ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

20

20 

De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart 
tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten 
het vaderland: een paaschvloot in April of Mei, een tweede in 
September, en een laatste in December of Januari. ^) Hadden zij een 
voorspoedige reis, dan bereikten zij zes of zeven maanden later Indië. 

Uit Indië vertrokken in den regel ieder jaar twee retourvloten : 
één in November of December, en een tweede in Januari of Februari. 

Met de bemanning was het ongeveer zoo gesteld, als met het 
personeel van het leger; zij werd geworven onder de minste bevolking. 
Aan 't hoofd van de vloten stond weer als bij de expedities te 
land in den regel een civiel ambtenaar, wien de schippers te gehoor- 
zamen hadden. Alleen bij zuiver maritieme ondernemingen, als onder- 
deelen van grootere expedities, werden wel zeelui aan 't hoofd van 
eskaders geplaatst. 

Een kommandant van een vloot, eskader of schip had evenals een 
opperhoofd op een kantoor een Raad naast zich, waarvan de leden 
door de Regeering te Batavia werden aangewezen. 

In de meergenoemde Instructie van 1650 wordt Gouverneur- 
Generaal en Raden aanbevolen er voor te zorgen „dat de justitie en 
politie, vooral mede gesecundeerd moet worden met de Christelijke 
Gereformeerde Religie." ^) Dat sprak in die dagen van zelf; geen 
geordende maatschappij zonder een heerschenden door den staat 
beschermden godsdienst, die aan dien staat ondergeschikt was. 

Bij de instelling van het centraal bestuur in 1609 onder Pieter 
Both, waren dan ook predikanten op de vloot meegegaan om aan- 
gesteld te worden „tot vermaning van de personen der Compagnie 
en bevordering van de bekeering der onchristenen." De uitbreiding 
der werkzaamheid van de Compagnie had met de vermeerdering van 
het aantal ambtenaren ook die van het getal predikanten tengevolge; 
in 1655 waren er 27. 



1 wankaege, 1 gelias, 1 berck, 1 boyer, 1 quel (totaal 5 schepen). 
35 cleene oorloghsvaartuygen, so chaloupen, als tingangs. 
3 schepen nog uit patria verwacht. 

16 schepen waren op weg naar patria of reeds gearriveerd. Totaal 160 schepen. 
') Van 1603 4— 1656 7 vertrokken uit het vaderland gemiddeld 15 schepen per 
jaar Vgl. Klerk de Reus, a. w., p. 117 vlg. 

^ Voor den godsdienst in Indië: C. A. L. van Troostenburg de Bruijn, De 
Hervormde Kerk in Nederlcindsch Oost-Indië onder de O.-I. C. Arnhem, 1884. 



21 

Die predikanten kreeg de Compagnie door bemiddeling van de 
vaderlandsche kerk. De classes, waarin de kamersteden van de Com- 
pagnie gelegen waren, vooral die van Amsterdam en Walcheren, 
belastten zich met het aanwerven van dominé's. Zij hadden daartoe 
hun „deputati ad res indicas" benoemd. Deze deputaten behartigden 
de belangen der Indische kerk tegenover de Heeren Zeventien, en 
werden daartoe meermalen in de vergadering op het Oost-Indisch 
Huis toegelaten. Met hen stonden de kerkeraden in Indië in geregelde 
briefwisseling. Zij waren het, die informaties inwonnen aangaande 
de leer en meer nog naar het christelijk leven der zich aanmeldende 
predikanten en candidaten. Deze laatsten werden ook door hen door 
middel van proefpredikatiën (soms zeven of acht) en een peremptoir 
examen onderzocht en bij voldoende bekwaamheid tot proponent 
bij de indische kerken bevorderd. Als informaties en examen naar 
wensch waren afgeloopen droegen de deputati de soUiciteerenden 
voor aan de kamers, die dan verder, als zij het verband voor vijf 
jaren geteekend hadden, voor hun uitrusting zorgden. 

Niet alle predikanten kwamen direct uit patria. De kerkeraad van 
Batavia had het recht krankbezoekers of anderen met singuliere gaven 
na examen tot proponent te bevorderen, waarna zij een aanstelling 
kregen tot predikant. 

De predikanten in Indië hebben er zich niet goed in kunnen schikken, 
dat zij dienaren waren van de Compagnie. Evenals in het vaderland 
de kerk zelfstandig wilde zijn tegenover den staat, zoo ook de kerk 
in Indië tegenover de Hooge Regeering. En evenals de vaderlandsche 
kerk, trots Dordtsche kerkorde, de ondergeschikte bleef, zoo moesten 
de indische predikanten, meer nog dan de broeders in patria, hun 
afhankelijkheid voelen. Zij waren „de dienaren en suppoosten van 
de Compagnie", die hun meesters te gehoorzamen hadden. 

In Indië had de Hooge Regeering een onbeperkt „jus in sacra." 
De kerkeraad te Batavia, die een classis vormde, beproefde meer- 
malen eenige suprematie in het bestuur der kerk te verwerven. Dat 
streven werd in patria door de „deputati" tegenover de Heeren 
Zeventien gesteund. Maar de pogingen van beide colleges hadden 
geen succes. De verplaatsingen van predikanten bleven in handen 
der Hooge Regeering; de kerkeraadsvergaderingen werden altijd 
bijgewoond door commissarissen politiek; de predikanten mochten 
niet „coram facie ecclesiae" worden bevestigd en daardoor aan de 



22 

gemeente verbonden worden, en ten slotte werd zelfs de vrije corres- 
pondentie met de broederen in patria, buiten de Hooge Regeering 
om, verboden. 

Slechts in één opzicht hadden de predikanten iets voor boven de 
andere dienaren der Compagnie: hun tractement werd hun geheel 
uitbetaald. 

Groot was de toeloop van predikanten naar Indië niet, en daarom 
werd veel gebruik gemaakt van krankbezoekers of ziekentroosters. 
Ook voor hen zorgden de heeren „deputati." Zij informeerden, exami- 
neerden (vooral in zingen en lezen) en droegen ten slotte voor aan 
de bewindhebbers. 

In Indië werden de krankbezoekers aangesteld door den kerkeraad 
te Batavia of door de Regeering en stonden zij onder toezicht der 
predikanten. Hun werkkring bestond in het lezen der vaste gebeden, 
voorlezen en zingen in de kerk; katechiseeren der weeskinderen, 
bezoeken der hospitalen en preeklezen in de godsdienstoefeningen 
op weekdagen. Soms werd aan krankbezoekers het recht gegeven 
den doop te bedienen en huwelijken te sluiten. 

De Instructie voor Pieter Both gelastte o. a. ook de „bekeering 
der onchristenen en leering van derzelver jonge jeugd." Die van 
1617 spreekt van „voortplantinge der religie." Voor dat zendings- 
werk voelde de Compagnie echter niet veel. Haar doel was dividend 
uitkeeren en daartoe in Indië zoo rustig mogelijk handeldrijven. Haar 
dienaren schreef zij voor zich zoo weinig mogelijk te mengen in 
inlandsche aangelegenheden. En tot die inlandsche aangelegenheden 
behoorde wel in de eerste plaats de religie. 

Wel werd er met instemming der Hooge Regeering aan zending 
gedaan, maar die zending droeg een reformatorisch niet een propa- 
gandistisch karakter. De door de Portugeezen tot Roomsche christenen 
bekeerde inboorlingen, moesten na de verovering van hun land door 
de Compagnie tot Gereformeerde christenen omgevormd worden. 
Daarbij was dan een politiek doel in 't spel. Priesters, mis, crucifix 
bonden hen aan de nog niet geheel verdwenen en ook niet voor goed 
uit den omtrek verdreven Portugeezen. Dominé, preek en bijbel moesten 
hen genegen maken tot de nieuwe heerschers. Toen geen portugeesch 
gevaar meer dreigde, ging de verbreiding van Christus' naam der 
Compagnie niet meer ter harte. Wel den predikanten. Maar die 
konden zonder steun van de Hooge Regeering niet veel uitrichten. 



23 

Een paar aanhalingen uit de Instructie van 1650 leeren duidelijk, 
hoe de christelijke gereformeerde religie onzen vromen vaderen in 
Indië slechts een middel was tegenover God en menschen. Tegenover 
God moest zij dienen, om door hare verbreiding Hem gunstig te 
stemmen; tegenover de menschen werd naar bevind van zaken ge- 
handeld. Door Heeren Zeventien werd bevolen op Amboina, het 
zoo onchristelijk behandelde eiland, „vooral mede de goede hand te 
bieden tot bevordering van de christelijke religie aldaar, waardoor 
het werk van de Compagnie van God de Heere te beter gezegend 
zal worden." ^) In Japan echter, waar godsdienstijver den Portugeezen 
hun positie had doen verliezen, moesten de dienaren der Compagnie 
zich wachten „het christelijk geloof aldaar in te brengen" en „om 
tijdelijk gewin en zwarigheid daaruit ontstaande" zich onthouden 
„uiterlijke blijkteekenen van een christelijk mensch aldaar te doen." *) 
Op Ceylon moesten de Roomsche Christenen gereformeerd worden, 
om te beter onderworpen te blijven en niet met portugeesche geloofs- 
genooten te heulen. 

Behalve de dienaren der Compagnie waren er in Indië nog andere 
Europeanen in haar gebied woonachtig : de vrije burgers of vrijburgers. 
Zij werden vooral aangetroffen te Batavia, maar ook op andere bepaalde 
plaatsen, waar onder den drang van Gouverneurs als Coen en 
Maetsuycker wel eens halfslachtige pogingen tot het stichten van 
colonies waren gedaan. Soms waren zij personen uit het vaderland, 
als kolonisten door de Compagnie uitgezonden, meer nog dienaren, 
die hun tijd hadden uitgediend en in Indië bleven wonen. Zij konden 
vrije beroepen of een handwerk uitoefenen en mochten op bepaalde 
plaatsen in Indië handel drijven in indische waren of van de Compagnie 
gekochte producten. Zoodra die handel maar eenigszins het werk 
van de Compagnie dreigde te schaden, werd hij door plakkaten 
beperkt of verboden. Want zij stonden natuurlijk alle onder jurisdictie 
van de Hooge Regeering. ^) 

Zooals boven geschetst was het bestuur der Compagnie en de 
toestand harer ambtenaren en onderdanen in Indië. De bedoehng 



1) Mijer, Verzameling enz. Instr. van 26 April 1650, p. 79. 
-) Mijer, a. w., bovengen. Instr., p. 99. 

^) Vgl. Regelen voor den gepermitteerden handel van de vrije kooplieden, 22 Sept. 
1632. (Van der Chijs, a. w. I, p. 279 vlgg.) 



24 

althans was, dat die zoo zouden zijn. Maar beantwoordt geen der 
menschelijke instellingen precies aan haar bedoeling, die der Com- 
pagnie leden buitengewoon aan de algemeene tekortkomingen, het 
ondermaansche eigen. 

De macht van den Gouverneur-Generaal was veel grooter dan 
in de bedoeling lag van de Heeren bewindhebbers, die Gouverneur- 
Generaal en Raden aan het hoofd van het bewind hadden gesteld. ^) 
De Raad van Justitie was minder onafhankelijk van den Raad van 
Indië dan voor een goede rechtsbedeeling wenschelijk was. De 
gouverneurs op de buitenkantoren ontsnapten bedenkelijk veel aan 
de controle van het centraal bestuur. De kerkeraad te Batavia be- 
vorderde wel personen tot proponent, die de „deputati" zeker nooit 
tot een beroep zouden hebben voorgedragen. Deze dingen gaven 
wel eens ergernis in 't lieve vaderland, maar waren te overkomen. 

De bewindhebbers „considereerden, dat het fondament ende wel- 
varen van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie daarinne geheelijck 
bestaat, om alleen (met exclusie van alle anderen) te mogen handel- 
drijven." ^) Juist dat fondament werd meer en meer ondermijnd, en 
wel door haar eigen dienaren. Dat was ergerlijker dan alle andere 
overtredingen. 

Reeds in de Instructie voor Pieter Both van 1609 klaagden de 
Heeren over de „groote disordere" bij alle dienaren van de Compagnie 
van den hoogsten tot den laagsten in zwang om „contrarie den 
bezworen artikelbrief" de beste en fijnste porseleinen, lakwerken en 
andere rariteiten in Indie te koopen; ja, dat er zelfs waren, die 
„cargasoentjes" van „gesteenten en andere kostelijkheid" aldaar ver- 
handelden en met kisten vol van die artikelen de schepen vulden 
tot schade van de Compagnie. In iedere volgende Generale Instructie 
werd de Hooge Regeering ten zeerste bevolen tegen dien „dagelijcx 
grasseerenden" ^) particulieren handel, die „als een pest in Compagnies 
lichaam" *) was, op te treden. Meest op directen of indirecten last 
van de Heeren Majores werden door de regeering te Batavia telkens 



^) De bekende en dikwijls aangehaalde plaats hierover: Valentijn IV, p. 262, 
Klerk de Reus, a. w. p. 83. 

-) Van der Chijs, a. w., I, 256 vlgg.: Bevestiging voor „Eeuwig Edict" van alle 
vroegere orders en plakkaten betreffende den particulieren handel. 14 Juni 1631. 

^) Instr. voor Gouverneur-Generaal Brouwer van 1632 art. 7. 

*) Instr. van 1650. Van der Chijs, I p. 137. 



25 

strenger plakkaten uitgevaardigd, in 1642 meerendeels samengevat in 
het hoofdstuk „Van verboden handel" der Statuten van Batavia. ^) 

Het was verboden eenige contanten of goederen uit het vaderland 
naar Indië mee te nemen, en van Indië naar patria niet meer dan 
eenige kleinigheden, de waarde van twee maanden gage of (voor 
hen, die meer dan f 50 per maand verdienden) van ƒ 100 niet te 
boven gaande. Alle meubelen en het huisraad moesten vóór het 
vertrek naar Indië verkocht worden. Het daardoor verkregen en 
eventueel reeds vroeger gespaarde geld werd aan de Compagnie afge- 
geven tegen een wissel op de kantoren der Compagnies te Amsterdam 
tegen een rente van 10 7o- ~) Geen brieven naar 't vaderland mochten 
met de schepen meegegeven worden buiten die, welke gedeponeerd 
waren in de „doose", die onder controle van de Regeering stond. ^) 

In Indië was den dienaren alle handeldrijven „direct of indirect, 
hoedanich ende in wat manieren" verboden. De mannen werden 
aansprakelijk gesteld voor de handelingen hunner huisvrouwen. 

De straffen, waarmede gedreigd werd, waren verbeurte der in 
beslag genomen goederen, verlies van ambt (qualiteyt) en inhouding 
van salaris. 

Om den dienaren het drijven van handel te verhinderen, werden 
een reeks andere verordeningen uitgevaardigd, alle opgenomen in 
het Eeuwig Edict van 1631. Wie een particulieren brief overbracht, 
verbeurde twaalf maanden gage. Wie een schip in Straat Soenda, 
of op de reede van Batavia bezocht, vóórdat het drie etmalen voor 
anker had gelegen en door de daartoe aangestelde commissarissen 
was gevisiteerd, werd gedegradeerd in rang en salaris („deportement 
van quahteyt en gage") en beboet met 100 realen. Aan de genoemde 
commissarissen moest ieder toestaan, dat zijn kisten en bagage 
werden onderzocht. 

Het was zaak voor de Compagnie er voor te zorgen, dat de 
dienaren geen geld in handen hadden. Daarom ook was het verboden 
de achtergehouden maandgelden bij vertrek te verkoopen aan dienaren 
der Compagnie, hun geld a deposito te geven of meer dan vier maan- 
den ^) gage „tot nodich onderhout op hare reeckening te avanceren" 



^) Van der Chijs, I p. 583 vlgg. 

-) Artikelbrief van 2 Maart 1634. art. 68. (Van der Chijs, I p. 331.) 

') Het „Eeuwig Edict" van 14 Juni 1631. (Van der Chijs, I p. 256 vlgg.) 

*) Vgl. p. 18 noot 1. De verordening van 5 Maart 1645. 



26 

uit te keeren ; alleen soldaten en bosschieters konden zes maanden trak- 
tement in handen krijgen. In 1643 werd zelfs aan de weesmeesters te 
Batavia verboden aan hun meerderjarig geworden pupillen het hun 
toekomende kapitaal uit te keeren, tenzij onder verzekering, dat het te 
Batavia bleef of door een vrijburger in zijn zaken zou worden gebruikt 
op plaatsen, waar dien burgers een beperkte handel was toegestaan. ^) 

Alle bepalingen en strafbedreigingen met boete, degradatie, ontslag, 
verlies van traktement en soms „arbitrale correctie aan den lijve", 
hielpen niet. In 1646 schreven de Heeren uit het vaderland, dat zij 
bemerkten, dat alle vroegere verbodsbepalingen tegen den particulieren 
handel niet „achtervolgd werden." ") Daarom verscherpten zij de 
straf. De aan overtreding schuldige moest „ontbloot van ampt en 
qualiteyt" met verlies van maandgelden en verhandelde goederen, 
„als een doodeter buyten dienst met d'eerste vertreckende schepen 
na 't vaderland" gezonden worden. ^) De Heeren schenen niet in 
te zien, dat zij dan geen, althans geen voldoend aantal dienaren in 
Indië zouden overhouden. 

Zes jaar later werd een premie uitgeloofd voor 't aanbrengen van 
particulieren handel. *) In 1655 werd voorgeschreven, dat het plakkaat 
over de premie jaarlijks moest worden afgekondigd. ^) 

De „jaarlykse" plakkaten tegen den particulieren handel werden 
't volgend jaar vernieuwd en daarbij voor alle functionarissen te 
Batavia een specialen eed voorgeschreven tot wering van het euvel. ®) 

Al die bepalingen leeren slechts dit eene: de bewindhebbers waren 
onmachtig het kwaad te keeren, en de dienaren om aan de verleiding 
weerstand te bieden. 

De geringe moreele weerstand behoeft niet verklaard te worden, 
zooals in den regel geschiedt, uit het minderwaardige gehalte van 
het personeel der Compagnie. Door hen zijn ook groote en koene 
daden verricht — en de ambtenaren, regenten en bewindhebbers in 
patria staan bij het nageslacht ook niet in een reuk van onomkoop- 
baarheid en probiteit. 



^) Van der Chijs, 


II p. 


91. 


-) Van der Chijs, 


II p. 


112. 


^) Van der Chijs, 


II p. 


112. 


*) Van der Chijs, 


II p. 


187. 


■') Van der Chijs, 


II p. 


202. 


*"') Van der Chijs, 


II p. 


230. 



27 

Evenmin kan de oorzaak van hun transgressies gezocht worden in 
hun lage traktementen. Het is nog de vraag, of werkelijk de salaris- 
sen, vermeerderd met kostgelden en geoorloofde emolumenten, zoo 
ongunstig afstaken bij hetgeen aan ambtenaren in 't vaderland werd 
betaald. En al had men de traktementen verdubbeld — dan zou 
daardoor toch de verleiding, om aan den winstgevenden handel in 
Indië mee te doen, niet aanmerkelijk verzwakt zijn. Het was toch 
niet te verwachten, dat iemand wegens een duizend guldens meer 
salaris per jaar, zou afzien van duizenden, die in den handel of op 
andere wijze te verdienen waren. Dat de Hooge Regeering zulks 
inzag, blijkt wel uit de slappe handhaving van de, trouwens meestal 
op last der Heeren in patria uitgevaardigde, plakkaten tegen den 
particulieren handel. 

Het eenige middel om het euvel te bestrijden of liever op te 
heffen, zou geweest zijn afstand doen door de Campagnie van het 
strenge monopolie ten opzichte van den inlandschen handel, zooals 
door Coen en andere Gouverneurs is voorgesteld. Maar de hand- 
having van dat monopolie was den Bewindhebbers een dogma ge- 
worden en de schaduwzijde daarvan was de particuliere handel, een 
privilege door de dienaren aan zich zelven gegeven en in den loop 
der jaren door de Heeren Majores stilzwijgend erkend. 

Reeds in 1626 was door Heeren Zeventien een poging gedaan 
om meer direct, buiten Gouverneur-Generaal en Raden om, van de 
toestanden in Indië op de hoogte te komen, en beter ingelicht, ver- 
beteringen voor te schrijven. Daarom werd in dat jaar de Hooge 
Regeering te Batavia „gelast ende geautoriseert" om twee commis- 
sarissen aan te stellen als „visitateurs van alle plaatsen ende comp- 
toiren deser Compagnie over Indien." ^) 

Een der commissarissen zou de oostelijke kwartieren ^) visiteeren, 
de andere de westelijke, ^) met dien verstande, dat zij telken jare 



^) Instructie van Commissarissen tot de generale visite van de gouvernementen 
directiën, kantoren en residentiën in Indië, 23 April 1626. Opgesteld door de Heeren 
Zeventien. Van der Chijs, lp. 188 vlgg. Klerk de Reus, a. w. p. 195 vlgg. 

") De gouvernementen Amboina, Banda, Molukken en Tayoan, de kantoren Japan, 
Siam, Patani. 

^) Het gouvernement Coromandel en de kantoren te Suratte, in Hindostan, te 
Mocha, in Perzië en op Sumatra. 



28 

zouden omwisselen. Van hun bevindingen hadden zij te Batavia een 
rapport in triplo in te dienen. Eén exemplaar was bestemd voor de 
Regeering te Batavia, het andere voor de Heeren Zeventien en het 
derde kreeg de collega-commissaris, die het volgend jaar de bezochte 
kantoren had te inspecteeren. 

Op een kantoor, dat bestuurd werd door een ordinaris raad van 
Indië ^) stond de Commissaris onder hem, „behoudens eer ende eedt 
ende syn commissie." Overal elders was hij de eerste en waren de 
dienaren der Compagnie van eiken rang gehouden hem „in syn 
qualiteyt te erkennen ende respecteeren ende de goede handt te 
bieden in alles 't geen haar verzogt sal werden." 

Zoodra een commissaris op een residentie was aangekomen, moest 
hij zich door het opperhoofd en den raad laten inlichten over alle 
zaken de Compagnie betreffend en „inquireeren ende informeeren . . . 
op al 't geene 't gouvernement, de regeering ende den staet van 
oorlogh ter voorsz plaatse eenigsints sal connen raecken, om op alles 
goet onderricht te connen geven". Daarbij moest hij niet alleen 
afgaan op de adviezen van den besturenden resident „maer verder 
onderzoek doen bij andere commijsen ende alle andere meer, die met 
eenige kennis en fundament daarvan eenig onderright connen geven." 

Zoo moest dan een commissaris een onderzoek instellen naar de 
vestingwerken en de ammunitie, de sterkte der garnizoenen, de ter 
plaatse aanwezige of gewenschte scheepsmacht, de gezindheid der 
inboorlingen, de positie der mogelijke vijanden en zoo noodig, 
plannen beramen om bij gunstige gelegenheid tegen hen op te treden. 

Natuurlijk had hij de pakhuizen te inspecteeren, de boeken na te 
gaan en bij nalatigheid den verantwoordelijken ambtenaar tot zijn 
plicht te brengen en zoo noodig te straffen met „provisioneele 
suspentie soo in qualiteyt als gage." Ernstig was den commissaris 
aanbevolen er op te letten, dat geen onnoodige uitgaven werden 
gedaan, geen overtollige dienaren werden aangesteld en aan de 
dienaren geen goederen der Compagnie onder den „loopenden prijs 
met behoorlijke advance" werden verkocht. „Ten aldernaarstigste" 
moest hij „inquireeren ende informeeren tegen alle en een ieder, die 
in dienst van de generale Compagnie in India sijnde haar selven 
met eenige particulieren handel souden bemoeijen." Tegen hen, wier 



') Vgl. boven p. 13. 



29 

schuld door twee getuigen was bevestigd, had de commissaris direct 
op te treden met confiscatie der verhandelde goederen, ontzetting 
uit het ambt en verlies van traktement. 

Belangrijk was de opdracht, dat een commissaris voor zich zelf 
aanteekening moest houden van „'t comportement van alle en een 
yder persoon" om de Hooge Regeering over haar ambtenaren te 
kunnen inlichten. 

Om al die plichten te kunnen vervullen, kreeg hij de bevoegdheid, 
alle dienaren der Compagnie voor zich en zijn secretaris te doen 
verschijnen; alleen aangaande ordinaris raden van Indië moest hij 
„secretelyck" onderzoeken. 

Leidde een onderzoek tot een procedure, dan mocht de commissaris 
niet zelf als aanklager optreden, maar was hij verplicht alle stukken 
in handen te geven van een fiskaal, die voor den plaatselijken Raad, 
gepresideerd door den commissaris of (als er een was) een raad van 
Indië, de aanklacht indiende. Van alle door deze raden gevelde 
vonnissen bestond beroep op den Gouverneur-Generaal en den Raad 
van Justitie te Batavia. 

De bedoehng van Heeren Zeventien met de instelling van de 
Algemeene Commissarissen was duidelijk. Zij wilden in Indië twee 
permanente inspecteurs hebben, die zich jaarlijks van alle zaken en 
personen op de kantoren buiten Java op de hoogte zouden stellen 
en daarvan aan hen een omstandig rapport uitbrengen — een rapport, 
directer dan de missives der Hooge Regeering. 

Van die commissarissen werd een buitengewone veelzijdigheid en 
doortastendheid geëischt. Van zulke „bequame stoffe", aan welke 
men zoo veelzijdige opdrachten kon toevertrouwen, was de regeering 
in Indië niet altijd voorzien. Het was toch niet voldoende bekwaam- 
heden te bezitten als bestuurder, vestingbouwkundige, koopman en 
rechter. Vele „singuliere qualiteyten" moest zoo'n inspecteur in zich 
vereenigen, zoo men „van de visite de rechte vruchten sou trecken." 
Een commissaris moest vooral „getrou zijn ende vast in sijn schoenen 
staen, geen liefhebber zijn van geschencken, onbesproken van parti- 
culariteyten, oprecht ende conscentieus in't beleggen van de infor- 
matiën ende in't stellen van zijn rapporten, voorsichtich van oordeel, 
vooral oock discreet ende van een moderaat naturel om de opper- 
hoofden geen cleijnachtinge aan te doen ende al te veel onnoodige 
saecken over hoop te halen." Hij diende „oock te wesen een persoon, 



30 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR