ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

121

121 

liggende kust van Voor-Indië verdreven te worden: uit Tutucorijn 
en, was 't mogelijk, uit Cotchin, op de kust van Malabar. 

„Overmits de constitutie van onse desseijnen en de saecke van 
oorloge" kwam eerst in de tweede plaats voor uitvoering in aan- 
merking de opdracht aan den commissaris tot de visite van het 
gouvernement Ceylon en de kantoren Suratte en Wingurla, daarna 
nog die van Coromandel en Malakka. En als de commissaris er 
gelegenheid voor kon vinden, dan zou de Hooge Regeering gaarne 
zien, dat hij een onderzoek instelde naar de handelingen van den 
koopman Reinier Serooskercken, die al jaren achtereen den peper- 
handel bestuurde te Calecoelan, Coelan en Cananoor op de kust 
van Malabar. 

Ten slotte was de commissie ook „g'extendeert tot de directie van 
Bengale," maar de Heeren begrepen, dat „ten aenschouw van de tijden 
ende de saisoenen," die visite er wel eens bij in zou kunnen schieten. ^) 

In de jaren 1657 en '58 heeft Van Goens zijn werkzaamheden 
slechts kunnen uitstrekken voor Goas bhare, op Ceylon en omstreken, 
en op de kantoren Suratte en Wingurla. Over zijn optreden in die 
streken, gedurende het eerste jaar zijner expeditie, zal in dit en de 
volgende hoofdstukken gehandeld worden. 

's Middags, 4 Sept. 1657, was er feest op het kasteel Batavia. 
De Gouverneur-Generaal Joan Maetsuycker gaf een afscheidsmaal 
ter eere van den extra-ordinaris raad van Indië, Ryckloff van Goens, 
voor zijn vertrek als commissaris voor de visite der westelijke kwar- 
tieren ^) en als opperhoofd over de vloot en het leger, die de Por- 
tugeezen op de kust van India ^) en Ceylon zouden bestoken. 

Door den gastheer waren genoodigd alle edele heeren raden van 
India, de voornaamsten der vertrekkende personen, zooals de majoor 
Van der Laan, de fiscaal der expeditie Lucas van der Dussen, de 
nieuwbenoemde directeur te Suratte, Leonard Winnincx, de kapiteins, 
kooplieden, schippers, luitenants, vaandrigs, de notabele personen van 
het kasteel en de stad, allen met hunne vrouwen. Den scheidenden 
werd een behouden reis en victorie over de vijanden toegedronken; 



*) 't Bovenstaande uit de Instr. voor Van Goens van 5 Sept. 1657. 
2) Daghregister van het Gasteel Batavia 1656/1657, p. 213. 
^) D. i. de westkust van Voor-Indië. 



122 

in 't avondgebed Gods zegen over Compagnies wapenen afgesmeekt 
en daarna afscheid genomen. De instructie en commissie van den 
vlootvoogd en andere waardigheidsbekleeders, de brieven voor de 
opperhoofden der te bezoeken kantoren werden gelezen en geteekend 
en daarmede was de laatste hand gelegd aan de voorbereiding van 
de expeditie. 

De schepen op de reede lagen wel voorzien van manschap, 
ammunitie en victualie te wachten op de komst van den vlootvoogd. 
Deze ging den volgenden morgen naar de woning van den Gouver- 
neur-Generaal om afscheid te nemen en zich daarna aan boord te 
begeven. Hem zou plechtig uitgeleide gedaan worden. De krijgs- 
knechten van het kasteel schaarden zich in dubbele rij voor de woning 
van den landvoogd. Door dezen en vier van de vijf aanwezige raden 
van India, werd Van Goens door de hagen van krijgers naar de 
Waterpoort begeleid. Daar begaven zich allen in een groote „orembaai" 
of schepprauw en voeren naar 't jacht Ter Goes, dat de admiraals- 
vlag zou voeren. 

Op het jacht gekomen liet de Gouverneur-Generaal alle officieren 
der andere schepen aan boord seinen. Toen een klein uur daarna 
allen aanwezig waren, werd te hunnen aanhoore de commissie, waarbij 
Van Goens aan het hoofd was gesteld, voorgelezen, hun gehoorzaam- 
heid en onderwerping aan zijn bevelen gevraagd, en toen niemand 
daartegen zijn stem verhief, de vlootvoogd in zijn bevel „geauthori- 
seerd." Het volk kreeg dan „naer d' oude wijze een mutsien," en 
Van Goens noodigde zijn geleiders op „een mondt vol eeten ende 
een dronck" in de kajuit. Daarna verlieten de hooge heeren het schip. 
Nog moesten eenige provisiën en brieven van land gebracht worden, 
zoodat de gunstige landwind verliep en het vertrek tot den volgenden 
dag moest worden uitgesteld. ^) 

Den zesden September, met het opgaan van de zon, liet Van 
Goens de ankers Uchten en op het jacht Ter Goes „de vlagge van 
boven waeijen." De expeditie was uitgezeild. 

Met het jacht Ter Goes vertrokken het schip de Salamander, de 
jachten Naarden en Vlieland, 't galjoot de Botterblom en de met 
cargasoenen voor Suratte en Perzië geladen fluiten Venenburgh en 



1) Het bovenstaande naar Daghreg. Batavia 1656/57, p. 254 vlg. 



123 

Oyevaar. ^) 307 bootsgezellen bemanden de schepen, 600 Neder- 
landsche en 80 Amboneesche soldaten, onder hun eigen kapitein 
Radja Talella, gingen mee om te land gebruikt te worden. ^) 

Van Goens' naaste doel was Goa, voor welker bhare hij de 
vooruitgezonden schepen onder Roothaas zou vinden. 

Want met den oorlog tegen de Portugeezen had ook de blokkade 
van Goa weer moeten aanvangen. Niet alleen tot afsluiting der 
stad, maar ook tot beveiliging van den handel op Suratte en Perzië, 
was het wenschelijk, dat een nederlandsche vloot op de westkust 
van Voor-Indië de wacht hield. ^) 

Evenwel nadat in 1652 de oorlog met Portugal weer was be- 
gonnen, kon eerst in 1655 de expeditie onder Gerard Huift naar 
Ceylon worden afgezonden en in verband daarmede was de geheele 
beschikbare scheepsmacht in die kwartieren noodig geweest voor de 
blokkade van Colombo, zoodat er van een expeditie naar Goa niets 
had kunnen komen. 

Middelerwijl bleef de Regeering te Batavia wel op de hoogte van 
't geen er in en om Goa voorviel, ingelicht als ze werd door den 
te Wingurla of tijdelijk te Salse gevestigden, ons reeds bekenden 
resident Bacherach en daarna door diens opvolger Leendert Jansz. 
Zoo vernam zij van oproer binnen Goa en van oorlog der Portu- 
geezen met den Sivapaneik van Canara. *) Bacherach was zelfs 
aangezocht om in verbond met den Hindoe-vorst de Portugeezen van 
de zeezijde aan te vallen. Ook had hij zelf al een in eigen oogen 
wel overlegd plan uitgebroed om de forten van Goa te vermeesteren. 
Te Batavia werd het echter te „winderich" geacht om er verder 
aandacht aan te schenken. 

Telkenjare werd uit Wingurla opgave gedaan van het aantal 
schepen, dat uit Portugal gearriveerd was en van hetgeen zij hadden 
aangebracht. Die aanvoer was in de eerste jaren van den hernieuwden 
oorlog niet verontrustend geweest. Eerst in 1655 werd te Goa een 
„secours" verwacht van acht groote schepen, waarvan er twee bij 
't verzenden van het Wingurla'sche bericht al waren aangekomen. 



J) T. a. p., p. 257. 

') Instr. voor Van Goens 5 Sept. 1657, 
3) Van Geer, Opkomst, p. 32, 33, 36, 45, 51,. 73, 107. 

*) Vgl. Danvers, a. w., p. 303 vlgg. Sivapaneik = Sivapa, neik van Canara. In 
de missives altijd genoemd Sivapaneik. 



124 

Daaruit werd afgeleid, dat de Portugeezen van plan waren hun 
positie in Indië met alle kracht te handhaven nu „sy ook Brasil in 
devotie" hadden. ^) In dat jaar echter was ook de Compagnie op 
krachten gekomen, en nadat in Mei 1656 Colombo gevallen was, 
kreeg de commandeur van de vloot aldaar, Adriaan Roothaas, bevel 
21 November naar Goa te zeilen om de stad van de zeezijde af te 
sluiten. Hij vond er de reeds vroeger vertrokken vice-commandeur 
Pieter de Bitter. Met vijf grootere jachten op anderhalf kanonschot 
afstand van de kust en één schot van elkaar verwijderd, werd de 
ingang der rivier van Goa afgesloten. Kleinere vaartuigen en scheeps- 
booten moesten meer noord- en zuidwaarts dichter bij de kust op- 
passen dat geen „caffila's" van fregatten of andere kleine vaartuigen de 
blokkade verbraken. Buiten de bezetting, meer zeewaarts in, hield een 
der groote schepen, iedere week door een ander vervangen, de wacht. 

Zoo werd Goa geblokkeerd; uitgaande neutrale schepen werden 
gevisiteerd, aankomende schepen het binnengaan verhinderd — en 
verder viel er niets bijzonders voor. De aanzienlijke scheepsmacht ') 
binnen Goa deed geen poging om door. te breken. Een uit het zuiden 
komende „cafflla" van 15 fregatten werd in de rivier van Myrsa 
gedreven. Vijf werden veroverd en twee vernield, maar de overigen 
sloegen een aanval af. Dat was het eenige belangrijke voorval in 
den langen duur der blokkade. Toen in 't voorjaar van 1657 de 
vijand de galjoenen onttakelde, kon de blokkade verminderd worden. 
Eenige schepen gingen rijst laden te Barcelor, andere voeren onder 
De Bitter over Ceylon naar Batavia terug en ten slotte zeilde 
ook Roothaas zelf in den nacht van 17 op 18 Mei 1657 weg, 
toen het wegens de hevige westenwinden voor Goa niet meer te 
harden was. Over Gale kwam de commandeur 13 Juli op de reede 
te Batavia aan. ^) 

Reeds drie dagen later werd hem weer het commando toever- 
trouwd over de negen schepen, die in 1657/58 de bhare van Goa 
zouden afsluiten, onder 't oppergezag van den admiraal Van Goens. 



^) 't Voorgaande naar berichten in de Gen. Miss. van 24 Dec. 1652, 19 Jan. en 
17 Dec. 1654; 24 Dec. 1655; 18 Jan. 1656. 

-) Naar gerucht werd: 3 galjoenen, 2 kraken, 5 patachen, 3 cravellen en 30 
oorlogsfregatten. 

^) Rapport aan den Ed. Hr. Johan Maetsuycker enz., bij den commandeur Adriaen 
Roothaes, 13 juli 1657. 



125 

Vroeger dan eenige vloot te voren, den 4''^'' Augustus, verliet Root- 
haas, na bededag en afscheidsmaal, de reede van Batavia. Met zes 
schepen kwam hij 9 September op de hoogte van Goa, maar buiten 
*t gezicht van het land. ^) De drie andere schepen, slechter bezeild 
dan de eerste, kwamen onder bevel van den vice-commandeur Pieter 
de Bitter, eenige dagen later op de reede van Wingurla aan. ^) Zij 
hadden onderweg een portugeesche patache, de Santa Crucx, van 
Mozambique op weg naar Goa, prijs gemaakt. Zij was geladen met 
kaneel, nagelen en ivoor, welke waren goed te pas kwamen, om uit 
de opbrengst te Wingurla de kosten te bestrijden voor 't onderhoud 
der vloot. Het scheepje zelf werd opgeknapt, om onder bevel van 
den opperstuurman Gerret Naningh, als adviesjacht naar Ceylon 
gebruikt te worden. 

Toen De Bitter zich 15 September met zijn drie schepen bij die 
van Roothaas had gevoegd, was er voor Goa een vloot, bemand 
met 935 koppen en gewapend met 307 stukken geschut. ^) 

Een sterke macht mocht er wel zijn. Want Roothaas, zoo vroeg 



1) Daghregister van Batavia 1656/57, pp. 204, 213, 216, 218, 220. 

-) Dit en het volgende naar 't Rapport van Adriaan Roothaes, 4 Juni 1658. 

^) Volgens de „Instructie voor Adriaen Roothaes, commandeur" enz. 1 Aug. 1657 
had hij onder zich 914 man, alleen zeevarend volk. Met het oog op de „oostersche 
provinciën ", waar weer wat scheen te broeien, konden hem geen soldaten meegegeven 
worden. De Hooge Regeering hoopte die nog met Van Goens af te zenden. Aan 
Roothaas werd daarom gecommandeerd bij goed weer de matrozen te oefenen in het 
omgaan met schietgeweer, om ze bij ontmoeting met den vijand, ook als soldaten te 
kunnen gebruiken. De manschappen en het geschut waren als volgt verdeeld: 
Phenix, commandeur 150 man 46 metale en isere stuckcn. 



ir iiK^Liiji., cvjuiuiduiucui 

Ter Tholen, Daniel de Looper . 


1 j\j iii 
100 


37 


Ter Schellingh. vice-commandeur 


100 


36 


Sierichzee, Daniel de Vries . . 


106 


, 36 


Worcum, Reinier Reiniersz . . 


100 


34 


Goutsbloem, Jan Compas . . . 


100 


32 


Weesp, Jacob Lippens .... 


108 


36 


Leeuwinne, Jan Lucasz .... 


80 


. 26 


Avondster, Adriaan Hem . . . 


70 


24 



Tesamen . . . 914 man 307 metale en isere stucken. 

De vloot was voor 10 maanden van victualie voorzien. Vleesch, spek en rijst was 
er evenwel maar voor 6 maanden, omdat in Batavia niet meer gemist kon worden, 
en omdat voor Goa van Wingurla uit versche kost kon worden verschaft. 

Ds. Theodorus Zas ging mee op de Phenix denselven sullen U.E. mede in 

de eere ende waardicheijt houden .... mitsgaders op hetzelve schip bequame 
accomodatie vergunnen, om in stilte sijn studie te mogen gebruijcken, nadat de ge- 
legentheijt van de plaats sal toelaten." 



126 

vertrokken, om het uit Portugal voor Goa verwachte „secours" op 
te vangen en te vermeesteren, was toch nog te laat gekomen. Van 
's Compagnies opperhoofd te Wingurla, Leendert Jansz, dadelijk 
na aankomst door den commandeur op de vloot ontboden, had 
hij moeten vernemen, dat den 5^^^° September drie galjoenen uit 
Portugal binnen Goa gekomen waren. Door die versterking hadden 
de Portugeezen nu een scheepsmacht van 9 groote en een aantal 
kleinere schepen. 

Volgens gerucht was de admiraal Louys Mendoza de Fortado ook 
niet van plan stil te zitten, maar wilde hij een poging wagen om 
met alle macht, die hij bij elkaar kon krijgen, Ceylon te versterken. 
Daar er bovendien een galjoen zeilree lag, om met den eersten gun- 
stigen wind naar Mozambique te vertrekken, had Roothaas het ge- 
raden gevonden met zijn geheele macht tot voor de bhare van Goa 
op te zeilen, om alle in- en uitvaren van schepen te beletten. In- 
lichtingen, door onderschepte brieven en spionnen verkregen, toonden 
aan, dat de Portugeezen zich op een uitval voorbereidden. Veroor- 
deelden kregen pardon, als zij maar op de vloot wilden dienen, en 
uit andere portugeesche vestingen — Cotchin, Chaul, Cannanor, 
Daman — werd krijgsvolk naar Goa ontboden. Dus hield de com- 
mandeur zijn vloot altijd slagvaardig, om te allen tijde een uitval 
te kunnen terugslaan. Zoo stond het voor Goa geschapen, toen van 
Goens 17 November na een „pinibele reyze" met drie schepen in 
de blokkade vloot verscheen. 

Wel was het een „pinibele" reis geweest en een langdurige. 
Had Roothaas ruim één maand noodig gehad voor zijn tocht van 
Batavia naar Goa, Van Goens was gedwongen er ruim twee maanden 
over te doen. 

Volgens de hem en zijn schippers meegegeven „Zeijlaes ordre" ^) 
moesten de schepen buiten straat Soenda gekomen gezamenlijk in 
zuid-westelijke richting zeilen tot ongeveer 10 gr. Z.-Br. om daar, 
waar de zuid-oost passaat het stevigst doorwoei de koers west te 
nemen. Dan, ongeveer 560 mijlen ten westen van de Prinseneilanden 
(Prinseneiland) gekomen, moest scherp naar het noorden gewend 
worden tot onder de linie, om dan met een bocht naar 't westen om 
de Baxos de Padua (de noordelijkste banken der Maladiven) heen. 



Zcylaes ordre voor d' opperhoofden van de schepen Ter Goes, Salmander enz. 



127 

direct naar de bhare van Goa te stevenen. ^) Volgens deze order 
zeilende meende men het snelst en buiten opmerkzaamheid van den 
vijand voor Goa te komen. 

Deze order heeft Van Goens niet kunnen uitvoeren. Vier van de 
schepen (Venenburgh, Salmander, Oyevaer en Botterblom) waren 
zoo slecht bezeild, dat zij de andere schepen in hun voortgang hin- 
derden. Daarom werd 21 September door den scheepsraad op voor- 
stel van den admiraal met algemeene stemmen besloten, dat die 
vier schepen onder bevel van den nieuwen directeur van Suratte, 
Leonard Winnincx zouden worden achtergelaten, om zich later voor 
Goa weer bij de vloot te voegen. Winnincx, die de vlag zou voeren 
op Venenburgh, mocht deze schepen niet weer scheiden, opdat bij 
een ontmoeting met den vijand, de macht niet te gering zou zijn. 

Met de snellere schepen Ter Goes, Naerden en Vlieland, zou 
Van Goens zich naar Goa spoeden, om vandaar de noodige bevelen 
af te vaardigen naar Suratte en Ceylon en zich al vast op de hoogte 
te stellen van den toestand aldaar. Bij aankomst der achterblijvers 
konden dan de plannen direct worden uitgevoerd. ") 

Vier weken later waren alle schepen weer bij elkaar. Niet voor 
Goa echter — maar ten westen van de Maladiven, worstelende met 
noordelijken tegenwind en westelijken tegenstroom. De laatste 12 a 
15 dagen waren de schepen noordwaarts niet gevorderd en naar het 
oosten afgedreven, zoodat de trage schepen de snellere weer hadden 
ingehaald. Met zulken wind en stroom was het niet mogelijk uit het 
westen, de Baxos de Padua ten noorden te bezeilen. Reeds eenige 
dagen had de admiraal den heeren van den Raad deze bezwaren in 
bedenking gegeven, opdat zij daarop „naarstich gespeculeerd heb- 



^) „Aldus de lengte van 't Eijlandt van St Brandaon naer de rechte naelde der 
compascn, tusschen de 24 en 25 graden Noordt westering, sijnde ongeveer 560 mijlen 
van de prince Eijlanden is, opgezeijlt hebbende, moet recht om de Noordt steken tot 
onder den Equinoctual" enz. San Brandaon 80^ O.L. en 17^ Z.B. (Zie de groote 
op perkament gegraveerde paskaart getiteld Oost-Indiën van Pietcr Goos, zz_ 1660. 
Een exemplaar bezit het Aardrijkskundig Genootschap. Voor deze mededeeling mijn 
dank aan Dr. F. C Wieder te Amsterdam.) 

^) Resolutie, gctrocken bij den admirael en raet 21 Sept, 1657, in 't schip Ter 
Goes 11 '^ 33' Z.B. en 105° Lengte (naar welke meridiaan?) Leden van den Breeden 
Raad waren: Van Goens, Leonard Winnincx, Jan van der Laan, Adriaan van 
Leenen, Eduart Ooms, Rins ]ans, Johannes Hartman, Lucas van der Dussen, Cornelis 
Rob, Olphert Brouwer, Hendrik Juriaans, Jacob van Doorn, Peter Wasch, Radia 
Tahalella, en de secretaris Cornelis Valckenburgh. 



128 

bende," ieder schriftelijk hun advies zouden overleggen aangaande 
hetgeen „in deze gelegentheijt op 't bequaamste en nuttichste diende 
gedaan en bij der hand genomen." 

In deze adviezen, ter vergadering van den breeden raad van 22 
October te berde gebracht, werd het volgende overwogen. De een- 
maal uit het noorden en noordoosten waaiende winden zouden, nu 
de moesson was ingetreden, niet meer veranderen. Daar tegen op te 
laveeren zou dus vruchteloos zijn. Het zou zelfs kunnen gebeuren, 
dat aanhoudende noordoostewind het onmogelijk maakte de indische, 
misschien zelfs eenige kust te bereiken. Met het oog op de reeds 
zeer verminderde hoeveelheid drinkwater en het toenemend aantal 
zieken, zou dat een groote ramp voor de schepen kunnen worden. Daar 
stond tegenover, dat men zich moest houden aan de „zeijlaes ordre" 
en het geheim van het doel der expeditie, den aanslag op Diu, zooveel 
mogelijk bewaren, wat met een koersverandering naar de druk bevaren 
indische kust natuurlijk niet te doen was. Het slot der beraadslagingen 
was: „op alle welcke poincten (naar aanroepinge van Godes heijlige 
naam) eens en andermaal aandachtelijck gelet en rijpelijck overwogen 
sijnde, bevinden ons door de hooge nootsaacklijkheijt, tot ons bijsonder 
leetwesen gedrongen te concludeeren van twee quade het beste te 
kiezen, gelijck dan oock verstaan ende arresteeren, dat men van nu 
aan soo veel mogelijck om de oost ende bezuijden meer genoemde 
droochte van Bacx de Padua door de omtrent gelegen eijlanden 
sullen afloopen." Langs de kust van Indië kon dan verder met den 
afwisselenden land- en zeewind noordwaarts opgezeild worden. Bij 
toenemend gebrek aan water en victualie zou altijd op het land 
een toevlucht gezocht kunnen worden. Met het water werd intusschen 
zuinig omgegaan. Ieder man kon niet meer krijgen dan 6 mutsjes 
per dag en gedurende 14 dagen zou aan het volk in plaats van 
rijst „treijnsbrood" ^) worden verstrekt, „om daermede het koocken 
van de rijst, dat veel water consumeert te excuseeren." ^) 

Om vast te stellen, hoe langs de kust van Indië het geheim der 
expeditie toch nog zooveel doenlijk bewaard zou kunnen worden, 
werd 30 October een „secrete Raed" bijeen geroepen. 



1) Brood bestemd voor de expeditie te land. 

2) Resolutie van den Breeden Raad, 22 Oct. 1657, genomen in 't schip Ter Goes, 
10° 12' N.Br. en naar gissing 89° 52' lengte. 



129 

Nu de schepen weer bij elkaar waren, werd ook de belemmering 
der slechte zeilers weer gevoeld. Daarom werd besloten, dat de 
schepen in drie afdeelingen zouden verder gaan: Ter Goes met 
Naarden; Salamander met Venenburgh; Vlieland en Oyevaer met 
Botterblom. Alle zouden hun best doen zoo noordelijk als mogelijk 
de kust van Indië te bereiken, om dan door „faveur van land- en 
zeewinden" voor Goa te komen. Onder de kust gekomen zouden 
zij zich niet van elkaar mogen scheiden, voor zij zekerheid hadden 
bekomen, dat het alleen verder gaan geen gevaar opleverde. 

Ieder vijandelijk vaartuig moest vermeden worden, vlaggen en 
vaandels mochten niet gevoerd, trommen niet geroerd, en musket- 
schoten niet gelost worden. Zelfs bij 't ontmoeten van nederlandsche 
schepen was voorzichtigheid aanbevolen. Zoo men voor de zieken 
ververschingen overnam, moesten de kapiteins der schepen zelf op 
de valreep staan en door de meest vertrouwde officieren de goederen 
uit het andere schip laten lichten. Had dat schip portugeesche gevan- 
genen aan boord, dan moesten die zoo lang met een wacht er voor 
in de hut opgesloten blijven. ^) 

Bij Cananor bereikten de schepen de kust van Indië. Vandaar 
kwam Van Goens, onder de vastgestelde voorzorgsmaatregelen op- 
laveerende, -) 17 November ^) met Ter Goes, Naarden en Venenburgh 
voor Goa. De andere bleven buiten zicht van de kust. ^) 

De omstandigheden in en daardoor voor Goa waren voor de 
expeditie niet gunstig. Indien Roothaas een paar dagen eerder voor 
Goa verschenen was om de drie galjoenen uit Portugal met het aan- 
gevoerde secours te vernietigen, zou de expeditie een anderen loop 
genomen hebben. Nu was de positie der Portugeezen te sterk. Dat 
bleek Van Goens dadelijk na zijn aankomst uit de mededeelingen 
van den commandeur. Daarom deed hij direct na zijn onderhoud 
met Roothaas de leden van den scheepsraad *) weten, dat er op 



1) Resolutie van den secreten Raed, getrokken 30 October 1657 in 't schip Ter 
Goes, zeilende ir 10' N.Br. 95" 3' L. Geteekend door Ryckloff van Goens, Leonard 
Winnincx, Jan van der Laan, Adriaan van Leenen, Eduard Ooms, Rins Jansen, 
Cornelis Rob, secretaris Cornelis Valckenburgh. 

-) Resolutie van de Vergadering van 19 Nov. 1657 

3) 't Rapport van Roothaas heeft 17 Nov., dat van Van Goens 19 Nov. De 
eerste is juist, daar volgens 't verslag van den secreten raad van 19 Nov. de leden 
van den raad reeds twee dagen te voren met de propositie waren bekend gemaakt. 

*) Resolutiën der secretc vergadering 19 Nov. 1657. 

AALBERS, O.-I. Compagnie. ^ 



130 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR