ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

30

30 

die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende 
reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt 
ende aensien om met te minder aenstoot ende misnoegen daerover 
bij de ministers ontvangen ende erkent te worden, alle welke singuliere 
deuchden ende qualiteyten niet altijd in één persoon concurreeren." ^) 
Toen Maetsuycker in 1661 zoo schreef, dacht hij niet meer aan 
de permanente commissarissen van 1626. Van die instelHng was niets 
gekomen. In 1632 hadden Heeren Zeventien het bevel, om jaarlijks 
twee gequalificeerde personen als commissarissen, vooral tot wering 
van den particulieren handel, uit te zenden, herhaald. ^) Ingesteld 
werd die jaarlijksche inspectie nooit. Wel werden zoo nu en dan 
commissarissen benoemd naar verschillende kantoren, maar zeer 
ongeregeld, zoodat in 1650 en vervolgens herhaaldelijk de Heeren 
Zeventien de Regeering in Batavia hebben gelast, dat tenminste alle 
twee jaren de gouvernementen en kantoren door een commissaris 
zouden worden gevisiteerd. ^) Ook daaraan kon men in Batavia 
niet voldoen *) wegens gebrek aan geschikte personen. Dat althans 
gaven Gouverneur-Generaal en Raden op als de reden, waarom 
het instituut der jaarlijksche permanente commissarissen, zooals bedoeld 
in 1626 en 1632, achterwege was gebleven, en waarom zelfs 



^) Generale Missive van Gouverneur-Generaal en Raden aan de Heeren Zeventien 
van 26 Januarie 1661. 

De in een commissaris vereischte probiteit wordt ook naar voren gebracht aan het 
slot van de Instructie voor den commissaris naar Suratte, Wingurla en Ceylon, 
RycklofF van Goens, 19 Sept. 1653: „Dat een commissaris .... selffs niet alleen van 
alle oock de minste particulariteyten, maer ook van alle suspicie ende naerdencken 
van dien behoort vrij te wesen, mitsgaders oock van de suppoosten der plaetsen, die 
hij visiteren sal geenigc geschencken, giften ofte gaven ontfangcn mach, achten wij 
onnodich alhier te vermanen." 

-) Instructie voor Gouverneur-Generaal Hendrik Brouwer van 17 Maart 1632, 
art. 91, 92. (Mijer, a. w.. p. 68.) 

^) Realia, Register op de generale resolutiën van het kasteel Batavia, 1602—1805. 
Leiden, 1882. s. v. Commissarissen, p. 302. 

*) Aan Van Goens als commissaris naar Suratte enz., werd in 1653 meegegeven 
het verbaal van de jongste visitatie en het dagregister daarvan van 13 Febr.^ — 8 Juni 
1649, gehouden door den commissaris Arent Barendsz. (Register van de papieren aan 
Van Goens meegegeven in het Copieboeck van aff gezonden Commissiën enz., 8 Febr. 
1653 — 20 Dec. 1653.) Er waren dus ruim drie jaren verloopen sedert de laatste inspectie, 
want }oan Cunaeus had op zijn reis naar Perzië in 1651 52 geen gelegenheid gehad 
zijn commissie in Suratte uit te voeren. (A. Hotz, Journaal der Reis van den Gezant 
der O.-I. C. Joan Cundaeus naar Perzië in 1651 52. Werken Hist. Gen. Utr. Derde 
Serie. N°. 26, 1908. p. 3, 8, 372 vlgg.) Op de visite van 1653 volgt eerst die van 1657. 



31 

aan het zenden van tweejaarlijksche commissarissen niet de hand 
was gehouden. ^) 

Het is niet onmogelijk, en zelfs zeer aannemelijk, dat het gebrek 
aan „bequame stoffe" voor beide instellingen niet gunstig geweest is. 
Maar het mag ook betwijfeld worden, of de Hooge Regeering wel 
genegen was de proef te doen slagen. Zouden die werkzame, toeziende 
en onderzoekende inspecteurs, wier rapporten direct aan de Heeren 
Zeventien gezonden werden, en op wier schriftelijke en mondelinge 
raadgevingen de Hooge Regeering was aangewezen, vooral waar 
het gold inlichtingen ook over hooge ambtenaren van de Compagnie — 
zouden zulke door hun groote kennis van zaken feitelijk boven 
Gouverneur-Generaal en Raden staande ambtenaren door dezen wel 
gewenscht zijn? 

Al werd dan aan de opdracht van 1626 tot de benoeming van 
de permanente commissarissen, noch aan die van 1650 tot de aan- 
stelling van de tweejaarlijksche commissarissen uitvoering gegeven, 
de door Heeren Zeventien opgestelde instructie bleef richtsnoer voor 
lederen later ter inspectie uitgezonden commissaris. Zij werd hun 
meegegeven om, „deselve met aandacht ende opmerckinge na te lesen, 
de poincten daerin begrepen wel te verstaen ende deselve exactelijck 
te achtervolgen ende na te comen." ^) 

In den tijd van vijftig jaren was de Compagnie, gesticht als handels- 
lichaam, naast koopman meer en meer souverein geworden. Zij had 
in Indië een koloniaal rijk gesticht en het bestuur er van geregeld. 

Het monopolie der specerijen, dat zoo „smakelijke" winsten afwierp, 
had de begeerte naar meer monopolies opgewekt, naar de kaneel 
van Ceylon, de peper ^) van Malabar. Die bezat de Compagnie nog 
niet, toen het bestand met Portugal werd gesloten. Na de verovering 
van den specerij-handel had de Compagnie gestreefd naar de heer- 
schappij over de vaart in den Archipel; de toenemende handel op 



^) Gen. Miss. 26 Jan. 1661. 

^) Instructie voor Van Goens als commissaris van 19 Sept. 1653. Ook den 5den 
Sept. 1657 werd Van Goens een afschrift meegegeven. Op het Rijksarchief is nog 
een copie van de Instructie aanwezig, te Batavia gecollationeerd 16 Juli 1681. 

^) Onder „specerijen" verstonden de dienaren der Compagnie de specerijen van 
de Molukken, waarvan de Compagnie het monopolie bezat. Daartoe behoorden dus 
niet peper, kaneel, cardemom etc. 



32 

Voor-Indië en Ceylon deed haar begeerig worden naar uitbreiding 
van haar invloed in het westen, misschien naar verwezenlijking van het 
oude stoute ideaal der groote eerste portugeesche vice-koningen: ver- 
drijving van alle concurrenten uit geheel Indië. Hadden de Portugeezen 
er alleen Arabieren en inlandsche kooplieden als mededingers ge- 
vonden, de Compagnie had behalve met dezen nog met Engelschen 
en Portugeezen te doen. 

Zoo lang het bestand met Portugal duurde, kon de Compagnie haar 
zegevierend optreden tegen den gehaten mededinger niet voortzetten. 
In 1652 werd het anders. Toen trad weer de voor haar zoo gewenschte 
oorlogstoestand in; voor korten tijd, tot groote vreugde der Hooge 
Regeering, ook tegen de Engelschen. Het tooneel van den strijd 
werd nu weer de kust van Voor-Indië en Ceylon. Niet dadelijk kon 
met kracht worden opgetreden. Eerst toen de onderwerping der 
opstanden op de Molukken haar einde naderde, in 1655 werd een 
expeditie onder Gerard Huift naar Ceylon uitgezonden. Het offensief 
in het westen door Van Diemen aangevangen, werd door Maet- 
suycker, in 1653 Gouverneur-Generaal geworden, hervat. Ook Goa 
zag weer de blokkade-vloot voor haar „bhare" verschijnen. Colombo 
viel in 1656 der Compagnie in handen. Het monopohe der kaneel 
in het westen werd een pendant van dat der specerijen in het 
oosten. Maar zoo „dier een pand" als de Molukken was Ceylon 
nog niet. Een inlandsch vorst bedreigde nog altijd het vreedzaam 
bezit der nieuwe colonie. Dat was te gevaarlijker, omdat het noorden 
van het eiland nog in handen was der Portugeezen, evenals de tegen- 
overliggende kust van Voor-Indië. De verovering der kaneellanden 
moest nog bevestigd worden door een zuivering van den omtrek. 

Daartoe kreeg Ryckloff van Goens opdracht bij Instructie van 
5 September 1657. Tevens werd hij daarbij als commissaris belast 
met de visite der westelijke gouvernementen en kantoren. 

Zijn opdracht ^) was dus tweeledig: hij was admiraal en veldoverste 
en bovendien commissaris ter visite. In de qualiteit van admiraal en 



^) Instructie voor d'E. Heer Ryckloff van Goens, Raadt Extraordinaris van India, 
gaende in commissie tot visite der goevernementen en comptoiren Surattc, Wingurla, 
Mallabar, Ceylon, Cormandel, Bengale ende Malacca, mitsgaders als Commissaris, 
Admirael ende Veltoverste over de scheeps ende crijgsmacht na de custe van India 
ende Ceylon uytgeset. In't casteel Batavia den 5 September Anno 1657. 



33 

vcldovcrstc droeg zijn instructie hem op de portugeesche sterkte Diu, 
ten noorden van Suratte, te veroveren. Van Diu moest hij zich langs 
de kust van Indië, den vijand zooveel mogelijk afbreuk doende, be- 
geven naar Ceylon, nadat hij voor de blokkade van Goa vijf of zes 
schepen had achtergelaten onder het subaltern commando van den 
reeds 4 Augustus met negen schepen vertrokken commandeur Adriaan 
Roothaas. Op Ceylon zou het zijn taak zijn de verovering van 
Colombo te bevestigen door de verdrijving der Portugeezen uit hun 
sterkte op het eiland Manaar, de stad en het kasteel van }afFana- 
patnam en uit het tegenover gelegen Tutucorijn op de zuidkust van 
Voor-Indië. Gaarne zou de Hooge Regeering zien, dat Cotchin op 
de kust van Malabar den Portugeezen ontrukt werd, opdat de Com- 
pagnie meester zou kunnen worden van den malabaarschen peper. 

Als commissaris had Van Goens de kantoren en gouvernementen 
Suratte, Wingurla, Malabar, Ceylon, Coromandel, Malakka en, als 
het kon, nog Bengalen te visiteeren volgens de voorschriften, daarvoor 
opgesteld door de Heeren Zeventien in de Instructie van 1626, die 
hem in afschrift werd meegegeven. 

In de jaren 1657 en 1658 heeft Van Goens zijn opdracht als 
commissaris niet persoonlijk, maar door zijn fiscaal Van der Dussen 
trachten uit te voeren in Suratte en Wingurla. Als krijgsoverste is 
hij zelf opgetreden op Ceylon. Hij heeft er Manaar en JafiFanapatnam 
en op de overkust Tutucorijn en Negapatnam veroverd, terwijl zijn 
subalterne commandeur Roothaas de „bhare" van Goa bezet hield. 

Voordat de expeditie van Van Goens beschreven wordt, zal het 
niet ondienstig zijn den toestand op Ceylon uiteen te zetten en de 
beteekenis der genoemde kantoren voor de Compagnie te schetsen. 

B. RYCKLOFF VAN GOENS. 

Vooraf ga een kort overzicht van de loopbaan, die het hoofd der 
expeditie, Ryckloff van Goens, in dienst der Compagnie had afgelegd. ^) 



^) Voor Van Goens: P. A. Leupe, Ryckloff van Goens, Goeveraeur-Generaal 
véin Ncderlandsch-Indië 1678—1681. Dit is een „Memorie" door Van Goens opgesteld 
en door zijn zoon Ryckloff voortgezet, bevattende korte aanteekeningen over beider 
leven. De uitgever heeft haar van noten voorzien. (Berichten van het Hist. Gen. Utrecht, 
5de deel, 2de stuk, p. 28 vlgg.) 

M. A. van Reede van der Kloot, De Gouverneurs-Generaal van Nederlandsch-Indië. 
's Gravenhage, 1 89 1 . 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 3 



34 

Van Goens was als 't ware een kind der Compagnie. Hij was 
geboren te Rees, 24 Juni 1619. Daar was zijn vader, Volckert Boickes 
van Goens, uit een oud friesch geslacht, cornet van een compagnie 
kurassiers in dienst der Staten-Generaal. Negen jaar oud werd Ryckloff 
door zijn ouders meegenomen naar Indië, waar zijn vader, op 
aandrang van een jongeren broer, die er fortuin gemaakt had, als 
„commandeur over de soldaten", in dienst der Compagnie was getreden. 
Van fortuin maken kwam niets. Een maand na aankomst stierf 
Volckert Boickes (1629) en in 't volgend jaar zijn vrouw. Zoo bleef 
de elfjarige Ryckloff in Indië achter als wees „sonder eenige bysondere 
erffenisse als de hoope van Gods goedertierentheyt." 

Op voorspraak van zijn oom Boickes komt hij, nauwelijks twaalf 
jaar oud, in dienst van den gouverneur van Coromandel, Arent 
Gardenijs, „welcke Heer [hem] een goed leermeester verstreckt heeft." 
Als Gardenijs in 1634 wegens eenig misnoegen door de Heeren 
Zeventien naar 't vaderland ontboden wordt, staat de jonge Van Goens, 
naar Batavia teruggekeerd, weer geheel op zich zelf, daar zijn oom 
naar Banda vertrokken is. Op zijn verzoek wordt hij door den Gou- 
verneur-Generaal Antonio van Diemen aangesteld als assistent bij 
den opperkoopman van het kasteel Jacob de Wit, op een traktement 
van ƒ300 's jaars, „om in de packhuijsen gebruijckt te worden voor 
de commertie." 

Zoo blijft hij vooreerst op het kasteel werkzaam klimmende van 
assistent, eerst tot onderkoopman (met ƒ700 's jaars) en boekhouder 
van de negotie-boeken, daarna tot koopman (met ruim f 1 500 's jaars) ^) 
en „tweede persoon" over de administratie van alle Compagnies 
middelen. In 1645 werd hij opperkoopman en opperhoofd van het 
soldijkantoor te Batavia, waarop hij vier jaar later tevens zitting 
kreeg in den Raad van Justitie, om in 1651 te worden bevorderd 
tot eersten opperkoopman van het kasteel, d. w. z. tot eersten van 
de twee adjuncten van den Directeur-Generaal van den handel ^) 



^) Volgens de resolutieboeken van Gouverneur-Generaal en Raden, 14 Oct. 1642, 
was het „'t sestig guldens ter maent en opperkoopmansrantsoen ". (Ber. Hist. Gen., 
t. a. p., p. 47 n 2). Volgens de lijst der maandelijksche traktementen enz. van 31 Juli 
1753. (Klerk de Reus, a. w. Bijlage 111) is aan den rang van koopman dan nog ver- 
bonden ƒ60 's maands en het kostgeld voor opperkoopman 13 realen (de reaal 48 
strs.), wat te zamen maakt ƒ1094. strs. 8. Vermoedelijk waren er dus geregelde emolu- 
menten aan de betrekking verbonden, of was het traktement honderd jaar later geringer. 

") Klerk de Reus, p. 97. 



35 

op een tractement van ƒ2200, behalve de emolumenten. Reeds een 
jaar tevoren was hij tijdelijk toegelaten tot de Hooge Tafel als 
geassumeerd lid in Rade van India ^), in welk college hij 23 Augustus 
1654 volgens besluit van Heeren Zeventien van 20 Januari van dat 
jaar, als extra-ordinaris Hd werd bevestigd op f 3400 's jaars. Intus- 
schen was Van Goens in 1640 gehuwd met Jacomine Rosegaard uit 
Leiden, weduwe van Jan Lievens, provisioneel luitenant in dienst 
der Compagnie. Zij schonk hem in den tijd van zes jaren vijf kin- 
deren, vier zonen en één dochter, van wie er drie, onder welke de 
dochter, reeds in 1648 overleden waren. 

Gedurende zijn bedieningen te Batavia werd Van Goens voor 
verschillende zendingen gebruikt. In 1644 werd hij met een zending 
naar Palembang belast, op welke reis hij tevens de koningen van 
Jamby en Johor uit naam der Compagnie had te begroeten. Twee 
jaar later fungeerde hij als opperhoofd van „'s Compagnies com- 
mercie" te Jamby. Vijfmaal heeft hij de belangen van de Compagnie 
behartigd op soms gevaarlijke zendingen naar het hof van Mataram '), 
en eenmaal als gezant van de Hooge Regeering bij den koning van 
Siam, waar hij tevens als commissaris het kantoor visiteerde (1649/50). 
In die laatste qualiteit inspecteerde hij in 1653/54 de westelijke kan- 
toren Ceylon, Suratte c. a. en Wingurla. ^) 

In 1649 trad hij voor het eerst op als krijgsman. Toen werd hij 
met vier schepen naar Straat Soenda gezonden om twee genueesche 
schepen „met lief of leed " naar Batavia te brengen, welke opdracht 
hij met succes volbracht. Ook in 1653/54 op den tocht als commis- 
saris naar de westelijke kwartieren was hij commandeur over de 
navale macht en de militie te lande en heeft hij twee overwinningen 
op de Portugeezen behaald, waarbij in de eerste 40 vijandelijke 
fregatten of galeien verbrand of veroverd, en in de tweede vier 
zware portugeesche galjoenen werden vernield en één werd genomen. ^) 

De arme achtergebleven weesjongen had het in 20 jaar tijds op 
35 jarigen leeftijd van assistent gebracht tot extra-ordinaris lid van 
den Raad van Indië, en nu meende hij den tijd gekomen, om naar 



^) Zie boven p. 13. 

2) In 1648. 1650, 1651, 1652 en 1654: De Jonge. Opkomst. VI p. VI en 28: p. 
XLVI en 50 vlgg., p. LV en 44 vlg. en 46—53. 

3) Beneden Hoofdstuk III. 



36 

't lieve vaderland, waarheen zijn beide zoons en zijn huisvrouw reeds 
vertrokken waren, terug te keeren. Vóór zijn vertrek in Januari 1655 
werd hij door Gouverneur-Generaal en Raden vereerd met een 
dotatie van ƒ4000, en in patria begiftigden de Heeren Zeventien 
hem met een gouden keten ter waarde van ƒ600. Zijn hart vloeide 
over van godvruchtige dankbaarheid: „maakt uw knegt dankbaar 
O Heere! dat hij nooijt meer van Uwe geboden afwijke van nu tot 
in der eeuwigheijt. Amen. Hallelujah!" juicht hij den psalmist na. 

Op aandringen van de Heeren Majores en om zijn eigen carrière 
te vervolgen besloot hij zich andermaal in dienst van de Compagnie 
te begeven met „expresse stipulatie", dat de eerste zetel aan de 
Hooge Tafel op het kasteel, die zou open komen, door hem als 
ordinaris lid zou worden ingenomen. Zoo vertrok hij 22 Nov. 1656 
met zijn vrouw en zijn oudsten veertienjarigen zoon RycklofF, assistent 
in dienst der Compagnie, als admiraal van de „vaderlantse equipagie" 
op het schip Orangie uit het Vlie. Na een reis van ruim zeven 
maanden arriveerde hij den 1^'*° Juli 1657 te Batavia, en nam twee 
dagen later, na den eed gepresteerd te hebben, weder zitting in 
Rade als extra-ordinaris lid. ^) 

In dien Raad werd in die dagen beraadslaagd over een uitrusting 
naar de kust van Voor-Indië en Ceylon, om de Portugeezen zooveel 
mogelijk afbreuk te doen. De bevelhebber over die krijgsmacht zou 
tevens als commissaris de westelijke kwartieren inspecteeren. Van 
Goens, zoo juist uit patria terug, bood zich aan om die uitgebreide taak 
op zich te nemen. ^) Zijn verleden, waarin hij de Compagnie gediend 
had in verschillende betrekkingen, die alle tezamen in deze groote 
opdracht besloten waren, maakte hem de aangewezen man om aan 
het hoofd van deze missie en vloot op te treden. 

De „lange Kapitein" ^) had bij den soesoehoenan van Mataram 
bewezen, hoe hij de kunst verstond met inlandsche vorsten om te 
gaan, en op zijn zending naar de westelijke kantoren waren zijn 
voortvarendheid en onversaagdheid als vlootvoogd duidelijk aan het 
licht getreden. Bij zijn aankomst in Suratte toch vernomen hebbend, dat 
drie engelsche schepen bij Diu kruisten op de uit Bassora verwachte 



') Daghregister gehouden in 't Gasteel Batavia, 1656/57. Uitgegeven onder toezicht 
van Dr. J. de HuUu. 's Gravenhage 1903 — '04, p. 203 vlg. 

2) Daghregister 1656 57, p. 213. 

3) De jonge. Opkomst VI, p. XL VII. 



37 

nederlandschc, had hij dadehjk, drie schepen en een chaloep afge- 
zonden, om de Engelschen aan te vallen. Dat die aanval minder 
succes gehad had, dan verwacht kon worden, was niet zijn schuld, 
maar die van den bevelhebber over de schepen en de schippers 
geweest. Op zijn terugtocht had hij zijn groote zege op de Portu- 
geezen behaald. ^) 

Als geloovig Christen was hij, meer dan de officieele formules 
vereischten, geneigd in alle succes Gods hand te zien, „den almo- 
genden Godt de eere te geven" en „eeuwiglyck te dancken." Maar 
als dienaar van de Compagnie achtte hij het niet gewenscht naar 
„Christelycke maxime" met de inlandsche vorsten te handelen. ^) 
Een zeventiende eeuwer van het Cromwellsche „vertrouw op God 
en houd je kruit droog." 



') Beneden Hoofdstuk III. 

-) De Jonge, Opkomst, VI, p. IV vlg. : „De Christelycke maxime, die U.E. con- 
tinueel hebben voor gehad, om den handel van d'Ed. Comp. in vrede en vriendschap 
met alle Indische grooten te vervolgen, is bij deselve qualyck geïnterpreteerd. Niemand 
is er in gansch Indië, die ons goed gunt, ja wij worden van alle natiën doodelyck 
gehaat. Door ons zelven te dedineren, achten zij ons des te minder en daardoor is 
Dock verdwenen zelfs de geveynsde liefde. Naar mijn oordeel zal vroeg of laat de 
oorlog scheidsman moeten worden." (Aangehaald uit: Vertoogh wegens den presenten 
staet van de Nederl. gcoctr. O.-I. C. door Ryckloff van Goens in 1655, uitgegeven 
in Bijdragen voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederl.-Indië, 1856). 



HOOFDSTUK II. 



DE NEDERLANDERS OP CEYLON TOT 1657. 

Met de verovering en versterking van Jaffanapatnam in 1630, 
waren de Portugeezen meester geworden van de benedenlanden en 
de kust van Ceylon. Terwijl zij van Goa uit deze laatste verovering 
versterkten, was de nieuw opgekomen macht te Batavia meer haar 
aandacht gaan schenken aan de westelijke streken buiten den Archipel: 
eerst aan Malakka, dan ook aan de westkust van Voor-Indië, om 
er de oude concurrenten te verdrijven. In 1636 zeilde de eerste der 
vloten uit, die in volgende jaren geregeld Goa zouden blokkeeren 
en den Portugeezen alle mogelijke afbreuk doen. 

Tot die nieuwe macht wendde zich de in zijn bergen te Kandi 
benarde Maharadja van Ceylon. ^) 

In 1638 sloot de admiraal Adam Westerwolt na zijn verovering 
van Batticalao met den vorst Raja Singha een verbond en handels- 
verdrag ^) dat het fundament werd, of althans heette te zijn, 
voor de verhouding tusschen den koning ^) en de Compagnie in de 
volgende jaren. 

De Nederlanders toonden zich ijverige bondgenooten in het ver- 
overen; eerst van Trinkonomale (2 Mei 1639) dan van Negombo 
(4 Febr. 1640) en eindelijk van Gale (13 Maart 1640). Deze laatste sterkte 
bleef bezet, als het ééne fort, dat volgens een nieuwe overeenkomst ^) met 
Raja Singha aan de Compagnie was afgestaan. De Heeren te Batavia 



^) Voor het volgende: Dr. W. A. van Geer, De opkomst van het nederlandsch 
gezag over Ceylon. Leiden, 1895. 

^) Ph. Baldaeus, Nauwkeurige Beschrijvinge van Malabar en Choromandel, derzelver 
aangrenzende Rijken en het machtige Eyland Ceylon. Amsterdam 1672. Deel II, 
Ceylon, p. 56—59. 

^) Raja Singha wordt nu eens betiteld met „koning", dan weer met „keizer". 

*) Zie beneden, p. 40. 



39 

rekenden, dat aan de bezetting van Gale ook verbonden waren de 
voordeelen van de landen Mature en Saffragam, bestaande in 1500 
baren ^) kaneel en een aantal olifanten. Batticalao en Trinkonomale 
bleven slechts voorloopig in handen der Nederlanders. Negombo 
werd nog in 't jaar der verovering door de Portugeezen herwonnen. 

In October van 1640 was het bestand, door de Staten-Generaal 
met Portugal gesloten, in Batavia bekend geworden en afgekondigd. 
Door moeilijkheden over de grensregelingen en over de rechten, die 
de Compagnie in naam van Raja Singha beweerde te hebben op 
de landen van Mature en SufFragam, duurde de oorlog op Ceylon 
nog voort en werd die zelfs in 1643 over geheel Indië den Portu- 
geezen aangezegd. 

Deze hernieuwde krijg bracht de Nederlanders weer in bezit van 
Negombo (4 Januari 1644). Bij het tractaat, ^) dat Maetsuycker 10 
Nov. 1644 te Goa met den portugeeschen onderkoning sloot, werd 
de grenslijn tusschen het nederlandsche en het portugeesche gebied 
op Ceylon getrokken, ten zuiden van Negombo tot halverwege het 
portugeesche Colombo, en ten noorden van Gale eveneens tot halver- 
wege genoemde portugeesche stad. 

Terwijl het nu met de Portugeezen tot een vrede was gekomen, was 
de verstandhouding van de Nederlanders tot hun bondgenoot, den vorst 
van Kandi, van alles behalve vriendschappelijken aard geworden. 
Zijne keizerlijke majesteit Raja Singha ^) was de oudste en, volgens 
het verdrag van 1638, ook voornaamste machthebber op Ceylon. 
Maar het was een zonderlinge verhouding, die tusschen den vorst 
en de Nederlanders, zijn bondgenooten, bestond. Zij waren immers 
niet gekomen om hem te herstellen in zijn voorvaderlijk erfdeel, 
maar om in de plaats te dringen van de Portugeezen en daardoor 
het monopolie van de kaneel te bemachtigen. *) Zij waren dan ook 
begonnen met den koning te bedriegen. ^) 



1) 1 baar = 480 pond. 

2) Het tractaat bij Baldaeus, Malabar en Coromandel, p. 94 — 96. 

^) Over Raja Singha's uiterlijk en karakter: T' Eyland Ceylon in zijn binnenste 
oft Koninckrijck Candy , Geopend en Nauwkeuriger dan oijt te vooren ontdeckt door 
Robert Knox, scheepskapitein der Engelsche Oost-Indische Compagnie, die 20 Jaren 
langh in dit Gewest gevanckelijck aangehouden geweest en eijndelijck 't selve door 
de vlucht ontkomen is. Vertaald door S. de Vries, Utrecht 1692, p. 46 en 55. 

*) Zie artt. 9, 10, 13, 14 van het contract. (Baldaeus. Ceylon, p. 56—59.) 

^) Van Geer, Opkomst, p. 39 vlgg. 



40 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR