121 liggende kust van Voor-Indië verdreven te worden: uit Tutucorijn en, was 't mogelijk, uit Cotchin, op de kust van Malabar. „Overmits de constitutie van onse desseijnen en de saecke van oorloge" kwam eerst in de tweede plaats voor uitvoering in aan- merking de opdracht aan den commissaris tot de visite van het gouvernement Ceylon en de kantoren Suratte en Wingurla, daarna nog die van Coromandel en Malakka. En als de commissaris er gelegenheid voor kon vinden, dan zou de Hooge Regeering gaarne zien, dat hij een onderzoek instelde naar de handelingen van den koopman Reinier Serooskercken, die al jaren achtereen den peper- handel bestuurde te Calecoelan, Coelan en Cananoor op de kust van Malabar. Ten slotte was de commissie ook „g'extendeert tot de directie van Bengale," maar de Heeren begrepen, dat „ten aenschouw van de tijden ende de saisoenen," die visite er wel eens bij in zou kunnen schieten. ^) In de jaren 1657 en '58 heeft Van Goens zijn werkzaamheden slechts kunnen uitstrekken voor Goas bhare, op Ceylon en omstreken, en op de kantoren Suratte en Wingurla. Over zijn optreden in die streken, gedurende het eerste jaar zijner expeditie, zal in dit en de volgende hoofdstukken gehandeld worden. 's Middags, 4 Sept. 1657, was er feest op het kasteel Batavia. De Gouverneur-Generaal Joan Maetsuycker gaf een afscheidsmaal ter eere van den extra-ordinaris raad van Indië, Ryckloff van Goens, voor zijn vertrek als commissaris voor de visite der westelijke kwar- tieren ^) en als opperhoofd over de vloot en het leger, die de Por- tugeezen op de kust van India ^) en Ceylon zouden bestoken. Door den gastheer waren genoodigd alle edele heeren raden van India, de voornaamsten der vertrekkende personen, zooals de majoor Van der Laan, de fiscaal der expeditie Lucas van der Dussen, de nieuwbenoemde directeur te Suratte, Leonard Winnincx, de kapiteins, kooplieden, schippers, luitenants, vaandrigs, de notabele personen van het kasteel en de stad, allen met hunne vrouwen. Den scheidenden werd een behouden reis en victorie over de vijanden toegedronken; *) 't Bovenstaande uit de Instr. voor Van Goens van 5 Sept. 1657. 2) Daghregister van het Gasteel Batavia 1656/1657, p. 213. ^) D. i. de westkust van Voor-Indië. 122 in 't avondgebed Gods zegen over Compagnies wapenen afgesmeekt en daarna afscheid genomen. De instructie en commissie van den vlootvoogd en andere waardigheidsbekleeders, de brieven voor de opperhoofden der te bezoeken kantoren werden gelezen en geteekend en daarmede was de laatste hand gelegd aan de voorbereiding van de expeditie. De schepen op de reede lagen wel voorzien van manschap, ammunitie en victualie te wachten op de komst van den vlootvoogd. Deze ging den volgenden morgen naar de woning van den Gouver- neur-Generaal om afscheid te nemen en zich daarna aan boord te begeven. Hem zou plechtig uitgeleide gedaan worden. De krijgs- knechten van het kasteel schaarden zich in dubbele rij voor de woning van den landvoogd. Door dezen en vier van de vijf aanwezige raden van India, werd Van Goens door de hagen van krijgers naar de Waterpoort begeleid. Daar begaven zich allen in een groote „orembaai" of schepprauw en voeren naar 't jacht Ter Goes, dat de admiraals- vlag zou voeren. Op het jacht gekomen liet de Gouverneur-Generaal alle officieren der andere schepen aan boord seinen. Toen een klein uur daarna allen aanwezig waren, werd te hunnen aanhoore de commissie, waarbij Van Goens aan het hoofd was gesteld, voorgelezen, hun gehoorzaam- heid en onderwerping aan zijn bevelen gevraagd, en toen niemand daartegen zijn stem verhief, de vlootvoogd in zijn bevel „geauthori- seerd." Het volk kreeg dan „naer d' oude wijze een mutsien," en Van Goens noodigde zijn geleiders op „een mondt vol eeten ende een dronck" in de kajuit. Daarna verlieten de hooge heeren het schip. Nog moesten eenige provisiën en brieven van land gebracht worden, zoodat de gunstige landwind verliep en het vertrek tot den volgenden dag moest worden uitgesteld. ^) Den zesden September, met het opgaan van de zon, liet Van Goens de ankers Uchten en op het jacht Ter Goes „de vlagge van boven waeijen." De expeditie was uitgezeild. Met het jacht Ter Goes vertrokken het schip de Salamander, de jachten Naarden en Vlieland, 't galjoot de Botterblom en de met cargasoenen voor Suratte en Perzië geladen fluiten Venenburgh en 1) Het bovenstaande naar Daghreg. Batavia 1656/57, p. 254 vlg. 123 Oyevaar. ^) 307 bootsgezellen bemanden de schepen, 600 Neder- landsche en 80 Amboneesche soldaten, onder hun eigen kapitein Radja Talella, gingen mee om te land gebruikt te worden. ^) Van Goens' naaste doel was Goa, voor welker bhare hij de vooruitgezonden schepen onder Roothaas zou vinden. Want met den oorlog tegen de Portugeezen had ook de blokkade van Goa weer moeten aanvangen. Niet alleen tot afsluiting der stad, maar ook tot beveiliging van den handel op Suratte en Perzië, was het wenschelijk, dat een nederlandsche vloot op de westkust van Voor-Indië de wacht hield. ^) Evenwel nadat in 1652 de oorlog met Portugal weer was be- gonnen, kon eerst in 1655 de expeditie onder Gerard Huift naar Ceylon worden afgezonden en in verband daarmede was de geheele beschikbare scheepsmacht in die kwartieren noodig geweest voor de blokkade van Colombo, zoodat er van een expeditie naar Goa niets had kunnen komen. Middelerwijl bleef de Regeering te Batavia wel op de hoogte van 't geen er in en om Goa voorviel, ingelicht als ze werd door den te Wingurla of tijdelijk te Salse gevestigden, ons reeds bekenden resident Bacherach en daarna door diens opvolger Leendert Jansz. Zoo vernam zij van oproer binnen Goa en van oorlog der Portu- geezen met den Sivapaneik van Canara. *) Bacherach was zelfs aangezocht om in verbond met den Hindoe-vorst de Portugeezen van de zeezijde aan te vallen. Ook had hij zelf al een in eigen oogen wel overlegd plan uitgebroed om de forten van Goa te vermeesteren. Te Batavia werd het echter te „winderich" geacht om er verder aandacht aan te schenken. Telkenjare werd uit Wingurla opgave gedaan van het aantal schepen, dat uit Portugal gearriveerd was en van hetgeen zij hadden aangebracht. Die aanvoer was in de eerste jaren van den hernieuwden oorlog niet verontrustend geweest. Eerst in 1655 werd te Goa een „secours" verwacht van acht groote schepen, waarvan er twee bij 't verzenden van het Wingurla'sche bericht al waren aangekomen. J) T. a. p., p. 257. ') Instr. voor Van Goens 5 Sept. 1657, 3) Van Geer, Opkomst, p. 32, 33, 36, 45, 51,. 73, 107. *) Vgl. Danvers, a. w., p. 303 vlgg. Sivapaneik = Sivapa, neik van Canara. In de missives altijd genoemd Sivapaneik. 124 Daaruit werd afgeleid, dat de Portugeezen van plan waren hun positie in Indië met alle kracht te handhaven nu „sy ook Brasil in devotie" hadden. ^) In dat jaar echter was ook de Compagnie op krachten gekomen, en nadat in Mei 1656 Colombo gevallen was, kreeg de commandeur van de vloot aldaar, Adriaan Roothaas, bevel 21 November naar Goa te zeilen om de stad van de zeezijde af te sluiten. Hij vond er de reeds vroeger vertrokken vice-commandeur Pieter de Bitter. Met vijf grootere jachten op anderhalf kanonschot afstand van de kust en één schot van elkaar verwijderd, werd de ingang der rivier van Goa afgesloten. Kleinere vaartuigen en scheeps- booten moesten meer noord- en zuidwaarts dichter bij de kust op- passen dat geen „caffila's" van fregatten of andere kleine vaartuigen de blokkade verbraken. Buiten de bezetting, meer zeewaarts in, hield een der groote schepen, iedere week door een ander vervangen, de wacht. Zoo werd Goa geblokkeerd; uitgaande neutrale schepen werden gevisiteerd, aankomende schepen het binnengaan verhinderd — en verder viel er niets bijzonders voor. De aanzienlijke scheepsmacht ') binnen Goa deed geen poging om door. te breken. Een uit het zuiden komende „cafflla" van 15 fregatten werd in de rivier van Myrsa gedreven. Vijf werden veroverd en twee vernield, maar de overigen sloegen een aanval af. Dat was het eenige belangrijke voorval in den langen duur der blokkade. Toen in 't voorjaar van 1657 de vijand de galjoenen onttakelde, kon de blokkade verminderd worden. Eenige schepen gingen rijst laden te Barcelor, andere voeren onder De Bitter over Ceylon naar Batavia terug en ten slotte zeilde ook Roothaas zelf in den nacht van 17 op 18 Mei 1657 weg, toen het wegens de hevige westenwinden voor Goa niet meer te harden was. Over Gale kwam de commandeur 13 Juli op de reede te Batavia aan. ^) Reeds drie dagen later werd hem weer het commando toever- trouwd over de negen schepen, die in 1657/58 de bhare van Goa zouden afsluiten, onder 't oppergezag van den admiraal Van Goens. ^) 't Voorgaande naar berichten in de Gen. Miss. van 24 Dec. 1652, 19 Jan. en 17 Dec. 1654; 24 Dec. 1655; 18 Jan. 1656. -) Naar gerucht werd: 3 galjoenen, 2 kraken, 5 patachen, 3 cravellen en 30 oorlogsfregatten. ^) Rapport aan den Ed. Hr. Johan Maetsuycker enz., bij den commandeur Adriaen Roothaes, 13 juli 1657. 125 Vroeger dan eenige vloot te voren, den 4''^'' Augustus, verliet Root- haas, na bededag en afscheidsmaal, de reede van Batavia. Met zes schepen kwam hij 9 September op de hoogte van Goa, maar buiten *t gezicht van het land. ^) De drie andere schepen, slechter bezeild dan de eerste, kwamen onder bevel van den vice-commandeur Pieter de Bitter, eenige dagen later op de reede van Wingurla aan. ^) Zij hadden onderweg een portugeesche patache, de Santa Crucx, van Mozambique op weg naar Goa, prijs gemaakt. Zij was geladen met kaneel, nagelen en ivoor, welke waren goed te pas kwamen, om uit de opbrengst te Wingurla de kosten te bestrijden voor 't onderhoud der vloot. Het scheepje zelf werd opgeknapt, om onder bevel van den opperstuurman Gerret Naningh, als adviesjacht naar Ceylon gebruikt te worden. Toen De Bitter zich 15 September met zijn drie schepen bij die van Roothaas had gevoegd, was er voor Goa een vloot, bemand met 935 koppen en gewapend met 307 stukken geschut. ^) Een sterke macht mocht er wel zijn. Want Roothaas, zoo vroeg 1) Daghregister van Batavia 1656/57, pp. 204, 213, 216, 218, 220. -) Dit en het volgende naar 't Rapport van Adriaan Roothaes, 4 Juni 1658. ^) Volgens de „Instructie voor Adriaen Roothaes, commandeur" enz. 1 Aug. 1657 had hij onder zich 914 man, alleen zeevarend volk. Met het oog op de „oostersche provinciën ", waar weer wat scheen te broeien, konden hem geen soldaten meegegeven worden. De Hooge Regeering hoopte die nog met Van Goens af te zenden. Aan Roothaas werd daarom gecommandeerd bij goed weer de matrozen te oefenen in het omgaan met schietgeweer, om ze bij ontmoeting met den vijand, ook als soldaten te kunnen gebruiken. De manschappen en het geschut waren als volgt verdeeld: Phenix, commandeur 150 man 46 metale en isere stuckcn. ir iiK^Liiji., cvjuiuiduiucui Ter Tholen, Daniel de Looper . 1 j\j iii 100 37 Ter Schellingh. vice-commandeur 100 36 Sierichzee, Daniel de Vries . . 106 , 36 Worcum, Reinier Reiniersz . . 100 34 Goutsbloem, Jan Compas . . . 100 32 Weesp, Jacob Lippens .... 108 36 Leeuwinne, Jan Lucasz .... 80 . 26 Avondster, Adriaan Hem . . . 70 24 Tesamen . . . 914 man 307 metale en isere stucken. De vloot was voor 10 maanden van victualie voorzien. Vleesch, spek en rijst was er evenwel maar voor 6 maanden, omdat in Batavia niet meer gemist kon worden, en omdat voor Goa van Wingurla uit versche kost kon worden verschaft. Ds. Theodorus Zas ging mee op de Phenix denselven sullen U.E. mede in de eere ende waardicheijt houden .... mitsgaders op hetzelve schip bequame accomodatie vergunnen, om in stilte sijn studie te mogen gebruijcken, nadat de ge- legentheijt van de plaats sal toelaten." 126 vertrokken, om het uit Portugal voor Goa verwachte „secours" op te vangen en te vermeesteren, was toch nog te laat gekomen. Van 's Compagnies opperhoofd te Wingurla, Leendert Jansz, dadelijk na aankomst door den commandeur op de vloot ontboden, had hij moeten vernemen, dat den 5^^^° September drie galjoenen uit Portugal binnen Goa gekomen waren. Door die versterking hadden de Portugeezen nu een scheepsmacht van 9 groote en een aantal kleinere schepen. Volgens gerucht was de admiraal Louys Mendoza de Fortado ook niet van plan stil te zitten, maar wilde hij een poging wagen om met alle macht, die hij bij elkaar kon krijgen, Ceylon te versterken. Daar er bovendien een galjoen zeilree lag, om met den eersten gun- stigen wind naar Mozambique te vertrekken, had Roothaas het ge- raden gevonden met zijn geheele macht tot voor de bhare van Goa op te zeilen, om alle in- en uitvaren van schepen te beletten. In- lichtingen, door onderschepte brieven en spionnen verkregen, toonden aan, dat de Portugeezen zich op een uitval voorbereidden. Veroor- deelden kregen pardon, als zij maar op de vloot wilden dienen, en uit andere portugeesche vestingen — Cotchin, Chaul, Cannanor, Daman — werd krijgsvolk naar Goa ontboden. Dus hield de com- mandeur zijn vloot altijd slagvaardig, om te allen tijde een uitval te kunnen terugslaan. Zoo stond het voor Goa geschapen, toen van Goens 17 November na een „pinibele reyze" met drie schepen in de blokkade vloot verscheen. Wel was het een „pinibele" reis geweest en een langdurige. Had Roothaas ruim één maand noodig gehad voor zijn tocht van Batavia naar Goa, Van Goens was gedwongen er ruim twee maanden over te doen. Volgens de hem en zijn schippers meegegeven „Zeijlaes ordre" ^) moesten de schepen buiten straat Soenda gekomen gezamenlijk in zuid-westelijke richting zeilen tot ongeveer 10 gr. Z.-Br. om daar, waar de zuid-oost passaat het stevigst doorwoei de koers west te nemen. Dan, ongeveer 560 mijlen ten westen van de Prinseneilanden (Prinseneiland) gekomen, moest scherp naar het noorden gewend worden tot onder de linie, om dan met een bocht naar 't westen om de Baxos de Padua (de noordelijkste banken der Maladiven) heen. Zcylaes ordre voor d' opperhoofden van de schepen Ter Goes, Salmander enz. 127 direct naar de bhare van Goa te stevenen. ^) Volgens deze order zeilende meende men het snelst en buiten opmerkzaamheid van den vijand voor Goa te komen. Deze order heeft Van Goens niet kunnen uitvoeren. Vier van de schepen (Venenburgh, Salmander, Oyevaer en Botterblom) waren zoo slecht bezeild, dat zij de andere schepen in hun voortgang hin- derden. Daarom werd 21 September door den scheepsraad op voor- stel van den admiraal met algemeene stemmen besloten, dat die vier schepen onder bevel van den nieuwen directeur van Suratte, Leonard Winnincx zouden worden achtergelaten, om zich later voor Goa weer bij de vloot te voegen. Winnincx, die de vlag zou voeren op Venenburgh, mocht deze schepen niet weer scheiden, opdat bij een ontmoeting met den vijand, de macht niet te gering zou zijn. Met de snellere schepen Ter Goes, Naerden en Vlieland, zou Van Goens zich naar Goa spoeden, om vandaar de noodige bevelen af te vaardigen naar Suratte en Ceylon en zich al vast op de hoogte te stellen van den toestand aldaar. Bij aankomst der achterblijvers konden dan de plannen direct worden uitgevoerd. ") Vier weken later waren alle schepen weer bij elkaar. Niet voor Goa echter — maar ten westen van de Maladiven, worstelende met noordelijken tegenwind en westelijken tegenstroom. De laatste 12 a 15 dagen waren de schepen noordwaarts niet gevorderd en naar het oosten afgedreven, zoodat de trage schepen de snellere weer hadden ingehaald. Met zulken wind en stroom was het niet mogelijk uit het westen, de Baxos de Padua ten noorden te bezeilen. Reeds eenige dagen had de admiraal den heeren van den Raad deze bezwaren in bedenking gegeven, opdat zij daarop „naarstich gespeculeerd heb- ^) „Aldus de lengte van 't Eijlandt van St Brandaon naer de rechte naelde der compascn, tusschen de 24 en 25 graden Noordt westering, sijnde ongeveer 560 mijlen van de prince Eijlanden is, opgezeijlt hebbende, moet recht om de Noordt steken tot onder den Equinoctual" enz. San Brandaon 80^ O.L. en 17^ Z.B. (Zie de groote op perkament gegraveerde paskaart getiteld Oost-Indiën van Pietcr Goos, zz_ 1660. Een exemplaar bezit het Aardrijkskundig Genootschap. Voor deze mededeeling mijn dank aan Dr. F. C Wieder te Amsterdam.) ^) Resolutie, gctrocken bij den admirael en raet 21 Sept, 1657, in 't schip Ter Goes 11 '^ 33' Z.B. en 105° Lengte (naar welke meridiaan?) Leden van den Breeden Raad waren: Van Goens, Leonard Winnincx, Jan van der Laan, Adriaan van Leenen, Eduart Ooms, Rins ]ans, Johannes Hartman, Lucas van der Dussen, Cornelis Rob, Olphert Brouwer, Hendrik Juriaans, Jacob van Doorn, Peter Wasch, Radia Tahalella, en de secretaris Cornelis Valckenburgh. 128 bende," ieder schriftelijk hun advies zouden overleggen aangaande hetgeen „in deze gelegentheijt op 't bequaamste en nuttichste diende gedaan en bij der hand genomen." In deze adviezen, ter vergadering van den breeden raad van 22 October te berde gebracht, werd het volgende overwogen. De een- maal uit het noorden en noordoosten waaiende winden zouden, nu de moesson was ingetreden, niet meer veranderen. Daar tegen op te laveeren zou dus vruchteloos zijn. Het zou zelfs kunnen gebeuren, dat aanhoudende noordoostewind het onmogelijk maakte de indische, misschien zelfs eenige kust te bereiken. Met het oog op de reeds zeer verminderde hoeveelheid drinkwater en het toenemend aantal zieken, zou dat een groote ramp voor de schepen kunnen worden. Daar stond tegenover, dat men zich moest houden aan de „zeijlaes ordre" en het geheim van het doel der expeditie, den aanslag op Diu, zooveel mogelijk bewaren, wat met een koersverandering naar de druk bevaren indische kust natuurlijk niet te doen was. Het slot der beraadslagingen was: „op alle welcke poincten (naar aanroepinge van Godes heijlige naam) eens en andermaal aandachtelijck gelet en rijpelijck overwogen sijnde, bevinden ons door de hooge nootsaacklijkheijt, tot ons bijsonder leetwesen gedrongen te concludeeren van twee quade het beste te kiezen, gelijck dan oock verstaan ende arresteeren, dat men van nu aan soo veel mogelijck om de oost ende bezuijden meer genoemde droochte van Bacx de Padua door de omtrent gelegen eijlanden sullen afloopen." Langs de kust van Indië kon dan verder met den afwisselenden land- en zeewind noordwaarts opgezeild worden. Bij toenemend gebrek aan water en victualie zou altijd op het land een toevlucht gezocht kunnen worden. Met het water werd intusschen zuinig omgegaan. Ieder man kon niet meer krijgen dan 6 mutsjes per dag en gedurende 14 dagen zou aan het volk in plaats van rijst „treijnsbrood" ^) worden verstrekt, „om daermede het koocken van de rijst, dat veel water consumeert te excuseeren." ^) Om vast te stellen, hoe langs de kust van Indië het geheim der expeditie toch nog zooveel doenlijk bewaard zou kunnen worden, werd 30 October een „secrete Raed" bijeen geroepen. 1) Brood bestemd voor de expeditie te land. 2) Resolutie van den Breeden Raad, 22 Oct. 1657, genomen in 't schip Ter Goes, 10° 12' N.Br. en naar gissing 89° 52' lengte. 129 Nu de schepen weer bij elkaar waren, werd ook de belemmering der slechte zeilers weer gevoeld. Daarom werd besloten, dat de schepen in drie afdeelingen zouden verder gaan: Ter Goes met Naarden; Salamander met Venenburgh; Vlieland en Oyevaer met Botterblom. Alle zouden hun best doen zoo noordelijk als mogelijk de kust van Indië te bereiken, om dan door „faveur van land- en zeewinden" voor Goa te komen. Onder de kust gekomen zouden zij zich niet van elkaar mogen scheiden, voor zij zekerheid hadden bekomen, dat het alleen verder gaan geen gevaar opleverde. Ieder vijandelijk vaartuig moest vermeden worden, vlaggen en vaandels mochten niet gevoerd, trommen niet geroerd, en musket- schoten niet gelost worden. Zelfs bij 't ontmoeten van nederlandsche schepen was voorzichtigheid aanbevolen. Zoo men voor de zieken ververschingen overnam, moesten de kapiteins der schepen zelf op de valreep staan en door de meest vertrouwde officieren de goederen uit het andere schip laten lichten. Had dat schip portugeesche gevan- genen aan boord, dan moesten die zoo lang met een wacht er voor in de hut opgesloten blijven. ^) Bij Cananor bereikten de schepen de kust van Indië. Vandaar kwam Van Goens, onder de vastgestelde voorzorgsmaatregelen op- laveerende, -) 17 November ^) met Ter Goes, Naarden en Venenburgh voor Goa. De andere bleven buiten zicht van de kust. ^) De omstandigheden in en daardoor voor Goa waren voor de expeditie niet gunstig. Indien Roothaas een paar dagen eerder voor Goa verschenen was om de drie galjoenen uit Portugal met het aan- gevoerde secours te vernietigen, zou de expeditie een anderen loop genomen hebben. Nu was de positie der Portugeezen te sterk. Dat bleek Van Goens dadelijk na zijn aankomst uit de mededeelingen van den commandeur. Daarom deed hij direct na zijn onderhoud met Roothaas de leden van den scheepsraad *) weten, dat er op 1) Resolutie van den secreten Raed, getrokken 30 October 1657 in 't schip Ter Goes, zeilende ir 10' N.Br. 95" 3' L. Geteekend door Ryckloff van Goens, Leonard Winnincx, Jan van der Laan, Adriaan van Leenen, Eduard Ooms, Rins Jansen, Cornelis Rob, secretaris Cornelis Valckenburgh. -) Resolutie van de Vergadering van 19 Nov. 1657 3) 't Rapport van Roothaas heeft 17 Nov., dat van Van Goens 19 Nov. De eerste is juist, daar volgens 't verslag van den secreten raad van 19 Nov. de leden van den raad reeds twee dagen te voren met de propositie waren bekend gemaakt. *) Resolutiën der secretc vergadering 19 Nov. 1657. AALBERS, O.-I. Compagnie. ^ 130
ORANG-ORANG YANG MENYOKONG
Selasa, 7 April 2020
121
Langgan:
Catat Ulasan (Atom)
220
220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...
CATATAN POPULAR
-
Kenapa isu anjing menjadi sensitif. Sudah lama aku perhatikan bagaimana orang melayu berhadapan dengan isu anjing. Dalam hal ini aku akan m...
-
Oh sudah lama rasnya saya tidak menjengok blog ini. Ketika itu lihat orang ada akaun blogspot.my rasa nak ada akaun blogspot jugalah. Ketik...
-
20 De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten het...
-
40 Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den maharadja „...
-
30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt en...
Tiada ulasan:
Catat Ulasan