30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt ende aensien om met te minder aenstoot ende misnoegen daerover bij de ministers ontvangen ende erkent te worden, alle welke singuliere deuchden ende qualiteyten niet altijd in één persoon concurreeren." ^) Toen Maetsuycker in 1661 zoo schreef, dacht hij niet meer aan de permanente commissarissen van 1626. Van die instelHng was niets gekomen. In 1632 hadden Heeren Zeventien het bevel, om jaarlijks twee gequalificeerde personen als commissarissen, vooral tot wering van den particulieren handel, uit te zenden, herhaald. ^) Ingesteld werd die jaarlijksche inspectie nooit. Wel werden zoo nu en dan commissarissen benoemd naar verschillende kantoren, maar zeer ongeregeld, zoodat in 1650 en vervolgens herhaaldelijk de Heeren Zeventien de Regeering in Batavia hebben gelast, dat tenminste alle twee jaren de gouvernementen en kantoren door een commissaris zouden worden gevisiteerd. ^) Ook daaraan kon men in Batavia niet voldoen *) wegens gebrek aan geschikte personen. Dat althans gaven Gouverneur-Generaal en Raden op als de reden, waarom het instituut der jaarlijksche permanente commissarissen, zooals bedoeld in 1626 en 1632, achterwege was gebleven, en waarom zelfs ^) Generale Missive van Gouverneur-Generaal en Raden aan de Heeren Zeventien van 26 Januarie 1661. De in een commissaris vereischte probiteit wordt ook naar voren gebracht aan het slot van de Instructie voor den commissaris naar Suratte, Wingurla en Ceylon, RycklofF van Goens, 19 Sept. 1653: „Dat een commissaris .... selffs niet alleen van alle oock de minste particulariteyten, maer ook van alle suspicie ende naerdencken van dien behoort vrij te wesen, mitsgaders oock van de suppoosten der plaetsen, die hij visiteren sal geenigc geschencken, giften ofte gaven ontfangcn mach, achten wij onnodich alhier te vermanen." -) Instructie voor Gouverneur-Generaal Hendrik Brouwer van 17 Maart 1632, art. 91, 92. (Mijer, a. w.. p. 68.) ^) Realia, Register op de generale resolutiën van het kasteel Batavia, 1602—1805. Leiden, 1882. s. v. Commissarissen, p. 302. *) Aan Van Goens als commissaris naar Suratte enz., werd in 1653 meegegeven het verbaal van de jongste visitatie en het dagregister daarvan van 13 Febr.^ — 8 Juni 1649, gehouden door den commissaris Arent Barendsz. (Register van de papieren aan Van Goens meegegeven in het Copieboeck van aff gezonden Commissiën enz., 8 Febr. 1653 — 20 Dec. 1653.) Er waren dus ruim drie jaren verloopen sedert de laatste inspectie, want }oan Cunaeus had op zijn reis naar Perzië in 1651 52 geen gelegenheid gehad zijn commissie in Suratte uit te voeren. (A. Hotz, Journaal der Reis van den Gezant der O.-I. C. Joan Cundaeus naar Perzië in 1651 52. Werken Hist. Gen. Utr. Derde Serie. N°. 26, 1908. p. 3, 8, 372 vlgg.) Op de visite van 1653 volgt eerst die van 1657. 31 aan het zenden van tweejaarlijksche commissarissen niet de hand was gehouden. ^) Het is niet onmogelijk, en zelfs zeer aannemelijk, dat het gebrek aan „bequame stoffe" voor beide instellingen niet gunstig geweest is. Maar het mag ook betwijfeld worden, of de Hooge Regeering wel genegen was de proef te doen slagen. Zouden die werkzame, toeziende en onderzoekende inspecteurs, wier rapporten direct aan de Heeren Zeventien gezonden werden, en op wier schriftelijke en mondelinge raadgevingen de Hooge Regeering was aangewezen, vooral waar het gold inlichtingen ook over hooge ambtenaren van de Compagnie — zouden zulke door hun groote kennis van zaken feitelijk boven Gouverneur-Generaal en Raden staande ambtenaren door dezen wel gewenscht zijn? Al werd dan aan de opdracht van 1626 tot de benoeming van de permanente commissarissen, noch aan die van 1650 tot de aan- stelling van de tweejaarlijksche commissarissen uitvoering gegeven, de door Heeren Zeventien opgestelde instructie bleef richtsnoer voor lederen later ter inspectie uitgezonden commissaris. Zij werd hun meegegeven om, „deselve met aandacht ende opmerckinge na te lesen, de poincten daerin begrepen wel te verstaen ende deselve exactelijck te achtervolgen ende na te comen." ^) In den tijd van vijftig jaren was de Compagnie, gesticht als handels- lichaam, naast koopman meer en meer souverein geworden. Zij had in Indië een koloniaal rijk gesticht en het bestuur er van geregeld. Het monopolie der specerijen, dat zoo „smakelijke" winsten afwierp, had de begeerte naar meer monopolies opgewekt, naar de kaneel van Ceylon, de peper ^) van Malabar. Die bezat de Compagnie nog niet, toen het bestand met Portugal werd gesloten. Na de verovering van den specerij-handel had de Compagnie gestreefd naar de heer- schappij over de vaart in den Archipel; de toenemende handel op ^) Gen. Miss. 26 Jan. 1661. ^) Instructie voor Van Goens als commissaris van 19 Sept. 1653. Ook den 5den Sept. 1657 werd Van Goens een afschrift meegegeven. Op het Rijksarchief is nog een copie van de Instructie aanwezig, te Batavia gecollationeerd 16 Juli 1681. ^) Onder „specerijen" verstonden de dienaren der Compagnie de specerijen van de Molukken, waarvan de Compagnie het monopolie bezat. Daartoe behoorden dus niet peper, kaneel, cardemom etc. 32 Voor-Indië en Ceylon deed haar begeerig worden naar uitbreiding van haar invloed in het westen, misschien naar verwezenlijking van het oude stoute ideaal der groote eerste portugeesche vice-koningen: ver- drijving van alle concurrenten uit geheel Indië. Hadden de Portugeezen er alleen Arabieren en inlandsche kooplieden als mededingers ge- vonden, de Compagnie had behalve met dezen nog met Engelschen en Portugeezen te doen. Zoo lang het bestand met Portugal duurde, kon de Compagnie haar zegevierend optreden tegen den gehaten mededinger niet voortzetten. In 1652 werd het anders. Toen trad weer de voor haar zoo gewenschte oorlogstoestand in; voor korten tijd, tot groote vreugde der Hooge Regeering, ook tegen de Engelschen. Het tooneel van den strijd werd nu weer de kust van Voor-Indië en Ceylon. Niet dadelijk kon met kracht worden opgetreden. Eerst toen de onderwerping der opstanden op de Molukken haar einde naderde, in 1655 werd een expeditie onder Gerard Huift naar Ceylon uitgezonden. Het offensief in het westen door Van Diemen aangevangen, werd door Maet- suycker, in 1653 Gouverneur-Generaal geworden, hervat. Ook Goa zag weer de blokkade-vloot voor haar „bhare" verschijnen. Colombo viel in 1656 der Compagnie in handen. Het monopohe der kaneel in het westen werd een pendant van dat der specerijen in het oosten. Maar zoo „dier een pand" als de Molukken was Ceylon nog niet. Een inlandsch vorst bedreigde nog altijd het vreedzaam bezit der nieuwe colonie. Dat was te gevaarlijker, omdat het noorden van het eiland nog in handen was der Portugeezen, evenals de tegen- overliggende kust van Voor-Indië. De verovering der kaneellanden moest nog bevestigd worden door een zuivering van den omtrek. Daartoe kreeg Ryckloff van Goens opdracht bij Instructie van 5 September 1657. Tevens werd hij daarbij als commissaris belast met de visite der westelijke gouvernementen en kantoren. Zijn opdracht ^) was dus tweeledig: hij was admiraal en veldoverste en bovendien commissaris ter visite. In de qualiteit van admiraal en ^) Instructie voor d'E. Heer Ryckloff van Goens, Raadt Extraordinaris van India, gaende in commissie tot visite der goevernementen en comptoiren Surattc, Wingurla, Mallabar, Ceylon, Cormandel, Bengale ende Malacca, mitsgaders als Commissaris, Admirael ende Veltoverste over de scheeps ende crijgsmacht na de custe van India ende Ceylon uytgeset. In't casteel Batavia den 5 September Anno 1657. 33 vcldovcrstc droeg zijn instructie hem op de portugeesche sterkte Diu, ten noorden van Suratte, te veroveren. Van Diu moest hij zich langs de kust van Indië, den vijand zooveel mogelijk afbreuk doende, be- geven naar Ceylon, nadat hij voor de blokkade van Goa vijf of zes schepen had achtergelaten onder het subaltern commando van den reeds 4 Augustus met negen schepen vertrokken commandeur Adriaan Roothaas. Op Ceylon zou het zijn taak zijn de verovering van Colombo te bevestigen door de verdrijving der Portugeezen uit hun sterkte op het eiland Manaar, de stad en het kasteel van }afFana- patnam en uit het tegenover gelegen Tutucorijn op de zuidkust van Voor-Indië. Gaarne zou de Hooge Regeering zien, dat Cotchin op de kust van Malabar den Portugeezen ontrukt werd, opdat de Com- pagnie meester zou kunnen worden van den malabaarschen peper. Als commissaris had Van Goens de kantoren en gouvernementen Suratte, Wingurla, Malabar, Ceylon, Coromandel, Malakka en, als het kon, nog Bengalen te visiteeren volgens de voorschriften, daarvoor opgesteld door de Heeren Zeventien in de Instructie van 1626, die hem in afschrift werd meegegeven. In de jaren 1657 en 1658 heeft Van Goens zijn opdracht als commissaris niet persoonlijk, maar door zijn fiscaal Van der Dussen trachten uit te voeren in Suratte en Wingurla. Als krijgsoverste is hij zelf opgetreden op Ceylon. Hij heeft er Manaar en JafiFanapatnam en op de overkust Tutucorijn en Negapatnam veroverd, terwijl zijn subalterne commandeur Roothaas de „bhare" van Goa bezet hield. Voordat de expeditie van Van Goens beschreven wordt, zal het niet ondienstig zijn den toestand op Ceylon uiteen te zetten en de beteekenis der genoemde kantoren voor de Compagnie te schetsen. B. RYCKLOFF VAN GOENS. Vooraf ga een kort overzicht van de loopbaan, die het hoofd der expeditie, Ryckloff van Goens, in dienst der Compagnie had afgelegd. ^) ^) Voor Van Goens: P. A. Leupe, Ryckloff van Goens, Goeveraeur-Generaal véin Ncderlandsch-Indië 1678—1681. Dit is een „Memorie" door Van Goens opgesteld en door zijn zoon Ryckloff voortgezet, bevattende korte aanteekeningen over beider leven. De uitgever heeft haar van noten voorzien. (Berichten van het Hist. Gen. Utrecht, 5de deel, 2de stuk, p. 28 vlgg.) M. A. van Reede van der Kloot, De Gouverneurs-Generaal van Nederlandsch-Indië. 's Gravenhage, 1 89 1 . AALBERS, O.-I. Compagnie. 3 34 Van Goens was als 't ware een kind der Compagnie. Hij was geboren te Rees, 24 Juni 1619. Daar was zijn vader, Volckert Boickes van Goens, uit een oud friesch geslacht, cornet van een compagnie kurassiers in dienst der Staten-Generaal. Negen jaar oud werd Ryckloff door zijn ouders meegenomen naar Indië, waar zijn vader, op aandrang van een jongeren broer, die er fortuin gemaakt had, als „commandeur over de soldaten", in dienst der Compagnie was getreden. Van fortuin maken kwam niets. Een maand na aankomst stierf Volckert Boickes (1629) en in 't volgend jaar zijn vrouw. Zoo bleef de elfjarige Ryckloff in Indië achter als wees „sonder eenige bysondere erffenisse als de hoope van Gods goedertierentheyt." Op voorspraak van zijn oom Boickes komt hij, nauwelijks twaalf jaar oud, in dienst van den gouverneur van Coromandel, Arent Gardenijs, „welcke Heer [hem] een goed leermeester verstreckt heeft." Als Gardenijs in 1634 wegens eenig misnoegen door de Heeren Zeventien naar 't vaderland ontboden wordt, staat de jonge Van Goens, naar Batavia teruggekeerd, weer geheel op zich zelf, daar zijn oom naar Banda vertrokken is. Op zijn verzoek wordt hij door den Gou- verneur-Generaal Antonio van Diemen aangesteld als assistent bij den opperkoopman van het kasteel Jacob de Wit, op een traktement van ƒ300 's jaars, „om in de packhuijsen gebruijckt te worden voor de commertie." Zoo blijft hij vooreerst op het kasteel werkzaam klimmende van assistent, eerst tot onderkoopman (met ƒ700 's jaars) en boekhouder van de negotie-boeken, daarna tot koopman (met ruim f 1 500 's jaars) ^) en „tweede persoon" over de administratie van alle Compagnies middelen. In 1645 werd hij opperkoopman en opperhoofd van het soldijkantoor te Batavia, waarop hij vier jaar later tevens zitting kreeg in den Raad van Justitie, om in 1651 te worden bevorderd tot eersten opperkoopman van het kasteel, d. w. z. tot eersten van de twee adjuncten van den Directeur-Generaal van den handel ^) ^) Volgens de resolutieboeken van Gouverneur-Generaal en Raden, 14 Oct. 1642, was het „'t sestig guldens ter maent en opperkoopmansrantsoen ". (Ber. Hist. Gen., t. a. p., p. 47 n 2). Volgens de lijst der maandelijksche traktementen enz. van 31 Juli 1753. (Klerk de Reus, a. w. Bijlage 111) is aan den rang van koopman dan nog ver- bonden ƒ60 's maands en het kostgeld voor opperkoopman 13 realen (de reaal 48 strs.), wat te zamen maakt ƒ1094. strs. 8. Vermoedelijk waren er dus geregelde emolu- menten aan de betrekking verbonden, of was het traktement honderd jaar later geringer. ") Klerk de Reus, p. 97. 35 op een tractement van ƒ2200, behalve de emolumenten. Reeds een jaar tevoren was hij tijdelijk toegelaten tot de Hooge Tafel als geassumeerd lid in Rade van India ^), in welk college hij 23 Augustus 1654 volgens besluit van Heeren Zeventien van 20 Januari van dat jaar, als extra-ordinaris Hd werd bevestigd op f 3400 's jaars. Intus- schen was Van Goens in 1640 gehuwd met Jacomine Rosegaard uit Leiden, weduwe van Jan Lievens, provisioneel luitenant in dienst der Compagnie. Zij schonk hem in den tijd van zes jaren vijf kin- deren, vier zonen en één dochter, van wie er drie, onder welke de dochter, reeds in 1648 overleden waren. Gedurende zijn bedieningen te Batavia werd Van Goens voor verschillende zendingen gebruikt. In 1644 werd hij met een zending naar Palembang belast, op welke reis hij tevens de koningen van Jamby en Johor uit naam der Compagnie had te begroeten. Twee jaar later fungeerde hij als opperhoofd van „'s Compagnies com- mercie" te Jamby. Vijfmaal heeft hij de belangen van de Compagnie behartigd op soms gevaarlijke zendingen naar het hof van Mataram '), en eenmaal als gezant van de Hooge Regeering bij den koning van Siam, waar hij tevens als commissaris het kantoor visiteerde (1649/50). In die laatste qualiteit inspecteerde hij in 1653/54 de westelijke kan- toren Ceylon, Suratte c. a. en Wingurla. ^) In 1649 trad hij voor het eerst op als krijgsman. Toen werd hij met vier schepen naar Straat Soenda gezonden om twee genueesche schepen „met lief of leed " naar Batavia te brengen, welke opdracht hij met succes volbracht. Ook in 1653/54 op den tocht als commis- saris naar de westelijke kwartieren was hij commandeur over de navale macht en de militie te lande en heeft hij twee overwinningen op de Portugeezen behaald, waarbij in de eerste 40 vijandelijke fregatten of galeien verbrand of veroverd, en in de tweede vier zware portugeesche galjoenen werden vernield en één werd genomen. ^) De arme achtergebleven weesjongen had het in 20 jaar tijds op 35 jarigen leeftijd van assistent gebracht tot extra-ordinaris lid van den Raad van Indië, en nu meende hij den tijd gekomen, om naar ^) Zie boven p. 13. 2) In 1648. 1650, 1651, 1652 en 1654: De Jonge. Opkomst. VI p. VI en 28: p. XLVI en 50 vlgg., p. LV en 44 vlg. en 46—53. 3) Beneden Hoofdstuk III. 36 't lieve vaderland, waarheen zijn beide zoons en zijn huisvrouw reeds vertrokken waren, terug te keeren. Vóór zijn vertrek in Januari 1655 werd hij door Gouverneur-Generaal en Raden vereerd met een dotatie van ƒ4000, en in patria begiftigden de Heeren Zeventien hem met een gouden keten ter waarde van ƒ600. Zijn hart vloeide over van godvruchtige dankbaarheid: „maakt uw knegt dankbaar O Heere! dat hij nooijt meer van Uwe geboden afwijke van nu tot in der eeuwigheijt. Amen. Hallelujah!" juicht hij den psalmist na. Op aandringen van de Heeren Majores en om zijn eigen carrière te vervolgen besloot hij zich andermaal in dienst van de Compagnie te begeven met „expresse stipulatie", dat de eerste zetel aan de Hooge Tafel op het kasteel, die zou open komen, door hem als ordinaris lid zou worden ingenomen. Zoo vertrok hij 22 Nov. 1656 met zijn vrouw en zijn oudsten veertienjarigen zoon RycklofF, assistent in dienst der Compagnie, als admiraal van de „vaderlantse equipagie" op het schip Orangie uit het Vlie. Na een reis van ruim zeven maanden arriveerde hij den 1^'*° Juli 1657 te Batavia, en nam twee dagen later, na den eed gepresteerd te hebben, weder zitting in Rade als extra-ordinaris lid. ^) In dien Raad werd in die dagen beraadslaagd over een uitrusting naar de kust van Voor-Indië en Ceylon, om de Portugeezen zooveel mogelijk afbreuk te doen. De bevelhebber over die krijgsmacht zou tevens als commissaris de westelijke kwartieren inspecteeren. Van Goens, zoo juist uit patria terug, bood zich aan om die uitgebreide taak op zich te nemen. ^) Zijn verleden, waarin hij de Compagnie gediend had in verschillende betrekkingen, die alle tezamen in deze groote opdracht besloten waren, maakte hem de aangewezen man om aan het hoofd van deze missie en vloot op te treden. De „lange Kapitein" ^) had bij den soesoehoenan van Mataram bewezen, hoe hij de kunst verstond met inlandsche vorsten om te gaan, en op zijn zending naar de westelijke kantoren waren zijn voortvarendheid en onversaagdheid als vlootvoogd duidelijk aan het licht getreden. Bij zijn aankomst in Suratte toch vernomen hebbend, dat drie engelsche schepen bij Diu kruisten op de uit Bassora verwachte ') Daghregister gehouden in 't Gasteel Batavia, 1656/57. Uitgegeven onder toezicht van Dr. J. de HuUu. 's Gravenhage 1903 — '04, p. 203 vlg. 2) Daghregister 1656 57, p. 213. 3) De jonge. Opkomst VI, p. XL VII. 37 nederlandschc, had hij dadehjk, drie schepen en een chaloep afge- zonden, om de Engelschen aan te vallen. Dat die aanval minder succes gehad had, dan verwacht kon worden, was niet zijn schuld, maar die van den bevelhebber over de schepen en de schippers geweest. Op zijn terugtocht had hij zijn groote zege op de Portu- geezen behaald. ^) Als geloovig Christen was hij, meer dan de officieele formules vereischten, geneigd in alle succes Gods hand te zien, „den almo- genden Godt de eere te geven" en „eeuwiglyck te dancken." Maar als dienaar van de Compagnie achtte hij het niet gewenscht naar „Christelycke maxime" met de inlandsche vorsten te handelen. ^) Een zeventiende eeuwer van het Cromwellsche „vertrouw op God en houd je kruit droog." ') Beneden Hoofdstuk III. -) De Jonge, Opkomst, VI, p. IV vlg. : „De Christelycke maxime, die U.E. con- tinueel hebben voor gehad, om den handel van d'Ed. Comp. in vrede en vriendschap met alle Indische grooten te vervolgen, is bij deselve qualyck geïnterpreteerd. Niemand is er in gansch Indië, die ons goed gunt, ja wij worden van alle natiën doodelyck gehaat. Door ons zelven te dedineren, achten zij ons des te minder en daardoor is Dock verdwenen zelfs de geveynsde liefde. Naar mijn oordeel zal vroeg of laat de oorlog scheidsman moeten worden." (Aangehaald uit: Vertoogh wegens den presenten staet van de Nederl. gcoctr. O.-I. C. door Ryckloff van Goens in 1655, uitgegeven in Bijdragen voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederl.-Indië, 1856). HOOFDSTUK II. DE NEDERLANDERS OP CEYLON TOT 1657. Met de verovering en versterking van Jaffanapatnam in 1630, waren de Portugeezen meester geworden van de benedenlanden en de kust van Ceylon. Terwijl zij van Goa uit deze laatste verovering versterkten, was de nieuw opgekomen macht te Batavia meer haar aandacht gaan schenken aan de westelijke streken buiten den Archipel: eerst aan Malakka, dan ook aan de westkust van Voor-Indië, om er de oude concurrenten te verdrijven. In 1636 zeilde de eerste der vloten uit, die in volgende jaren geregeld Goa zouden blokkeeren en den Portugeezen alle mogelijke afbreuk doen. Tot die nieuwe macht wendde zich de in zijn bergen te Kandi benarde Maharadja van Ceylon. ^) In 1638 sloot de admiraal Adam Westerwolt na zijn verovering van Batticalao met den vorst Raja Singha een verbond en handels- verdrag ^) dat het fundament werd, of althans heette te zijn, voor de verhouding tusschen den koning ^) en de Compagnie in de volgende jaren. De Nederlanders toonden zich ijverige bondgenooten in het ver- overen; eerst van Trinkonomale (2 Mei 1639) dan van Negombo (4 Febr. 1640) en eindelijk van Gale (13 Maart 1640). Deze laatste sterkte bleef bezet, als het ééne fort, dat volgens een nieuwe overeenkomst ^) met Raja Singha aan de Compagnie was afgestaan. De Heeren te Batavia ^) Voor het volgende: Dr. W. A. van Geer, De opkomst van het nederlandsch gezag over Ceylon. Leiden, 1895. ^) Ph. Baldaeus, Nauwkeurige Beschrijvinge van Malabar en Choromandel, derzelver aangrenzende Rijken en het machtige Eyland Ceylon. Amsterdam 1672. Deel II, Ceylon, p. 56—59. ^) Raja Singha wordt nu eens betiteld met „koning", dan weer met „keizer". *) Zie beneden, p. 40. 39 rekenden, dat aan de bezetting van Gale ook verbonden waren de voordeelen van de landen Mature en Saffragam, bestaande in 1500 baren ^) kaneel en een aantal olifanten. Batticalao en Trinkonomale bleven slechts voorloopig in handen der Nederlanders. Negombo werd nog in 't jaar der verovering door de Portugeezen herwonnen. In October van 1640 was het bestand, door de Staten-Generaal met Portugal gesloten, in Batavia bekend geworden en afgekondigd. Door moeilijkheden over de grensregelingen en over de rechten, die de Compagnie in naam van Raja Singha beweerde te hebben op de landen van Mature en SufFragam, duurde de oorlog op Ceylon nog voort en werd die zelfs in 1643 over geheel Indië den Portu- geezen aangezegd. Deze hernieuwde krijg bracht de Nederlanders weer in bezit van Negombo (4 Januari 1644). Bij het tractaat, ^) dat Maetsuycker 10 Nov. 1644 te Goa met den portugeeschen onderkoning sloot, werd de grenslijn tusschen het nederlandsche en het portugeesche gebied op Ceylon getrokken, ten zuiden van Negombo tot halverwege het portugeesche Colombo, en ten noorden van Gale eveneens tot halver- wege genoemde portugeesche stad. Terwijl het nu met de Portugeezen tot een vrede was gekomen, was de verstandhouding van de Nederlanders tot hun bondgenoot, den vorst van Kandi, van alles behalve vriendschappelijken aard geworden. Zijne keizerlijke majesteit Raja Singha ^) was de oudste en, volgens het verdrag van 1638, ook voornaamste machthebber op Ceylon. Maar het was een zonderlinge verhouding, die tusschen den vorst en de Nederlanders, zijn bondgenooten, bestond. Zij waren immers niet gekomen om hem te herstellen in zijn voorvaderlijk erfdeel, maar om in de plaats te dringen van de Portugeezen en daardoor het monopolie van de kaneel te bemachtigen. *) Zij waren dan ook begonnen met den koning te bedriegen. ^) 1) 1 baar = 480 pond. 2) Het tractaat bij Baldaeus, Malabar en Coromandel, p. 94 — 96. ^) Over Raja Singha's uiterlijk en karakter: T' Eyland Ceylon in zijn binnenste oft Koninckrijck Candy , Geopend en Nauwkeuriger dan oijt te vooren ontdeckt door Robert Knox, scheepskapitein der Engelsche Oost-Indische Compagnie, die 20 Jaren langh in dit Gewest gevanckelijck aangehouden geweest en eijndelijck 't selve door de vlucht ontkomen is. Vertaald door S. de Vries, Utrecht 1692, p. 46 en 55. *) Zie artt. 9, 10, 13, 14 van het contract. (Baldaeus. Ceylon, p. 56—59.) ^) Van Geer, Opkomst, p. 39 vlgg. 40
ORANG-ORANG YANG MENYOKONG
Selasa, 7 April 2020
30
Langgan:
Catat Ulasan (Atom)
220
220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...
CATATAN POPULAR
-
Kenapa isu anjing menjadi sensitif. Sudah lama aku perhatikan bagaimana orang melayu berhadapan dengan isu anjing. Dalam hal ini aku akan m...
-
Oh sudah lama rasnya saya tidak menjengok blog ini. Ketika itu lihat orang ada akaun blogspot.my rasa nak ada akaun blogspot jugalah. Ketik...
-
20 De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten het...
-
40 Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den maharadja „...
-
30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt en...
Tiada ulasan:
Catat Ulasan