckt, heylichlijck te onderhouden om hem daermede ist mogelijck te diver- teren van de concepten die metten viandt soude connen voornemen," De macht van de Portugeezen was niet meegevallen en dus moest ^) Hendrik Gluwinck teekent de resolutiën der volgende vergaderingen direct na jan van der Laan. Hij moet wel de Hendrick Gerritsz zijn, die in de vergadering van 7 Januari 1658 onmiddelijk na Van der Meijden teekent. -) Fregatten en galjoten worden onder één naam genoemd „kleine jachten." ') Missive van Van der Meijden naar Batavia, 6 Dec. 1657. *) Missives van Van der Meijden en Raad naar Batavia. Gale, 12 Nov. en 6 Dec. 1658. 140
ORANG-ORANG YANG MENYOKONG
Selasa, 7 April 2020
130
Langgan:
Catat Ulasan (Atom)
220
220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...
CATATAN POPULAR
-
Kenapa isu anjing menjadi sensitif. Sudah lama aku perhatikan bagaimana orang melayu berhadapan dengan isu anjing. Dalam hal ini aku akan m...
-
Oh sudah lama rasnya saya tidak menjengok blog ini. Ketika itu lihat orang ada akaun blogspot.my rasa nak ada akaun blogspot jugalah. Ketik...
-
20 De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten het...
-
40 Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den maharadja „...
-
30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt en...
Tiada ulasan:
Catat Ulasan