ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

1
Digitized by the Internet Archive in 2010 with funding from University of Toronto 
http://www.archive.org/details/rijcklofvangoensOOaalb 
RIJCKLOF VAN GOENS, 

COMMISSARIS EN VELDOVERSTE DER OOST- 
INDISCHE COMPAGNIE, EN ZIJN ARBEIDSVELD. 
1653/54 EN 1657/58. 



DOOR 



DR. J. AALBERS. 

LEERAAR AAN DE R. H. B. S. TE GRONINGEN. 



TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS' U. M.. 1916. 







bLp 2i 1967 



.^J/ 



^^cm Of ^0-^ 



VOORWOORD. 



Oorspronkelijk was mijn bedoeling, als tegenhanger van Dr. H. Terpstra's 
De Vestiging van de Nederlanders aan de kust van Covomandel (Groningen, 
1911) de vestiging van de Nederlanders aan de kust van Malabar te 
beschrijven. Bij de terrein verkennende studiën bleek mij evenwel, dat de 
veroveringen van de Nederlanders op genoemde kust nauw samenhingen 
met hun ver meestering van Ceylon, en dat de definitieve vestiging een 
onderdeel vormde van een groote expeditie onder leiding van den lateren 
Gouverneur-Generaal Rijcklof van Goens, die in 1657 met een uitgebreide 
opdracht naar de westelijke kwartieren werd gezonden. Daarom besloot ik 
die expeditie tot voorwerp van mijn onderzoek te maken. 

Die verandering van onderwerp bracht haar moeilijkheden mede. Van 
Goens toch werd niet alleen als hoofd van een militaire en maritieme 
onderneming uitgezonden, maar ook aangesteld als commissaris tot de visite 
van bijna alle kantoren en gouvernementen in het westen. 

Het was voor een duidelijke uiteenzetting van het doel en de beteekenis 
der expeditie noodig eenige inleidende hoofdstukken aan de beschrijving 
van den tocht, waarvan in de volgende bladzijden slechts het eerste jaar 
behandeld is, te doen voorafgaan. 

De verhouding tusschen de inleidingen en het eigenlijke onderwerp is 
daardoor wel wat onevenredig. Dit is evenwel te wijten aan de weinige 
aandacht, die tot nu toe aan deze gedeelten onzer koloniale geschiedenis 
is geschonken. Daarom moesten ook de inleidende hoofdstukken grooten- 
deels op archief-studiën berusten. 

Voor de samenstelling van het werk is voornamelijk gebruik gemaakt 
van bescheiden, berustend op het Algemeen Rijksarchief. De meeste stukken 
zijn als copieën van origineele brieven, rapporten, instructies enz. telken 
jare door de Regeering te Batavia overgezonden aan de Heeren Zeventien, 
en worden nu op het Algemeen Rijksarchief bewaard in de stevige bundels 
der „Overgecomen brieven en papieren. " 



Een enkele maal werden ook andere bundels geraadpleegd, zooals dan 
uit de noten blijkt. In die noten zijn ook te vinden de gedrukte werken en 
artikelen, die tot beter verstaan der ongedrukte stukken of tot het verkrijgen 
van een vollediger voorstelling werden gebruikt. 

Bij het bewerken der stof mocht ik veler hulp en voorlichting genieten. 

In de eerste plaats denk ik aan Dr. J. de HuUu, rijksarchivaris aan het 
Algemeen Rijksarchief, die mij met groote welwillendheid in de studie der 
Oost-Indische Compagnie en in het archief inleidde, en aan wiens zorg het 
te danken is, dat zoovele stukken in Groningen konden worden geraadpleegd. 

Mijn vriend Dr. P. A. Meilink, hoofdcommies aan het Algemeen Rijks- 
archief, heeft meermalen een kort onderzoek voor mij ingesteld en daardoor 
mij een reis naar Den Haag bespaard of een zending van stukken naar 
Groningen overbodig gemaakt. 

Voor eenige kennis van de schepen der Compagnie mocht ik de voor- 
lichting genieten van den Heer C. G. 't Hooft, directeur aan het Museum 
Fodor te Amsterdam. Hij maakte mij o.a. opmerkzaam op de schilderij 
van Willem van der Velde de Jonge, waaraan de reproductie van de 
Phenix, het commandeursschip van Adriaan Roothaas (Hoofdstuk VII) 
is ontleend. 

Bij de bewerking van Hoofdstuk VII mocht ik van de zeilkennis profiteeren 
van mijn vriend Joost Hudig. 

Een enkele opmerking van Prof. Mr. J. E. Heeres te Leiden is mij van 
veel nut geweest. 

Voor de compositie en eindredactie van het geheel mocht ik menigen 
gewaardeerden raad ontvemgen van Prof. Dr. I. H. Gosses te Groningen. 

Wie, die van de Universiteitsbibliotheek te Groningen gebruik maakt, 
wordt niet getroffen door de groote bereidwilligheid, die de bezoeker daar 
ondervindt van alle ambtenaren, van den Directeur tot den jongsten bediende? 

Aan allen, die mij door hun hulp aan zich hebben verplicht, mijn 
hartelijken dank. 

Een woord van erkentelijkheid ook aan de Firma J. B. Wolters, die 
op onbekrompen wijze het boek van eenige kaarten en illustraties heeft 
willen voorzien. 

Groningen, April 1916. J. AALBERS. 



INHOUD. 



VOORWOORD. 

Bladzijde. 

HOOFDSTUK I. Inleiding 1-37 

A. De Compagnie in Indië tot ongeveer 1650 1 — 33 

Handel der Nederlanders in oostersche waren vóór de op- 
richting der Compagnie, 1. Aanleiding tot de eerste vaart 
naar Indië, 2. Oprichting der Compagnie, 3. Optreden tegen 
de Portugeezen, 4. Het tweeledig karakter der Compagnie 
oorzaak van conflicten, 4. Handelsgebied der Compagnie in 
1609, 5. Concurrentie der Engelschen, 5. Uitzending van 
Pieter Both, 6. Mislukking van zijn optreden, 6. Optreden 
van Jan Pietersz. Coen, 6. Plannen van Coen, 7. Verbond 
met de engelsche Compagnie, 7. Verovering van de Banda- 
eilanden en optreden tegen de Engelschen en Portugeezen, 
7 — 8. Voortzetting van de verovering der Molukken, 8. Be- 
strijding der Portugeezen buiten den Archipel begonnen door 
Van Dieraen, 8. Handelsgebied der Compagnie omstreeks 
1650, 9. Beteekenis van den handel in Indië, 9. Verdeeling 
van het handelsgebied in drie zones, 10. Houding der Com- 
pagnie tegenover inlandsche vorsten en Europeanen, 12. 

Gouverneur-Generaal en Raden, 12 — 14. De Raad van 
Justitie, 15. Bestuur der buitenkantoren, 16. Het ambtenaars- 
personeel der Compagnie, 17. Het leger, 18. De zeemacht, 19. 
De religie, 20 — 23. De vrijburgers, 23. Particuliere handel 



Bladzijde- 
en bepalingen daartegen, 24 — 27. Commissarissen tot de 
generale visite en hun instructie van 1626, 26—29. De per- 
manente commissarissen niet aangesteld, 30. 

Het streven der Compagnie omstreeks 1650, 31. Hervatting 
van den oorlog tegen de Portugeezen in 1652 op de kust 
van Voor-Indië en Ceylon, 32. Zending van Rijcklof van 
Goens in 1657, 32. 

B. Rijcklof van Goens zijn carrière in dienst der Compagnie. 33—37 

HOOFDSTUK II. De Nederlanders op Ceylon tot 1657. 38—67 

Verhouding der Compagnie tot Raja Singha van 1638 — 
1652, 38 — 44. De hervatte strijd met de Portugeezen, 
1652^ — 1655, 44 vlg. Raja Singha's houding gedurende den 
krijg, 46. Geringe toevoer uit patria oorzaak van den weinigen 
voortgang op Ceylon, 47. Expeditie onder Gerard Huift 
naar Colombo, 48. Mislukte storm op Colombo 12 Nov. 
1655, 49. Houding van Raja Singha tijdens het beleg van 
Colombo, 50 — 54. Voortzetting van het beleg, 54. Ver- 
overing van Colombo 12 Mei 1656, 55. Verwijdering tusschen 
Raja Singha en de Nederlanders, 56 — 60. 

Maatregelen genomen na de verovering van Colombo, 
60 vlg. Het gebied der Compagnie op Ceylon in 1557, 62. 
De kaneel, 62. De olifantenjacht, 63. Andere voortbrengselen 
en inkomsten, 64. De gereformeerde kerk, 65. 

Noodzakelijkheid van de verdrijving der Portugeezen van 
de zuidkust van Voor-Indië, 66. Korte beschrijving van die 
„overcust", 66 vlg. 

HOOFDSTUK III. Over de kantoren Suratte en Wingurla 
tot de komst van Van Goens. De visitatie dier kantoren 
door Rijcklof van Goens in 1653/54. Toestand dier 
kantoren in 1657. Beteekenis van Diu in verband met 
Suratte 68—106 

Beschrijving van Suratte, 68. Vestiging der Nederlanders 
aldaar, 69 — 71. De onderhoorige kantoren Brootsja, Brodera, 



Bladzijde. 
Amadabad en Agra, 71. Verhouding tot het hof van den 
Mogol, 71. Plundering van de logie der Compagnie te 
Suratte en herstel van grieven, 72—74. Gezantschap naar 
Delhi in 1653, 74—76. Kleine moeilijkheden met het hof, 76. 
De handel der Compagnie te Suratte, 77 — 80. Handel te 
Agra, Mocha, Bassora, Sindi, 80. Concurrentie van Engel- 
schen en Portugeezen, 81. Successen gedurende den eersten 
engelschen oorlog, 81. 

De nederzetting der Compagnie te Wingurla, 82. Moeilijk- 
heden tusschen den resident Bacharach en hertog Fettechan, 
83. Verplaatsing van het kantoor naar Salse, 84. Particuliere 
handel van Bacherach, 84. 

Opdracht van Van Goens als commissaris in 1653, 85 — 87. 
Van Goens te Salse, 87. Van Goens te Suratte, 89 vlg. 
Petrus Andreas en Hayo Harderwijck te Visiapour, 91. 
Overwinning van Van Goens op vijf portugeesche galjoenen, 
92-94. 

Suratte en onderhoorige kantoren van 1654 — 1657, 94 — 100. 

Ligging en beteekenis van Diu in verband met Suratte, 
100. Versterking der stad, 101. Plannen tot verovering, 
102—104. 

Wingurla onder Leendert Jansz., 104. Handel aldaar, 104. 
Nieuwe logie gebouwd, tegen de orders der Hooge Regee- 
ring, 105. 

HOOFDSTUK IV. Van „particulariteijten en andere 

vuylicheden." 107-119 

Moeilijk te ontdekken, 107. Particulariteiten van Comelis 
van Qualbergen te Masulipatnam ; van Johannes de Kater 
te Suratte, 108; van Pieter van Moerbeeck te Amadabad, 108; 
van Pieter de Bie te Sindi, 109; van Dirck Sarcerius te Batavia, 
109. Plakkaat van 30 Juli 1657. 109. „Vuylicheid" van Joris 
Schilder huijsen te Negombo, 110; van Jacobus de Vos van 
Teylingen te Gale, 110; van Elias Boudaen te Bassora, UI; 
van Leendert Jansz te Wingurla, 111; van Cornelis Mey 
en Joan Barra te Sindi, 111. Houding der Hooge Regeering 
tegenover den particulieren handel, 112. 



Bladzijde. 
Beschuldigingen tegen Van Goens en zijn verdediging, 
113—117. Handelingen der dienaren verklaard uit particu- 
liere belangen, 117 vlg. 

HOOFDSTUK V. Van Batavia naar Goa 120-135 

Opdracht aan Van Goens in 1657, 120. Vertrek van 
Batavia, 121 vlg. Blokkade van Goa in 1656 57 door 
Adriaan Roothaas, 123. Uitzending van Roothaas naar Goa 
in 1657, 124. „Pinibele" reis van Van Goens naar Goa, 
126 — 129. Vergadering van den scheepsraad voor Goa, 19 
Nov. 1657. 129—131. Vergadering van 29 Nov. 1657, 132 vlg. 

HOOFDSTUK VI. Verovering van Tutucorijn, Manaar, 

Jaffanapatnam en Negapatnam 135 — 170 

Plannen voor den tocht van Goa naar Ceylon, 135. 
„Pinibele" reis van Van Goens naar Colombo, 136 vlg. Ver- 
gadering te Colombo, 7 Jan. 1658, 138. Verhouding tot 
Raja Singha, 139. Bevelen aan Van der Meyden, 141. 
Mislukte aanslag van Van der Laan op Tutucorijn, 142. 
Hulp gezonden aan Van der Laan, 143. Verovering van 
Tutucorijn, 144. Gezantschappen aan inlandsche vorsten, 
145 — 148. Tocht naar en verovering van Manaar, 149 — 156. 
Vergadering te Manaar, 24 Febr. 1658, 156. Tocht naar 
en verovering van Jaffanapatnam en Kaijs, 157^ — 166. Be- 
handeling der gevangenen, 166 — 168. Verovering van 
Negapatnam, 168 — 170. 

HOOFDSTUK VIL Adriaan Roothaas voor Goa. . . . 171-191 

Sterkte van de Nederlanders en van de Portugeezen, 171. 
De door Van Goens en den scheepsraad voor Roothaas vast- 
gestelde „ordre", 173 — 175. Scheepsstrijd van 20/21 Jan. 1658, 
176 — 179. Misleiding der Nederlanders door de Portugeezen, 
27 Jan., 179. Scheepsstrijd van 29 Jan., 180—183. Scheeps- 
strijd van 3 Febr., 183 — 186. Scheepsstrijd van 28 Maart, 
186 — 188. Opheffing der blokkade, 189. Gebrekkige uitvoering 
der blokkade, 190. Beoordeeling van Roothaas' beleid, 191. 



Bladzijde. 
HOOFDSTUK VIII. De visitatie van Suratte en Wingurla 

door den fiscaal Lucas van der Dussen 192—207 

Instructie voor Van der Dussen, 192. Beroeringen te 
Suratte, 193. Opening van uit Batavia naar Suratte gezonden 
particuliere brieven en ontdekte particuliere goederen 193 vlg. 
Besnoeiing van het personeel, 195. Vergeef sche pogingen 
om de order van 20 Juli 1657 uit te voeren, 195. Particuliere 
goederen, ontdekt bij het lossen van de fluit Venenburgh, 
196. Verkoop van de goederen der Compagnie bij gesloten 
briefjes, 197. Onregelmatigheden in de boekhouding te 
Suratte, 197. „Vuijlicheden" van Pieter de Bie, 198. Vol- 
ledige uitbetaling der traktementen tegen de orders der 
Hooge Regeering, 199. Ontduiking van het tolcontract, 200. 
Adviezen van Van der Dussen voor een zuiniger beheer en 
tot wering van den particulieren handel, 201 — 203. Berisping 
van Van Goens aan Leendert Jansz te Wingurla, 204. Inspectie 
van Van der Dussen te Wingurla, 204. Verdediging van 
Leendert Jansz over het bouwen der logie te Wingurla, 205 vlg. 

BIJLAGEN. 

I. Uit de Generale missive van 26 Januari 1656. ... 211 
II. Brief van Van Goens aan Raja Singha, Colombo 

8 Januari 1658 215 

III. Brief van Van Goens aan den Neik van Madure, 
Tutucorijn, 31 Januari 1658 227 

IV. Verdrag van overgave van het kasteel van JafFana- 
patnam 219 



1 = 

£- o. 



C^ 



=zl 


ö 


S-5 


f^ 


— ^ 






QJ 


i = 


3 


^2 


— 




f» 


Orn 




T < 




3 3 


fi 


s:a 


?r 




o 


n.-" 


1-11 









< 


Xn 


3 






nt 


o 







3 — 


(\! 




P 


• OJ 


in 


O 3 




^M 




>■ 




3 m 








;" < 




Q. 






HOOFDSTUK I. 



INLEIDING. 1) 

A. DE COMPAGNIE IN INDIË TOT ONGEVEER 1650. 

De ontdekking van Vasco da Gama was den Zuid- en Noord- 
Nederlanders niet minder ten profijte geworden dan den Portugeezen. 
De laatsten toch hadden ter verspreiding hunner te Lissabon opge- 
stapelde indische waren geen handelsrelaties in Europa, de eersten 



^) Algemeene werken over de geschiedenis der Oost-Indische Compagnie: 

]hr. Mr. ]. K. ]. de Jonge, De opkomst van het nederlandsch gezag in Oost-Indië. 
13 dln. 's Gravenhage, 1862^1888. (Dln. 11 — 13 door M. L. van Deventer.) 

P. A. Tiele, Opkomst enz. Bouwstoffen voor de geschiedenis der Nederlanders in 
den Maleischen Archipel. 5 dln. 's Gravenhage, 1886—1890. (Dln. 2 en 3 door 
Mr. E. ]. Heeres.) 

Mr. O. van Rees, Geschiedenis der Staatshuishoudkunde in Nederland. Tweede 
Deel, Geschiedenis der koloniale politiek. Utrecht, 1868. 

}. J. Meinesma, Geschiedenis van de Nederlandsche Oost-Indische bezittingen. 2 dln. 
Delft, 1872. 

C. G. Klerk de Reus, Geschichtlicher Ueberblick der administrativen, rechtlichen 
und finanziellen Entwickelung der Niederlandisch Oostindischen Compagnie. (Ver- 
handelingen van het Bataviasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, deel 
XL VII, Batavia, Solo en 's Hage, 1894). 

A. Zimmerman, Die Europaischen Kolonieën. 5 Bande. Berlin, 1896—1903. Band V, 
Die Kolonialpolitik der Niederlander. 

Mr. S. van Brakel, De Hollandsche handelscompagnieën der zeventiende eeuw. 
's Gravenhage 1908. 

C. de Lannoy et H. van der Linden, Histoire de l'expansion coloniale des peuples 
européens. Vol. II, Neerlande et Danemark par C. de Lannoy. (Met uitgebreide 
litteratuur-opgave). Bruxelles, Paris, 1911. 

Encyclopaedie van Nederlansch Indië door P. A. van der Lith, e. a. 's Gravenhage. 
Artikelen: Compagnie (Oost-Indische) en Indië (Administratie der Compagnie). 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 1 



wel. De Zuid-Nederlanders waren de tusschenpersonen in de stapel- 
plaatsen Brugge en later Antwerpen; de Noord-Nederlanders waren 
de vrachtvaarders. Wat in Lissabon was aangebracht werd door 
Vlamingen, Zeeuwen en Hollanders verder in Europa verhandeld. In 
het begin hadden zij nog de concurrentie te duchten van Hanzeaten 
en Zuid-Europeanen. De Hanse evenwel, niet door machtige vorsten 
beschermd, ging achteruit; de nieuw ontdekte zeeweg naar Indië 
deed het italiaansche handelsverkeer vanzelf verminderen, en de 
landen van het Iberisch schiereiland gebruikten al hun scheepsruimte 
voor de vaart op de nieuwe koloniën, zoodat in Spanje zelfs schepen 
werden ingevoerd. Zoo was de handel in indische waren in Europa 
door de Nederlanders reeds gemonopoliseerd, vóór er sprake was 
van een Oost-Indische Compagnie. 

In tegensteUing met de Vlamingen en Brabanders, die de vreemde- 
lingen met hun goederen tot zich zagen komen, zochten de Hollanders 
en Zeeuwen vreemde markten op. Zooals zij ten spijt van strenge, 
soms wreede maatregelen van de Hanze, de verste havens van inkoop 
in de Oostzee hadden opgezocht, zouden zij met voorbijgaan van 
Lissabon te eeniger tijd direct naar Indië varen. Aan de vaart naar 
Indië evenwel waren meer gevaren en risico verbonden dan aan die in 
de Oostzee. Er was een stimulans van buiten noodig om het ver- 
langen naar de goedkoopste markt, in den handel zelf gelegen, tot 
daden om te zetten. Die stimulans kwam in den vorm van verbods- 
bepalingen tegen nederlandsche schepen in Spanje en Portugal, van 
protesten tegen onzen handel met den vijand, en kaperijen van engel- 
sche zijde, en van bezwaren dien handel door de Staten-Generaal 
onder pressie van den engelschen bondgenoot in den weg gelegd. ^) 
De inbeslagnemingen door den koning van Spanje, de kaperijen der 
Engelschen en de verbodsbepalingen der Staten-Generaal tegen de 
vaart en den uitvoer naar Spanje hebben den noord-nederlandschen 
handel tot nieuwe vlucht aangezet, en daardoor de Hollanders en 



') Vgl. Dr. P. ]. Blok in Nijhoff's Bijdragen, V 1, p. 102 vlgg., De handel op Spanje 
en het begin der groote vaart. Blok bestrijdt Dr. G. F. Preusz in Mitteilungen 
der schlcsischen Gescllschaft für Volkskunde. Band XIII— XIV, Jahrgang 1911 — 12, 
S. 279. De conclusie van Preusz, dat de eerste tochten naar Indië „das not- 
wendige Ergebnis eines alle Fesseln sprengenden Ausweitungsdranges", waren, 
„der weiteren zwingenden Anreiz aus den Zeitumstanden empfing" is door Blok 
niet weerlegd. 



Zeeuwen tot het eerste handelsvolk van Europa en de grondleggers 
van een koloniaal rijk gemaakt. 

Hinderpalen van concurrenten en vijanden waren aanleiding tot de 
tochten naar Indië; de ondernemingsgeest der kooplieden, de energie 
en volharding der zeelieden deden de eerste tochten gelukken; het 
beleid van Oldenbarnevelt heeft het aangevangen werk bestendigd. 

De wel volbrachte reis van Houtman prikkelde de zucht naar 
nieuwe winsten. Compagnieën werden opgericht, schepen uitgerust en 
afgezonden. In 1601 waren er reeds tien handelsondernemingen op 
Indië in het leven geroepen, welk getal weer door aaneensluiting was 
gereduceerd tot vier: twee groote en twee kleine. De groote waren 
die van Amsterdam, vermoedelijk verbonden met die van het Noorder- 
kwartier (Hoorn en Enkhuizen), naast die van Zeeland; de kleine 
die van Rotterdam en Delft. 

Reeds in 1598 hadden de Staten-Generaal een bijeenkomst belegd 
om de Compagnieën te doen samensmelten. Zij had geen resultaat 
opgeleverd. Maar de concurrentie tusschen de verschillende onder- 
nemingen werd scherper. Werd niet Steven van der Hagen, die in 
1599 voor de Oude Compagnie ^) uitzeilde in zijn instructie aange- 
maand „altijd in gedachtenisse [te hebben] dat de Zeeuwen ons werck 
viant zijn, dat zij derhalve niet lichtelijk getrout en worden"? De 
prijzen in Indië stegen — in Holland deed de concurrentie der 
kooplieden de prijzen dalen. 

De Oude Compagnie te Amsterdam zag het gevaar, waarmede de 
veelheid der Compagnieën den handel bedreigde en trachtte van de 
Staten van Holland voor zich alleen octrooi te verwerven. Maar 
zóó Amsterdamsch konden de Staten niet te werk gaan. Zij kwamen 
op voor geheel Holland en begrepen, dat slechts met behulp van de 
Staten-Generaal de Zeeuwen tot aansluiting zouden zijn te bewegen. 
Op initiatief van Holland belegden de Staten-Generaal een conferentie 
der bewindhebbers van de verschillende Compagnieën. De eerste 
bijeenkomst mislukte. Op een tweede wist de Advocaat als ver- 
tegenwoordiger der Generaliteit, door overtuigende woorden en zijn 
bemiddelend voorstel aangaande het hoogste Bestuur der nieuwe 
Compagnie, de partijen bijeen te brengen. Persoonlijk bewerkte hij 



^) De Compagnie van Verre vereenigd met de Nieuwe Compagnie. 



met Maurits de Staten van Zeeland, en zoo werd den 20^'^° Maart 
1602 aan de Vereenigde Oostindische Compagnieën door de Staten- 
Generaal octrooi verleend. 

De vloten der vóór-compagnieën hadden Indië doorkruist, hun 
geluk hier en daar beproevend om ten slotte meestal in Bantam of 
in de Molukken hun voornaamste inkoopen te doen. Niet anders 
deden de eerste twee vloten der Compagnie, nog uitgerust onder 
het oude régime. In de instructies voor de admiraals der volgende 
vloten komt echter een nieuw element: de strijd tegen de Portugeezen 
en Spanjaarden. Slechts noodgedrongen gingen de Bewindhebbers 
tot dien strijd over. Zoolang de Portugeezen alleen langs slinksche 
wegen, door verdachtmaking bij inlandsche vorsten, de Hollanders 
hadden bestreden, was er geen noodzaak geweest tot aggressief 
optreden. In December 1601 hadden evenwel de Portugeezen met 
wapengeweld op de reede van Bantam de Hollanders aangevallen. 
Wolf er t Harmensz. was juist bijtijds verschenen om hun den eersten 
gevoeligen slag toe te brengen. Zijn rapport mag wel van invloed 
geweest zijn op de offensieve instructie in 1603 aan Steven van der 
Hagen meegegeven. Vermoedelijk staat zij ook onder den drang van 
de Staten-Generaal, die in de Compagnie een bondgenoot wilden 
hebben tegen Spanje, niet alleen indirect, zooals de kooplieden door 
„diversie der [spaansche] commercie", maar direct als militaire en 
maritieme macht. Een macht, die den vijand zou dwingen troepen 
en schepen uit Europa naar Azië te zenden en daardoor aan de 
operaties in de Nederlanden te onttrekken. Daarom ook steunden 
zij de uitgeruste vloten met geschut, ammunitie en soms met 
eenige schepen. 

„Indien men een soldaat ende een coopman in één persoon wil 
hebben; 't is al verloren arbeit." Die klacht van MateUef ^) mag 
nog in menig dienaar van de Compagnie zijn opgeweld. Zij duidt op 
een conflict in het streven der „Edele Maatschappije" gedurende haar 
geheele bestaan. Hoe meer zij naast koopman, souverein, en daarmede 
militair wordt, hoe talrijker de meeningsverschillen worden tusschen 
Gouverneur-Generaal en Raden in Indië en de Heeren Zeventien 
in het vaderland, en op kleinere schaal de botsingen tusschen de 
Hooge Regeering te Batavia en de bevelhebbers van expedities. 



1) De Jonge III. p. 233. 



Wie het dichtst bij den vijand stond, was het meest soldaat, wie bij 
de kas zat, meest koopman. In de beste gouverneurs waren beide op 
gelukkige wijze vereenigd. 

De spaansch-portugeesche macht was in Indië, althans in den 
Archipel, niet sterk. Op zee konden de Nederlanders hun de baas 
blijven; tegen hun vestingen waren de uitrustingen meestal te zwak, 
en de belangen van den handel gedoogden geen lange blokkades. 

In het jaar 1609, toen de eerste Gouverneur-Generaal werd be- 
noemd, was de Compagnie nog geenszins meester van de specerij- 
eilanden, op welker verovering zij haar krachten meer en meer had 
geconcentreerd. Op Amboina, de Bandagroep en de noordelijke 
Molukken had zij wel eenige forten en nederzettingen, maar de Span- 
jaarden en Portugeezen waren nog niet van die eilanden verdreven. 

Naast de nederzettingen op de Molukken bezat de Compagnie ver- 
scheidene factorijen. Op Java eene te Bantam en te Grissee; één in 
Japan te Hirado en één in 't gebied van Djohor in Achter-Indië, 
vanwaar zij betrekkingen onderhield met Siam, Cambodja, Borneo 
en China. Om zich de in de Molukken tot ruil voor de specerijen 
begeerde kleedjes te verschaffen, was de Compagnie sinds eenige 
jaren bezig zich een vaste vestiging te verwerven op de kust van 
Coromandel. In 1610 werd er een factorij gesticht te Paleacatte. 
De bezoeken gebracht aan Ceylon, Queda, (westkust van Achter- 
Indië), Makassar en Atjeh hadden nog tot geen vestigingen geleid. 

Wel besloeg de werkzaamheid van de Compagnie, en nog meer haar 
belangstelling, een uitgebreid gebied, maar er was weinig eenheid en 
leiding in het bestuur. ledere admiraal ging uit met een eigen instructie, 
een algemeene was er niet. Geen der bezette plaatsen was door haar 
ligging en achterland aangewezen om als steunpunt te dienen voor 
de vloot, als opslagplaats voor levensmiddelen en andere benoodigd- 
heden, en als zetel van een centraal bestuur. Uit een oogpunt van 
koloniale vestiging was het resultaat der eerste jaren mager. Buiten 
de versterkte posten op Amboina, de Banda-eilanden en eenige 
Molukken had de Compagnie alleen gezag, waar het door haar 
schepen kon worden gehandhaafd. 

Naast den tegenstand der Portugeezen en Spanjaarden had de 
Compagnie bij haar aanvallen op de Banda-eilanden ook dien 
der Engelschen moeten ondervinden. Zij kruisten in de Molukken 
om van de inlanders specerijen te koopen en hun wapenen te 



bezorgen tegen de Nederlanders. Het was een waarschuwing voor 
de Bewindhebbers, dat zij van de engelsche concurrentie moeihjkheden 
hadden te verwachten. 

Het bezweren van die moeihjkheden eischte eenheid en vastheid van 
bestuur. Den 30^*^° Januari 1610 vertrok daarom Pieter Both van 
Amersfoort als eerste Gouverneur-Generaal met een drieledige opdracht. 
Hij moest 1 °. de specerij-eilanden geheel voor de Compagnie veroveren, 
2®. een haven kiezen, die tot rendez-vous voor de vloot kon dienen, en 
3°. bij die haven een nederlandsche kolonie stichten, als middelpunt 
voor de nederlandsche maatschappij in het oosten, zooals Goa was 
voor de Portugeezen. Daartoe werden hem een aantal handwerks- 
lieden, gedeeltelijk met hun gezinnen, als kolonisten meegegeven. 

Geen dier opdrachten heeft Both uitgevoerd. De Molukken zijn 
door hem niet veroverd; een rendez-vous-plaats werd niet bepaald en 
tengevolge daarvan ook geen kolonie gesticht. Dat hij als hoofd te 
Bantam en boekhouder over alle kantoren Jan Pietersz. Coen aan- 
stelde, was wel zijn beste daad. Coen toch heeft de boekhouding 
van de Compagnie in Indië geregeld. 

Meer en meer bleken de Engelschen gevaarlijke concurrenten. Zij 
hadden een logie te Bantam, kregen er één te Jacatra, vestigden zich 
zelfs op eenige Banda-eilanden en op Amboina. De Staten-Generaal 
wcnschten om politieke redenen geen optreden tegen de Engelschen 
in Indië. Daarom verboden de Heeren Zeventien zulks in 1615 
openlijk. Onder de hand echter spoorden zij Gouverneur-Generaal 
Reael (benoemd in 1616) aan tot den strijd tegen de gevaarlijke 
mededingers. Maar deze durfde de verantwoordelijkheid niet op 
zich nemen. 

Met Jan Pietersz. Coen als Gouverneur-Generaal kwam er in Indië 
een andere geest. Hij was metterdaad de eerste Gouverneur-Generaal. 
Hij gouverneerde, gaf de richting aan, die de Compagnie moest volgen 
en leidde haar op den aangewezen weg. 

Korten tijd hoofd van het bestuur, tusschen den dood van Reynst 
en de komst van Reael, had hij reeds van de gelegenheid gebruik 
gemaakt om door daden te toonen, waar het heen moest (1615/16). 
Den engelschen president te Bantam werd aangezegd, dat Engelschen, 
aangetroffen op de specerij-eilanden, als vijanden zouden worden 
behandeld. De schepen van Le Maire, met consent der Staten-Generaal 
om de West naar Indië gevaren, werden wederrechtelijk in beslag 



genomen, en van twee fransche schepen uit St. Malo, die te Bantam 
handel wilden drijven, werd er één aangehouden, omdat het volgens 
Coen de nederlandsche vlag had beleedigd. Aan de Chineezen te 
Bantam, waar Coen slechts weinig soldaten had en buiten de factorij 
geen gebied bezat, werd door hem verboden peper te koopen, vóór 
de Compagnie zich had voorzien. 

Toen Reael een jaar na zijn komst in Indië aftrad, werd Coen in 
1617 het hoofd van het bestuur en kon hij trachten zijn verdere 
plannen ten uitvoer te brengen. 

Het lang gezochte „rendez-vous" stichtte hij in 1619 te }acatra in het 
kasteel, dat op last der Heeren Zeventien den naam Batavia ontving. 
Maar dat was voor Coen slechts een begin ; hij wilde verder. Verspreide 
kantoren met hier en daar kleine posten achtte hij niet voldoende. 
Voor de handhaving van het gezag tegen de inlanders mochten zij 
sterk genoeg zijn, tegen europeesche concurrenten waren zij te zwak. 
Er moest gebied veroverd en daar moesten volksplantingen gesticht 
worden, als steunpunten voor kantoren en centra van productie voor 
de europeesche markt. De handel in Indië kon dan aan de kolonisten 
worden overgelaten, die met Europa een monopolie blijven van de 
Compagnie. Een tweede Holland zou in het Oosten verrijzen, dat op 
den duur met weinig kosten alle concurrentie het hoofd zou kunnen 
bieden. Zoo wilde Coen — zoo wilden niet de Bewindhebbers. Het 
zou neerkomen op eenige jaren van krijg met vele uitgaven en uitstel 
van dividenden. En om die laatste was het den Bewindhebbers te 
doen. Zij zaten bij de kas, Coen bij de vijanden. 

Reeds voor hij de tegenwerking ten opzichte van zijn colonisatie- 
plannen ondervond, had Coen een andere teleurstelling getroffen. Een 
jaar na de stichting van Batavia kreeg hij bericht van het, ook uit 
politieke overwegingen gesloten verbond tusschen de engelsche en de 
nederlandsche Oostindische Compagnieën, 't Was in 't voordeel der 
„onverdragelijke natie", aan welke een derde der specerijen zou toe- 
komen. Evenwel met Coen als uitvoerder kon er van het verdrag 
in Indië niet veel terecht komen. De gemeenschappelijke „vloten van 
defensie" naar Voor-Indië, Macao en Manilla richtten weinig uit. 
Coen maakte intusschen van den nood een deugd. Terwijl de geheele 
scheepsmacht der Engelschen met de expedities der „vloten van 
defensie" werd bezig gehouden, veroverde hij zonder hun bijstand 
de geheele Banda-groep. De Engelschen konden er hun nederzet- 



8 

tingen niet meer onderhouden, de geschiedenis op Amboina in 1623 
verdreef hen voorgoed. Een poging om in straat Soenda een anti- 
Batavia te stichten werd door Carpentier, tijdens Coens afwezigheid 
in patria, verijdeld. 

Te Bantam behielden zij een factorij en onderhielden vandaar 
betrekkingen met de Westkust van Sumatra. Van Makassar uit om- 
zwierven zij nog de specerij-eilanden, in de hoop van de inlanders 
wat noten en kruidnagels machtig te worden. Van krachtig concurreeren 
met de Nederlanders om de heerschappij in den Archipel was geen 
sprake meer. Met kuiperijen bij inlandsche vorsten trachtten zij de 
Compagnie nog tegen te werken. 

De Portugeezen waren geheel uit de Molukken verdreven; zij 
hadden nog slechts een nederzetting op Timor. De Spanjaarden 
bezetten nog enkele posten op de Molukken. Heerscheres in den 
Archipel was de Compagnie. Coen had het haar gemaakt. Voor zijn 
opvolgers bleef nog over de heerschappij tegen inlandsche opstanden 
te verdedigen en te bevestigen en enkele Spaansche resten op te 
ruimen. Het „spel van Banda" door Coen begonnen, was tegen 1650 
voorgoed geëindigd: de opstanden waren onderdrukt en Banda, 
evenals het gebied van Jacatra, onderworpen aan der Compagnie 
souvereiniteit. Daarna werden de noordelijke Molukken onder haar 
heerschappij gebracht en daarmede was het monopolie van den 
specerijhandel in 1657 voorgoed bevestigd, en beveiligd tegen smok- 
kelarij. Voor geen Europeaan was er meer aan te denken specerijen 
machtig te worden ; de in 1 648 nog niet veroverde spaansche neder- 
zettingen werden vanzelf verlaten. 

Tot ongeveer 1640 had de Compagnie haar concurrenten en 
vijanden bijna alleen bestreden in den Archipel, vooral in en om de 
Molukken. Wat daar door Coen met kracht was aangevangen en 
door zijn opvolgers voortgezet, zou buiten den Archipel door Van 
Diemen worden ondernomen. Deze van matroos opgeklommen 
Gouverneur-Generaal trad overal, waar de belangen der Compagnie 
het eischten, met een hardnekkig offensief op. Tegen de oproerigc 
Molukken in het Oosten, tegen de Portugeezen in het Westen. Hij 
was als zijn groote voorganger overtuigd, dat de Heeren Zeventien, 
ver weg, de belangen der Compagnie in Indië niet zoo goed kenden 
als hij met zijn Raad. Waar zij meenden met contracten alleen, zonder 
geweld hun doel te kunnen bereiken, daar aarzelde hij niet hun 



instructies in de toepassing te wijzigen. De Heeren konden dan 
protesteeren tegen een fait accompli. De politiek van Batavia ging 
vaak die van Amsterdam vooruit. Ter eere der Zeventien zij gezegd, 
dat zij achterna meestal de genomen maatregelen goedkeurden. Van 
Diemen heeft eenige malen ontslag gevraagd, maar is op verzoek 
der Heeren aangebleven. 

In het westen was de Compagnie slechts in verbond met de 
Engelschen met de „vloot van defensie" tegen de Portugeezen opge- 
treden. Daar is de strijd door Van Diemen hervat. Niettegenstaande 
de offers, die de oorlog met Mataram (in 1627 begonnen) en de 
opstanden in de Molukken eischten, organiseerde hij sedert 1636 
jaarlijksche kruiser-expedities op de kust van Malabar en voor Goa. 
In 1641 werd, na een bijna éénjarig beleg, Malakka veroverd. Reeds 
voor dien tijd in 1638 was de Compagnie op verzoek van Raja 
Singha, keizer van Candy op Ceylon, op dat eiland als bondgenoot 
van den vorst tegen de Portugeezen opgetreden. Het bestand met 
Portugal in 1 640 in Europa gesloten en eerst in 1 644 bij het verdrag 
van Goa in Indië aanvaard, maakte vooreerst aan de vijandelijk- 
heden een einde. De Compagnie bezat toen op Ceylon Punte Gale 
en Negombo. 

Het handelsgebied der Compagnie had grooter omvang dan het 
tooneel harer krijgsbedrijven. Omstreeks 1650 strekte het eerste zich 
uit van Kaap de Goede Hoop en Mocha aan de Roode Zee in het 
westen tot Nieuw-Guinea in het oosten; van Java en Timor in het 
Zuiden tot Japan in het noorden. 

Verschillend was de positie, die de Compagnie in de onderscheiden 
streken innam. Dat hing af van het doel, waarmede zij betrekkingen 
had gezocht. Oorspronkelijk waren de vloten naar Indië gegaan om 
handelsbetrekkingen aan te knoopen tot het verkrijgen van goederen, 
die in Europa groote winsten beloofden. Spoedig werd opgemerkt, 
dat er tusschen Zuid- en Oost-Azië een levendige handel gedreven 
werd. Javaansche, chineesche, arabische, malabaarsche schepen door- 
kruisten die zeeën met specerijen van de Molukken, porcelein en 
zijde van China, kleedjes uit Voor-Indië, kaneel van Ceylon, tin uit 
Achter-Indië, koper van Japan, en een menigte van andere goederen. 
Aan dien handel deel te nemen eerst, daarna om de voornaamste 
handelswegen te beheerschen en in haar voordeel alleen te gebruiken, 
werd een tweede doel der Compagnie. De Generale Instructie 



10 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR