60 door aan de oostkust bij Cotjar en Batticalao „de handelaers op die havens vaerende aen te snoeren", zooals ook vroeger de Portugeezen dat tegen hem gedaan hadden. Er gingen geruchten van een alHantie tusschen den maharadja en de Portugeezen. Gouverneur-Generaal en Raden geloofden er evenwel niet veel van. De Portugeezen wisten ook wel, dat op een alliantie met Raja Singha niet veel staat te maken was. ^) Van den driemaal, 't laatst en 't hevigst bij Colombo, teleurgestelden vorst, was bij de komst van Van Goens op Ceylon geen steun te wachten voor de expeditie. Zijn vijandschap, behoefden zij, nu Colombo gevallen was, niet te vreezen — al zou die de krijgsbe- drijven eenigszins kunnen belemmeren, door bemoeilijking van appro- viandeering. Het veroverde Colombo was met meer dan 1000 man bezet ge- worden. Die groote macht lag daar niet zoozeer met 't oog op den koning, die reeds op den dag der overgave zijn wantrouwen getoond had, alswel wegens de inwoners die nog „van herten de Portugesen genegen ende toegedaen" bleven.^) Gouverneur-Generaal en Raden konden dit groote garnizoen maar half goed keuren. Het was grooter dan de bezetting, die de Portu- geezen gewoonlijk in de stad onderhielden. Maar dezen konden, als zij met hun leger tegen den koning te velde lagen, de bewaking van de stad aan de burgers overlaten, wat de Compagnie in de eerste jaren niet zou kunnen doen. Aan Gerard Huift was dan ook in zijn instructie opgedragen de vestingwerken der stad direct te slechten. ^) Ten opzichte van Raja Singha zou dat zeker het beste zijn geweest, want dan had hij de goede bedoeling van de Compagnie *) kunnen zien, en zou hij misschien zijn best gedaan hebben om alle middelen in het werk te stellen, de Compagnie de opbrengsten van het land te doen genieten, waardoor hij zijn rekening zou kunnen vereffenen. 1) Gen. Miss. 17 Dec 1657. 2) Gen. Miss. 31 Juli 1656. ^) Hiermede is niet geheel in overeenstemming Gen. Miss. 19 Jan. 1654: „De stad zal nooit geheel ontruimd mogen worden, om de kancellanden, die er bij behooren, en er zal altijd een vast bolwerk moeten gehouden worden om die landen te be- schermen, en dan kan Negombo zooveel minder bezetting hebben als Colombo zal eischen." *) Zie boven p. 53 noot 4. 61 Nu moest hij wel den indruk krijgen, dat de Hollanders evenzoo met hem handelden als de Portugeezen. Tegen een zoodanige behandeling hadden de Heeren te Batavia ook niets ^) maar wel tegen 't vestigen van den indruk. Want zij vreesden, dat het de Compagnie in haar tegenwoordigen staat niet gelegen zou komen het werk op Ceylon geheel naar behooren voort te zetten. Zij lieten intusschen de beslissing aangaande Colombo over aan den Gouverneur en zijn Raad aldaar. ^) Hoe die zou uitvallen, was te voorzien. Daar men met den koning in openlijke vijandschap was, zonder veel last van hem te hebben, had het geen zin om zijnentwille Colombo te verlaten, temeer, daar de stad en omliggende landen aan kaneel, landsinkomsten en kleeden- handel eenige voordeelen beloofden. ^) Bovendien, als Colombo bezet bleef, kon Negombo verkleind wor- den. Hetgeen geschiedde. De aarden wallen werden geslecht en alleen de steenen binnenwerken met één versterkt bastion bleven behouden. Zoo kon de stad, slechts vijf mijlen van Colombo gelegen, met een garnizoen van 70 a 80 man tegen een singaleeschen vijand ver- dedigd worden. Ook de vestingwerken van Colombo zouden later verkleind moeten worden, wat wel een heel werk zou wezen, maar op den duur toch voordeeliger moest uitkomen. ^) Vooreerst echter geschiedde het tegendeel: de aan wallen en bolwerken geleden schade werd gerepa- reerd, om tegen een aanval beveiligd te zijn. *) Van der Meyden had ook nog acht uren ten noorden van Negombo, te Chilau, een kleine versterking willen aanleggen, om van daaruit de kaneellanden te beveiligen en de vaart der Portugeezen binnen den inham van Calpentijn te verhinderen. Ofschoon de Hooge Regeering er de noodzakelijkheid van inzag, wilden zij er nog niet aan, om, waar een verbond der twee vijanden op Ceylon nog altijd niet uitgesloten was, de militaire macht niet te zeer te verdeelen. ^) ^) Vgl. Gen. Miss. 31 Jan. 1653: Als Colombo maar eerst bemachtigd is, dan zal de Compagnie met een gewoon garnizoen Raja Singha wel naar zijn pijpen doen dansen, zooals de Portugeezen voor onze komst wel wisten te doen. 2) Gen. Miss. 4 Dec. 1656. 3) Gen. Miss. 31 Jan. 1657. *) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 5) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 62 In het najaar van 1657, bij het naderen der expeditie van Rycklof van Goens, bezaten dus de Nederlanders op Ceylon rechtens, volgens verdrag, de landen, die zich uitstrekten van de rivier Ahcan langs de zeekust tot aan de rivier Waluwe, een gebied van ongeveer 30 mijlen lang en landinwaarts 12 — 16 mijlen breed. De verschillende districten (corles) werden bestuurd door dessaves, aangesteld door de Compagnie, welke personen, nevens de „Landregeering en Admini- stratie der Justitie de dagelijkse kleyne zaaken ook onder zig hebben." ^) Het europeesche en het, onder zijn eigen aratsjies staande, inlandsche krijgsvolk was verdeeld over verschillende sterkten langs de kust en, ter bescherming tegen de invallen van den koning, aan den rand van het gebergte. De Singaleesche soldaten waren niet altijd te vertrouwen, evenmin als hun hoofden. Alleen die van Gale Corle zouden niet licht afvallen, omdat zij reeds zoo langen tijd onder 't gezag van de Compagnie stonden en wel begrepen, dat de koning de vesting Gale, die hun „te na op den hals lag," nooit terug zou krijgen. Op de hoofden in Mature was minder staat te maken, omdat zij niet zoo goed tegen invallen van den koning te beschermen waren en nog met het hof in verbinding stonden. Tot hun beveihging was te Mature een fortresse gebouwd en alle grooten onder den dessave van Mature staande, moesten binnen de fortresse of ten minste binnen de gravetten (?) wonen „om geruster op hen te kunnen gaan." De hoofden onder den dessave ^), hadden allen tot hun onderhoud eenig land van de compagnie in bezit. Deze hoofden moesten met geschenken gepaaid en met achting behandeld worden en niet als „zwarte honden", zooals de Hollanders dikwijls deden. De steden en landen van Colombo en Negombo bezaten de Neder- landers niet volgens contract, maar hielden zij bezet, om daaruit de onkosten vergoed te krijgen, die zij in dienst van den koning had- den voorgeschoten. Behalve afbreuk aan de macht der Portugeezen, was het doel van het bedrijf der Compagnie op Ceylon de kaneel in handen te krijgen. De goede en fijne kaneel werd alleen gevonden in de landen van Negombo, Colombo en Gale, in de streek beginnende ten noorden 1) Voor dit en het volgende: Uyttrekzel uyt de Instructie voor Jacob van Kittensteyn 27 Febr. 1650. Valentijn, Ceylon, p. 128—135. 2) De adigaar, de modeljars, de motiars of schrijvers, die de bevolkingsregisters bijhielden, de apohamies en de aratsjies voor 't krijgsvolk. 63 van Negombo bij Madampc en eindigende een weinig ten oosten van de rivier Waluwe. De beste en fijnste groeide in de Zeven Corles, het district om Negombo. Voor het oogsten van deze kaneel waren aangewezen de verachte Chalea's, die meest alle verblijf hielden in zeven dorpen in Gale Corle. In Walewitte Corle bestonden nog de Pannea's of grassnijders, met wie zelfs de Chalea's bijna geen gemeenschap wilden houden. Aan dezen was evenals aan de Chalea's opgedragen jaarlijks een ton kaneel op te brengen. Beide groepen van paria's waren „om soo te seggen de melkkoeijen, daer d'Ed. Comp. haer waere oncosten op het ge- melte eylant mede goet maken moet." Zij stonden onder een door de Compagnie aangestelden kapitein en vier „vidanes." Deze hoofden beschreven van Juni tot October met assistentie der dorpshoofden of doeria's de kaneelschillers, bepaalden wie er op uit zouden trek- ken en hoeveel ieder man moest leveren. Volgens oude vastgestelde verplichting was dat twee baren de man, iedere baar gerekend op 480 pond. Om gezondheids of andere redenen mocht die tax ver- minderd worden. De eene baar leverde de dienstbare om niet, de andere voor 1 Va rijksdaalder ^), dus 960 pond voor 72 stuivers. Het land van Mature, ten oosten van de grens der kaneellanden, was het gebied der olifantenjacht. Deze jacht werd onder toezicht van de dessave van Mature bestuurd door een vidane en de hoofden der vier districten, waarin de jacht verdeeld was. Zij had plaats in de maanden Julij, Augustus en September. Deze vier hoofden, ook vidanes genoemd, moesten samen jaarlijks 34 oUfanten leveren, waar- onder vier met tanden, Door gebrek aan tamme beesten, die de wilde moesten lokken, werd dat getal gewoonlijk bij lange na niet bereikt. 1) Sedert 1646 waren de landen om Negombo verwoest door Raja Singha's stroopende benden, zoodat daaruit weinig kaneel geleverd werd. In 1652, eenige jaren na den vrede met Raja Singha, was de oogst (Gen. Miss. 14 Dec. 1652): te Negombo 216,000 ^ te Gale _415^00^ 631,600 S Omdat de pakhuizen in Batavia vol waren, zouden in 1653 geen Chalea's worden uitgezonden, zoo was uit Batavia bevolen. Door een of ander misverstand zijn de Chalea's er toch op uitgegaan en hebben 1000 baren of 480,000 ^ binnen gebracht, zoodat er voor vele jaren genoeg was. (Gen. Miss. 31 Jan. 1654.) In 1655, niettegenstaande den oorlog met de Portugeezen, bedroeg de oogst 800 baren of 384,000 <g. (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) 64 De gevangen beesten werden naar Mature gebracht en daar door daarvoor aangewezen volk onderhouden, getemd en afgericht. Van 1646 — 1650 waren 70 olifanten geleverd, waaronder nog vier als een geschenk van Raja Singha. Hiervan waren 22 verkocht voor 18652 rijksdaalders van 48 stuivers. In de jaren van 1652 — 1656 werden er van de 83 gevangen dieren 42 verkocht, maar die brachten niet meer op dan 18600 realen, dus ongeveer evenveel als de 22 in de voorgaande jaren. Zoo leed de handel door den oorlog. ^) Een zeer voordeelige zaak was die olifantenjacht en -handel dus niet. Sommige konden gebruikt worden als geschenken, maar voor den handel was de Compagnie te afhankelijk van de kooplieden van Bengalen en Coromandel. Voor haar was het niet te doen zelf de beesten naar Voor-Indië te brengen. Als zij daar aangekomen waren, wilden de kooplieden geen bod doen, of de vorsten verboden hun den handel om zelf voor een prijsje de dieren machtig te worden. Zij meenden toch, en terecht, dat de Compagnie er tegen op zou zien de beesten weer weg te voeren of langen tijd die „groote buiken te vullen". Daarom werd er wel over gedacht een contract te maken met den nabab van Coromandel tot vaste levering van olifanten, al zou dan de prijs wat moeten dalen ~). Volgens contract moest Raja Singha, behalve in kaneel, nog afbe- talen in cardamom, indigo, was en rijst, maar van de levering dier goederen was niet veel te verwachten. Aan den kant van Batticalao werd wel veel rijst geproduceerd, en 't zou wel wenschelijk zijn dat de garnizoenen der Compagnie van daar werden voorzien, maar die landen behoorden aan Raja Singha en op hem viel niet veel te rekenen. Behalve de genoemde waren bracht Ceylon nog areek of oude pinang voort; de beste aan den kant van Mature. De handel daarin was echter van weinig belang en werd overgelaten aan bijzondere ingezetenen. Het waren voornamelijk Mooren, die er in handelden en ze uitvoerden naar de kust van Coromandel en daarvoor kleeden inkochten. De Compagnie had echter besloten de Mooren uit dien handel te verdrijven en daarom jaarlijks een goede partij areek te koopen om uit te voeren naar Suratte, Perzië en Coromandel en 1) Gen. Missives 14 Dec. 1652; 19 Jan. 7 Nov. 1654; 24 Dec. 1655, 4 Dec. 1656. 2) Gen. Miss. 14 Dec. 1652. Zie Uyttrekzel p. 134. 65 daarvoor ook kleedcn in te koopen. Als die dan een beetje beneden de markt verkocht werden, zouden de Mooren van zelf hun handel moeten staken. ^) Behalve de winsten op kaneel en olifanten, genoot de Compagnie de opbrengsten van tollen en andere landsinkomsten, waarvan de verpach- tingen in 1649 een bedrag van ƒ22432 ; 12 : 14 hadden opgebracht. Na de verovering van Colombo waren deze natuurlijk vermeerderd. ^) Met de bijgedachte om de bevolking meer aan de Nederlanders te verbinden , werd de voortplanting van de ware religie op Ceylon door de Compagnie niet verwaarloosd. ^) Daarvoor bestonden in 1650 zestien scholen, die wel mochten worden vermeerderd. Zij werden jaarlijks door een predikant bezocht. Bij deze visitatie werden ook de nieuw geboren spruiten gedoopt. Zoo werden in 1652 129 kinderen in de gemeente van Christus opgenomen. In dat jaar waren er op Ceylon twee predikanten, Franciscus Wijngaarden en Henricus Bongaerdt. *) Zij meenden het werk niet af te kunnen en verzochten om assistentie. Tot hun bijstand werd gezonden de eerwaarde Wincemius, wiens eerwaardigheid iets te wenschen overliet. Op de heenreis toch naar Batavia en ook in die stad had hij zich schuldig gemaakt aan eenige „lossigheden geen predicant betamende." ^) Hij overleed in 1656 ®) en vond een waardiger opvolger in Philippus Baldaeus, die 1 Juli van dat jaar uit Makassar te Batavia was teruggekeerd. ^) Bovendien werd gezonden, om den Portugeeschen dienst te Colombo ^) Gen. Miss. 17 Dec. 1657: In 1657 werd nog weinig areek geplukt in de landen van Colombo, maar voor de volgende jaren werd op eenige winst gehoopt. -) Gen. Miss. 17 Dec. 1657: Het tappen van suri en arak mitsgaders de gerech- tigheid van de visch te Colombo, verpacht voor 7060 realen = ƒ 16999 in 't jaar. Wat meer is dan de pacht te Gale ooit had bedragen. Te Gale had de verpachting V. d. tollen en andere landsinkomsten in 1655 opgebracht ƒ9435, meer dan ooit te voren. iGen. Miss. 24 Dec. 1655.) ^) Aangeh. Uyttrekzel, p. 131. *) Wyngaarden sedert eind 1651, Bongaerdt sedert eind 1648. Valentijn V, 2de st. Godsdienst, p. 42 en 38. Over Bongaerdt aan boord van 't Hof van Zeeland bij zijn uitreis in 1648, toen hij een oproer onder 't volk stilde: Van Troostenburg de Bruijn, Herv. kerk in Indië p. 233. ^) Gen. Miss., 14 Dec. 1652. Hij kwam te Batavia aan omstreeks Juni 1652. Valentijn, Godsdienst, p. 43 vlg. ") Gen. Miss., 4 Dec. 1656. ^) Baldaeus, Ceylon, p. 140. Valentijn, Godsdienst, p. 52. Zie over Baldaeus, P. J. Veth in De Gids 1867, II, p. 193; S. Kalff. Indische Gids 1894, II. p. 1238. AALBERS, O.'I. Compagnie. 5 66 waar te nemen, de van Lissabon geboortige Joan Ferreira, die in Batavia, eerst als schoolmeester, later als proponent „zonderlingh goede diensten had gedaan." ^) Zoo waren er dus op Ceylon vier predikanten, van wie Franciscus Wijngaarden en Ferreira te Colombo dienst deden, en te Gale Bongaerd en Baldaeus. Deze laatsten wisselden elkander om de maand af in de stad en op het platteland, om daar de veldlegers te bedienen en op de schoolmeesters en krankenbezoekers toe te zien, „dat alles met stichtinge en de goede ordre toegae." ^) Na de verovering van Colombo door de Nederlanders konden de Portugeezen verwachten, dat de twee vestingen, die op Ceylon nog in hun handen waren, eerlang zouden worden aangevallen. Voor een rustig bezit van Ceylon door de Compagnie was het noodig, dat er geen Portugeezen meer waren, die met Raja Singha konden samen- spannen. De zuivering van Ceylon alleen zou echter niet voldoende zijn. Er moest op volgen een verdrijving van de vijanden van de tegenover gelegen kust van Madure, om de vaart binnendoor naar Coromandel geheel te beheerschen en daarmede den nog aanzienlijken handel der Portugeezen tusschen Malabar en Coromandel te kunnen verhinderen. ') De zee tusschen Ceylon en het vaste land bestond uit twee groote golven: de Bocht van Tutucorijn en de Bocht van Tondi. Deze werden gescheiden door de zoogenaamde Adamsbrug, een reeks banken zich uitstrekkend tusschen de eilanden Manaar en Rammana- coyl. Aan de kust van Madure woonden de parelvisschers, de Parruas (Paravas), door Xaverius tot het Christendom bekeerde inlanders. *) De grootste heer aan die kust was de Neik van Madure. In zijn gebied hadden de Nederlanders een kleine nederzetting te Caylpatnam. Een boekhouder zorgde er voor den inkoop van rijst ter voorziening van Ceylon. ^) Meer oostelijk hadden de Portugeezen zich gevestigd ') Gen. Miss. 4 Dec. 1656. Ferreira is 16 Oct- 1656 met oplegging der handen bevestigd. (Valentijn, Godsdienst, p. 53.) 2) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. ^) Instructie voor van Goens 5 Sept. 1657. *) Baldaeus, Malabar en Choromandel, 150 vlg. ^) Dit blijkt uit een schrijven van Van der Meyden aan Van Goens, 15 Januari 1658. vgl. ook Valentijn V, Ceylon, p. 165. Danvers, The Portuguese in India. Londen, 1894. II, p. 293. 67 in het open vlek Tutucorijn, welke plaats zij gebruikten als tusschen- station en toevluchtsoord voor de van Goa naar Ceylon gezonden versterkingen. Aan de Bocht van Tondi heerschte de Neik van Tansjouwer. In het oosten van zijn gebied hadden de Portugeezen een sterkte te Negapatnam. Tusschen Madura en Tansjouwer lag het land van den Teuver, een vazal van den Neik van Madure. ^) Aan hem behoorde het eiland Rammanacoyl. Dien „geheelen hoek" moest de Compagnie „suyver hebben" en de Portugeezen dienden er daarom „uytgepompt" te worden. Boven- dien was er eenige handel te drijven in grof lijnwaad, waarom de Engelschen er al een factorij hadden," ^) en bracht de parelvisscherij op de banken van Manaar en Tutucorijn een aardige pacht op. ^) M die een groot gedeelte van den Ncyck van Madures landen domineert." (Instructie voor Jacob v. Rhee, 31 Januari 1658) den ncyck, sijnen heer." (Instr. voor Eduard Ooms 31 Januari 1658). 2) Missive van Batavia aan den Gouverneur en de Raadt te Ceylon 25 Octobcr 1657: van gevoelen, dat de handel van het gem. landt de Compagnie mettertijt geen cleene voordeelen sal brengen, daar de Engelsen mede al schijnen lust op te hebben, een factoir in Tutucorin hebbende." ^) Instructie voor van Goens 5 Sept 1657. HOOFDSTUK III. OVER DE KANTOREN SURATTE EN WINGURLA TOT DE KOMST VAN VAN GOENS. DE VISITATIE DIER KANTOREN DOOR RYCKLOFF VAN GOENS IN 1653/54. TOESTAND DIER KANTOREN IN 1657. BETEEKENIS VAN DIU IN VERBAND MET SURATTE. Suratte was de hoofdplaats van de provincie Guseratte, behoorende tot het rijk van den Groot-Mogol. ^) Zij lag eenige mijlen landwaarts in aan de voor middelmatige schepen bevaarbare rivier Tapti. De landvoogd had er een paleis bij een versterkt kasteel, waar een vestingvoogd zetelde. Naast het paleis lag het tolhuis (de alfandigo) waar alle in- en uitgaande goederen tol moesten betalen, en dicht daarbij de markt of bazaar, waar alle denkbare goederen te koop werden geboden. Op die bazaar „grimmelde en krioelde het van allerlei soorten van menschen, alzoo men er behalve de inboorlingen zeer veel Persianen, Maleijers, Javanen, Portugeezen, Hollanders, Engelschen, Franschen -) en zelfs ook Jooden heeft, die daar grooten koophandel drijven en aan bloote Tol alleen, behalve de andere inkomsten der stad nu wel twee millioenen 's jaars betaalen." Verder waren er ook zeer veel „Mooren, ^) Decanders, Cambayers, Bengalers ^) Voor Suratte en onderhoorige kantoren: Baldacus, Malabar en Coromandel, pp. 2, 3, 12 en 13; en Valentijn. V, 2de stuk pp. 145. 146. 220, 221, 222—224. Valentijns beschrijving van Suratte is vcin een halve eeuw na 't midden der 17e eeuw. Eenige van zijn opgaven zijn echter een uitwerking van aanduidingen bij Baldaeus (b.v. over den tol van Vlo °/o en 2 o/q voor goud en zilver; over de ligging van kasteel, paleis e. a.), zoodat zijn beschrijving wel niet veel zal afwijken van die van het Suratte uit het midden der 17e eeuw. -) Eerst sedert 1669. ') Mohammedaansche inlanders. 1^ AR s I :Nr Tamaffjm È j s j(^ g j. De westki Uit Baldaeus, De westkust van Voor-Indië. Uit Baldaeus. Malabar er 69 en onder deze veel Benjaners, ^) Bramines enz. en een groote menigte van Rasbuten -) en Perzen." De kooplieden van Suratte dreven handel op Arabië, Perzië, Afrika, Atjeh, Tanasseri, Queda en de Maldiven. De Groot-Mogol nam zelf aan den handel deel. Daar de rivier van Suratte slechts voor middelmatige schepen bevaarbaar was, ankerden de zeeschepen in een baai anderhalve mijl ten noorden van den riviermond, de „kom van Suhaly," waar zij achter een zandplaat een veiUge ligging vonden. Van het „strand van Suhaly" werden de goederen in ossenkarren naar Suratte vervoerd. In die volkrijke, drukke handelsstad stonden op de bazaar twee sierlijke logies of factorijen: een van de Engelschen, de andere van de Nederlanders. De betrekkingen van de Oostindische Compagnie met Suratte dateerden van 1606. In Mei van dat jaar was de koopman David van Deijnse met een „cargasoen" voor Suratte verschenen en in de stad toegelaten. ^) 't Volgend jaar werd hij op aanstoken van de Portugeezen vermoord en de meegebrachte goederen werden geroofd. Van Deijnse had nog berichten kunnen geven over de voordeelen, die de handel in Suratte beloofde, en de Heeren Zeventien waren ook wel besloten, de zoo droevig verbroken betrekkingen te herstellen. Evenwel, zoo luidde de opdracht aan Pieter Both, *) eerst moest door repressaille-maatregelen het prestige van de Compagnie hersteld worden. Daarvan kon echter door de moeilijkheden in den Archipel met de Portugeezen vooreerst niets komen. Een latere zending van Coromandel uit door den koopman Pieter Gillesz van Ravesteijn, „om op alles nader te informeeren", leverde ook geen resultaten op. Hij werd van den een naar den ander gestuurd en kon maar eenige duizenden guldens, als vergoeding voor het geroofde goed los krijgen. Terwijl die zaak nog hangende was, arriveerde den 2^*^° Augustus 1616 de opperkoopman Pieter van den Broek met het schip Nassau van Mocha in „Suhalys kom." Van den gouverneur der stad viel ^) Hindoe-kooplieden van Voor-Indie. -) H. Yule and A. C. Bumell, Hobson-Jobson, A Glossary of colloquia! Anglo- Indian words and phrases, and of kindred terms, New edition, edited by William Crooke, London 1903, s. v. Rajpoot, Rajaputra = kings son. The name of a great race in India, the hereditary profession of which is that of arms. ^) 't Volgende naar Pieter van Dam, Beschrijving van de Compagnie, hs. op het Alge- meen Rijksarchief. Voor Suratte: Tweede Boek, 3de deel, 29ste capittel, folio 869 vlgg. *) Instructie voor Pieter Both, art. 37. (Mijer, a. w. p. 19.) 70
ORANG-ORANG YANG MENYOKONG
Selasa, 7 April 2020
60
Langgan:
Catat Ulasan (Atom)
220
220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...
CATATAN POPULAR
-
Kenapa isu anjing menjadi sensitif. Sudah lama aku perhatikan bagaimana orang melayu berhadapan dengan isu anjing. Dalam hal ini aku akan m...
-
Oh sudah lama rasnya saya tidak menjengok blog ini. Ketika itu lihat orang ada akaun blogspot.my rasa nak ada akaun blogspot jugalah. Ketik...
-
20 De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten het...
-
40 Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den maharadja „...
-
30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt en...
Tiada ulasan:
Catat Ulasan