ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

70

70 

hem een vriendelijke ontvangst ten deel. Door zijn cordaat optreden ^) 
verkreeg hij toestemming niet alleen tot het drijven van handel, maar 
ook tot het huren van een huis, om er een logie te vestigen. Bij 
zijn vertrek liet hij Pieter Gillissen ^) achter met drie personen en een 
partij goederen. De gouverneur der stad had Van den Broek met 
„handtasting" bescherming beloofd en bij zijn vertrek negen guserat- 
sche kleeden geschonken. 

De achtergelaten Gillissen had geen opdracht om satisfactie te 
verkrijgen voor den moord op Van Deijnse en vergoeding voor het 
toen gestolene. Hij moest onderzoeken, hoe de Compagnie den handel 
op Cambaya en Suratte zou kunnen bemachtigen. Toen het ook hem 
weer bleek, dat er groote winsten te behalen zouden zijn, liet de 
Hooge Regeering de zaak van Van Deijnse wegens den „profijte- 
lijcken handel" verder rusten. ^) 

De verschijning, ontvangst en vestiging der Nederlanders te Suratte 
was een ergernis geweest voor de Engelschen, die er reeds eenige 
jaren vroeger een logie hadden mogen oprichten. 

Pieter van den Broek, de vestiger, werd ook de organisator van 
den handel der Compagnie in Suratte en onderhoorige kantoren. Zijn 
tweede reis in 1617 over Mauritius, Madagascar en de Roode Zee 
naar Suratte, was niet voorspoedig. Zijn beide schepen raakte hij 
kwijt, maar de goederen kon hij bergen in een dorp, gelegen aan 
de kust bij Suratte. Nadat hij te Suratte met Pieter Gillissen den 
handel geregeld had, trok hij met 103 man dwars door Deccan en 
Golconda naar het Nederlandsche kantoor te Mazulipatnam op de 
kust van Coromandel. Vandaar arriveerde hij in Nov. 1618 over 
Atjeh in de factorij te }acatra. Daar heeft hij bij de belegering dier 
factorij door de Engelschen en Javanen een minder manhaftige rol 
gespeeld dan in Suratte. Dat belette Coen niet, hem in 1620 als 
bestuurder van den handel naar Arabië, Perzië en Voor-Indië te 
zenden. De zaken te Arabië liet hij over aan den opperkoopman 
Herman van Gil en eenige subalternen. Zelf installeerde hij zich in 



1) Over Pieter van den Broeks verblijf te Suratte, Valentijn V, 2de stuk, p. 121. 

2) Van Dam noemt hem „onderkoopman", Valentijn „opperkoopman" en vermoe- 
delijk is het dezelfde, dien Van Dam te voren noemde de „koopman" van Pieter Gillesz 
van Ravesteyn. 

■*) Van Dam, Beschrijving, t. a. p. f. 873. 



71 

October 1620 als directeur van den handel te Suratte, welk ambt 
hij met veel lof bekleedde tot 2 December 1628. ^) 

Onder het hoofdkantoor te Suratte had Van den Broek vier onder- 
hoorige kantoren gesticht, te Brootsja, Brodera, Amadabad en Agra. 

De eerstgenoemde stad, ^) twaalf mijlen ten noorden van Suratte 
en negen a tien mijlen landwaarts in aan een rivier gelegen, was 
een centrum van weefnijverheid. Daar waren de beste bleekerijen en 
vandaar kwamen meer kleeden en doeken dan van eenige plaats in 
Indië. In de bergen werden agaatsteenen gevonden, waarvan allerlei 
fraais werd gemaakt. 

Vijftien mijlen noordelijker lag Brodera, ^) een landstad, waar fijne 
en fraaie kleeden gemaakt werden, maar kleiner dan te Brootsja. 

Amadabad, een volkrijke stad, breed gebouwd met mooie huizen 
was vijf dagreizen van Suhalys strand verwijderd. Er waren vier 
bazaars, waar drukke handel werd gedreven in allerlei kleeden, con- 
fituren en kunstvoorwerpen. *) 

Naar Agra ^) had Akbar zijn hof, dat tot 1566 te Delhi zetelde, 
verplaatst. Reeds vóór dien tijd was het een groote volkrijke stad 
met vele rijke huizen der grooten, die alle verre overtroffen werden 
door het paleis, dat Akbar liet bouwen. In die stad moest de 
Compagnie eenige vertegenwoordigers hebben voor den handel en 
meer nog wegens de nabijheid van het hof, dat nu eens te Agra, 
dan weer te Delhi zetelde. 

Een goede verstandhouding met dat hof was voor de Compagnie 
een voorwaarde voor haren handel in het rijk van den Mogol. ^) 
Want zonder des konings firman was in die landen niet te „negotieren." 
De gouverneurs toch veranderden meestal ieder jaar en waren er 
op uit hun zakken te vullen. Het hof was ver en zij regeerden vrij 
wel als koningen. Indien zij maar met geld en roof bij den koning 
kwamen, vonden de klachten der kooplieden weinig gehoor ^), tenzij 
een bondig firman van den Mogol hen beschermde. 



^) Valentijn IV, 2de stuk, p. 221—224. De laatste vier jaren genoot hij een 
tractcment van f 200 per maand. 

-) Over Brootsja, Baldaeus, Malabar, p. 19; Valentijn IV, 2de stuk, p. 151. 

*) Over Brodera, Baldaeus, a. w., p. 14; Valentijn, a. w., p. 152. 

*) Over Amadabad, Baldaeus, a. w., p. 2; Valentijn, a. w., p. 150. 

^) Over Agra, Baldaeus, a. w., p. 18; Valentijn, a. w., p. 204 vlg. 

^) Van Dam, Beschrijving, t. a. p. f. 881. 



72 

Volgens Valentijn ^) zijn de Nederlanders door de Mogols met 
veel achting en genegenheid behandeld. Dat neemt niet weg, dat er 
moeilijkheden voorkwamen, veroorzaakt door het willekeurig optreden 
van de gouverneurs, waartoe soms de Nederlanders ook wel aan- 
leiding gaven, wanneer zij trachtten de tollen te ontduiken. ^) In den 
regel werden de geschillen in der minne geschikt, maar soms eischte 
het prestige der Compagnie een krachtig en gewapend optreden. 

Dat was het geval in 1648, toen het met de „menighvuldige ge- 
welden, quellingen ende bekommeringen in den handel", en met de 
„plunderinge van 's Compagnies Logie" te Suratte te ver was ge- 
komen. ^) Vooral die plundering eischte een krachtig optreden. Daarom 
vertrok den 6'^^° Augustus de gewezen directeur van Suratte, Arent 
Barentsen, in qualiteit van commissaris naar Suratte „om door de 
wapenen 't vereijschte redres te erlangen." ^) 

1) a. w. p. 143. 

^) Van zulk pogen tot ontduiking vertelt Georg Andriesz eenigc staaltjes in zijn: 
„Beschrijving der Reizen van Georg Andriesz enz. sedert zijn uytvaert in 't jaar 1644 
tot aan zijn wederkering in 't jaar 1659 door Adam Olearius in de Hoogduitsche 
Taal, uitgegeven en van ]. H. Glazemaker vertaalt, 't Amsterdam 1670, p. 20 en p. 24. 
Toen hij in 1645 als dienaar van een commissaris met dezen en anderen van Suhaly 
naar 't kantoor te Suratte ging, werden zij gedwongen de alfandigo of het tolhuis te 
passeeren. Zij moesten hun wapens afgeven en hun bagage laten onderzoeken. De 
tolbeambten vonden in de kist van den commissaris vier duizend rijksdaalders, van 
welke zij toen 10 "/o als tol namen in plaats van 2 ° g (vgl. boven p. 68, noot) 
Evenzoo geschiedde met de 40 rijksdaalders, die de dominé wou binnensmokkelen. 
Te Amadabad viel het volgende voor. Toen de „Sabandar of Tollenaar " met eenige 
Cambaische kooplieden in de „karavansera" kwam, waar de goederen der Hollanders 
lagen en aan een Benjaan beval die goederen te schatten, waardeerde deze „een goet 
vrint van de Hollanders, hen ten gevalle en ook niet zonder zijn voordeel" die 
goederen veel minder dan zij waard waren. Hij werd daarvoor gruwelijk gestraft. 

•^) Voor 't volgende: Baldaeus, a. w., p. 3^ — 12; Pieter van Dam, Beschrijving, t. 
a. p. f. 888 vlgg. De grieven tegen de overheden waren, volgens een ontwerp- 
firman door den directeur Jan v. Teylingen opgesteld, behalve de genoemde plunde- 
ring en een daarbij gepleegden doodslag: de goederen der Compagnie verlieten 
de alfandigo altijd met aanmerkelijk onderwicht; de vrijheid van tol, der Compagnie 
in het binnenland toegezegd, werd niet gerespecteerd: op de wegen van Agra en 
Amadabad naar Suratte waren in de laatste jaren 41479 realen afgeperst. 

Andere grieven meldt Van Dam: In 1635 was een nederlandsche jongen in Agra 
van de logie weggeloopen, tot de besnijdenis gebracht en niet uitgeleverd. In 1646 
had prins Orangzeb te Amadabad den uitvoer belet van de door de Compagnie gekochte 
salpeter. Ook had die prins een onderbarbier, die de besnijdenis had ondergaan, in 
zijn protectie genomen. 

*) Van Dam (Beschrijving, t. a. p. f. 889.) voegt er bij : „hoewel tegens de last en ordre 
van hier derwaarts afgegaan." Die last kan niet slaan op dit speciale geval, waarover uit 
patria nog geen order kon zijn gegeven. De woorden moeten dus betrekking hebben op een 
algemeene bepaling aangaande voorzichtig en niet gewelddadig optreden in 't algemeen. 



73 

Door het slechte zeilen van een zijner schepen kwam Barentscn 
eerst eind October met zijn schepen in de „Kom van Suhaly." Dat 
was te laat om de moorsche schepen, die van Mocha kwamen, aan 
te houden en uit hun lading een som gelds te lichten tot een waar- 
borg voor vergoeding bij eventueele aanslagen op de kantoren der 
Compagnie buiten Suratte. De schepen waren reeds gearriveerd en 
uit de schepen in de baai was niets meer te halen. Zonder waarborg 
voor de veiligheid der binnenwaartsche kantoren, achtte Barentsen 
het niet geraden met geweld genoegdoening te eischen. 

Het volgend jaar had de nieuwe directeur Van Teylingen meer 
succes. Nadat de nederlandsche colonie zich op schepen in de baai 
had teruggetrokken, werden naar een wel overgelegd plan ^) den 
j^den gjj i5den September twee groote schepen aangehaald. Eén er 
van behoorde aan den Mogol zelf. In die schepen werd aan geld 
meer dan elf ton gevonden en nog voor vier en een halve ton aan 
vrachtgoederen voor verschillende moorsche kooplieden. De schepen 
werden uit respect voor den Mogol met de bemanning naar Suratte 
gezonden; het geld en de goederen werden achtergehouden. 

Zoodra de gouverneur der stad bericht had gekregen van het ge- 
beurde, en daaruit begreep, dat het de Compagnie ernst was met 
haar optreden, zond hij dadelijk brieven aan den directeur, met ver- 
zoek hem de pretensiën der Compagnie op te geven. Toen aan dat 
verzoek was voldaan, kwamen moorsche commissarissen met de aan- 
zienlijksten van de stad naar 't strand van Suhaly om over de eischen 
te onderhandelen. Na eenige ruggespraak met den gouverneur werden 
die afgezanten het met Van Teylingen eens. De waarde der geroofde 
goederen geschat op ƒ 66,000 werd vergoed ") en de Compagnie 
kreeg verlof tegenover de alfandigo een eigen pakhuis te bouwen. 
De nederlandsche kolonie keerde daarop naar Suratte terug. Het 
pakhuis werd gebouwd en met toestemming van den gouverneur 
voorzien van een hooge muur, „waardoor den Compagnie bevrijd 
werd van groote onderwichten, die men door diefaghtige handen 
gestadigh onderhavigh was." De alfandigo was dus blijkbaar, behalve 



1) Baldaeus, a. w., p. 12. 

-) Van Dam (Beschrijving, t. a. p. f. 894.) vertelt, dat de Compagnie bij de in 
beslagneming en de vergoeding ƒ 41482 : 16 heeft geprofiteerd. Van Teylingen heeft 
dus vermoedelijk te veel aan pretensiën opgeschreven, of vermoedelijk niet al het 
achtergehoudene teruggegeven. 



74 

een tolhuis een entrepot, waarin de goederen werden opgeslagen 
vóór zij den tol passeerden. 

Door bedreiging met opheffing van de nederzetting der Compagnie in 
Suratte verkreeg Van Teylingen van den koning een „bondig firman." 
Daarbij werd aan de Compagnie in 't algemeen den onbelemmerden 
handel in het gansche rijk geaccordeerd, uitgezonderd, dat te Suratte 
en Brootsja de ordinaris tollen zouden moeten worden betaald. Aan 
alle gouverneurs en andere subalterne bedienden werd gelast, dat zij „haar 
zouden hebben te onthouden eenige raderijen of tollen op de wegen 
af te vorderen of eenige moeilijkheden of moeiten aan te doen." 
De gouverneur, onder wiens bestuur de affronten waren voorgevallen, 
werd teruggeroepen en de nieuwe ambtsdrager kreeg last, den 
vreemdelingen de behulpzame hand te bieden en niet meer af te 
vorderen dan den gewonen vastgestelden tol. 

In de volgende jaren was er weinig reden tot klagen. Indien al 
een gouverneur eens dreigde met het een of ander, b.v. het openen 
der pakken bij 't passeeren van de alfandigo, dan zag hij er toch 
„na onse instantige doliantie" van af. Dat kostte wel eenige tegemoet- 
koming van de zijde der compagnie, als b.v. het verkoopen van 
geschut, wat de Heeren Zeventien verboden hadden. De directeur 
gaf echter minder stukken dan de gouverneur wel wenschte om den 
op kanonnen beluste met de overgeblevene „in devotie te houden." ^) 

Geheel tevreden met het optreden van 's vorsten ambtenaren bleef 
de Compagnie niet. Daarom werd er besloten tot een gezantschap 
naar Sjah Jehan. Na eenig uitstel wegens afwezigheid van den Mogol 
vertrokken de kooplieden Jan Berchout en Jan Tak van Agra, om 
den vorst met een groote „schenkagie" ^) te begroeten. 7 Januari 1653 
kwamen zij te Delhi aan. ^) 

Nadat zij eenige grooten begroet hadden onder wie de voedster 
van 's konings dochter, werden zij op den derden dag in plechtige 
audiëntie ontvangen en mochten zij aan Zijne Majesteit de wenschen 
van de Compagnie voordragen, waaraan hij voor 't meerendeel 
tegemoet kwam. 

De koning stemde er in toe, dat de alliantie van vriendschap voor 



1) Gen, Miss. 24 Dec. 1652. 

-) Deze bedroeg voor den koning, zijn dochter, de hertogen en de grooten ƒ30,552. 

^) Voor deze legatie Gen. Miss. 19 Jan. 1654. 



75 

altijd werd bevestigd en dat de tollen te Suratte en Brootsja voor 
55,000 ropias of 66,000 gulden ^) jaarlijks zouden worden afgekocht, 
opdat de Compagnie in het vervolg bevrijd zou zijn van de „vexatiën" 
der ambtenaren. Hij zou in een bondig firman den handel in Bengalen 
voor de Compagnie vrij verklaren. Verder keurde hij het goed, dat 
de Compagnie in zijn gebied haar schepen repareerde of nieuwe deed 
maken, op 't strand van Suhaly een gebouw oprichtte voor hare 
suppoosten en papieren, en dat zij in het vervoer van paarden niet 
zou worden gehinderd. Twee eischen kon de vorst niet toestaan. De 
koran verbood hem, volgens zijn zeggen, te verhinderen dat voort- 
vluchtige Nederlanders door de Mooren werden aangehouden en be- 
sneden. Ook kon hij niet beloven, dat hij de bevrachting van Com- 
pagnies schepen met particuliere goederen niet zou verbieden, want 
hij had zelf schepen uitgerust om daarmee vrachtvaart uit te oefenen. *) 
De kooplieden, met het toegestane al tevreden, waren nu den 
koning ter wille en beloofden, dat de schepen van hem en zijn 
onderdanen brieven van vrijgeleide zouden krijgen van de Compagnie 
voor de vaart op Atjeh en plaatsen daaromtrent gelegen, en dat hun onder 
geen voorwendsel overlast zou worden aangedaan. Hiermede han- 
delden de gezanten tegen de bedoeling van Gouverneur-Generaal en 
Raden, die de met de Compagnie concurreerende vaart der Mooren 
op die streken wilden vernietigen, waartoe zij als voorwendsel ge- 
bruikten hun strijd met Atjeh. ^) De vorst liet hen van die toezegging 
een acte opmaken en teekenen — en daarna wachten op het firman, 
waarin zijn beloften zouden worden vastgelegd. Het wachten duurde 



^) Dat was niet veel minder dan in de laatste 4 jaar gemiddeld aan tol was 
betaald en 15000 ropias of 18000 gulden meer dan Gouverneur-generaal en Raden 
bevolen hadden. 

^) Vgl. voor 't verbieden van 't bevrachten van andere dan koninklijke schepen, 
A. Hotz, Journaal der Reis van den gezant der O.-I. Compagnie Joan Cunaeus naar 
Perzië in 1651 — 1652. Amsterdam 1908. (Uitg. Hist. Gen., derde serie, No. 26. p. 6 vlg.) 

") Baldaeus, a. w., p. 8. Brief van den directeur Van Teylingen aan den Mogol 
van 10 Febr. 1649, art. 5. De Compagnie heeft met haar maatregelen succes gehad. 
Baldaeus, a. w., p. 13: In voorgaande tijden zonden die van Zuratte in de maanden 
Mayo, Junio, buyten het zaizoen des Jaars langs de landstreek van India (wanneer 
de Portugeezen met haar vaartuigen binnen waren), één ofte twee schepen naar 
Achin, Tanasseri, Queda, de Maldives, geladen met kleeden, catocnen; brengende in 
Retour peper, campher, nagelen, nooten, foelie, zandclhout, porceleyn, chineesche 
zijde, bij die van Malacca daar gebracht; voorts tin, benjuin, sapan- en agelhout, 
elephantstanden, en van de Maldives kokos, alzoo daar weynigh andere koopméin- 
schap valt." 



76 

lang en de kosten der legatie stegen met lederen dag uitstel. Daarom 
verlieten de gezanten Delhi, aan het hof twee moorsche makelaars 
achterlatend om de „mandementen te prosequeren." Toen eindelijk 
het verlangde firman kwam, waren de beloften „soodanich getroc- 
queert ende verdraaijt, dat met de gedane toezeggingen bijna geen 
gemeenschap schenen te hebben." 

Een nieuwe reis van Berchout naar Delhi had geen succes; zonder 
nieuwe geschenken was geen toegang tot het hof te krijgen. De 
Regeering te Batavia had echter geen lust na een gezantschap, dat 
ƒ 58,466 had gekost ^), en slechts één twijfelachtig voordeel had 
opgeleverd: het afkoopen van den tol voor ƒ66,000, nogmaals een 
legatie te zenden. 

De nieuwe firman met zijn onduidelijke toezeggingen gaf in de 
volgende jaren aanleiding tot vele disputen tusschen den nieuwen 
directeur Pelgrom en de Suratsche koninklijke ambtenaren. 

De groote winsten, die de kooplieden te Suratte behaalden op de 
goederen door de Compagnie aangevoerd, wekten de afgunst van 
het hof. De koninklijke familie wilde deelhebben aan die profijten. 
De Compagnie echter wenschte met geen machthebbers in handels- 
relaties te staan. Toen dan ook de voedster van 's konings dochter 
verzocht jaarlijks een vierde van de aangevoerde goederen tegen den 
door de kooplieden gecontracteerden prijs te koopen, werd haar dat, 
„om de quade consequentiën discretelyck afgeslagen." ^) 

De koning zelf gebruikte sterker middelen om zich een deel van 
de winst te verzekeren. Een groote koopman Wiersia Wora, perste 
hij 100,000 ropias af, omdat hij in de laatste jaren te veel op de 
goederen der Compagnie had verdiend. ^) Voortaan, zoo had hij 



1) Er waren ook tegengeschenken door de Compagnie ontvangen: „De schenckingen 
van zijn koninkl. Maj., zijn oudste dochter, de prinses Saheb Begem en van de vorstin 
Bourichanem (de voedster) bestonden in twee moorsche poockcn, waarvan een met 
vuile platte diamanten was gesierd en de ander met slechte robijnen." Daarbij kwamen 
nog een paar „g'ammelleerde" vrouwenringen van goud. „Daarmede meenen zij ons 
zeer te verheerlijken, wat wij nog voor goed moeten opnemen." Bij die schenking, 
getaxeerd op een waarde van ƒ5100 was een brief gevoegd van den Mogol. Gouv. 
Gen. en Raden besloten die maar niet te beantwoorden; omdat ook het bezorgen van 
zoo'n antwoord niet best ging zonder een nieuwe „schenckage. ' (Gen. Miss. 26 Jan. 1655.) 

-) Gen. Miss. 19 Jan. 1654. 

^) Vgl. Valentijn V, 2de stuk, p. 145, waar hij vertelt, dat onder de kooplieden 
in Suratte sommige Benjaansche kooplieden zoo rijk waren, dat zij de geheele lading 
van één schip alleen of met een ander opkochten, en weer alle waren leverden, die 



n 

te kennen gegeven, wilde hij zelf de goederen tegen de prijzen van 
het met de kooplieden gesloten contract opkoopen. De directeur 
Pelgrom was gelukkig in staat den koning van zijn voornemen af te 
brengen. ^) Ook latere bedreigingen in die richting werden niet uit- 
gevoerd. ^) 

Moeilijkheden met het hof konden ook ontstaan door de begeerte 
van den vorst naar europeesche dienaren. De nieuwe gouverneur, 
die na de bovenvermelde represailles in 1649 gezonden werd, moest 
zien tien konstabels te krijgen, wel ervaren in oorlogszaken en den 
omgang met grof geschut. ^) Onder de klachten, die de directeur toen 
te berde bracht was er ook een over het terughouden van twee 
besneden Nederlanders. ^) Eenige jaren later (1657) eischte de koning 
van het kantoor twee schilders en een chirurgijn, dienaren van de 
Compagnie. Ofschoon ongaarne, daar het in den regel lastig was 
die dienaren terug te krijgen, willigde de directeur van Gendt het 
verzoek in. Hij zorgde er echter voor, dat de gezondenen voorzien 
bleven van een „eerlijke gagie en qualiteyt," zoodat zij in dienst 
bleven van de Compagnie, en geen loon van den koning behoefden 
te ontvangen. ^) 

Het kantoor Suratte was een der voornaamste van de Compagnie. 
Het leverde aanzienlijke winsten. ®) 

Jaarlijks verlieten in Augustus of September eenige schepen Batavia 



zoo'n schip noodig had. Hiervan maakten zij echter geen gewag, omdat vroeger de 
Mogols wel het geld van zoon rijken Benjaan leenden en nooit teruggaven, en als 
hij er van sprak met zijn geslacht uitroeiden. Zoo'n geval vertelt Georg Andriesz. 
a. w., p. 22 en noemt als datum van de uitmoording 27 Nov. 1645, toen hij in 
Suratte was. 

1) Gen. Miss. 19 Jan. 1654. 

2) Gen. Miss. 28 Jan. 1655. 
^) Baldaeus, a. w., p. 12. 

*) Baldaeus, a. w., p. 8, vgl. boven p. 72, noor 3. De gouverneur antwoordde op die 
klachten: De eene was naar Perzië vertrokken, de ander gevlucht, reeds 8 maeinden 
dood. Als de Nederlanders het gebeente wilden terug hebben, zou bij het zoeken 
de behulpzame hand geboden worden. 

») Gen. Miss. 17 Dec. 1657. 

^ De winsten bedroegen volgens de generale missives voor de afgeloopen boek- 
jaren, sluitend 31 Mei, in 



1652 ƒ 161025 

1653 ƒ 197732 

1654 ƒ 396816 

1655 ƒ 237203 

1656 f 68925 



5; 11. 

15 : 19. 
1 : 13. 

16 ; 10. 
7: 2. 



78 

met bestemming naar Suratte en Perzie. Na drie maanden ongeveer 
arriveerden zij in „Suhalys Kom." Hun lading bestond vooral in 
specerijen. 

Eenigen tijd later, in Januari, ^) kwam een tweede bezending goe- 
deren met de zoogenaamde Tayoansche of zilvervloot. Deze schepen 
waren in Mei van Batavia vertrokken naar Japan en Tayoan op 
Formosa, hadden van daar hun koers genomen over Malakka en 
Ceylon naar Suratte en Perzië, en keerden, na een afwezigheid van 
ruim twaalf maanden, over Coromandel voor Batavia terug. ^) 

Met deze beide bezendingen werden te Suratte een menigte goe- 
deren aangebracht: specerijen van de Molukken, staafkoper, kamfer, 
schuitzilver ^) van Japan; thee, zijde, radix china van China; ^) tin 
van Malakka; kaneel van Ceylon en nog vele andere koop- 
manschappen. ^) 

De groote winsten zaten vooral in de specerijen: nagelen, foelie, 
noten en rompen (stukken van noten), terwijl ook op het koper en 
tin ongeveer 100 % werd gewonnen. Voor het bij [den verkoop 
verkregen geld werden allerlei soorten kleeden, dekens, garen, indigo, 
drogerijen ®), salpeter, ruwe diamanten, zeep en granen ingekocht. 
Dikwijls konden ook nog contanten naar Batavia gezonden worden. 

Toch was de Compagnie niet tevreden met de behcialde winsten. 
Er konden grootere gemaakt worden. 

De aangebrachte koopwaren werden sedert eenige jaren volgens 
een vast contract aan de kooplieden geleverd. Het laatste contract 
in 1650 door den directeur Joan van Teijhngen gesloten, was in 1653 
afgeloopen. Reeds voor den afloop van het contract was het den 



^) „Januari", volgens de Instructie voor Van Goens, 19 Sept. 1653. 

2) Baldacus, Ceylon, p. 83. 

^) Grove Japansche munt. Van dit schuitzilver kreeg Suratte slechts een deel, 
als Bengalen en andere kantoren voorzien waren, want te Suratte was goedkoop geld 
te lecnen tegen ^/^ °/o per maand. Op andere kantoren. Tonkin, Bengalen, Coro- 
mandel, Tayoan en Siam was het duurder. (Gen. Miss. 26 Jan. en 24 Dec. 1655.) 

*) Een bijna vergeten geneesmiddel. (F. A. Flückiger, Pharmakognosic des Pflan- 
cnzreiches, 3de Aufl., p. 325. Vgl. Jan Huygen van Linschoten, Itinerario II, register 
op radix.) 

^) Zie beneden p. 79, noot 3 het contract door Van Teylingen met de kooplieden 
in Suratte gesloten. 

®) Zooals: mirabolanen, een vrucht die veel looistof bevatte. (Itinerario II, zie het 
register.) caetsiouw. ( Hobson-Jobson. s. v. catechu.) a fragrant extract from the wood 
of several species of acacia. (Itinercirio II, register op „cajou".); poetsiock (Hobson- 
Jobson, s. v. putchock.) a fragrant root. (Itinerario II, zie register op „costus".) 



79 



Heeren te Batavia duidelijk geworden hoe „pernicieus" de genoemde 
„contractatie" voor de Compagnie was geweest. ^) Vooral de spece- 
rijen werden veel te goedkoop geleverd. De daarvoor vastgestelde 
prijzen hadden Gouverneur-Generaal en Raden evenmin als de Heeren 
Zeventien goedgekeurd. De eersten hadden daarom voor die goederen 
het contract willen breken, maar in patria hadden de heeren Majores 
het beter geoordeeld, nu het contract eenmaal gesloten was, woord 
te houden. ^) Hoe hoog de winsten op de specerijen na afloop van 
het contract konden worden opgevoerd, bewijst een staatje, dat aan 
den voet der bladzijde wordt medegedeeld. *) 



1) Gen. Miss. 24 Dec. 1652. 

2) Van Dam. Beschrijving. Hij geeft de lijst van de te leveren goederen, met de 
prijzen als volgt: (1 R. = 1 Ropia = 24 stvrs.) 

2500 man nagelen tot R. 52 \ 

2200 „ noten 17 ] ge 

2300 „ rompen 13 i <^ 

140 sockels foelie (1 sockel = 154 pond) „ „ 72 f vb 

600 man campher 27 f 

500 „ lange peper „ 5 > « 

200 „ thee .60 [ ^ 

100 „ galiga „ „ 8 l § 

100 „ cubeben (een medicijn) ... „ „ 6 I 6 

5000 .. sappanhout „ SVj ] ^ 

500 „ alluyn 8 / 

1000 „ vermillioen 64 % 

1000 „ quicksilver 65 1 g 

1500 ., elephantstanden , .. 80 f >^ 

6000 .. thin 28'/2 } g ^ 

2500 „ spiaulter 20 [ B^ 

1500 „ koper ,32 1 w 

100 „ sandelhout „ 22 ' 

200 „ radix china (een medicijn) ) j •• u 

Qn •lUi/i Ui.\( waarvan de priis naer haer 

80 „ aguilhout (aloe-hout) > , , ^ j j i * 

2^1^.. 1 \ deught soudc werden gemaeckt. 

^ Het volgende staatje is ontleend aan het in Hoofdstuk IV nader behandelde 
„Vertoogh" van Van Goens 





Aanvoer 


Verkoop 


Geheele 


Geheele 




specerijen. 


specerijen. 


aanvoer. 


verkoop. 


1653 


ƒ 85289 


f 328059 


ƒ 302502 


ƒ 693269 


1654 


„ 73401 


„ 479200 


„ 311777 


„ 952423 


1655 


„ 22521 a) 


„ 138305 


„ 271398 


„ 603041 


1656 


„ 63127 

a) alleen nagelen 
en rompen. 


„ 355990 


„ 293532 


.. 693427 



80 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR