ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

40

40 

Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders 
de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den 
maharadja „als Z. M. het noodig oordeelde." 

Deze laatste woorden kwamen alleen voor in het portugeesche 
exemplaar van het verdrag, dat den vorst werd overhandigd — en 
ook alleen met die clausule kon hij de overeenkomst aanvaarden. 
De Nederlanders echter, in hun copie die woorden niet aantreffend, 
erkenden ze niet. 

Na iedere door de Nederlanders gemaakte verovering bleek het 
verschil in opvatting. Na de verdrijving der Portugeezen uit Trin- 
konomale stuurde Raja Singha 3000 man om de vesting te slechten — 
de Compagnie echter legde er een bezetting in en behield de stad. 
Ook Negombo had de koning na de vermeestering opgeeischt — de 
Nederlanders evenwel waren begonnen de gehavende vestingwerken 
te herstellen. 

Nieuwe onderhandelingen ^) hadden in 1640 geleid tot een nieuwe 
overeenkomst. Het verbond van 1638 was bevestigd, behalve het derde 
artikel. Daarvoor waren nieuwe bepalingen in de plaats gekomen. 
Als de Portugeezen van geheel Ceylon verdreven waren, zouden de 
Nederlanders zich met één fort tevreden stellen. Zoo lang evenwel 
de vorst de onkosten, in zijn dienst gemaakt, niet geheel had betaald, 
zou de Compagnie ook de andere vestingen bezet mogen houden. 
Colombo echter zou in allen gevalle worden „afgeworpen ende 
geruineert." Zoo was dan nu de koning aan de Compagnie overge- 
leverd door zijn schuld, die in 1640 na de verovering van Gale 
reeds 310,790 realen van achten of f 776,975 bedroeg. Waar de 
Portugeezen door het bezit van Colombo en het door hen heroverde 
Negombo het grootste deel der kaneellanden, waaruit de schuld 
betaald moest worden, beheerschten, mocht het afdoen van die schuld 
door den keizer vooreerst een onbegonnen werk geacht worden, 
't Moest den vorst wel duidelijk zijn, dat zijn belangen door de 
Compagnie niet werden behartigd en onvriendelijke daden van zijn 
kant bleven dan ook niet uit. ^) 

Niet minder wekte het nu in 1644 zijn toorn op, dat hij niet 
gekend was in de onderhandeUngen over 't verdrag van Goa, waarbij 



') Van Geer, Opkomst, p. 56 vlgg. 

^) De moord op de gouverneur Coster: Van Geer, p. 63 vlg. 



41 

beschikt werd over landen, die toch in zijn naam waren veroverd. ^) 
Zijn misnoegen uitte zich in daden van vijandschap: de bezetting 
van Batticaloa kreeg geen toevoer meer en twee inlanders, die er 
voedsel gebracht hadden, werden gedood. *) Zijn eigen lieden liet 
hij de kaneellanden afloopen om de Nederlanders te dwingen, die 
landen te verlaten. Om zich tegen dien laatsten maatregel te weren, 
sloot de Compagnie zelfs een verdrag met de Portugeezen, ten doel 
hebbend de landen te beveiligen tegen allerlei gespuis, zonder daarin 
Raja Singha's vijandelijkheden te noemen. ^) 

Door onvoorzichtigheid van den gouverneur Thijssen, kwam het 
na de afkondiging van dit verdrag tot openlijken oorlog met Raja 
Singha, wat niet de bedoeling van Gouverneur-Generaal en Raden 
geweest was. *) Thijssen werd teruggeroepen en vervangen door 
den smijdiger Maetsuycker, die in April 1646 te Gale het bewind 
overnam. Kort daarna begon Raja Singha een openlijken oorlog. Zijn 
benden, in de benedenlanden afgedaald, omsingelden de bezetting 
van het nederlandsche kamp te Panare. De tot ontzet gezonden 
troepen uit Negombo werden gevangen, nadat hun aanvoerder 
Adriaan van der Stel gesneuveld was. Zijn hoofd werd op een 
zilveren schotel gedekt met een witte doek naar het kamp gezonden. 
Den volgenden dag, 15 Mei, gaf de bezetting zich over. De 
Maharadja keerde met bijna 400 gevangenen naar Kandi terug. ') 
De verantwoordelijkheid voor het gebeurde wierp de vorst op de 
Compagnie. Zij had het verdrag van 1638®) geschonden, zij had 
Negombo ook na de tweede verovering niet aan hem overgeleverd 
om het te verwoesten. 

Gedurende vier jaar had er nu een correspondentie plaats tusschen 
Maetsuycker en den koning. Van beide kanten werd verzekerd, dat men 
de vaste begeerte had, om het verdrag van 1638 te handhaven — en 
voor 't overige bevatten de brieven klachten en verwijten. Van de eene 

^) Voor de betrekkingen tusschen Raja Singha en de Compagnie: Donald Fer- 
guson, Correspondencc between Raja Singha II and the Dutch. (Journal of the Ceylon 
Branch of the Royal Asiatic Society, Vol. XVIII. 1903—1095). Voor den bovenge- 
nocmdcn toorn den brief van 16 Febr. 1645: ald. p. 185 vlg. 

Dagr. Bat. 1644/45. p. 30. 

Van Geer, p. 136—141. 

Van Geer, p. 143. 

Ferguson, Correspondencc, p. 192. 

Het verdient opmerking, dat Raja Singa zich steeds beroept op het voor hem voor- 
deelige verdrag van 1638. niet op dat van 1640. Vgl. beneden p. 42. noot 8 en p. 57. 



42 

zijde wordt Negombo geëischt, ^) van de andere de loslating van 
de gevangenen en het ontruimen van de landen om Negombo door 
's konings benden. 

Maetsuycker werd het eerst toeschietelijk. ^) Nadat hij negen 
maanden op antwoord had moeten wachten kreeg hij bericht, ^) dat 
de koning wel genegen was een gezant te Kandi te ontvangen. 
23 Aug. 1 647 vertrok daarop Laurens Maerschalck naar 's konings hof. 

Lang bleven de onderhandelingen slepen. Wel werd in October 
1648 terugzending van de gevangenen beloofd, *) maar in Maart van 
't volgend jaar waren zij nog te Kandi. Toen beproefde Maetsuycker 
het met geschenken, den vorst er echter tevens aan herinnerend, dat bij 
een hernieuwden krijg met de Portugeezen, de Hollanders eventueele 
veroveringen, b.v. Colombo, zelf zouden houden, indien zij dan nog 
met den koning in vijandschap waren. ^) 

Was het dat reeds vroeger ^) gebruikte dreigement of de invloed 
der geschenken, die Raja Singha tot toenadering brachten? Hoe het 
zij, Maerschalck kwam 15 Juli terug met een brief '') van den koning 
begeleid door twee van 's vorsten aanzienlijke dienaren, die een 
ontwerp-verdrag meebrachten. Ofschoon Maetsuycker met één artikel, 
waardoor het monopolie van de kaneel der Compagnie zou ontgaan, 
zoodra Raja Singha zijn schuld zou hebben betaald, niet kon meegaan, 
teekende hij toch in de hoop, dat dit later nog wel te verhelpen zou 
zijn. ^) Burchard Cocx bracht het verdrag naar Kandi en keerde, na het 
bezworen te hebben, met eenige der gevangenen terug. De overigen 
zouden per schip van Batticalao gehaald worden. Op het eind van De- 
cember 1649 vertrok Pieter Kieft naar Kandi om er als gezant te blijven.^) 



^) In zijn brief van 16 Febr. 1645 had de koning evenwel uitdrukkelijk te kennen 
gegeven dat de Hollanders Negombo bezet mochten houden, zoolang Colombo nog 
niet gevallen was. 

2) Brief van 11 Sept. 1646. (Valentijn, Oud en Nieuw Oost-Indiën, Dordrecht- 
Amsterdam 1726, V, Bijzondere Zaaken van Ceylon, p. 124.) 

^) Brief van R. S., 11 Juni 1647; (Ferguson Correspondence, p. 195.) 

*) Brief van Maetsuycker, 27 Oct. 1648; (Valentijn, t. a. p., p. 125.) 

') Brief van Maetsuycker, 30 Maart 1649, (Valentijn, t. a. p., p. 125.) 

^) Brief v. 10 Sept. 1647. (Valentijn, t. a. p.. p. 125.) 

^) Brief van 27 Juli 1649. (Ferguson, Correspondence, p. 200—202.) 

^) Valentijn, t. a. p., p. 127. 

Raja Singha beschouwde dit nieuwe verdrag als een bezwering „de novo" van 
het verdrag van 1638. Brief van 3 Mei 1650. (Ferguson, Correspondence, p. 204 — ^206.) 

^) Brief van Maetsuyker, 5 Febr. 1650. (Valentijn, t. a. p., p. 127.) Cocx was 
vertrokken 8 Aug. en keerde 5 Dec. terug. 



43 

Het verdrag werd door de Heeren te Batavia geratificeerd, al 
waren ook zij geenszins tevreden met het artikel, aangaande de 
kaneel. De koning echter hield nog 155 dienaren van de Compagnie 
te Kandi gevangen, en daardoor een hooge troef in handen. Boven- 
dien, het contract was al bezworen, en de verhouding tusschen de 
Compagnie en den koning was van „soo teere gestaltenisse", dat 
het niet ratificeeren nog meer „verwerringen ende verbitteringen" 
zou hebben gesticht. ^) 

Maetsuyckers taak op Ceylon was geëindigd. Zijn opvolger, Jacob 
van Kittensteyn, was te Gale aangekomen en in Febr. 1650 vertrok 
Maetsuycker naar Batavia. Nog voor hij heenging, had hij in de 
brieven van Pieter Kieft kunnen lezen, dat de vorst te Kandi nog 
geenszins tevreden was met de „casta HoUandese." ') Wat er dan 
nu weer haperde? In den brief van 27 Juni 1649 door Maerschalck 
meegebracht, had hij er in toegestemd een Hollander als dessave 
(districtshoofd) van Mature te erkennen, indien hij, evenals de andere 
dessaves aan zijn hof zou verblijf houden. ^) Dat was niet de be- 
doeling, en de benoemde, Lambert Camholt, was dan ook niet, 
zooals eerst het plan was, met Burchard Cocx meegegaan naar Kandi. 

Toevallig was hij juist ziek geworden, wat een gunstig excuus bood, 
maar waarom hij door den koning dan ook niet bevestigd was. Deze 
had met den terugkeerenden gezant een dessave uit zijn omgeving 
meegezonden. Van Kittensteyn, gevolg gevend aan zijn opdracht, had 
dien inlander niet erkend, en wederom de bevestiging gevraagd van een 
Hollander in die functie. Met verontwaardiging wees Raja Singha 
het verzoek af: „Denkt gij, dat ik zoo'n verzoek zal inwilligen?" *) 
Ook Negombo had hij in denzelfden brief van 27 Juni weder opge- 
cischt. Zoo bleef er ook na den vrede, door Maetsuycker gesloten, 
tusschen de bondgenooten een vijandige vriendschap of vriendschap- 
pelijke vijandschap bestaan. 

Zij hadden elkander echter noodig. En daarom, toen Van Kittensteyn 
in September 1650*) den koning er op had gewezen, dat de hervatting 



') Resolutie van Gouverneur-Generaal en Raden van Saterdach 25 Sept. 1649. 
(Realia, Ceylon, p. 228 op 25 September 1649.) 

^) Brief van 8 Febr. van Maetsuycker. (Valentijn, t. a. p., p. 127.) 

') Dat de dessaves aan het hof te Kandi moesten verblijf houden, vertelt ook Robert 
Knox, T'Eyland Ceylon enz., p. 73. 

*) Valentijn, t. a. p., p. 135 vlg. 



44 

van den krijg met Portugal aanstaande was, kwam er toenadering. 
Geschenken en beloften werden gewisseld en de inlandsche dessave 
van Mature werd teruggeroepen. In 't begin van 1652 kon Pieter 
Kieft naar Batavia gaan met berichten van goede verstandhouding 
tusschen de Hollanders en den vorst van Kandi. ^) Bij het uitbreken 
van den oorlog gaf Raja Singha te kennen „die van de Compagnie 
te zullen steunen." ^) 

De vrede toch, in 1640 in Europa, in 1644 in Indië gesloten, die 
door de gebeurtenissen in Brazilië, waar de Portugeezen met zooveel 
succes tegen de Nederlanders optraden, telkens dreigde verbroken 
te worden, was tot 1652 gehandhaafd. Den 25"'^° April van dat jaar 
arriveerde echter te Batavia het schip de Peerl uit patria en den 
22sten ^ajj jg volgende maand werd de fluit de Post afgezonden om 
de order der Heeren Zeventien, met eerstgenoemd schip ontvangen, 
naar Gale over te brengen. Deze order was: „omde Portugeze natie 
in dese landen binnen de limiten van 't octroy van de Generale Comp. 
den oorlog weder aan te doen." ^) 

Toen de Post 22 Juni, juist een maand na haar vertrek van 
Batavia, te Gale aankwam, was het geen gunstigen tijd voor het 
hervatten van den oorlog, want zoowel om Negombo als Gale 
waren de kaneelschillers met het inzamelen bezig. In dien arbeid 
zouden zij door 't uitbreken van den oorlog worden gestoord. 

Toen in October *) de kaneel in de schuur was gebracht, werden 
gezanten naar Colombo gezonden om eerst den Portugeezen den 
oorlog aan te zeggen en daarna verder te Negombo de nederlandschc 
bezetting met den oorlogstoestand bekend te maken. Hierbij beging de 
gouverneur Van Kittensteyn een groote fout. Hij had eerst het eigen 
volk te Negombo moeten waarschuwen en daarna den Portugeezen 
bericht zenden. Zelfs was het laatste niet eens noodig geweest, daar 
het bestand van tien jaren voorbij was en er „geen bescheyt van 
prolongatie vertoond wierd, dat denunciatie genoech was." Nu stond 



') Gen. Miss. 24 Dec. 1652. 

-) Valentijn, t. a. p., p. 137. 

3) Gen. Miss. 24 Dec. 1652. 

*) October: vgl. Valentijn, t. a. p., p. 128; Uyttreksel uyt de Instructie voor den 
Heer Jacob van Kittensteyn, President en Opperhoofd wegens de E. Comp. op Ccylon, 
p. 132 en Brief van Van Kittensteyn aan Raja Singha van 26 Oct. 1652. (Val. 
t. a. p., p. 137j. 



45 

de bevelhebber van Colombo den gezanten niet toe naar Negombo 
te gaan, maar stuurde hen naar Gale terug. 

In den zomer en den herfst werden van Batavia nog zes vaartuigen 
uitgezonden om langs de kust van Ceylon op den vijand te kruisen, 
de hoofdstad Colombo allen toevoer van zee uit af te snijden en 
verder te benauwen. Meer viel er met de kleine scheepsmacht, 
waarvan in Januari 1653 nog drie schepen voor den handel naar 
Suratte moesten vertrekken, niet te doen. Soldaten konden te Batavia 
ook niet gemist worden, zoodat er maar 11 Javanen tot versterking 
van het leger naar Ceylon werden gezonden. 

Van Batavia noch van Goa werd in de eerstvolgende jaren 
aanzienlijker troepenmacht gezonden, zoodat van 1652^ — 1655 de 
oorlog van beide zijden slap werd gevoerd. 

Met afwisselend geluk werd gestreden of meer geschermutseld in 
de nabijheid van de rivier van Caleture. Daarachter hadden zich de 
Portugeezen, de grensrivier Alican verlatend, teruggetrokken. Toen 
in het voorjaar van 1654 de Portugeezen met vijf galjoenen hulp 
van Goa hadden gekregen, ^) trokken de Nederlanders weer achter 
de Alican terug en werd de sterkte Caleture weer door de 
Portugeezen bezet. In de omstreken van Negombo viel niets van 
beteekenis voor; de krijgsbedrijven bepaalden zich tot eenige stroope- 
rijen door inlandsch krijgsvolk. 

Ook de blokkade van Colombo was niet voldoende geweest. De 
vijf van Goa gezonden galjoenen hadden tot de stad kunnen door- 
dringen, en ook gedurende de maanden, waarin wegens den west- 
moesson de blokkadeschepen niet aanwezig waren (Mei — Sept), wisten 
de Portugeezen met kleine vaartuigen de stad van het een en 
ander te voorzien. ^) 

Een bestuursverandering, die in October 1653 had plaats gehad — 
Van KittenSleyn was opgevolgd door Adriaan van der Meijden ^) — 
had op den loop der gebeurtenissen geen invloed gehad. 



*) Deze galjoenen werden op hun terugtocht naar Goa in Mei 1654 door Van 
Goens vernietigd. Zie beneden Hoofdstuk III. 

^) 't Bovenstaande naar Baldaeus, Ceylon, p. 144 vlg. en de Gen. Missives van 
1652-1655. 

^ Deze was een jaar te voren uit Coromandel overgekomen en aan 't hoofd van 
het leger geplaatst. (Valentijn, t. a. p., p. 138). In 1655 werd hij weer voor 3 jaar 
aan de Comp. verbonden op een traktement van ƒ 220 's maands. (Gen. Miss. 24 
Dec. 1655.) 



46 

De hulp van Raja Singha in den strijd tegen den gemeenschap- 
pelijken vijand was van weinig beteekenis geweest. Wel had hij in 
't begin van 1652, als wij vernamen, zijn steun aan de Compagnie 
toegezegd — en dat was zeker meer gewenscht dan een verbond 
van hem met de Portugeezen, waarover wel eens geruchten gingen — 
maar veel vertrouwen op zijn bondgenootschap hadden de Heeren 
te Batavia niet. Zij hielden er zich terecht van overtuigd, dat de 
vorst de bedoeling had „beijde natiën, ons en den Portugees jegens 
malcander in balance te houden", en dat hij dus, bij hoop op meer 
voordeel, de tegenpartij behulpzaam zou zijn, en misschien zelfs 
Colombo van victualie zou voorzien. ^) Daarom moest de gouverneur 
tegen hem wel op zijn hoede zijn, niet minder dan tegen een open- 
baren vijand. Vooral moest hij zorgvuldig vermijden „om generhande 
redenen, persuasien ofte motijven onse krijgsmacht met denselven 
te conjugeeren." Want dan zou hij deel willen hebben aan de ver- 
overing van Colombo, wat niet gewenscht was. Ook zou zijn aan- 
wezigheid in het leger gevaarlijk zijn voor de eigen christelijke 
lascarijns (inlandsche krijgslieden), die dan nog minder te vertrouwen 
zouden wezen. ^) Van Kittensteyn had dan ook den koning verzocht 
zijn benden in een richting tegenovergesteld aan die naar Colombo 
te dirigeeren : n.1. naar Jaffanapatnam, Manaar en Saffragam '). Toen 
Raja Singha hem daarop geantwoord had, dat hij van plan was 
voor Colombo te verschijnen, had de gouverneur hem dat ten 
zeerste afgeraden met de tegenover een krijgvoerend vorst wel wat 



1) Gen. Miss., 24 Dec. 1652 en 31 Jan. 1653. Uit de Gen. Miss., 24 Dec. 
1652: „Met koning Raja Singha staan de onzen nogal op goeden voet, waar- 
toe wel schenen te hebben bijgedragen de „honorabele presenten", die hem al ver- 
volgens worden toegezonden met „courtoise brieven geaccompagneert", daar „Radja 
Singa niet min groots als begerich is." O.a. was hem toegezonden een schoon zwart 
perzisch paard, dat hij zeer geëstimeerd had. Zijn laatste verzoek was om fijne lakens, 
schoone witte honden, witte siameesche hennetjes, kanarievogeltjes en dergelijke 
kleinigheden. Aan die wenschen zou men trachten te voldoen, waardoor dikwijls 
een „costelycke schenkagie" kon worden uitgewonnen, 't Voorgaande jaar had 
hij twee extra-ordinaire engelsche doggen gekregen, maar die waren niet in zijn 
smaak gevallen. Het Stedenboek (J. Blaeu, Tooneel der Steden van de Vereenigde 
Nederlanden, Amsterdam 1649) en dat van de Zweedsche oorlogen (Sweedschc 
Oorloghen, dat is Verhael van de oorloghe Gustavi Adolphi tegen Ferdinand IL door 
B. L., Dordrecht 1631), die hem door Johan Maetsuycker waren gezonden, had hij 
teruggestuurd om ze in het portugeesch te doen vertalen, wat wel niet gebeuren zou. 

2) Gen. Miss., 31 Jan. 1653. 

3) Brieven van 16 Oct. 1652; (Valcntijn, t. a. p., p. 137). 



47 

zonderlinge reden, dat de stad niet zonder bloedstorting zou zijn te 
nemen. ^) 

Zoo'n vaart had het echter niet geloopen met de uitvoering der 
plannen van den koning. Hij was rustig te Kandi gebleven. In de 
benedenlanden had hij alleen een „gemeene wacht" tegen de Portugeezen 
in het veld gehouden. Zoolang er voor geen van beide europeesche par- 
tijen versterking was gekomen, had hij zich niet geroerd maar „goede 
intelligentie" met den gouverneur gehouden en brieven en geschenken 
gewisseld. In Mei 1653 was den koning zelfs een lijfwacht van 
29 man onder bevel van een vaandrig gezonden, die van hem maar een 
matige behandeling genoot ^), ofschoon zij eens zijn leven gered heeft. ^) 

In 't begin van 1655 werden 's konings benden door de Portugeezen 
uit de lage landen verdreven en had de vorst zijn troepen naar Kandi 
teruggetrokken, waar hij ook zelf zich bleef ophouden „om uijt te 
pruijlen", zooals Valentijn het noemt. *) 

Zoo was dus de toestand der Compagnie op Ceylon in den zomer 
van 1655 ongeveer dezelfde als in October 1652, toen de strijd tegen 
de Portugeezen werd hervat. De Alican was weer de grensrivier en 
voor Raja Singha, den offlcieelen bondgenoot, moest zij op haar hoede 
wezen, als voor een openbaren vijand. 

Dat na twee en een half jaar van strijd de Compagnie niet meer 
vorderingen gemaakt had, was niet te wijten aan de Hooge Regeering, 
maar aan de Heeren in patria. Zij hadden er niet voor gezorgd, 
dat bij het weder uitbreken van den krijg voldoende troepen in Indië 
aanwezig waren. Van 1650—1652 waren 10500 man gezonden. ^) 
Dat was voldoende geweeest om de schepen te bemannen, maar niet 
om eenig „exploict" te ondernemen. Vooral niet, als er geen beter 
soort volk gezonden werd. De Heeren te Batavia klaagden, dat „onder 
de gecomenen weder soo veel slecht ende onervaren volck" liep, en 
dat „vele uijtheemse, soo Schotten, Engelsen, Spanjaerts, Francen 
etc, oncundich in de Neder lantse tale" waren; zoodat eenige schip- 
pers en officieren verklaard hadden, dat het een wonder was, dat de 



1) Brief van 23 Dec 1652; (Valentijn. t. a. p.. p. 137). 

2) Valentijn, t. a. p., p. 138; Gen. Miss. 7 Nov. 1654. 

^) Bij een overval door den portugeeschen generaal Gaspar Figeiro. (R. Knox, 
a. w., p. 275.) 

*) Valentijn, t. a. p., p. 140. 

^) Klerk de Reus, a. w. Bijlage V. 



48 

schepen met zulk een bemanning goed overgekomen waren. ^) Juist 
nu was er zooveel volk noodig. De gelegenheid was zoo gunstig, 
omdat de vijand niet veel macht had. De nederlandsche vestingen op 
Ceylon daarentegen waren van alle benoodigdheden voorzien. „Godt 
gave maer, dat wij haer met goet getal soldaten mochten versorgen, 
daer al ons hoopen op is." ') 

Van de Portugeezen was misschien na hun succes tegen de West- 
Indische Compagnie in Brazilië een krachtiger optreden in Indië te 
verwachten en dan zou de Compagnie niet alleen „in vele jaren 
zoo goeden occasie niet weder op haer crijgen", ^) maar zelfs gevaéir 
loopen Ceylon te verliezen, ^j 

Die klachten en de dringende verzoeken om meer manschappen 
waren echter niet zonder uitwerking gebleven. In de jaren 1653 — 
1655 waren 3000 man meer uitgezonden dan in de drie voorafgaande 
jaren. ^) Dit had tengevolge, dat, al was de toestand weinig ver- 
anderd, de vooruitzichten thans ten minste waren opgeklaard. De 
toon in de missive van 12 Juli 1655 is dan ook gansch anders dan 
die in de voorgaande brieven. 

Na opsomming van de uit patria gearriveerde schepen heet het: 
„Hiermede is in India een goede macht schepen, soldaten en matrozen 
bij de handt om niet alleen overal den handel vol te connen laten 
staen, maer oock om iets notabels tegen de vijant te connen onder- 
nemen." En zoo werd in Rade van India vastgesteld om onder „com- 
mando ende beleijt van den Heere Gerard Huift, eerste raad en 
directeur generaal van India", een vloot van 12 of 14 schepen en 
oorlogsjachten naar de kust van India uit te zetten. 

Nadat de gouverneur Van der Meijden een maand te voren door 
twee jachten van het plan op de hoogte was gesteld en een vast- 
en bededag was gehouden, vertrok 14 Augustus 1655 de vloot van 
12 schepen, bemand met 1200 „militaire coppen", „alle cloeck uyt- 
gelezen volck". ^) De vloot was boven eigen behoeften voorzien van 



Gen. Miss. 24 Dec. 1652. 

Gen. Miss. 19 Jan. 1654. 

Gen. Miss. 7 Nov. 1654. 

Gen. Miss. 24 Dec. 1652. 

Klerck de Reus, a. w.. Bijlage V. 

Gen. Miss. 24 Dec. 1655. 1050 soldaten en 150 Mardykers, daaronder gerekend 
de 100 soldaten met de twee genoemde jachten vooruit gezonden. De soldaten waren 
ingedeeld in 16 compagniën, ieder van 75 man, de officieren en tambours niet meegerekend. 



49 

allerlei instrumenten, gereedschappen en ammunitie voor het bestor- 
men of belegeren van een stad. De onderneming was in de eerste 
plaats gericht tegen Colombo, welke stad moest worden genomen 
en geslecht. 

Na een redelijk voorspoedige reis kwam de vloot onder Huift midden 
September voor Negombo. Door het hevige regenweer en de ver- 
moeidheid der troepen was het niet mogelijk een eerste onderneming 
tegen Colombo door te zetten. ^) Huift zeilde dus zuidelijker, raakte 
door de duisternis voorbij Colombo en kon achtereenvolgens, al naar 
dat de schepen aankwamen, zijn troepen landen te Berberin tusschen 
de Alican en de Caleture. Daar vereenigden zij zich met het veldleger 
onder Van der Meijden. De schepen keerden terug om Colombo van 
de zeezijde in te sluiten. 

De opmarsch naar Colombo ving aan met de belegering van 
Caleture, dat na een beleg van ruim twee weken 15 October bij 
verdrag overging. 

In de vesting werd een compagnie achtergelaten en reeds den 
volgenden dag trok de voorhoede onder den majoor Jan van der 
Laan naar Paneture, weldra gevolgd door het geheele leger. De 
Portugeezen, die het overtrekken der rivier trachtten te stuiten, 
werden verdreven en bij maanlicht twee uur lang vervolgd. ") Een 
van Colombo gezonden versterking werd teruggeslagen en tot voor 
de werken der stad achtervolgd. In de volgende dagen werden 
de vijandelijke posten om de vesting door de troepen der Compag- 
nie, soms na eenig vechten, binnen de stad teruggeworpen. Daarna 
kon het beleg van de lang begeerde stad, verdedigd door Antonio 
de Sousa Coutinho, beginnen. 

Na een matig bombardement van 14 dagen meende Huift, dat de 
stad genoeg verzwakt was, om een algemeenen aanval te kunnen 
ondernemen. Wel droevig liep die eerste storm op den 12'*^° November 
af. Van zee uit en op drie plaatsen van de landzijde werd de vesting 



^) Over het beleg van Colombo twee in hoofdzaak gelijke verhalen bij Baldaeus, 
Ceylon: l*^. p. 61 — 127, een blijkbaar hem na zijn komst op het eiland ten dienste 
gesteld dagregister; 2°. p. 205 — 232 (verkeerd gepagineerd 105—132), Aanhangsel, 
Belegeringh van Columbo door de Portugezen beschreven. Hiermede overeenstemmend 
Gen. Miss. 1 Febr. 1656, 4 Dec. 1656. 

-) Verliezen der Nederlanders: 2 doodcn o. w. de vaandrig Arent Jansz van 
Norden en 13 a 14 gewonden. Op het strand werden gevonden 18 a 20 doode 
Portugeezen en dan moesten er nog in de bosschen liggen. (Gen. Miss. 24 Dec. 1655.) 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 4 



50 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR