1
Digitized by the Internet Archive in 2010 with funding from University of Toronto
http://www.archive.org/details/rijcklofvangoensOOaalb
RIJCKLOF VAN GOENS, COMMISSARIS EN VELDOVERSTE DER OOST- INDISCHE COMPAGNIE, EN ZIJN ARBEIDSVELD. 1653/54 EN 1657/58. DOOR DR. J. AALBERS. LEERAAR AAN DE R. H. B. S. TE GRONINGEN. TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS' U. M.. 1916. bLp 2i 1967 .^J/ ^^cm Of ^0-^ VOORWOORD. Oorspronkelijk was mijn bedoeling, als tegenhanger van Dr. H. Terpstra's De Vestiging van de Nederlanders aan de kust van Covomandel (Groningen, 1911) de vestiging van de Nederlanders aan de kust van Malabar te beschrijven. Bij de terrein verkennende studiën bleek mij evenwel, dat de veroveringen van de Nederlanders op genoemde kust nauw samenhingen met hun ver meestering van Ceylon, en dat de definitieve vestiging een onderdeel vormde van een groote expeditie onder leiding van den lateren Gouverneur-Generaal Rijcklof van Goens, die in 1657 met een uitgebreide opdracht naar de westelijke kwartieren werd gezonden. Daarom besloot ik die expeditie tot voorwerp van mijn onderzoek te maken. Die verandering van onderwerp bracht haar moeilijkheden mede. Van Goens toch werd niet alleen als hoofd van een militaire en maritieme onderneming uitgezonden, maar ook aangesteld als commissaris tot de visite van bijna alle kantoren en gouvernementen in het westen. Het was voor een duidelijke uiteenzetting van het doel en de beteekenis der expeditie noodig eenige inleidende hoofdstukken aan de beschrijving van den tocht, waarvan in de volgende bladzijden slechts het eerste jaar behandeld is, te doen voorafgaan. De verhouding tusschen de inleidingen en het eigenlijke onderwerp is daardoor wel wat onevenredig. Dit is evenwel te wijten aan de weinige aandacht, die tot nu toe aan deze gedeelten onzer koloniale geschiedenis is geschonken. Daarom moesten ook de inleidende hoofdstukken grooten- deels op archief-studiën berusten. Voor de samenstelling van het werk is voornamelijk gebruik gemaakt van bescheiden, berustend op het Algemeen Rijksarchief. De meeste stukken zijn als copieën van origineele brieven, rapporten, instructies enz. telken jare door de Regeering te Batavia overgezonden aan de Heeren Zeventien, en worden nu op het Algemeen Rijksarchief bewaard in de stevige bundels der „Overgecomen brieven en papieren. " Een enkele maal werden ook andere bundels geraadpleegd, zooals dan uit de noten blijkt. In die noten zijn ook te vinden de gedrukte werken en artikelen, die tot beter verstaan der ongedrukte stukken of tot het verkrijgen van een vollediger voorstelling werden gebruikt. Bij het bewerken der stof mocht ik veler hulp en voorlichting genieten. In de eerste plaats denk ik aan Dr. J. de HuUu, rijksarchivaris aan het Algemeen Rijksarchief, die mij met groote welwillendheid in de studie der Oost-Indische Compagnie en in het archief inleidde, en aan wiens zorg het te danken is, dat zoovele stukken in Groningen konden worden geraadpleegd. Mijn vriend Dr. P. A. Meilink, hoofdcommies aan het Algemeen Rijks- archief, heeft meermalen een kort onderzoek voor mij ingesteld en daardoor mij een reis naar Den Haag bespaard of een zending van stukken naar Groningen overbodig gemaakt. Voor eenige kennis van de schepen der Compagnie mocht ik de voor- lichting genieten van den Heer C. G. 't Hooft, directeur aan het Museum Fodor te Amsterdam. Hij maakte mij o.a. opmerkzaam op de schilderij van Willem van der Velde de Jonge, waaraan de reproductie van de Phenix, het commandeursschip van Adriaan Roothaas (Hoofdstuk VII) is ontleend. Bij de bewerking van Hoofdstuk VII mocht ik van de zeilkennis profiteeren van mijn vriend Joost Hudig. Een enkele opmerking van Prof. Mr. J. E. Heeres te Leiden is mij van veel nut geweest. Voor de compositie en eindredactie van het geheel mocht ik menigen gewaardeerden raad ontvemgen van Prof. Dr. I. H. Gosses te Groningen. Wie, die van de Universiteitsbibliotheek te Groningen gebruik maakt, wordt niet getroffen door de groote bereidwilligheid, die de bezoeker daar ondervindt van alle ambtenaren, van den Directeur tot den jongsten bediende? Aan allen, die mij door hun hulp aan zich hebben verplicht, mijn hartelijken dank. Een woord van erkentelijkheid ook aan de Firma J. B. Wolters, die op onbekrompen wijze het boek van eenige kaarten en illustraties heeft willen voorzien. Groningen, April 1916. J. AALBERS. INHOUD. VOORWOORD. Bladzijde. HOOFDSTUK I. Inleiding 1-37 A. De Compagnie in Indië tot ongeveer 1650 1 — 33 Handel der Nederlanders in oostersche waren vóór de op- richting der Compagnie, 1. Aanleiding tot de eerste vaart naar Indië, 2. Oprichting der Compagnie, 3. Optreden tegen de Portugeezen, 4. Het tweeledig karakter der Compagnie oorzaak van conflicten, 4. Handelsgebied der Compagnie in 1609, 5. Concurrentie der Engelschen, 5. Uitzending van Pieter Both, 6. Mislukking van zijn optreden, 6. Optreden van Jan Pietersz. Coen, 6. Plannen van Coen, 7. Verbond met de engelsche Compagnie, 7. Verovering van de Banda- eilanden en optreden tegen de Engelschen en Portugeezen, 7 — 8. Voortzetting van de verovering der Molukken, 8. Be- strijding der Portugeezen buiten den Archipel begonnen door Van Dieraen, 8. Handelsgebied der Compagnie omstreeks 1650, 9. Beteekenis van den handel in Indië, 9. Verdeeling van het handelsgebied in drie zones, 10. Houding der Com- pagnie tegenover inlandsche vorsten en Europeanen, 12. Gouverneur-Generaal en Raden, 12 — 14. De Raad van Justitie, 15. Bestuur der buitenkantoren, 16. Het ambtenaars- personeel der Compagnie, 17. Het leger, 18. De zeemacht, 19. De religie, 20 — 23. De vrijburgers, 23. Particuliere handel Bladzijde- en bepalingen daartegen, 24 — 27. Commissarissen tot de generale visite en hun instructie van 1626, 26—29. De per- manente commissarissen niet aangesteld, 30. Het streven der Compagnie omstreeks 1650, 31. Hervatting van den oorlog tegen de Portugeezen in 1652 op de kust van Voor-Indië en Ceylon, 32. Zending van Rijcklof van Goens in 1657, 32. B. Rijcklof van Goens zijn carrière in dienst der Compagnie. 33—37 HOOFDSTUK II. De Nederlanders op Ceylon tot 1657. 38—67 Verhouding der Compagnie tot Raja Singha van 1638 — 1652, 38 — 44. De hervatte strijd met de Portugeezen, 1652^ — 1655, 44 vlg. Raja Singha's houding gedurende den krijg, 46. Geringe toevoer uit patria oorzaak van den weinigen voortgang op Ceylon, 47. Expeditie onder Gerard Huift naar Colombo, 48. Mislukte storm op Colombo 12 Nov. 1655, 49. Houding van Raja Singha tijdens het beleg van Colombo, 50 — 54. Voortzetting van het beleg, 54. Ver- overing van Colombo 12 Mei 1656, 55. Verwijdering tusschen Raja Singha en de Nederlanders, 56 — 60. Maatregelen genomen na de verovering van Colombo, 60 vlg. Het gebied der Compagnie op Ceylon in 1557, 62. De kaneel, 62. De olifantenjacht, 63. Andere voortbrengselen en inkomsten, 64. De gereformeerde kerk, 65. Noodzakelijkheid van de verdrijving der Portugeezen van de zuidkust van Voor-Indië, 66. Korte beschrijving van die „overcust", 66 vlg. HOOFDSTUK III. Over de kantoren Suratte en Wingurla tot de komst van Van Goens. De visitatie dier kantoren door Rijcklof van Goens in 1653/54. Toestand dier kantoren in 1657. Beteekenis van Diu in verband met Suratte 68—106 Beschrijving van Suratte, 68. Vestiging der Nederlanders aldaar, 69 — 71. De onderhoorige kantoren Brootsja, Brodera, Bladzijde. Amadabad en Agra, 71. Verhouding tot het hof van den Mogol, 71. Plundering van de logie der Compagnie te Suratte en herstel van grieven, 72—74. Gezantschap naar Delhi in 1653, 74—76. Kleine moeilijkheden met het hof, 76. De handel der Compagnie te Suratte, 77 — 80. Handel te Agra, Mocha, Bassora, Sindi, 80. Concurrentie van Engel- schen en Portugeezen, 81. Successen gedurende den eersten engelschen oorlog, 81. De nederzetting der Compagnie te Wingurla, 82. Moeilijk- heden tusschen den resident Bacharach en hertog Fettechan, 83. Verplaatsing van het kantoor naar Salse, 84. Particuliere handel van Bacherach, 84. Opdracht van Van Goens als commissaris in 1653, 85 — 87. Van Goens te Salse, 87. Van Goens te Suratte, 89 vlg. Petrus Andreas en Hayo Harderwijck te Visiapour, 91. Overwinning van Van Goens op vijf portugeesche galjoenen, 92-94. Suratte en onderhoorige kantoren van 1654 — 1657, 94 — 100. Ligging en beteekenis van Diu in verband met Suratte, 100. Versterking der stad, 101. Plannen tot verovering, 102—104. Wingurla onder Leendert Jansz., 104. Handel aldaar, 104. Nieuwe logie gebouwd, tegen de orders der Hooge Regee- ring, 105. HOOFDSTUK IV. Van „particulariteijten en andere vuylicheden." 107-119 Moeilijk te ontdekken, 107. Particulariteiten van Comelis van Qualbergen te Masulipatnam ; van Johannes de Kater te Suratte, 108; van Pieter van Moerbeeck te Amadabad, 108; van Pieter de Bie te Sindi, 109; van Dirck Sarcerius te Batavia, 109. Plakkaat van 30 Juli 1657. 109. „Vuylicheid" van Joris Schilder huijsen te Negombo, 110; van Jacobus de Vos van Teylingen te Gale, 110; van Elias Boudaen te Bassora, UI; van Leendert Jansz te Wingurla, 111; van Cornelis Mey en Joan Barra te Sindi, 111. Houding der Hooge Regeering tegenover den particulieren handel, 112. Bladzijde. Beschuldigingen tegen Van Goens en zijn verdediging, 113—117. Handelingen der dienaren verklaard uit particu- liere belangen, 117 vlg. HOOFDSTUK V. Van Batavia naar Goa 120-135 Opdracht aan Van Goens in 1657, 120. Vertrek van Batavia, 121 vlg. Blokkade van Goa in 1656 57 door Adriaan Roothaas, 123. Uitzending van Roothaas naar Goa in 1657, 124. „Pinibele" reis van Van Goens naar Goa, 126 — 129. Vergadering van den scheepsraad voor Goa, 19 Nov. 1657. 129—131. Vergadering van 29 Nov. 1657, 132 vlg. HOOFDSTUK VI. Verovering van Tutucorijn, Manaar, Jaffanapatnam en Negapatnam 135 — 170 Plannen voor den tocht van Goa naar Ceylon, 135. „Pinibele" reis van Van Goens naar Colombo, 136 vlg. Ver- gadering te Colombo, 7 Jan. 1658, 138. Verhouding tot Raja Singha, 139. Bevelen aan Van der Meyden, 141. Mislukte aanslag van Van der Laan op Tutucorijn, 142. Hulp gezonden aan Van der Laan, 143. Verovering van Tutucorijn, 144. Gezantschappen aan inlandsche vorsten, 145 — 148. Tocht naar en verovering van Manaar, 149 — 156. Vergadering te Manaar, 24 Febr. 1658, 156. Tocht naar en verovering van Jaffanapatnam en Kaijs, 157^ — 166. Be- handeling der gevangenen, 166 — 168. Verovering van Negapatnam, 168 — 170. HOOFDSTUK VIL Adriaan Roothaas voor Goa. . . . 171-191 Sterkte van de Nederlanders en van de Portugeezen, 171. De door Van Goens en den scheepsraad voor Roothaas vast- gestelde „ordre", 173 — 175. Scheepsstrijd van 20/21 Jan. 1658, 176 — 179. Misleiding der Nederlanders door de Portugeezen, 27 Jan., 179. Scheepsstrijd van 29 Jan., 180—183. Scheeps- strijd van 3 Febr., 183 — 186. Scheepsstrijd van 28 Maart, 186 — 188. Opheffing der blokkade, 189. Gebrekkige uitvoering der blokkade, 190. Beoordeeling van Roothaas' beleid, 191. Bladzijde. HOOFDSTUK VIII. De visitatie van Suratte en Wingurla door den fiscaal Lucas van der Dussen 192—207 Instructie voor Van der Dussen, 192. Beroeringen te Suratte, 193. Opening van uit Batavia naar Suratte gezonden particuliere brieven en ontdekte particuliere goederen 193 vlg. Besnoeiing van het personeel, 195. Vergeef sche pogingen om de order van 20 Juli 1657 uit te voeren, 195. Particuliere goederen, ontdekt bij het lossen van de fluit Venenburgh, 196. Verkoop van de goederen der Compagnie bij gesloten briefjes, 197. Onregelmatigheden in de boekhouding te Suratte, 197. „Vuijlicheden" van Pieter de Bie, 198. Vol- ledige uitbetaling der traktementen tegen de orders der Hooge Regeering, 199. Ontduiking van het tolcontract, 200. Adviezen van Van der Dussen voor een zuiniger beheer en tot wering van den particulieren handel, 201 — 203. Berisping van Van Goens aan Leendert Jansz te Wingurla, 204. Inspectie van Van der Dussen te Wingurla, 204. Verdediging van Leendert Jansz over het bouwen der logie te Wingurla, 205 vlg. BIJLAGEN. I. Uit de Generale missive van 26 Januari 1656. ... 211 II. Brief van Van Goens aan Raja Singha, Colombo 8 Januari 1658 215 III. Brief van Van Goens aan den Neik van Madure, Tutucorijn, 31 Januari 1658 227 IV. Verdrag van overgave van het kasteel van JafFana- patnam 219 1 = £- o. C^ =zl ö S-5 f^ — ^ QJ i = 3 ^2 — f» Orn T < 3 3 fi s:a ?r o n.-" 1-11 < Xn 3 nt o 3 — (\! P • OJ in O 3 ^M >■ 3 m ;" < Q. HOOFDSTUK I. INLEIDING. 1) A. DE COMPAGNIE IN INDIË TOT ONGEVEER 1650. De ontdekking van Vasco da Gama was den Zuid- en Noord- Nederlanders niet minder ten profijte geworden dan den Portugeezen. De laatsten toch hadden ter verspreiding hunner te Lissabon opge- stapelde indische waren geen handelsrelaties in Europa, de eersten ^) Algemeene werken over de geschiedenis der Oost-Indische Compagnie: ]hr. Mr. ]. K. ]. de Jonge, De opkomst van het nederlandsch gezag in Oost-Indië. 13 dln. 's Gravenhage, 1862^1888. (Dln. 11 — 13 door M. L. van Deventer.) P. A. Tiele, Opkomst enz. Bouwstoffen voor de geschiedenis der Nederlanders in den Maleischen Archipel. 5 dln. 's Gravenhage, 1886—1890. (Dln. 2 en 3 door Mr. E. ]. Heeres.) Mr. O. van Rees, Geschiedenis der Staatshuishoudkunde in Nederland. Tweede Deel, Geschiedenis der koloniale politiek. Utrecht, 1868. }. J. Meinesma, Geschiedenis van de Nederlandsche Oost-Indische bezittingen. 2 dln. Delft, 1872. C. G. Klerk de Reus, Geschichtlicher Ueberblick der administrativen, rechtlichen und finanziellen Entwickelung der Niederlandisch Oostindischen Compagnie. (Ver- handelingen van het Bataviasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, deel XL VII, Batavia, Solo en 's Hage, 1894). A. Zimmerman, Die Europaischen Kolonieën. 5 Bande. Berlin, 1896—1903. Band V, Die Kolonialpolitik der Niederlander. Mr. S. van Brakel, De Hollandsche handelscompagnieën der zeventiende eeuw. 's Gravenhage 1908. C. de Lannoy et H. van der Linden, Histoire de l'expansion coloniale des peuples européens. Vol. II, Neerlande et Danemark par C. de Lannoy. (Met uitgebreide litteratuur-opgave). Bruxelles, Paris, 1911. Encyclopaedie van Nederlansch Indië door P. A. van der Lith, e. a. 's Gravenhage. Artikelen: Compagnie (Oost-Indische) en Indië (Administratie der Compagnie). AALBERS, O.-I. Compagnie. 1 wel. De Zuid-Nederlanders waren de tusschenpersonen in de stapel- plaatsen Brugge en later Antwerpen; de Noord-Nederlanders waren de vrachtvaarders. Wat in Lissabon was aangebracht werd door Vlamingen, Zeeuwen en Hollanders verder in Europa verhandeld. In het begin hadden zij nog de concurrentie te duchten van Hanzeaten en Zuid-Europeanen. De Hanse evenwel, niet door machtige vorsten beschermd, ging achteruit; de nieuw ontdekte zeeweg naar Indië deed het italiaansche handelsverkeer vanzelf verminderen, en de landen van het Iberisch schiereiland gebruikten al hun scheepsruimte voor de vaart op de nieuwe koloniën, zoodat in Spanje zelfs schepen werden ingevoerd. Zoo was de handel in indische waren in Europa door de Nederlanders reeds gemonopoliseerd, vóór er sprake was van een Oost-Indische Compagnie. In tegensteUing met de Vlamingen en Brabanders, die de vreemde- lingen met hun goederen tot zich zagen komen, zochten de Hollanders en Zeeuwen vreemde markten op. Zooals zij ten spijt van strenge, soms wreede maatregelen van de Hanze, de verste havens van inkoop in de Oostzee hadden opgezocht, zouden zij met voorbijgaan van Lissabon te eeniger tijd direct naar Indië varen. Aan de vaart naar Indië evenwel waren meer gevaren en risico verbonden dan aan die in de Oostzee. Er was een stimulans van buiten noodig om het ver- langen naar de goedkoopste markt, in den handel zelf gelegen, tot daden om te zetten. Die stimulans kwam in den vorm van verbods- bepalingen tegen nederlandsche schepen in Spanje en Portugal, van protesten tegen onzen handel met den vijand, en kaperijen van engel- sche zijde, en van bezwaren dien handel door de Staten-Generaal onder pressie van den engelschen bondgenoot in den weg gelegd. ^) De inbeslagnemingen door den koning van Spanje, de kaperijen der Engelschen en de verbodsbepalingen der Staten-Generaal tegen de vaart en den uitvoer naar Spanje hebben den noord-nederlandschen handel tot nieuwe vlucht aangezet, en daardoor de Hollanders en ') Vgl. Dr. P. ]. Blok in Nijhoff's Bijdragen, V 1, p. 102 vlgg., De handel op Spanje en het begin der groote vaart. Blok bestrijdt Dr. G. F. Preusz in Mitteilungen der schlcsischen Gescllschaft für Volkskunde. Band XIII— XIV, Jahrgang 1911 — 12, S. 279. De conclusie van Preusz, dat de eerste tochten naar Indië „das not- wendige Ergebnis eines alle Fesseln sprengenden Ausweitungsdranges", waren, „der weiteren zwingenden Anreiz aus den Zeitumstanden empfing" is door Blok niet weerlegd. Zeeuwen tot het eerste handelsvolk van Europa en de grondleggers van een koloniaal rijk gemaakt. Hinderpalen van concurrenten en vijanden waren aanleiding tot de tochten naar Indië; de ondernemingsgeest der kooplieden, de energie en volharding der zeelieden deden de eerste tochten gelukken; het beleid van Oldenbarnevelt heeft het aangevangen werk bestendigd. De wel volbrachte reis van Houtman prikkelde de zucht naar nieuwe winsten. Compagnieën werden opgericht, schepen uitgerust en afgezonden. In 1601 waren er reeds tien handelsondernemingen op Indië in het leven geroepen, welk getal weer door aaneensluiting was gereduceerd tot vier: twee groote en twee kleine. De groote waren die van Amsterdam, vermoedelijk verbonden met die van het Noorder- kwartier (Hoorn en Enkhuizen), naast die van Zeeland; de kleine die van Rotterdam en Delft. Reeds in 1598 hadden de Staten-Generaal een bijeenkomst belegd om de Compagnieën te doen samensmelten. Zij had geen resultaat opgeleverd. Maar de concurrentie tusschen de verschillende onder- nemingen werd scherper. Werd niet Steven van der Hagen, die in 1599 voor de Oude Compagnie ^) uitzeilde in zijn instructie aange- maand „altijd in gedachtenisse [te hebben] dat de Zeeuwen ons werck viant zijn, dat zij derhalve niet lichtelijk getrout en worden"? De prijzen in Indië stegen — in Holland deed de concurrentie der kooplieden de prijzen dalen. De Oude Compagnie te Amsterdam zag het gevaar, waarmede de veelheid der Compagnieën den handel bedreigde en trachtte van de Staten van Holland voor zich alleen octrooi te verwerven. Maar zóó Amsterdamsch konden de Staten niet te werk gaan. Zij kwamen op voor geheel Holland en begrepen, dat slechts met behulp van de Staten-Generaal de Zeeuwen tot aansluiting zouden zijn te bewegen. Op initiatief van Holland belegden de Staten-Generaal een conferentie der bewindhebbers van de verschillende Compagnieën. De eerste bijeenkomst mislukte. Op een tweede wist de Advocaat als ver- tegenwoordiger der Generaliteit, door overtuigende woorden en zijn bemiddelend voorstel aangaande het hoogste Bestuur der nieuwe Compagnie, de partijen bijeen te brengen. Persoonlijk bewerkte hij ^) De Compagnie van Verre vereenigd met de Nieuwe Compagnie. met Maurits de Staten van Zeeland, en zoo werd den 20^'^° Maart 1602 aan de Vereenigde Oostindische Compagnieën door de Staten- Generaal octrooi verleend. De vloten der vóór-compagnieën hadden Indië doorkruist, hun geluk hier en daar beproevend om ten slotte meestal in Bantam of in de Molukken hun voornaamste inkoopen te doen. Niet anders deden de eerste twee vloten der Compagnie, nog uitgerust onder het oude régime. In de instructies voor de admiraals der volgende vloten komt echter een nieuw element: de strijd tegen de Portugeezen en Spanjaarden. Slechts noodgedrongen gingen de Bewindhebbers tot dien strijd over. Zoolang de Portugeezen alleen langs slinksche wegen, door verdachtmaking bij inlandsche vorsten, de Hollanders hadden bestreden, was er geen noodzaak geweest tot aggressief optreden. In December 1601 hadden evenwel de Portugeezen met wapengeweld op de reede van Bantam de Hollanders aangevallen. Wolf er t Harmensz. was juist bijtijds verschenen om hun den eersten gevoeligen slag toe te brengen. Zijn rapport mag wel van invloed geweest zijn op de offensieve instructie in 1603 aan Steven van der Hagen meegegeven. Vermoedelijk staat zij ook onder den drang van de Staten-Generaal, die in de Compagnie een bondgenoot wilden hebben tegen Spanje, niet alleen indirect, zooals de kooplieden door „diversie der [spaansche] commercie", maar direct als militaire en maritieme macht. Een macht, die den vijand zou dwingen troepen en schepen uit Europa naar Azië te zenden en daardoor aan de operaties in de Nederlanden te onttrekken. Daarom ook steunden zij de uitgeruste vloten met geschut, ammunitie en soms met eenige schepen. „Indien men een soldaat ende een coopman in één persoon wil hebben; 't is al verloren arbeit." Die klacht van MateUef ^) mag nog in menig dienaar van de Compagnie zijn opgeweld. Zij duidt op een conflict in het streven der „Edele Maatschappije" gedurende haar geheele bestaan. Hoe meer zij naast koopman, souverein, en daarmede militair wordt, hoe talrijker de meeningsverschillen worden tusschen Gouverneur-Generaal en Raden in Indië en de Heeren Zeventien in het vaderland, en op kleinere schaal de botsingen tusschen de Hooge Regeering te Batavia en de bevelhebbers van expedities. 1) De Jonge III. p. 233. Wie het dichtst bij den vijand stond, was het meest soldaat, wie bij de kas zat, meest koopman. In de beste gouverneurs waren beide op gelukkige wijze vereenigd. De spaansch-portugeesche macht was in Indië, althans in den Archipel, niet sterk. Op zee konden de Nederlanders hun de baas blijven; tegen hun vestingen waren de uitrustingen meestal te zwak, en de belangen van den handel gedoogden geen lange blokkades. In het jaar 1609, toen de eerste Gouverneur-Generaal werd be- noemd, was de Compagnie nog geenszins meester van de specerij- eilanden, op welker verovering zij haar krachten meer en meer had geconcentreerd. Op Amboina, de Bandagroep en de noordelijke Molukken had zij wel eenige forten en nederzettingen, maar de Span- jaarden en Portugeezen waren nog niet van die eilanden verdreven. Naast de nederzettingen op de Molukken bezat de Compagnie ver- scheidene factorijen. Op Java eene te Bantam en te Grissee; één in Japan te Hirado en één in 't gebied van Djohor in Achter-Indië, vanwaar zij betrekkingen onderhield met Siam, Cambodja, Borneo en China. Om zich de in de Molukken tot ruil voor de specerijen begeerde kleedjes te verschaffen, was de Compagnie sinds eenige jaren bezig zich een vaste vestiging te verwerven op de kust van Coromandel. In 1610 werd er een factorij gesticht te Paleacatte. De bezoeken gebracht aan Ceylon, Queda, (westkust van Achter- Indië), Makassar en Atjeh hadden nog tot geen vestigingen geleid. Wel besloeg de werkzaamheid van de Compagnie, en nog meer haar belangstelling, een uitgebreid gebied, maar er was weinig eenheid en leiding in het bestuur. ledere admiraal ging uit met een eigen instructie, een algemeene was er niet. Geen der bezette plaatsen was door haar ligging en achterland aangewezen om als steunpunt te dienen voor de vloot, als opslagplaats voor levensmiddelen en andere benoodigd- heden, en als zetel van een centraal bestuur. Uit een oogpunt van koloniale vestiging was het resultaat der eerste jaren mager. Buiten de versterkte posten op Amboina, de Banda-eilanden en eenige Molukken had de Compagnie alleen gezag, waar het door haar schepen kon worden gehandhaafd. Naast den tegenstand der Portugeezen en Spanjaarden had de Compagnie bij haar aanvallen op de Banda-eilanden ook dien der Engelschen moeten ondervinden. Zij kruisten in de Molukken om van de inlanders specerijen te koopen en hun wapenen te bezorgen tegen de Nederlanders. Het was een waarschuwing voor de Bewindhebbers, dat zij van de engelsche concurrentie moeihjkheden hadden te verwachten. Het bezweren van die moeihjkheden eischte eenheid en vastheid van bestuur. Den 30^*^° Januari 1610 vertrok daarom Pieter Both van Amersfoort als eerste Gouverneur-Generaal met een drieledige opdracht. Hij moest 1 °. de specerij-eilanden geheel voor de Compagnie veroveren, 2®. een haven kiezen, die tot rendez-vous voor de vloot kon dienen, en 3°. bij die haven een nederlandsche kolonie stichten, als middelpunt voor de nederlandsche maatschappij in het oosten, zooals Goa was voor de Portugeezen. Daartoe werden hem een aantal handwerks- lieden, gedeeltelijk met hun gezinnen, als kolonisten meegegeven. Geen dier opdrachten heeft Both uitgevoerd. De Molukken zijn door hem niet veroverd; een rendez-vous-plaats werd niet bepaald en tengevolge daarvan ook geen kolonie gesticht. Dat hij als hoofd te Bantam en boekhouder over alle kantoren Jan Pietersz. Coen aan- stelde, was wel zijn beste daad. Coen toch heeft de boekhouding van de Compagnie in Indië geregeld. Meer en meer bleken de Engelschen gevaarlijke concurrenten. Zij hadden een logie te Bantam, kregen er één te Jacatra, vestigden zich zelfs op eenige Banda-eilanden en op Amboina. De Staten-Generaal wcnschten om politieke redenen geen optreden tegen de Engelschen in Indië. Daarom verboden de Heeren Zeventien zulks in 1615 openlijk. Onder de hand echter spoorden zij Gouverneur-Generaal Reael (benoemd in 1616) aan tot den strijd tegen de gevaarlijke mededingers. Maar deze durfde de verantwoordelijkheid niet op zich nemen. Met Jan Pietersz. Coen als Gouverneur-Generaal kwam er in Indië een andere geest. Hij was metterdaad de eerste Gouverneur-Generaal. Hij gouverneerde, gaf de richting aan, die de Compagnie moest volgen en leidde haar op den aangewezen weg. Korten tijd hoofd van het bestuur, tusschen den dood van Reynst en de komst van Reael, had hij reeds van de gelegenheid gebruik gemaakt om door daden te toonen, waar het heen moest (1615/16). Den engelschen president te Bantam werd aangezegd, dat Engelschen, aangetroffen op de specerij-eilanden, als vijanden zouden worden behandeld. De schepen van Le Maire, met consent der Staten-Generaal om de West naar Indië gevaren, werden wederrechtelijk in beslag genomen, en van twee fransche schepen uit St. Malo, die te Bantam handel wilden drijven, werd er één aangehouden, omdat het volgens Coen de nederlandsche vlag had beleedigd. Aan de Chineezen te Bantam, waar Coen slechts weinig soldaten had en buiten de factorij geen gebied bezat, werd door hem verboden peper te koopen, vóór de Compagnie zich had voorzien. Toen Reael een jaar na zijn komst in Indië aftrad, werd Coen in 1617 het hoofd van het bestuur en kon hij trachten zijn verdere plannen ten uitvoer te brengen. Het lang gezochte „rendez-vous" stichtte hij in 1619 te }acatra in het kasteel, dat op last der Heeren Zeventien den naam Batavia ontving. Maar dat was voor Coen slechts een begin ; hij wilde verder. Verspreide kantoren met hier en daar kleine posten achtte hij niet voldoende. Voor de handhaving van het gezag tegen de inlanders mochten zij sterk genoeg zijn, tegen europeesche concurrenten waren zij te zwak. Er moest gebied veroverd en daar moesten volksplantingen gesticht worden, als steunpunten voor kantoren en centra van productie voor de europeesche markt. De handel in Indië kon dan aan de kolonisten worden overgelaten, die met Europa een monopolie blijven van de Compagnie. Een tweede Holland zou in het Oosten verrijzen, dat op den duur met weinig kosten alle concurrentie het hoofd zou kunnen bieden. Zoo wilde Coen — zoo wilden niet de Bewindhebbers. Het zou neerkomen op eenige jaren van krijg met vele uitgaven en uitstel van dividenden. En om die laatste was het den Bewindhebbers te doen. Zij zaten bij de kas, Coen bij de vijanden. Reeds voor hij de tegenwerking ten opzichte van zijn colonisatie- plannen ondervond, had Coen een andere teleurstelling getroffen. Een jaar na de stichting van Batavia kreeg hij bericht van het, ook uit politieke overwegingen gesloten verbond tusschen de engelsche en de nederlandsche Oostindische Compagnieën, 't Was in 't voordeel der „onverdragelijke natie", aan welke een derde der specerijen zou toe- komen. Evenwel met Coen als uitvoerder kon er van het verdrag in Indië niet veel terecht komen. De gemeenschappelijke „vloten van defensie" naar Voor-Indië, Macao en Manilla richtten weinig uit. Coen maakte intusschen van den nood een deugd. Terwijl de geheele scheepsmacht der Engelschen met de expedities der „vloten van defensie" werd bezig gehouden, veroverde hij zonder hun bijstand de geheele Banda-groep. De Engelschen konden er hun nederzet- 8 tingen niet meer onderhouden, de geschiedenis op Amboina in 1623 verdreef hen voorgoed. Een poging om in straat Soenda een anti- Batavia te stichten werd door Carpentier, tijdens Coens afwezigheid in patria, verijdeld. Te Bantam behielden zij een factorij en onderhielden vandaar betrekkingen met de Westkust van Sumatra. Van Makassar uit om- zwierven zij nog de specerij-eilanden, in de hoop van de inlanders wat noten en kruidnagels machtig te worden. Van krachtig concurreeren met de Nederlanders om de heerschappij in den Archipel was geen sprake meer. Met kuiperijen bij inlandsche vorsten trachtten zij de Compagnie nog tegen te werken. De Portugeezen waren geheel uit de Molukken verdreven; zij hadden nog slechts een nederzetting op Timor. De Spanjaarden bezetten nog enkele posten op de Molukken. Heerscheres in den Archipel was de Compagnie. Coen had het haar gemaakt. Voor zijn opvolgers bleef nog over de heerschappij tegen inlandsche opstanden te verdedigen en te bevestigen en enkele Spaansche resten op te ruimen. Het „spel van Banda" door Coen begonnen, was tegen 1650 voorgoed geëindigd: de opstanden waren onderdrukt en Banda, evenals het gebied van Jacatra, onderworpen aan der Compagnie souvereiniteit. Daarna werden de noordelijke Molukken onder haar heerschappij gebracht en daarmede was het monopolie van den specerijhandel in 1657 voorgoed bevestigd, en beveiligd tegen smok- kelarij. Voor geen Europeaan was er meer aan te denken specerijen machtig te worden ; de in 1 648 nog niet veroverde spaansche neder- zettingen werden vanzelf verlaten. Tot ongeveer 1640 had de Compagnie haar concurrenten en vijanden bijna alleen bestreden in den Archipel, vooral in en om de Molukken. Wat daar door Coen met kracht was aangevangen en door zijn opvolgers voortgezet, zou buiten den Archipel door Van Diemen worden ondernomen. Deze van matroos opgeklommen Gouverneur-Generaal trad overal, waar de belangen der Compagnie het eischten, met een hardnekkig offensief op. Tegen de oproerigc Molukken in het Oosten, tegen de Portugeezen in het Westen. Hij was als zijn groote voorganger overtuigd, dat de Heeren Zeventien, ver weg, de belangen der Compagnie in Indië niet zoo goed kenden als hij met zijn Raad. Waar zij meenden met contracten alleen, zonder geweld hun doel te kunnen bereiken, daar aarzelde hij niet hun instructies in de toepassing te wijzigen. De Heeren konden dan protesteeren tegen een fait accompli. De politiek van Batavia ging vaak die van Amsterdam vooruit. Ter eere der Zeventien zij gezegd, dat zij achterna meestal de genomen maatregelen goedkeurden. Van Diemen heeft eenige malen ontslag gevraagd, maar is op verzoek der Heeren aangebleven. In het westen was de Compagnie slechts in verbond met de Engelschen met de „vloot van defensie" tegen de Portugeezen opge- treden. Daar is de strijd door Van Diemen hervat. Niettegenstaande de offers, die de oorlog met Mataram (in 1627 begonnen) en de opstanden in de Molukken eischten, organiseerde hij sedert 1636 jaarlijksche kruiser-expedities op de kust van Malabar en voor Goa. In 1641 werd, na een bijna éénjarig beleg, Malakka veroverd. Reeds voor dien tijd in 1638 was de Compagnie op verzoek van Raja Singha, keizer van Candy op Ceylon, op dat eiland als bondgenoot van den vorst tegen de Portugeezen opgetreden. Het bestand met Portugal in 1 640 in Europa gesloten en eerst in 1 644 bij het verdrag van Goa in Indië aanvaard, maakte vooreerst aan de vijandelijk- heden een einde. De Compagnie bezat toen op Ceylon Punte Gale en Negombo. Het handelsgebied der Compagnie had grooter omvang dan het tooneel harer krijgsbedrijven. Omstreeks 1650 strekte het eerste zich uit van Kaap de Goede Hoop en Mocha aan de Roode Zee in het westen tot Nieuw-Guinea in het oosten; van Java en Timor in het Zuiden tot Japan in het noorden. Verschillend was de positie, die de Compagnie in de onderscheiden streken innam. Dat hing af van het doel, waarmede zij betrekkingen had gezocht. Oorspronkelijk waren de vloten naar Indië gegaan om handelsbetrekkingen aan te knoopen tot het verkrijgen van goederen, die in Europa groote winsten beloofden. Spoedig werd opgemerkt, dat er tusschen Zuid- en Oost-Azië een levendige handel gedreven werd. Javaansche, chineesche, arabische, malabaarsche schepen door- kruisten die zeeën met specerijen van de Molukken, porcelein en zijde van China, kleedjes uit Voor-Indië, kaneel van Ceylon, tin uit Achter-Indië, koper van Japan, en een menigte van andere goederen. Aan dien handel deel te nemen eerst, daarna om de voornaamste handelswegen te beheerschen en in haar voordeel alleen te gebruiken, werd een tweede doel der Compagnie. De Generale Instructie 10
Tiada ulasan:
Catat Ulasan