ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

60

60 

door aan de oostkust bij Cotjar en Batticalao „de handelaers op die 
havens vaerende aen te snoeren", zooals ook vroeger de Portugeezen 
dat tegen hem gedaan hadden. 

Er gingen geruchten van een alHantie tusschen den maharadja en de 
Portugeezen. Gouverneur-Generaal en Raden geloofden er evenwel niet 
veel van. De Portugeezen wisten ook wel, dat op een alliantie met 
Raja Singha niet veel staat te maken was. ^) 

Van den driemaal, 't laatst en 't hevigst bij Colombo, teleurgestelden 
vorst, was bij de komst van Van Goens op Ceylon geen steun te 
wachten voor de expeditie. Zijn vijandschap, behoefden zij, nu 
Colombo gevallen was, niet te vreezen — al zou die de krijgsbe- 
drijven eenigszins kunnen belemmeren, door bemoeilijking van appro- 
viandeering. 

Het veroverde Colombo was met meer dan 1000 man bezet ge- 
worden. Die groote macht lag daar niet zoozeer met 't oog op den 
koning, die reeds op den dag der overgave zijn wantrouwen getoond 
had, alswel wegens de inwoners die nog „van herten de Portugesen 
genegen ende toegedaen" bleven.^) 

Gouverneur-Generaal en Raden konden dit groote garnizoen maar 
half goed keuren. Het was grooter dan de bezetting, die de Portu- 
geezen gewoonlijk in de stad onderhielden. Maar dezen konden, als 
zij met hun leger tegen den koning te velde lagen, de bewaking van 
de stad aan de burgers overlaten, wat de Compagnie in de eerste 
jaren niet zou kunnen doen. Aan Gerard Huift was dan ook in zijn 
instructie opgedragen de vestingwerken der stad direct te slechten. ^) 

Ten opzichte van Raja Singha zou dat zeker het beste zijn geweest, 
want dan had hij de goede bedoeling van de Compagnie *) kunnen 
zien, en zou hij misschien zijn best gedaan hebben om alle middelen 
in het werk te stellen, de Compagnie de opbrengsten van het land 
te doen genieten, waardoor hij zijn rekening zou kunnen vereffenen. 



1) Gen. Miss. 17 Dec 1657. 

2) Gen. Miss. 31 Juli 1656. 

^) Hiermede is niet geheel in overeenstemming Gen. Miss. 19 Jan. 1654: „De stad 
zal nooit geheel ontruimd mogen worden, om de kancellanden, die er bij behooren, 
en er zal altijd een vast bolwerk moeten gehouden worden om die landen te be- 
schermen, en dan kan Negombo zooveel minder bezetting hebben als Colombo zal 
eischen." 

*) Zie boven p. 53 noot 4. 



61 

Nu moest hij wel den indruk krijgen, dat de Hollanders evenzoo 
met hem handelden als de Portugeezen. Tegen een zoodanige 
behandeling hadden de Heeren te Batavia ook niets ^) maar wel tegen 
't vestigen van den indruk. Want zij vreesden, dat het de Compagnie 
in haar tegenwoordigen staat niet gelegen zou komen het werk op 
Ceylon geheel naar behooren voort te zetten. Zij lieten intusschen 
de beslissing aangaande Colombo over aan den Gouverneur en zijn 
Raad aldaar. ^) 

Hoe die zou uitvallen, was te voorzien. Daar men met den koning 
in openlijke vijandschap was, zonder veel last van hem te hebben, 
had het geen zin om zijnentwille Colombo te verlaten, temeer, daar 
de stad en omliggende landen aan kaneel, landsinkomsten en kleeden- 
handel eenige voordeelen beloofden. ^) 

Bovendien, als Colombo bezet bleef, kon Negombo verkleind wor- 
den. Hetgeen geschiedde. De aarden wallen werden geslecht en alleen 
de steenen binnenwerken met één versterkt bastion bleven behouden. 
Zoo kon de stad, slechts vijf mijlen van Colombo gelegen, met 
een garnizoen van 70 a 80 man tegen een singaleeschen vijand ver- 
dedigd worden. 

Ook de vestingwerken van Colombo zouden later verkleind moeten 
worden, wat wel een heel werk zou wezen, maar op den duur toch 
voordeeliger moest uitkomen. ^) Vooreerst echter geschiedde het 
tegendeel: de aan wallen en bolwerken geleden schade werd gerepa- 
reerd, om tegen een aanval beveiligd te zijn. *) 

Van der Meyden had ook nog acht uren ten noorden van Negombo, 
te Chilau, een kleine versterking willen aanleggen, om van daaruit 
de kaneellanden te beveiligen en de vaart der Portugeezen binnen 
den inham van Calpentijn te verhinderen. Ofschoon de Hooge 
Regeering er de noodzakelijkheid van inzag, wilden zij er nog niet 
aan, om, waar een verbond der twee vijanden op Ceylon nog altijd 
niet uitgesloten was, de militaire macht niet te zeer te verdeelen. ^) 



^) Vgl. Gen. Miss. 31 Jan. 1653: Als Colombo maar eerst bemachtigd is, dan zal 
de Compagnie met een gewoon garnizoen Raja Singha wel naar zijn pijpen doen 
dansen, zooals de Portugeezen voor onze komst wel wisten te doen. 

2) Gen. Miss. 4 Dec. 1656. 

3) Gen. Miss. 31 Jan. 1657. 
*) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 
5) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 



62 

In het najaar van 1657, bij het naderen der expeditie van Rycklof 
van Goens, bezaten dus de Nederlanders op Ceylon rechtens, volgens 
verdrag, de landen, die zich uitstrekten van de rivier Ahcan langs 
de zeekust tot aan de rivier Waluwe, een gebied van ongeveer 30 
mijlen lang en landinwaarts 12 — 16 mijlen breed. De verschillende 
districten (corles) werden bestuurd door dessaves, aangesteld door de 
Compagnie, welke personen, nevens de „Landregeering en Admini- 
stratie der Justitie de dagelijkse kleyne zaaken ook onder zig hebben." ^) 

Het europeesche en het, onder zijn eigen aratsjies staande, inlandsche 
krijgsvolk was verdeeld over verschillende sterkten langs de kust en, 
ter bescherming tegen de invallen van den koning, aan den rand van 
het gebergte. De Singaleesche soldaten waren niet altijd te vertrouwen, 
evenmin als hun hoofden. Alleen die van Gale Corle zouden niet 
licht afvallen, omdat zij reeds zoo langen tijd onder 't gezag van de 
Compagnie stonden en wel begrepen, dat de koning de vesting Gale, 
die hun „te na op den hals lag," nooit terug zou krijgen. 

Op de hoofden in Mature was minder staat te maken, omdat zij 
niet zoo goed tegen invallen van den koning te beschermen waren 
en nog met het hof in verbinding stonden. Tot hun beveihging was 
te Mature een fortresse gebouwd en alle grooten onder den dessave 
van Mature staande, moesten binnen de fortresse of ten minste binnen 
de gravetten (?) wonen „om geruster op hen te kunnen gaan." 

De hoofden onder den dessave ^), hadden allen tot hun onderhoud 
eenig land van de compagnie in bezit. Deze hoofden moesten met 
geschenken gepaaid en met achting behandeld worden en niet als 
„zwarte honden", zooals de Hollanders dikwijls deden. 

De steden en landen van Colombo en Negombo bezaten de Neder- 
landers niet volgens contract, maar hielden zij bezet, om daaruit de 
onkosten vergoed te krijgen, die zij in dienst van den koning had- 
den voorgeschoten. 

Behalve afbreuk aan de macht der Portugeezen, was het doel van 
het bedrijf der Compagnie op Ceylon de kaneel in handen te krijgen. 
De goede en fijne kaneel werd alleen gevonden in de landen van 
Negombo, Colombo en Gale, in de streek beginnende ten noorden 



1) Voor dit en het volgende: Uyttrekzel uyt de Instructie voor Jacob van 
Kittensteyn 27 Febr. 1650. Valentijn, Ceylon, p. 128—135. 

2) De adigaar, de modeljars, de motiars of schrijvers, die de bevolkingsregisters 
bijhielden, de apohamies en de aratsjies voor 't krijgsvolk. 



63 

van Negombo bij Madampc en eindigende een weinig ten oosten 
van de rivier Waluwe. De beste en fijnste groeide in de Zeven 
Corles, het district om Negombo. 

Voor het oogsten van deze kaneel waren aangewezen de verachte 
Chalea's, die meest alle verblijf hielden in zeven dorpen in Gale Corle. 
In Walewitte Corle bestonden nog de Pannea's of grassnijders, met 
wie zelfs de Chalea's bijna geen gemeenschap wilden houden. Aan 
dezen was evenals aan de Chalea's opgedragen jaarlijks een ton kaneel 
op te brengen. Beide groepen van paria's waren „om soo te seggen 
de melkkoeijen, daer d'Ed. Comp. haer waere oncosten op het ge- 
melte eylant mede goet maken moet." Zij stonden onder een door 
de Compagnie aangestelden kapitein en vier „vidanes." Deze hoofden 
beschreven van Juni tot October met assistentie der dorpshoofden 
of doeria's de kaneelschillers, bepaalden wie er op uit zouden trek- 
ken en hoeveel ieder man moest leveren. Volgens oude vastgestelde 
verplichting was dat twee baren de man, iedere baar gerekend op 
480 pond. Om gezondheids of andere redenen mocht die tax ver- 
minderd worden. De eene baar leverde de dienstbare om niet, de 
andere voor 1 Va rijksdaalder ^), dus 960 pond voor 72 stuivers. 

Het land van Mature, ten oosten van de grens der kaneellanden, 
was het gebied der olifantenjacht. Deze jacht werd onder toezicht 
van de dessave van Mature bestuurd door een vidane en de hoofden 
der vier districten, waarin de jacht verdeeld was. Zij had plaats in 
de maanden Julij, Augustus en September. Deze vier hoofden, ook 
vidanes genoemd, moesten samen jaarlijks 34 oUfanten leveren, waar- 
onder vier met tanden, Door gebrek aan tamme beesten, die de 
wilde moesten lokken, werd dat getal gewoonlijk bij lange na niet bereikt. 



1) Sedert 1646 waren de landen om Negombo verwoest door Raja Singha's 
stroopende benden, zoodat daaruit weinig kaneel geleverd werd. In 1652, eenige jaren 
na den vrede met Raja Singha, was de oogst (Gen. Miss. 14 Dec. 1652): 

te Negombo 216,000 ^ 

te Gale _415^00^ 

631,600 S 
Omdat de pakhuizen in Batavia vol waren, zouden in 1653 geen Chalea's worden 
uitgezonden, zoo was uit Batavia bevolen. Door een of ander misverstand zijn de 
Chalea's er toch op uitgegaan en hebben 1000 baren of 480,000 ^ binnen gebracht, 
zoodat er voor vele jaren genoeg was. (Gen. Miss. 31 Jan. 1654.) 

In 1655, niettegenstaande den oorlog met de Portugeezen, bedroeg de oogst 800 baren 
of 384,000 <g. (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) 



64 

De gevangen beesten werden naar Mature gebracht en daar door 
daarvoor aangewezen volk onderhouden, getemd en afgericht. Van 
1646 — 1650 waren 70 olifanten geleverd, waaronder nog vier als een 
geschenk van Raja Singha. Hiervan waren 22 verkocht voor 18652 
rijksdaalders van 48 stuivers. In de jaren van 1652 — 1656 werden 
er van de 83 gevangen dieren 42 verkocht, maar die brachten niet 
meer op dan 18600 realen, dus ongeveer evenveel als de 22 in de 
voorgaande jaren. Zoo leed de handel door den oorlog. ^) 

Een zeer voordeelige zaak was die olifantenjacht en -handel dus 
niet. Sommige konden gebruikt worden als geschenken, maar voor 
den handel was de Compagnie te afhankelijk van de kooplieden van 
Bengalen en Coromandel. Voor haar was het niet te doen zelf de 
beesten naar Voor-Indië te brengen. Als zij daar aangekomen waren, 
wilden de kooplieden geen bod doen, of de vorsten verboden hun 
den handel om zelf voor een prijsje de dieren machtig te worden. 
Zij meenden toch, en terecht, dat de Compagnie er tegen op zou 
zien de beesten weer weg te voeren of langen tijd die „groote buiken 
te vullen". Daarom werd er wel over gedacht een contract te maken 
met den nabab van Coromandel tot vaste levering van olifanten, al 
zou dan de prijs wat moeten dalen ~). 

Volgens contract moest Raja Singha, behalve in kaneel, nog afbe- 
talen in cardamom, indigo, was en rijst, maar van de levering dier 
goederen was niet veel te verwachten. Aan den kant van Batticalao 
werd wel veel rijst geproduceerd, en 't zou wel wenschelijk 
zijn dat de garnizoenen der Compagnie van daar werden voorzien, 
maar die landen behoorden aan Raja Singha en op hem viel niet 
veel te rekenen. 

Behalve de genoemde waren bracht Ceylon nog areek of oude 
pinang voort; de beste aan den kant van Mature. De handel daarin 
was echter van weinig belang en werd overgelaten aan bijzondere 
ingezetenen. Het waren voornamelijk Mooren, die er in handelden 
en ze uitvoerden naar de kust van Coromandel en daarvoor kleeden 
inkochten. De Compagnie had echter besloten de Mooren uit dien 
handel te verdrijven en daarom jaarlijks een goede partij areek te 
koopen om uit te voeren naar Suratte, Perzië en Coromandel en 



1) Gen. Missives 14 Dec. 1652; 19 Jan. 7 Nov. 1654; 24 Dec. 1655, 4 Dec. 1656. 

2) Gen. Miss. 14 Dec. 1652. Zie Uyttrekzel p. 134. 



65 

daarvoor ook kleedcn in te koopen. Als die dan een beetje beneden 
de markt verkocht werden, zouden de Mooren van zelf hun handel 
moeten staken. ^) 

Behalve de winsten op kaneel en olifanten, genoot de Compagnie de 
opbrengsten van tollen en andere landsinkomsten, waarvan de verpach- 
tingen in 1649 een bedrag van ƒ22432 ; 12 : 14 hadden opgebracht. 
Na de verovering van Colombo waren deze natuurlijk vermeerderd. ^) 

Met de bijgedachte om de bevolking meer aan de Nederlanders 
te verbinden , werd de voortplanting van de ware religie op Ceylon 
door de Compagnie niet verwaarloosd. ^) Daarvoor bestonden in 1650 
zestien scholen, die wel mochten worden vermeerderd. Zij werden 
jaarlijks door een predikant bezocht. Bij deze visitatie werden ook de 
nieuw geboren spruiten gedoopt. Zoo werden in 1652 129 kinderen 
in de gemeente van Christus opgenomen. 

In dat jaar waren er op Ceylon twee predikanten, Franciscus 
Wijngaarden en Henricus Bongaerdt. *) Zij meenden het werk niet 
af te kunnen en verzochten om assistentie. Tot hun bijstand werd 
gezonden de eerwaarde Wincemius, wiens eerwaardigheid iets te 
wenschen overliet. Op de heenreis toch naar Batavia en ook in die stad 
had hij zich schuldig gemaakt aan eenige „lossigheden geen predicant 
betamende." ^) Hij overleed in 1656 ®) en vond een waardiger opvolger 
in Philippus Baldaeus, die 1 Juli van dat jaar uit Makassar te Batavia 
was teruggekeerd. ^) 

Bovendien werd gezonden, om den Portugeeschen dienst te Colombo 



^) Gen. Miss. 17 Dec. 1657: In 1657 werd nog weinig areek geplukt in de landen 
van Colombo, maar voor de volgende jaren werd op eenige winst gehoopt. 

-) Gen. Miss. 17 Dec. 1657: Het tappen van suri en arak mitsgaders de gerech- 
tigheid van de visch te Colombo, verpacht voor 7060 realen = ƒ 16999 in 't jaar. 
Wat meer is dan de pacht te Gale ooit had bedragen. Te Gale had de verpachting 
V. d. tollen en andere landsinkomsten in 1655 opgebracht ƒ9435, meer dan ooit te 
voren. iGen. Miss. 24 Dec. 1655.) 

^) Aangeh. Uyttrekzel, p. 131. 

*) Wyngaarden sedert eind 1651, Bongaerdt sedert eind 1648. Valentijn V, 2de st. 
Godsdienst, p. 42 en 38. Over Bongaerdt aan boord van 't Hof van Zeeland bij zijn 
uitreis in 1648, toen hij een oproer onder 't volk stilde: Van Troostenburg de Bruijn, 
Herv. kerk in Indië p. 233. 

^) Gen. Miss., 14 Dec. 1652. Hij kwam te Batavia aan omstreeks Juni 1652. 
Valentijn, Godsdienst, p. 43 vlg. 

") Gen. Miss., 4 Dec. 1656. 

^) Baldaeus, Ceylon, p. 140. Valentijn, Godsdienst, p. 52. Zie over Baldaeus, 
P. J. Veth in De Gids 1867, II, p. 193; S. Kalff. Indische Gids 1894, II. p. 1238. 

AALBERS, O.'I. Compagnie. 5 



66 

waar te nemen, de van Lissabon geboortige Joan Ferreira, die in 
Batavia, eerst als schoolmeester, later als proponent „zonderlingh 
goede diensten had gedaan." ^) 

Zoo waren er dus op Ceylon vier predikanten, van wie Franciscus 
Wijngaarden en Ferreira te Colombo dienst deden, en te Gale 
Bongaerd en Baldaeus. Deze laatsten wisselden elkander om de maand 
af in de stad en op het platteland, om daar de veldlegers te bedienen 
en op de schoolmeesters en krankenbezoekers toe te zien, „dat alles 
met stichtinge en de goede ordre toegae." ^) 

Na de verovering van Colombo door de Nederlanders konden de 
Portugeezen verwachten, dat de twee vestingen, die op Ceylon nog 
in hun handen waren, eerlang zouden worden aangevallen. Voor een 
rustig bezit van Ceylon door de Compagnie was het noodig, dat er 
geen Portugeezen meer waren, die met Raja Singha konden samen- 
spannen. De zuivering van Ceylon alleen zou echter niet voldoende 
zijn. Er moest op volgen een verdrijving van de vijanden van de 
tegenover gelegen kust van Madure, om de vaart binnendoor naar 
Coromandel geheel te beheerschen en daarmede den nog aanzienlijken 
handel der Portugeezen tusschen Malabar en Coromandel te kunnen 
verhinderen. ') 

De zee tusschen Ceylon en het vaste land bestond uit twee groote 
golven: de Bocht van Tutucorijn en de Bocht van Tondi. Deze 
werden gescheiden door de zoogenaamde Adamsbrug, een reeks 
banken zich uitstrekkend tusschen de eilanden Manaar en Rammana- 
coyl. Aan de kust van Madure woonden de parelvisschers, de Parruas 
(Paravas), door Xaverius tot het Christendom bekeerde inlanders. *) 

De grootste heer aan die kust was de Neik van Madure. In zijn 
gebied hadden de Nederlanders een kleine nederzetting te Caylpatnam. 
Een boekhouder zorgde er voor den inkoop van rijst ter voorziening 
van Ceylon. ^) Meer oostelijk hadden de Portugeezen zich gevestigd 



') Gen. Miss. 4 Dec. 1656. Ferreira is 16 Oct- 1656 met oplegging der handen 
bevestigd. (Valentijn, Godsdienst, p. 53.) 

2) Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 

^) Instructie voor van Goens 5 Sept. 1657. 

*) Baldaeus, Malabar en Choromandel, 150 vlg. 

^) Dit blijkt uit een schrijven van Van der Meyden aan Van Goens, 15 Januari 1658. 
vgl. ook Valentijn V, Ceylon, p. 165. Danvers, The Portuguese in India. Londen, 
1894. II, p. 293. 



67 

in het open vlek Tutucorijn, welke plaats zij gebruikten als tusschen- 
station en toevluchtsoord voor de van Goa naar Ceylon gezonden 
versterkingen. 

Aan de Bocht van Tondi heerschte de Neik van Tansjouwer. In 
het oosten van zijn gebied hadden de Portugeezen een sterkte te 
Negapatnam. 

Tusschen Madura en Tansjouwer lag het land van den Teuver, 
een vazal van den Neik van Madure. ^) Aan hem behoorde het 
eiland Rammanacoyl. 

Dien „geheelen hoek" moest de Compagnie „suyver hebben" en 
de Portugeezen dienden er daarom „uytgepompt" te worden. Boven- 
dien was er eenige handel te drijven in grof lijnwaad, waarom de 
Engelschen er al een factorij hadden," ^) en bracht de parelvisscherij 
op de banken van Manaar en Tutucorijn een aardige pacht op. ^) 



M die een groot gedeelte van den Ncyck van Madures landen domineert." 

(Instructie voor Jacob v. Rhee, 31 Januari 1658) den ncyck, sijnen heer." 

(Instr. voor Eduard Ooms 31 Januari 1658). 

2) Missive van Batavia aan den Gouverneur en de Raadt te Ceylon 25 Octobcr 

1657: van gevoelen, dat de handel van het gem. landt de Compagnie mettertijt 

geen cleene voordeelen sal brengen, daar de Engelsen mede al schijnen lust op te 
hebben, een factoir in Tutucorin hebbende." 

^) Instructie voor van Goens 5 Sept 1657. 



HOOFDSTUK III. 



OVER DE KANTOREN SURATTE EN WINGURLA TOT DE KOMST VAN 

VAN GOENS. DE VISITATIE DIER KANTOREN DOOR RYCKLOFF 

VAN GOENS IN 1653/54. TOESTAND DIER KANTOREN IN 1657. 

BETEEKENIS VAN DIU IN VERBAND MET SURATTE. 

Suratte was de hoofdplaats van de provincie Guseratte, behoorende 
tot het rijk van den Groot-Mogol. ^) Zij lag eenige mijlen landwaarts 
in aan de voor middelmatige schepen bevaarbare rivier Tapti. De 
landvoogd had er een paleis bij een versterkt kasteel, waar een 
vestingvoogd zetelde. Naast het paleis lag het tolhuis (de alfandigo) 
waar alle in- en uitgaande goederen tol moesten betalen, en dicht 
daarbij de markt of bazaar, waar alle denkbare goederen te koop 
werden geboden. Op die bazaar „grimmelde en krioelde het van 
allerlei soorten van menschen, alzoo men er behalve de inboorlingen 
zeer veel Persianen, Maleijers, Javanen, Portugeezen, Hollanders, 
Engelschen, Franschen -) en zelfs ook Jooden heeft, die daar grooten 
koophandel drijven en aan bloote Tol alleen, behalve de andere 
inkomsten der stad nu wel twee millioenen 's jaars betaalen." Verder 
waren er ook zeer veel „Mooren, ^) Decanders, Cambayers, Bengalers 



^) Voor Suratte en onderhoorige kantoren: Baldacus, Malabar en Coromandel, 
pp. 2, 3, 12 en 13; en Valentijn. V, 2de stuk pp. 145. 146. 220, 221, 222—224. 

Valentijns beschrijving van Suratte is vcin een halve eeuw na 't midden der 
17e eeuw. Eenige van zijn opgaven zijn echter een uitwerking van aanduidingen bij 
Baldaeus (b.v. over den tol van Vlo °/o en 2 o/q voor goud en zilver; over de ligging 
van kasteel, paleis e. a.), zoodat zijn beschrijving wel niet veel zal afwijken van die 
van het Suratte uit het midden der 17e eeuw. 

-) Eerst sedert 1669. 

') Mohammedaansche inlanders. 



1^ AR s I :Nr 



Tamaffjm 




È j s j(^ g j. 




De westki 

Uit Baldaeus, 




De westkust van Voor-Indië. 

Uit Baldaeus. Malabar er 



69 

en onder deze veel Benjaners, ^) Bramines enz. en een groote menigte 
van Rasbuten -) en Perzen." De kooplieden van Suratte dreven 
handel op Arabië, Perzië, Afrika, Atjeh, Tanasseri, Queda en de 
Maldiven. De Groot-Mogol nam zelf aan den handel deel. 

Daar de rivier van Suratte slechts voor middelmatige schepen 
bevaarbaar was, ankerden de zeeschepen in een baai anderhalve mijl 
ten noorden van den riviermond, de „kom van Suhaly," waar zij achter 
een zandplaat een veiUge ligging vonden. Van het „strand van 
Suhaly" werden de goederen in ossenkarren naar Suratte vervoerd. 

In die volkrijke, drukke handelsstad stonden op de bazaar twee 
sierlijke logies of factorijen: een van de Engelschen, de andere van 
de Nederlanders. 

De betrekkingen van de Oostindische Compagnie met Suratte 
dateerden van 1606. In Mei van dat jaar was de koopman David 
van Deijnse met een „cargasoen" voor Suratte verschenen en in de 
stad toegelaten. ^) 't Volgend jaar werd hij op aanstoken van de 
Portugeezen vermoord en de meegebrachte goederen werden geroofd. 
Van Deijnse had nog berichten kunnen geven over de voordeelen, 
die de handel in Suratte beloofde, en de Heeren Zeventien waren 
ook wel besloten, de zoo droevig verbroken betrekkingen te herstellen. 
Evenwel, zoo luidde de opdracht aan Pieter Both, *) eerst moest 
door repressaille-maatregelen het prestige van de Compagnie hersteld 
worden. Daarvan kon echter door de moeilijkheden in den Archipel 
met de Portugeezen vooreerst niets komen. Een latere zending van 
Coromandel uit door den koopman Pieter Gillesz van Ravesteijn, „om 
op alles nader te informeeren", leverde ook geen resultaten op. Hij 
werd van den een naar den ander gestuurd en kon maar eenige 
duizenden guldens, als vergoeding voor het geroofde goed los krijgen. 

Terwijl die zaak nog hangende was, arriveerde den 2^*^° Augustus 
1616 de opperkoopman Pieter van den Broek met het schip Nassau 
van Mocha in „Suhalys kom." Van den gouverneur der stad viel 



^) Hindoe-kooplieden van Voor-Indie. 

-) H. Yule and A. C. Bumell, Hobson-Jobson, A Glossary of colloquia! Anglo- 
Indian words and phrases, and of kindred terms, New edition, edited by William 
Crooke, London 1903, s. v. Rajpoot, Rajaputra = kings son. The name of a great 
race in India, the hereditary profession of which is that of arms. 

^) 't Volgende naar Pieter van Dam, Beschrijving van de Compagnie, hs. op het Alge- 
meen Rijksarchief. Voor Suratte: Tweede Boek, 3de deel, 29ste capittel, folio 869 vlgg. 

*) Instructie voor Pieter Both, art. 37. (Mijer, a. w. p. 19.) 



70 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR