ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

130

130 

19 Nov., twee dagen na zijn aankomst, een secrete vergadering zou 
worden gehouden, hun aanbevelend ernstig over de te nemen maat- 
regelen te denken. 

Nadat in deze vergadering de admiraal van de leden de verklaring 
had verkregen, dat zij bereid waren hem bij te staan in het uitroeien 
van den particulieren handel, dat zij onpartijdig adviezen zouden 
geven, en bovenal het „gearresteerde heyligh ende secreet bewaren", 
zette hij in een „perfecte" rede den toestand voor en in Goa en het 
doel van den tocht uiteen. Hij bracht in herinnering, hoe Roothaas 
vooruit was gezonden en hij zelf was gevolgd. Dat de bedoeling 
was Diu aan te tasten, of, als dat niet ging, langs de kust van Indië, 
den vijand afbreuk doende, af te zakken naar Tutucorijn, Manaar 
en als 't mogelijk was naar JafiFanapatnam, om die plaatsen aan de 
Portugeezen te ontrukken. Binnen Goa hadden de Portugeezen nu 
zeker wel 1000 man versterking gekregen en beschikten zij over 
een scheepsmacht van tien wel voorziene vaartuigen, terwijl men te 
Batavia maar gerekend had op 5 a 6. ^) Zijn instructie schreef hem 
in 't bijzonder voor die scheepsmacht te vernielen. ^) Van Roothaas 
en zijn raad had hij vernomen, dat de vijand alle mogelijke moeite 
zou doen, om met eenige fregatten naar Ceylon door te breken en 
de garnizoenen op dat eiland met eenige van de nieuw aangekomen 
soldaten te versterken. 

Na deze uiteenzetting stelde de admiraal aan de vergadering de 
vraag: „Met hoeveel schepen moet de bhare van Goa geblokkeerd 
blijven?" De opperhoofden van de blokkadevloot (Roothaas, de Bitter 
en Looper) meenden, dat de macht niet mocht worden verminderd 
„soo men 's Comp.^ reputatie tegens den vyant lieff hadde, ende dat op 
de macht ter zee ons fundament van den ganschen indischen handel 
rusten moet." Met eenparige stemmen werd dan ook besloten, dat 



^) Instructie voor Van Goens 5 Sept. 1657. 

2) In de Instructie: „ . . . . ten ware cans gezien wcrt, die (de schepen der 
Portugeezen binnen Goa's bhare) te vernielen ofte den viandt afhandich te maken, 
dat vooral een groote saake soude wesen, voornamentlyck bijaldien haar secours uit 
Portugal comende condc slaen, alsoo hetselve geluckende, haer te lande voort niet 
seer souden hebben te ontsien, daer dan bovenal op te letten hebt." Deze woorden 
werden door Van Goens aldus opgevat: „Deze zeemacht des vyandts dus gesteld 
zijnde, maeckt sijn E. den raet bekent, hoe sijn order speciaal dicteert deselve door 
alle mogehjcke macht te vernielen, ende dat men daerop boven alles te letten heeft." 
(Secrete vergadering van 19 Nov. 1657.) 



131 

de vloot wel verre van verminderd, versterkt zou worden. Daartoe 
werd het onbekwame jacht de Avontsterre vervangen door het 
oorlogsjacht Vlieland. Van de schepen Ter Goes, Naarden, en Avont- 
sterre zouden nog eenige stukken geschut op de achterblijvende schepen 
worden overgebracht en de bemanning door een vermeerdering met 
115 koppen (onder wie 90 soldaten) op 1050 man worden gebracht. 

Van Goens had verwacht voor zijn aanval op Diu versterking te 
zullen krijgen uit de vloot voor Goa. ^) Nu hij integendeel een van 
zijn eigen schepen en een vrij groot aantal van zijn mannen had 
moeten afstaan, kon het antwoord op de tweede aan de vergadering 
voorgelegde „propositie" niet twijfelachtig zijn. Deze luidde: „ofFmen 
onse overige crijgsmacht sal wenden na Diu benoorden, ofFte langs 
de cust offencerende afsacken na zuyden ende Ceylon." Tot het laatste 
werd om zeer overwegende redenen met eenparige stemmen besloten. 

Indien toch de vloot voor Goa eens werd verslagen, zou een 
aangevangen beleg van Diu moeten worden opgebroken, om Ceylon 
te hulp te komen, zelfs al werden de schepen voor Goa niet geheel 
vernietigd. Ging men met die mogelijkheid voor oogen naar Diu, dan 
zou „het seeckere in perijckel gestelt ende het onseeckere bij der hant 
genomen" en „onse dure reputatie te ver in de waechschael gestelt" 
worden. Immers zouden bij een tegenslag voor Goa beide vloten, 
ook die voor Diu, gevaar loopen en daarmede tevens de koopvaarders 
van Tayoan en Malakka naar Suratte en Perzië. -) 

Nu de tocht naar Diu van de baan was, bestond er geen reden 
meer een gedeelte van de scheepsmacht *) nog buiten de bhare uit 
het gezicht der vijanden te houden. Dan was het zelfs beter den 
vijand te toonen, met welke macht de Compagnie tegen hem optrad. 
Daarom zouden alle schepen van de blokkade-vloot de vier buiten 
hggende tegemoet zeilen om dan allen gezamenlijk terug te keeren 
en op kanonschot afstand van de kasteelen geankerd, tot meerder ver- 
toon het admiraalschip met geschutsalvo's begroeten. Zoo geschiedde. 

Den volgenden avond, 20 November, vertrokken onder Leonard 
Winnincx de fluiten Venenburgh en Oyevaer over Wingurla naar 
Suratte en Perzië. 



^) Missive van den admiraal nacir Batavia 17 Maart 1658. 
^) Over die schepen zie boven, p. 11 vlg. 
^) Salamander, Vlieland, Bottcrblom, Oyevaer. 



132 

In den breeden raad van de vloot was er al over beraad- 
slaagd, of de Nederlanders met hun groote macht niet meer 
zouden kunnen uitvoeren dan intimideeren en afsluiten. Alle schippers 
op één na (Jan Compas) hadden een aanval op de vijandelijke 
schepen onder 't bereik van 't geschut der kasteelen voor een te 
gevaarlijke onderneming verklaard en ook was er nu bij lichte 
maan geen gelegenheid geweest om de diepte van 's vijands haven 
te peilen. 

In de vergadering van 29 November ^) kwam die quaestie weer 
aan de orde. De admiraal had de leden van den raad expres bijeen- 
geroepen „om de mannelycke gemoederen op te w^ekken tot eere 
en grootachtinge van de Nederlantse naem yets heylsaems te be- 
sluyten." Daartoe stelde hij twee plannen voor. 

Het eerste was om bij nacht met den landwind onder de Aguade, 
het kasteel aan den noordelijken uitgang van de bhare, met drie 
schepen naar binnen te zeilen en 't schip van den vice-admiraal 
en een kleiner vaartuig aan te vallen, de ankers te kappen en 
zoo vóór den wind naar de blokkade-vloot te laten drijven of in 
brand te steken. 

Het tweede project was afkomstig van den commandeur Roothaas. 
Hij wilde „den geprepareerden brander" door eenige schepen de haven 
doen binnenbrengen en loslaten op de vijandelijke schepen onder 
Mormagon, het kasteel aan den zuidelijken uitgang der bhare. Allicht 
zou het eene schip het andere aansteken. Als zoo de zes vijandelijke 
schepen verbrand waren, zou men in staat zijn met de geheele macht 
naar Ceylon te varen, vóór Goa maar twee of drie schepen achter- 
latende. Wegens 't gewicht van het te nemen besluit moest ieder zijn 
advies schriftelijk uitbrengen, opdat „sich den eenen naer des anderen 
ad vijs niet soude reguleeren". Bij opening der briefjes bleek dat 
allen onder wie, dus ook Roothaas zelf, van meening waren geen 
aanslag te moeten wagen, omdat de schepen te zeer aan 't vuur der 
forten bloot stonden, en 't volk bij 't in den grond boren van een 
schip moeilijk te redden zou zijn. Ofschoon de admiraal dit laatste 
gevaar zoo groot niet achtte, maar meer vreesde voor de verzwak- 
king van de macht, die naar Ceylon moest vertrekken, verklaarde 



^) Resoluties van de Breeden raets Vcrgaderinge, Donderdagh, 29 Nov. 1657. 



133 

hij met de gegeven adviezen in te stemmen. Zoo werd er niets tot 
„eere en grootachtinge van den Nederlantsen naem" ondernomen. 

Nadat besloten was de vloot voor Goa nog met een klein aantal 
kanonnen te versterken, en de raad de ligging der schepen vast- 
gesteld en de order voor een eventueel gevecht met den vijand 
had uitgevaardigd, ^) werd in de bevelvoering nog eenige verande- 
ring aangebracht. 

Pieter de Bitter, die reeds vroeger op Ceylon gediend had en 
daardoor „experientie van landexploicten" had bekomen, werd 
overgeplaatst op den Salamander om mee te gaan naar Ceylon. In 
zijn plaats werd vice-commandeur de schipper Adriaan van Leenen. *) 
Tot schout-bij-nacht werd aangesteld de kapitein Rins Jansen, „een 
out trouw comp.^ knecht," terwijl de schipper van de Salmander, 



') Hierover beneden Hoofdstuk VII. 

-j Adriaan van Leenen was vermoedelijk schipper op Ter Goes, hij is ten minste 
de vierde onderteekenaar van de vergadering van 21 Sept. 1657 (zie boven p. 127, 
noot 3i. Rins Jansen was kapitein op Vlielandt. 

Roothaas maakte nog aan de vergadering bekend, dat aan ieder schipper uit de op 
de buitgemaakte schepen gevangen „cafFers" een „slaefken ofte jongen" werd vereerd. 
Alleen werden op bevel van den admiraal daarvan uitgezonderd Pieter de Bitter, de 
schipper van Weesp (Jacob Lippens) en die van de Avontsterre (niet met name 
genoemd I, die geen goede zorg gedragen hadden voor de kostelijke veroverde 
goederen. Zij moesten hun jongens bij de andere slaven op de Salamander voegen. 

Van Goens bericht in zijn missive van 17 Maart 1658, dat De Bitter „uyt het prysken 
van Mosambique" (vgl. p. 125) had doen lichten 3 swaere kisten, daervan in confesso is 
een doos met niet min dan 200 on. amber de grijs, over de 2000 onsen muscus ende 
83 ^ goudt is noch 't soeck. Dat hij muscus aen alle de schippers heeft omgedeelt 
(hoewel yder maer 2 ballen) is oock notoir, maer 't goudt wilder noch niet uyt, dat 
ick synent halve vreese noch op sijn Cap druypen sal. " Die druiperij is zeker niet 
erg geweest. In zijn missive van 6 Juli 1658 naar Batavia getuigt Van Goens vcin 
hem als volgt : „Pieter de Bitter, waervan ick goede hulpe in 't commanderen over 
de werckluyden, constapels, busschieters, 't maecken van batterijen, exploicten te water 
tegen den vijand etc. genooten hebbe, ende dewijl hij verclaert, dat alle t geene hem 
oyt uijt de Mosambiquese prijs te handen is gecomen, aan den commandeur Roothaes 
heeft overhandicht, soo hebbe alhier geen proces tegens hem connen in 't werck 
stellen, maer gaen hiernevens alle stucken die sijnent halven beleyt sijn, om door 
UEd. ofte den Raet van Justitie op Batavia gedecideert te werden." De Gouverneur- 
Generaal en Raden van Justitie hebben tegen hem zeker geen al te zware bewijzen 
van schuld gevonden, want 24 Dec. 1664 gaat Pieter de Bitter naar 't vaderland als 
commandeur van de retourvloot van 1 1 schepen. Hij was de dappere verdediger van 
zijn schepen en de hollandsche vlag op de reede van Bergen 1 1 Aug. 1665, toen een 
overmachtige engelsche oorlogsvloot de rijke nederlandsche schepen aanviel. Zie 
Wouter Schouten, Reistochten naar en door Oost-Indië, 3de druk, Amsterdam 1740. 
II, 203 vlgg, (vooral zijn mannelijke toespraak p. 211). 



134 

Cornelis Rob, vervangen door De Bitter, op 't admiraalschip Ter 
Goes werd overgeplaatst. 

Hiermede had Van Goens de zaken der Compagnie voor Goa 
geregeld en kon hij zelf naar Ceylon gaan. Ceylon, van welks 
gouverneur hij tot zijn groote bekommernis nog geen bericht had, 
en waar hij niet, als in Diu zou zijn geschied, een nieuwe verovering 
voor de Compagnie zou aanvangen, maar den bijna volbrachten 
arbeid van het uitwerpen der Portugeezen zou voleindigen. 




Het zuiden van Voor-Indie en het noorden van Ceylon. 

Uu Valentijn, Oud en Nieuw Oost-Indien, V. 



HOOFDSTUK VI. 



VEROVERING VAN TUTUCORIJN, MANAAR, JAFFANAPATNAM 
EN NEGAPATNAM. 

Den zelfden dag (29 Nov.) waarop de admiraal met zijn raad 
orders had gegeven aan de achterblijvende schepen voor Goa, zond 
hij een brief ^) aan den gouverneur van Ceylon, Adriaan van der 
Meyden, met het galjoot de Botterblom. ^) Het jacht Avondsterre ^) 
zou het kleinere schip begeleiden tot kaap Commorijn, voorbij de 
sterkten der Portugeezen. Het galjoot werd zoo spoedig mogelijk 
terug verwacht met berichten aangaande den toestand op Ceylon. 

Gaarne zou de admiraal zien, dat het terugkeerende galjoot een 
ervaren zeeman mee terugbracht, die met het vaarwater tusschen 
Tutucorijn en Ceylon bekend was. Botterblom en Avontsterre konden 
dan samen bij genoemde kaap de komst van Van Goens afwachten, 
en hij daar naar de verkregen inlichtingen, zijn plannen regelen. 

Zijn voornemen was 6 a 7 dagen na 't vertrek der twee genoemde 
schepen van Goa's bhare op te breken met de schepen Salamander, 
Naarden en Ter Goes, en als het zonder veel tijdverlies en gevaar 
mogelijk was, de portugeesche plaatsen Cananor en Coelan af te 
loopen, Tutucorijn te veroveren en als 't mogelijk was, ook nog 
Manaar. Zoo zou hij den vijand overal verontrusten en ten slotte 
afsnijden van zijn laatste en sterkste vesting op Ceylon, JaflFanapatnam, 



^) Missive van Van Goens aan Adriaan van der Meijden, In't schip Ter Goes, 
29 Nov. 1657. 

^) Het scheepje was bewapend met slechts 2 gotelingen van 3 pond (Verg. 
29 Nov. 1657). 

^) Avontsterre, 400 ton en 14 stukken (Verg. 29 Nov. 1657). 



136 

na Diu het hoofddoel van den tocht. Met zijn macht van 800 man ^), 
gevoegd bij de bezetting van Ceylon, meende Van Goens wel op 
een goeden uitslag te mogen rekenen. 

Op advies van Adriaan Roothaas werd het plan den 4'^^° December 
al weer veranderd. ^) De portugeesche plaatsen zouden niet veront- 
rust worden, om ,,haer niet voor den tijt wacker te maecken." Na 
de verovering van Tutucorijn en Manaar zou met de geheele macht 
eerst Cotchin en daarna Cananor worden aangevallen om JafFana- 
patnam geheel te isoleeren. Daarom moest de sergeant-majoor Jan 
van der Laan, die 5 December met de schepen Salamander en 
Naarden ^) naar kaap Commorijn vertrok, eerst naar 't noorden zeilen 
en dan 's nachts westwaarts om buiten 't gezicht der portugeesche 
sterkten de kaap te bereiken en er te bUjven kruisen. Zou hij 't galjoot 
Botterblom daar ontmoeten, dan mocht hij de brieven van Van der 
Meyden dadelijk openen om bij de komst van Van Goens van 
raad te kunnen dienen. 

De admiraal zelf was gedwongen nog eenige dagen voor Goa te 
blijven. Zijn schip Ter Goes *) moest nog van Wingurla uit van 
water voorzien worden, en vóór de terugkomst van het waterhalend 
jacht Leeuwin wilde hij niet vertrekken, opdat niet de vloot met 
ook maar één schip zou worden verzwakt. Zoo vertrok hij dan 
eerst den 9^^^" Dec. ^) om de vooruitgezonden schepen in te halen en 
het plan: de isoleering van Jaffanapatnam van de overige portugeesche 
sterkten, uit te voeren. Hoeveel wijzigingen zou ook dit voornemen 
weer ondergaan! 

Want weer werd het een „pinibele" reis vol teleurstellingen. Eerst 
tien dagen na 't vertrek uit de vloot voor Goa kwam Van Goens 
onder kaap Commorijn. Hij vond er wel de Avondsterre en Botter- 



^) „500 nederlantse uytgesochte soldaten, 70 amboinesen, daerbij omtrent 200 
geëxcerceerde bootsgesellen, sullende met d'officieren ruym uytmaeckcn 800 coppen 
om te landen." 

^) Secrete ordre door d'E. commandeur jan van der Laan, Sergt. Majoor over 
de militie van 't Eylandt Ceylon in dese vloot. Int schip ter Goes, den 4deQ X^" 1657. 

^1 Naarden 400 ton en 32 stukken. Salamander 1000 ton. 't Aantal stukken is niet 
opgegeven. (Vergadering van 29 Nov. 1657, en de Lysten v. d. Novale macht 15 Jan. 
en 11 Dec. 1658.) 

*l 440 ton en 18 stukken. (Verg. 29 Nov. 1657.) 

^) Missive van Van Goens aan Van der Meijden. Int schip Ter Goes, 26 Dec. 
1657, om de oostelycke hoeck van Gaap Gommorijn geanckert omtrent 7 mijlen van 
Manapaar. 



137 

blom, maar geen berichten uit Ceylon. Het galjoot had wegens den 
hevigen noordoosten wind de vaart naar Ceylon niet durven wagen. ') 
Ook Van der Laan was er nog niet, ofschoon zijn schepen op de 
hoogte van Cochin nog gezien waren. Drie etmalen werd er gewacht, 
maar van der Laan verscheen niet. Zonder die schepen, „daerin 
alle oorlogsgereetschappen en de meeste crijgers" waren, was er, 
meende Van Goens, tegen den vijand weinig te ondernemen. De 
zorg, dat zij te ver uit de kust door stroom en wind de kaap, die 
in dit jaargetijde juist vlak langs de kust bezeild moest worden, niet 
hadden kunnen halen, deed bij den admiraal „bijna alle slapens en 
etenslust vergaen." ^) Zijn eenige hoop was, dat zij naar Colombo 
afgezakt en daar behouden aangekomen waren. Avondsterre en Botter- 
blom zond hij af naar Colombo om den gouverneur van zijn plannen 
te onderrichten en van Ceylon alle mogelijke hulp van zeevolk en 
militairen te ontbieden. Zelf poogde hij Tutucorijn te bereiken. 

Maar hoe hij ook met verlies van zeilen en ankers trachtte tegen 
den noordoosten wind op te laveeren, het gelukte hem niet. Van 
der Laan bleef weg, de matrozen en soldaten begonnen „hard in te 
vallen"; wat zou hij langer onder kaap Commerijn blijven tobben? 
Den 28^^^° December stelde hij den raad voor, of het ook met het 
oog op het drinkwater niet beter was Tutucorijn en Manaar te laten 
rusten, en naar Colombo te zeilen, om vandaar bij beter gelegenheid 
den tocht te hervatten. Volgens ervaren schippers was met den noord- 
oosten wind, die vermoedelijk bij Ceylon nog wat noordelijker zou 
zijn, Colombo wel te bezeilen. Dus werd besloten niet langer te 
wachten, maar Ceylon zoo hoog mogelijk aan te doen en daar in 
overleg met gouverneur en raad nieuwe plannen te overwegen. ^) 

De schippers hadden gelijk gehad: Colombo was te bezeilen. Vier 
dagen na 't vertrek van Commorijn, den P*^° Januari 1658 *) kwam 
Van Goens op de reede voor de stad aan. Daar vernam hij, dat 
geen van zijn brieven naar Van der Meijden zijn bestemming had 



') Missive van den admiraal Van Goens naar Batavia 17 Maart 1658. 

^) Brief van Van Goens aan Van der Meijden. 26 Dec. 1657. 

^) Resolutie van de Vergadering van 28 Dec. 1657. Int schip Ter Goes leggende 
ten ancker aen Cabo Comorijn. Aanwezig: Van Goens, Comelis Rob, Johannes 
Hartman, secretaris Corn. Valckenburgh. 

^) Origineele Gouverneurs missive van Adr. v. d. Meijden aen Bewinthcbberen, 
9 Febr. 1658. 



138 

bereikt. Avondsterre en Botterblom verschenen eerst drie dagen later. 
Van Jan van der Laan met zijn Salamander en Naarden was niets 
vernomen. Daarom meende de admiraal eerst te moeten wachten 
op versterking, daar volgens zijn bekomen inlichtingen de garnizoenen 
op Ceylon te zwak waren om hem hulp te verleenen. Bij nader 
onderzoek viel dat nog al mee ^) en zoo ging hij met Van der Meijden 
en den raad overleggen, wat er gedaan moest worden. 

In secrete vergadering werd 7 Januari te Colombo beraadslaagd. 
Er werd besloten de 450 man, die Van Goens met zijn drie schepen 
had meegebracht, te versterken tot 800 blanke koppen en 300 
Singaleezen en later nog met zooveel krijgers als Ceylon missen kon. 
Desnoods zouden de buitenposten worden opgeheven en alleen de 
vier vestingen Mature, Gale, Colombo en Negombo bezet blijven. 
Over de vraag, waarheen de admiraal die verzamelde macht zou 
voeren, rezen „verscheyden debatten." ') De gouverneur Van der 
Meyden nl. was het met de anderen niet eens. Dezen wilden den 
aanval beginnen op Manaar en voortzetten tegen JafFanapatnam. 
Van der Meyden daarentegen, op grond van inlichtingen uit Coromandel 
over de sterkte der Portugeezen op Manaar, naar men zeide wel 1000 
man, meende dat daar een te krachtige tegenstand te verwachten was. 
Daarom moest volgens hem eerst, met of zonder toestemming van de 
regeerders van Madure, een „vastigheidje" worden „begrepen" ten 
noorden van het laaggelegen Tutucorijn. Daarna zou Van Goens over 
Coelan naar Coschin gaan, om te zien of daar eenig voordeel te behalen 
viel. Ging dat niet, dan zou de geheele vloot terugkeeren om in 
Maart of April Jaffanapatnam en Manaar aan te vallen. ^) Dat was 
dus eigenlijk een terugkeer tot het eerste plan, dat bedoeld had de 
plaatsen op Ceylon te isoleeren en daarna te veroveren. Hiertegen 
adviseerden anderen, op Manaar beter bekend, den aanval te wagen 
om daarmede den weg binnendoor naar Coromandel te beveiligen, en 
onkosten en gebruik van schepen voor de Compagnie te sparen. 
Deze argumenten behaalden de overhand en zoo werd besloten de 
expeditie eerst naar Manaar en dan naar JafFanapatnam te richten. 



1) Missive van Van Goens naar Batavia, 17 Maart 1658. 

^) Resolutiën van de secrete Vergadering van Maendagh 1^^ January 1658. Aanwezig 
waren : Van Goens, Van der Meijden, de kapiteins Hendrick Gerritz en ]ohan Hartman ; 
de schipper Comelis Rob. Secretarissen: Cornelis Valckenburgh en Jacob van Rhee. 

^) Missive van Adriaan v. d. Meijden aan Van Goens. Colombo 7 Jan. 1658. 



139 

Daar Van der Laan nog altijd niet verscheen, werd bij provisie 
de kapitein Hendrik [Gerritsz] Gluwinck ') als commandant over de 
soldaten aangesteld. De onderkoopman Van Rhee werd aangewezen 
den tocht mee te maken om als gezant bij den Teuver, vazal van den 
Neik van Madure, gebruikt of bij gelegenheid naar Tutucorijn gezonden 
te worden. Hij was reeds vroeger in die streken geweest en er dus bekend. 

Voor de expeditie werden aangewezen de jachten Ter Goes en 
Avontsterre, die voor 't overvoeren van manschappen begeleid zouden 
worden door de fregatten en galjoten -) Mozambique, Manaar, Water- 
pas, Botterblom, Caneelschiller en al het klein vaartuig, dat Ceylon te 
missen had. Daarop zouden dan nog nagezonden worden de jachten 
Ter Veer, Romeijn en Zeeblom, die van de „overcust" terug 
gewacht werden ^), en Naarden, zoodra het schip terecht was, met 
de in Ceylon vrijgemaakte troepen. Tot verdediging van Colombo en 
Gale, zou dan Van der Laan's andere schip, de Salamander, achterblijven. 

Een punt van overweging was ook de verhouding tot Raja Singha. 
Zijn lieden traden tegen de buitenposten nog al eens vijandig op, en 
hij zelf onderhield betrekkingen met de Portugeezen, al wist men niet 
recht welke. ^) Wat van hem te wachten was, viel niet te berekenen. 
De instructie van Van Goens schreef hem voor naar omstandigheden 
te handelen. ,,Is der Portugezen macht soo deijn, dat wij zijn [Raja 
Singha's] machinatien ende raatslaagen metteselven niet te vresen 
hebben, soo sal de minste vrundtschap de grootste gerustheyt geven; 
maer anders sijnde sal hij hoe eer hoe liever weder dienen gecom- 
plementeert, ende met een honorabile vereeringe besocht, met excuse, 
dat ons de onlusten ende misverstanden tusschen sijn Majt. ende 
d' onse geresen ten hoochsten leet sijn ende desnietjegenstaende on- 
veranderlyck genegen blijven het contract met sijn Majt. gemaeckt, 
heylichlijck te onderhouden om hem daermede ist mogelijck te diver- 
teren van de concepten die metten viandt soude connen voornemen," 
De macht van de Portugeezen was niet meegevallen en dus moest 



^) Hendrik Gluwinck teekent de resolutiën der volgende vergaderingen direct na 
jan van der Laan. Hij moet wel de Hendrick Gerritsz zijn, die in de vergadering 
van 7 Januari 1658 onmiddelijk na Van der Meijden teekent. 

-) Fregatten en galjoten worden onder één naam genoemd „kleine jachten." 

') Missive van Van der Meijden naar Batavia, 6 Dec. 1657. 

*) Missives van Van der Meijden en Raad naar Batavia. Gale, 12 Nov. en 
6 Dec. 1658. 



140 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR