ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

212

212 

's Comp's residentie in Persia niet dan groote ongenuchte te verwachten ware 
geweest". Daar dus de geheele macht tegen den vijand gericht moest worden, 
werd de fiscaal Johannes Grevenraedt afgezonden om met de jachten Saphier 
en Avenhorn naar de drie kruisende schepen voor Diu te zeilen en vandaar 
met de geheele macht naar Sindi te varen. Zoo heeft Grevenraedt gedaan, 
en is daarop met de chaloup de Maagd van Dordt weder naar Suratte terug- 
gekeerd. Tusschen de rivier van Suratte en Sualys kom zijn hem tegen- 
gekomen 16 Port. fregatten, die tot convooi van een caffila naar Cambaya 
uitgezonden waren. Deze fregatten overvielen op de reede van den grooten 
Mogol de chaloup, die gewapend was met 4 ijzeren stukken, schietende 
„6 ende 3 U cloots," en bemand met 11 „cloecke" soldaten en 4 matrozen, 
één timmerman gen. Steven Claesz en Grevenraedt met zijn jongen, te zamen 
18 man. Na een gevecht van groot 2 uur, in het gezicht van de onzen, die 
op Sualys strand in 's Comp's tent lagen, werd de chaloup veroverd met 
een verlies van 1 matroos, 2 soldaten en den timmerman. De overigen op 
drie na waren allen gekwetst. Onder hen Grevenraedt, die, nadat al kwartier 
gegeven was, nog met een zijdgeweer was getroffen. Voor zij zich overgaven, 
hadden de onzen zeer dapper gevochten, wat hun grooten roem onder de 
Mooren heeft verschaft. Volgens gerucht toch hadden de Portugezen wel 
30 dooden op 5 vaartuigen, terwijl zij wel 700 man sterk waren geweest. De 
chaloup met de gevangenen hebben de Portugeezen eerst naar Daman en 
daarna naar Goa gebracht zonder „eenich het minste respect te dragen, dat 
zij dezelve tegens 't recht der volcken op een neutrale Conincx reede hebben 
overweldicht en schoon genomen." Protesten en „instantiën" tot vrijlating 
van de gevangenen door Van Goens en den directeur Pelgrom hebben geen 
resultaat gehad „zulcx wij genootsaeckt zullen wesen dit gewelt gelijck ons 
de natuyrlycke reden leert in wederwraecke met force te resisteeren, waertoe 
aireede na Suratte ordre gegeven, ende den directeur aldaer aengeschreven 
is, dat hij vermogen sal alle Port. vaartuigen in wat zeehavens onder het 
gebied van den grooten Mogol het oock soude mogen wesen, vijandtlyck 
aen te tasten ende na de veroveringe voor goede prinsen te verclaren." 
S^ Grevenraedt is op 23 April, niet zonder groote „suspitie" van vergeven 
te zijn, binnen Goa in de gevangenis overleden. Op verzoek van de residenten 
in Wingurla, had de viceroy don Bras de Gastro toegestaan hem daar te 
begraven. Zoo is hij gelukkig uit die „atroce natie haer handen geraeckt, 
gemerckt anders naer alle apparentie nevens de vordere gevangenen, zijn 
leven lanck in ellendicheijt soude hebben moeten doorbrengen." 

De schepen Muyden, Sluys, Cabcljau, Saphier en Avenhorn hadden 
voor de „bhare van Chindi" geen engelsche schepen bemerkt, en zich 
daarop gehaast om 't geen in Sindi voor Perzië gereed lag te laden en dan 
verder de engelsche vijanden in de Perzische golf op te zoeken. Voor zij 
nog tot hun vertrek gereed waren, kwamen op 2 Febr. de vier engelsche 



213 

schepen Blijde Boodschap, Duif, Valck en Endever uit zee met volle zeilen 
op hen aanvaren ,, stellende alle vier hunnen coers recht op Muyden, die 
de vlagge voerde aen, met meyninge den admirael ter eerster instantie alsoo 
in de gront te arbeijden, daeruyt zij tegens haer vermoeden zoodanigen 
tegenstant vernamen, dat hun den moet vergingh, wierdende voorts van 
den saphier, Avenhorn cnde Sluys door 't gewelt van 't geschut zodanich 
benardt, dat het de Blijde Boodschap ende Duyf op 't loopen stelden, latende 
alsoo haer mackers d'Endever ende Valck in de clem welcke twee schepen 
hun aldus verlaten, ende als schapen onder de wolven vindende, zondt 
d'Endever om quartier, gelijck oock den vijandt uijt de Valck door vreese 
van brandt 't meerendeel de vlucht nam. Die van Sluys siende, dat d'Endever 
de witte vaen uytstack", verlieten de Duyf, „die sij al tot binnen canon schoot 
gevolcht hadden, seer onvoorsichtelyck en wierpen hun op den moedeloosen 
Endever, enterden over ende namen het schip in pocessie. Die van den 
Saphier pretendeerden het recht van naestinge, omdat den vyandt haer 
ende niet die van Sluys om quartier geroepen hadde, smeten het mede dicht 
op d'ander zijde van den overwonnen vyandt ende sonden haer boot oock 
aen boort; 't volck van Sluys trokken haer bloot geweer op die van de 
Saphier hun het overcomen willende beletten en liep voorts alle het volck 
soodanich uijt Sluijs, dat men seyt daar niet boven de dry mannen in 
bleven, soodat het wonder is, d'Engelse, die al omtrent de 40 coppen 
stercq daarin waren, met Sluys niet door gingen, verquistende alsoo met 
malcander den geheelen dach int plunderen en suijpen van persiaense wijn, 
tot den avondt toe, sonder eens na d'andere schepen om te sien, totdat 
d'Endever eyndelyck onder haer wech sonck, daermede 10 van onze cloeckste 
bootsgezellen en de 12 Engelsche te gronde gingen. Avenhorn noch Muyden 
en conden vermits vrij wat reddeloos geschoten waren d'Engelse Duyf noch 
de Boodschap, soo haest niet volgen, dies den vyandt tyt ende gelegentheyt 
hadde om het gevluchte volck van de Valck te bergen ende gingen soo 
met volle zeylen doorstrycken. De Cabelau, die gelast was (om dies wille 
het persiaens Cargasoen in hadde) hem wat buijten dit gevecht te houden 
liep groot pericul van den vijandt genomen te worden, en schoon 
Muyden, Avenhorn, ende Cabelau hun best genouch deden om d'Engelse 
te vervolgen, soo synse door sonderlinge beseijltheijt ende het faveur van 
den duij stèren nacht ontcomen ende hebben, sich binnen de Suratse rivier 
gesalveert. Middelerwyle was de Valck met omtrent 20 Engelse blijven 
leggen drijven, sonder dat iemant van de overwinners, selver tot groote 
verwonderinge van den vijandt, daerna tadelde; doch d'Endever gesonken 
synde hebben die van Sluijs ende de Saphir hem daeraf meester gemaakt 
sulcx door deze groote disordre d'Ed. Comp. niet meer als een legen romp 
daer alles uytgeplundert was te buyt en is gevallen, sijnde de Boodschap ende 
Duyf met eenen schoonen rijckdom namentlyck 400 duijsent gl. in comptant 



214 

ende 40 baaien persiaense sijde doorgegaan wesende, niet te twijfFelen 
ingevalle d'onse met voorsichticheyt ende goede ordre hadden te werck 
gegaan, of souden den vijandt dien goeden buyt mede wel hebben ontzet. 
Blijckende uijt alle het gepasseerde, dat het in dese vlote aen een goet 
hooft over deselve ontbroken en ider maer sijn eygen passie en drift 
gevolcht heeft, welck versuym den coopman Pieter de Bije wesende 't opper- 
hooft van 't comptoir Chindi meer als den schipper van Muyden te imputeeren 
sy, alsoo d'E. de Bije door den Suratsen raedt daardoor gequalificeert was 
en met Muijden in zee geweest is, gevende sijn flauwe advisen ende cleen 
bescheyt van dese rescontre genouchsaem te kennen, hij hem die saeck niet 
seer ter herten getrocken, of immers de selve qualijck beleijt heeft, gemerckt, 
voor het begin van den slach met den anderen niet eens geresolveert heb- 
ben, hoedanich sij den vyandt souden aentasten. 

De schippers van Sluys ende Saphier, wesende den eenen Christiaen 
Sluijker ende den anderen Johan Romaijn genaemt, sijn beyde int bijsonder 
over hunne groote onvoorsichticheyt en sorchlose actie niet weynich te be- 
schuldigen geweest ende hadden daerover ten minsten wel een deportement 
verdient, doch aengesien sij hun naderhant tegen den Portugees, seer manne- 
lyck en vroom gedragen hebben, soo sijn wij door intercessie van den 
commissaris van Goens bewogen die faute eenichsints te conniveren. De 
ontvluchte Duyf ende Boodschap onthielden sich in de suratse rivier, daer 
wy vertrouwen sij bij continuatie van oorloch niet en souden hebben 
derven buyten coomen often ware haer eenich merckelyck secours uyt 
Engelandt hadde toegevloyet. Sulcx het verlies van hare twee schepen, 
schoon wij daermede weynich gecouvreeert hebben, hun al in een groote 
verswackinge gebracht heeft, daer anders met den Portugees eens in com- 
binatie geraeckt wesende ons misschien noch al eenige afbreuck souden 
hebben mogen doen. Sulcx, soo den oorlögh tusschen haer ende ons hadde 
blijven continueeren consequentelyck haere totale ruyne alhier in India daer- 
uijt soude sijn voortgecomen, 't welck nu met den getroffen vrede tot haer 
behoudt anders uyt gevallen is." 

De gevangenen uit de Eng, schepen bedroegen 73 koppen, waaronder 
3 hoofdofficieren. „Van het gemeene grauw" verbonden velen zich met 
plechtigen eed aan de Comp. De officieren werden allen, onder eede van 
gedurende één jaar niet tegen den staat der Nederlanden te dienen, in Suratte 
vrijgelaten, omdat de Nederlanders zeer verlegen met hen waren, en het 
bleek, dat zij het gemeene volk maar tegen hen oproerig maakten, terwijl zij 
vrijgelaten „in contentie met den anderen leven, gelijck meer voorkomt." 
Verloren door de Nederlanders 18 dooden o.a. de schipper van Avenhom 
en 22 gekwetsten. 



BIJLAGE II. 



Aen den Grootmachtighsten 
Raja Singa Raju Keyset van Ceylon. 



Gtootmachtighste Keyser, vorst en Heere. 

Deese regulen dienen omme U K: Mayst. mijn compste in zijne stadt 
Colombo bekent te maken, en hoe ick van mijne heeren den Gouvern' 
Generael ende Raden van India met een machtige vloot van 16 scheepen 
nae d'cust van India en tot beschermingh Uwer Mayt= landen, tegens onsen 
gemeenen vyandt den Portugees te waater ende te Lande uitgesonden zij. 

Van deese 16 scheepen hebbe ick 9 groote ende een cleijn voor de bhare 
van Goa gelaaten en zij ick met d'overige alhier in u mayts landen met 
gesondt en welgemoet crygsvolck aengecomen, in vaste hoope om deselve 
tot dienst u. k. m. te gebruycken; ende dat ick d'eere sal hebben omme 
een dienaer Syner Mayt^ hooge desseijnen genaempt te werden, gelijck ick 
mij selve daertoe aenbiede, ende dat sich het hooghwijs verstandt Zijn. 
Keyz. Mayt. niet sal ontsetten ofte altereren aen de bejegeningh, die U. 
K. M. van d'onse buijten ordre mocht aengedaen zijn; 

Hoe swaer mij Z. K. M. misnoegen ter harten gaet, kan ich met de penne 
soodanich het is niet wel uitdrucken, wenschende daerom: In antwoorde 
deeser hoe eer hoe liever te verstaen, door wekken middel ick U. K. M. 
tevreden sal stellen, omme oock met den eersten te rechte doen vorderen 
en bij mijn heeren aen te claegen, alle die U. K. M. onredelyck mochten 
hebben bejegent en vertoornt, en soo stout sijn geweest derselver goederen 
aff te roven, dat geheel buyten onse intentie geschiet is. Gelyck selfs U. 
K. M. na sijn Keys. oordeel seer wel can afmeeten. Ick versoucke dan 
Instantelyck, dat U. K. M. alle verdere bloetstortinge gelieve te verhinderen, 
opdat d'onschuldige inwoonders zijner K. M. Landen in geen meer becom- 
meringh ende ellende vervallen, wekkers onnosele Bloet nu soo erbarmelijck 
ende onrechtvaerdich vergooten wert. Ick vreese grootelijcks, dat eenige boose 
vijanden van onse alliantie ende die de vyantschap tusschen Zijne K. M. 
ende ons sijne dienaren trachten te bewercken hier aff wel mochten d'oor- 
saeck zijn. Maer als ick daertegen U. K. Mayt^ hooghwijs ende beproeft 
oordeel aenmercke, dunckt mij 't selve weder onmogelyck te zijn. Omme 
dan U. K. M. alle voldoeningh, die mogelyck sal zijn, te bewijsen, soo 



216 

versoecken, dat U. K. M. mij van sijne Redenen ende onlusten gelieve te 
informeeren ende middelerwijle geen Portugueezen ofte haare complicen 
gehoor te verleenen, opdat daerin versien mach werden. lek hcbbe aireede 
bevoolen, dat geen van U. K. M. volck sullen beschadight werden, alwaert 
dat zij jemant in U. K. M. laage Landen mochten attaqueeren, ter tyt 
en wijle ick andtwoort van U. K. M. sal ontfangen daernae ick noch 
eenige daagen sal vertoeven. Maer soo immers U. K. M. niet gelieft te ver- 
waerdigen sijn misnoegen bekent te maken ofte mij te antwoorden, sal ick 
mij echter maer in postuer van defensie houden en met scheepsmacht met 
alle crachten onse revengie op de Portuguesen sien te verhaalen, die ick 
voor de autheurs dan sal moeten houden, U. K. M. op onse trouwe ver- 
sekerende, dat wij geen offentie tegen sijn keijserl. landen sullen bethoonen, 
ten waare, dat wij daer toe om 't verdere bloetstorten te verhinderen met 
alle gewelt gedrongen wierden, 't welck ick de wijsheijt Z. K. M. niet toe- 
vertrouwen can. Soo ick nu de eere geniete van U. K. M. antwoort te 
ontfangen, soo gelieve U. K. M. daemevens een persoon van goet verstandt 
en qualiteijt te sturen met macht van U. K. M. om met mij in onderhande- 
linge te treeden, gelijck ick oock volcomen geauthorizeert zij omme met 
U. K. M. alle verschillen te vereffenen, opdat de vrundtschap van sijn K. 
Mayt. en ons in zijn voorige glants herstelt werde, ende wij Z. M. dienaren 
de rust in onse lange dienste en belooning voor onse wonden en verminkt- 
heden mogen genieten. De dooden, waervan ons de geheugenis soo smertelijck 
ende die U. K. M. niet onbewust zijn, sullen wij verbij gaan. U. K. M. 
gelieve mij verder te laaten weeten aen wien ick den brieff van mijn heer 
den gouv generl. neffens tgeschenck aen Zijne K. M. gesonden overleveren 
sal. Brenger deeses is genaemt frangoijs van den Bergh, officier onder mijne 
guarde, die U. K. M. onder sijn bescherminge gelieve te accepteeren ende 
spoedich weder aff te senden, opdat ick haest van U. K. Mayt. gesontheijt 
mach verwittigt werden. Godt bewaere U. M, met onse Jongen vorst, den 
Keyserl. prins, tot glorie zijnes rijcks ende onse ruste. Middelerwijle blijve 
U. K. M. aller ootmoedigsten dienaer. 

Onderstont den admirael over d'Hollandse navale macht 
ter zee ende superintendent over de militie in zijn K. M. 
Landen op Ceylon. 

(RYCKLOFF VAN GOENS.) 
In zijn Keyserl. Mayt* fortresse Colombo 8«° January 1658. 



BIJLAGE III. 



Rijckloff van Goens, Raet van India, Admirael ter zee, superinten- 
dent, veltoverste en Commissaris van de HoUantse Natie over de 
custen van India ende Ceylon, sent desen brief aen Tirimele Neijck 
van Madure, NefFens sijnen groet met toewensingh van gesontheyt en 
een langh geluckigh leven tot vermeerdering syn(s) Rycx op aerden. 



Groof mogent vorst en Heeve. 

U Hooghts gedurende aliantien en bewesen vruntschappen aen onse natie 
heeft ons occagie gegeven om U.E. Hoogh^s landen eenmael van onse 
vyanden de Portugeesen te suijveren, opdat wij nae haer vertreck met u 
Hoogh' in een waere confidente, vaste ende seeckere vruntschap mogen 
leven, want het is onmogelijck, dat wij beijde in uwe hoogh^^ landen connen 
woonen. Wy versoecken daerom, dat uwe Hoogh' ons gelieve toe te staen, 
deselve voortaen van hier allom te verjagen, gelijck wij aen u Hoogh* dorp 
Tutucorin begonnen hebben, ende dat sulcx door u Hoogh' voor welgedaen 
mach werden gehouden. Seer gaerne had ick onse interprince u Hoogh» 
vooraf doen bekent maecken, maer overdenckende, dat de Portugeezen, 
onder u Hoogh^^ faveur hier saten, docht ons best sulcx op ons eijgen naem 
uijt te voeren, opdat sij geen protest op U Hoogh' persoon mochten heb- 
ben, die nu haer op ons mach afwijsen om hun revenge te soecken. Wij 
wachten jegenwoordigh alleen na eenich aensienl. persoon om met ons de 
saecke alhier af te handelen ende om daertoe een beginsel te maecken. Soo 
hebbe goetgedacht, nefiFens desen aen U Hoogh» te senden onsen expressen 
gesanten den oppercoopman Eduart Ooms, een lit van onsen secreten rade 
en den coopman Jacob van Rhee geaccompagneert met den resident van 
Cayl ^), een schrijver, Candia Lappa, ses soldaten van mijn guarde en 
verdere swiete. U Hoogh* gelieve denselven geloofiF te geven, ende haer 
alle onder U.E. Hoogh^^ bescherminge aen te nemen, onse intentie niet 
anders sijnde dan tot voordeel uwer Hoogh* ende sijn onderdanen te be- 
sluyten, ende dat geen andere natie uwe Hoogh^^ havenen mogen frequen- 
teren, gelyck wij oock voornemen tegens U Hoogheyts wille op Tutucorin 
niet bij der hant te nemen maer sullen tselve ongequest uwe manigaers 



*) Cayl = Caylpatnam. 



218 

overleveren, behoudende alleen een plaets tot onse woninge en defentie 
tegens onse vijanden tot onse keure, daer sich U Hoogh' op verlaeten mach 
met conditie, dat nochtans geen Portugeesen oijt daer of elders in U Hoogh*^ 
landen weder mogen incomen, die wy nu met onse macht te vier ende 
swaert allom menen te vervolgen. Wat in desen niet sij geschreven gelieve 
U Hoogh* van onsen gesant verder te verstaen. 

In erkenninge van onsen goede wille gaet aen U Hoogh* 
een getande en een ongetande Eliphant, die van Ceylon sullen volgen, 
een persiaens paert, 
240 ffi sandel hout, 
60 ffi noten, 
60 S? nagelen, 
60 ® foelie, 

1 cas roosewater, 

2 chineese gouden lakens, 
16 el rood laken, 

dat wy versoecken door U Hoogh' mach werden geaccepteert ende dat 
onsen gesant met sijn volgh spoedigh tot ons keeren magh. 

In Tutucorin Ult° January 1658. 

Was get. RIJCKLOFF VAN GOENS ende onder s' comp= 
segel ter ordonnantie van syn Ed^ gemelt ende den 
raet, CORNELIS VALCKENBURGH. Secretaris. 



BIJLAGE IV. 



Articulen ende verdrach gemaeckt tusschen S' Leonardo d'Olivera 
D'almeda, Fiadoor de Fazendo, S"^ Digo de Sousa, cap' moor d'In- 
fantcrie, ende Albro Rodrigos Boralha, gewesen cap' moor de Campo, 
als expresse gecommitteerde ende gemachtighde van S"" Joan de Mello, 
gouverneur van 't Gasteel Nossa S"^^ de Milageere, uijt de naeme ende 
van wegen Sijne Gonincklijcke Maj' van Poortugael, ter eenre, ende 
den H'' Joan van der Laen, sergeant majoor van 't Nederlantse Velt- 
leger voor gemelte Gasteel, S"^ Albert van Breugel, oppercoopman, 
ende Lucas van der Dussen, fiscael derselver macht als gemachtigde 
van d'E. Heere Rijckloff van Goens, Raet-ordinair van India, Super- 
intendent-admirael en veltoverste der voorschreven Nederlantse macht, 
in 't belegh voor t' selve casteel uijt de naeme ende van wegen de 
H. M. H. Staeten-Generael der vrije vereenigde Nederlanden ende 
d'E. E. Heeren Bewinthebberen der geoctrooij eerde Oost-Indische 
Gorap. sijne Heeren Principaelen ter ander zijde. 

l. 

Eerstelijck dat het Gasteel Nosso S'^^ de Milagere, representerende t' hooft 
van t' coninckrijck Jaffenapatnam, met alle sijne onderhorige jurisdictien, 
eijlanden, ende andere gerechtigheden, mitsgaders ammunitie van oorloge, 
alle t' gunt, wes tot defensie van t' selve casteel heeft gedient, op morgen, 
sijnde den 23 deser maent, voormiddach ten 9 uijren sullen overleveren aen 
den geenen, die daertoe sullen werden gecommitteert op de navolgende conditien. 

2. 

Alle geestelijcke persoonen sullen uijttrecken met haer klederen en kerck- 
lijck gewaet, uijtgesondert gout, silver, tzij gemunt ofte ongemunt, ofte 
eenige juweelen, hoedanich deselve oock mochten sijn, ende dat men haer 
bij gelegentheijt na Goa ofte benoorden t' selve sal brengen. 



De goederen van den overleden Portugeesen admirael Anth° d'Amar«, 
verstaen wij ons wettich toe te comen, ende dat dien volgens deselve alle 
acn onse commissarissen sullen werden ter hant gestelt. 



220 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR