ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

10

10 

van 1650 ^) spreekt van „het groote werk van den binnenlandschen 
handel over geheel Indië" en van „binnenlandsche overwinsten, de 
eenige ziel van 's Compagnies ligchaam." De vreedzame handel door 
geheel Indië moest in het vaderland de „keuken doen rooken." Bij 
schaarschte van goederen voor aziatische en europeesche markten 
beide geschikt, moest eerst de binnenlandsche handel worden voorzien, 
daarna de retouren naar patria. 

Het handelsgebied der Compagnie omstreeks 1650 kan verdeeld 
worden in drie zones. 1°. De Banda-groepen en de overige Molukken; 
2'\ de zeeën besloten tusschen Makassar en Bali in 't oosten en 
Malakka in 't westen; 3'^. de streken ten westen van Malakka en 
ten noorden van Borneo. 

In de eerste zone was de Compagnie volkomen meester van 6000 
vierkante mijlen zee tusschen Ternate, Timor, Makassar en Ceram. 
Zónder haar toestemming mocht er zich geen schip vertoonen. Daar 
lagen de „diere panden" der Compagnie, de noordelijke Molukken 
en Ambooia met hun kruidnagelen; en die „eenige uitstekende parel 
van haar kroon", dat „kostelijk juweel", de Banda-groep met haar 
muskaatnoten en foelie. 

De uitgestrekte kusten in de tweede zone waren nog niet bezet; 
daar had de Compagnie geen feitelijk monopolie. De voortbrengselen 
dier streken kwamen bovendien ook elders voor. Tot nu toe had 
de Compagnie zich nog weinig met die gewesten bemoeid, alleen 
getracht den handel zooveel mogelijk te concentreeren in haar residentie 
Batavia. Daarvoor was Bantam, het oude handelscentrum, zoo dikwijls 
geblokkeerd. Eerst later op het eind der 1 7^ eeuw heeft de Compagnie 
alle voorname handelsplaatsen aan de Javazee bezet en de concur- 
renten weten te weren uit de havens, die zij niet als souverein be- 
heerschte. Daar streefde zij er naar tegen vasten prijs het monopolie 
van inkoop te krijgen van enkele goederen als peper en rijst, en den 
alleen invoer van kleedjes. 

Dat was ook haar streven te Palembang en in Djambi en enkele 
streken van de derde zone, zooals de Westkust van Sumatra. Zoolang 

*) Mr. P. Mijer, Verzameling van Instructiën, Ordonnanciën en Reglementen voor 
de Regeering van Nederlandsch-Indië. Batavia, 1848. Hierin komen wat den tijd der 
Compagnie betreft voor: de Algemeene Instructies voor Gouverneur-Generaal en 
Raden van 1609, 1617, 1632, 1650. Zij zijn, soms verkort, overgenomen in Mr. J. A. 
van der Chijs, Nederlandsch-Indisch Plakkaatboek, 17 dln. Batavia en Den Haag, 
1885-1900. 



11 

zij in die streken het monopolie van den inkoop nog niet had, moesten 
haar dienaren toch zien het „gros van de peper" in handen te krijgen, 
opdat niet andere Europeanen zich van die specerij zouden kunnen 
voorzien. Daarom „liever dure peper dan geen peper." 

Buiten den Archipel was er maar één gebied, waar de Compagnie 
er met succes naar streefde, alle concurrentie te weren. Zooals zij 
in de Molukken zich de specerijen had veroverd, wenschte zij op 
Ceylon het alleenbezit van de kaneellanden. In 1650 had zij slechts 
een deel dier landen in bezit: de streken om Gale en Negombo. 
Colombo, de voornaamste stad, behoorde met omliggend gebied nog 
aan de Portugeezen. Op de kust van Coromandel bezat de Compagnie 
wel eenige forten, maar weinig gebied, waarover zij als souverein 
heerschte. Zij kon er den handel niet geheel in handen krijgen. 

Malakka was een militaire post, een tusschenstation voor de schepen 
op hun vaart van oost naar west, en een stapelplaats voor tin. In 
de overige streken, waar de Compagnie handel dreef, had zij van de 
regeerende vorsten slechts toegang, soms eenige voorrechten, gekregen. 

De voornaamste plaatsen, waar de Compagnie factorijen bezat, waren 
de volgende. Mocha in Arabië, waar zij de koffie haalde, die toen nog 
niet naar Europa gevoerd, maar in Indië verhandeld werd. Gamron en 
Bassora in Perzië, waar specerijen verkocht werden in ruil tegen zijden 
en andere kleedjes. Suratte, de groote handelshaven in het noordwesten 
en Bengalen in het noordoosten van het Rijk van den Mogol, waar 
naast kleeden, allerlei waren werden aangebracht en weggevoerd. 
In Achter-Indië leverde Arrakan rijst en slaven; uit Siam werden 
goederen gehaald bestemd voor Japan, en in Tonkin trachtte de 
Compagnie het „gros van alle zijden stoffen" in handen te krijgen. 
Te Tayoan, een eilandje bij Formosa, dreef zij handel met inwonende 
of uit China komende kooplieden om zich de ruwe zijde en andere 
voor Japan onmisbare goederen te verwerven. Daar, in Japan, had 
zij als eenige toegelaten vreemdelinge haar kantoor sedert 1641 
moeten verplaatsen naar 't eilandje Decima, waar hare dienaren, „onder 
strikte ongehoorde conditiën en limitatiën in handel en huishouding" 
mochten verblijf houden. De profijten, die het opgekochte koper, 
zilver, kamfer en lakwerk afwierpen, maakten de „conditiën en 
limitatiën" zeker dragelijk. 

De kern der door de Compagnie naar die verschillende plaatsen 
vervoerde goederen vormden haar specerijen. Het meerendeel van 



12 

de opgekochte koopwaren werd weer in aziatische havens van de 
hand gedaan. Het bedrijf der Compagnie in Indië doet denken aan 
dat der vaderlandsche kooplieden met zijn bemiddelenden handel 
tusschen „oosten en westen", Oostzee en Zuid-Europa. 

In al deze genoemde handelsplaatsen trad de Compagnie slechts 
op als koopman. Zij „ging er op zijn koopmans, dat de Compagnie 
gerustheid en zekerheid geeft", voorzichtig zonder aanmatiging, zich 
desnoods vernederend, zorgend, met „prinsen en potentaten goede 
intelHgentie en correspondentie te houden." Alleen als de handel 
bedreigd werd en uit lafhartigheid en onderdanigheid nadeel dreigde 
te ontstaan, wist zij een enkele maal met kracht op te treden. 

Tegenover europeesche natiën hield de Compagnie zich op een 
afstand „alle accommodatiën met beleefdheid en vriendelijkheid van 
de hand schuivende", altijd bedenkende, „dat de minste gemeenschap 
met vreemde europeesche natiën de meeste gerustheid bijbrengt." 

Het Bestuur der Compagnie^) in Indië dateerde van 1610. Het had 
bij de uitbreiding van haar handel en vestigingen geen ingrijpende 
veranderingen ondergaan. De laatste algemeene regeling was vervat 
in de reeds genoemde Instructie voor Gouverneur-Generaal en Raden 
van 26 April 1650. De instructie is later niet door een andere ver- 
vangen en kan dus voor de volgende jaren gelden als het fondament 
van 's Compagnies bestuursregeling in Indië. 

Pieter Both koos in 1610 met twee reeds door de Heeren Zeven- 
tien aangewezenen de andere twee leden van den Raad van Indië. 
In dien eersten Raad, die nog geen vaste residentie had, mochten 
ook zitting nemen hooge ambtenaren als gouverneurs, opperkooplieden 
en kapiteins van eenig kantoor, indien zij in de verblijfplaats van 
den Gouverneur-Generaal kwamen, of hij hun residenties bezocht. 
't Getal der raden was dus onbepaald. 

Het was de bedoeling van de Heeren in patria, dat de Gouverneur- 
Generaal president zou zijn van den Raad, niet de eenige drager van 
het gezag. Vóór 1617 is er zelfs sprake van geweest, dat ieder lid 
bij tourbeurt één jaar zou presideeren. 

De Instructie van 1617 wees den Gouverneur-Generaal aan als het 
hoofd van het bestuur: „dat er altijd een Gouverneur-Generaal zij in 

1) Voor het Bestuur der Compagnie de p. 10, noot, genoemde Algemeene Instructies, 
en Klerk de Reus, a. w. 



13 

Oost-Indien, die het hoogste gebied en opperste gezag mag hebben 
over alle forten, kantoren, plaatsen, schepen, officieren en dienaren". 
De werkkring van den Raad werd omschreven in de volgende 
woorden; „om den Gouverneur-Generaal in alle zaken, generale 
directie, zoo van den handel, oorlog en regeering, als ook in het 
administreeren van de justitie in alle civiele en crimineele zaken met 
raad en daad te adsisteeren." Daartoe moesten in Indië altijd negen 
raadsleden aanwezig zijn. 

De eerste vier raadsleden zouden altijd bij den landvoogd zijn of 
door hem op een zending kunnen worden gestuurd. De vijfde was 
Directeur-Generaal over alle kantoren van Indië, het hoofd van de 
handelszaken. De vier overigen waren de opperhoofden van de 
Molukken, Amboina, Banda en Coromandel of (sedert 1626) Tayoan. 

Wel was de Gouverneur-Generaal aangewezen als de bezitter van 
het „hoogste gebied en opperste gezag", maar de instructie gaf geen 
nadere omschrijving van die macht. Integendeel moest hij alle bestuurs- 
maatregelen en benoemingen verrichten met de raden van Indië, niet 
met hun advies, maar met hun medewerking. Zijn eenig voorrecht 
was, dat hij de eerste stem uitbracht en „bij gelijkheid van stemmen, 
door absentie of ziekte van eenige leden, dubbele stem" had. Aan het 
hoofd van het bestuur in Indië stond dus niet de Gouverneur- 
Generaal; maar Gouverneur-Generaal en Raden van Indië vormden 
het hoogste gezag. 

In 1646 werd het getal raden, dat altijd bij den Gouverneur- 
Generaal op de hoofdplaats aanwezig moest zijn, bepaald op zes. 
Die zes waren de ordinaire raden. Daarnaast bleven er eenige extra- 
ordinaire raden, van welke drie de gouvernementen Tayoan, Coro- 
mandel en Malakka bestuurden. 

Deze regeling werd in de Instructie van 1650 behouden, en er 
bijgevoegd, dat bij absentie van een der zes ordinaire raden, zijn 
plaats door een extra-ordinaris zou worden ingenomen. Indien er 
geen extra-ordinaris raad te Batavia aanwezig mocht zijn, dan moest 
de Raad „iemand van de oudste en meest gequaliflceerde kooplieden 
in Rade assumeeren", zoodat de Raad altijd met zeven concludee- 
rende stemmen zou besogneeren. ^) 



^) Het blijkt niet hoeveel extra-ordinaire raden er waren; zeker meer dan drie. 
Bij schrijven der Zeventien van 2 Mei 1646 werd het aantal ordinaire raden gebracht 



14 

Tweemaal in de week, Dinsdags en Vrijdags, kwam de Raad ge- 
regeld bijeen, en verder zoo dikwijls de Gouverneur-Generaal het 
noodig oordeelde. Hij moest een vergadering uitschrijven, wanneer er 
schepen waren aangekomen, opdat de meegebrachte brieven dadelijk 
„in Rade" konden worden geopend. 

De leden van den Raad stonden aan het hoofd van verschillende 
bestuursafdeelingen. De eerste in rang na den president, was de 
Directeur-Generaal, het hoofd van alles, wat op den handel betrekking 
had. Een Visitateur-Generaal controleerde de boeken der verschillende 
kantoren, vóór zij werden doorgezonden naar het kantoor der alge- 
meene boekhouding. Een lid was het hoofd der marine, een ander 
van de militie en de twee overigen namen de functies waar van 
Fiskaal der Compagnie en President van den Raad van Justitie. ^) 

Deze Hooge Regeering te Batavia had een universeele macht over 
alle zaken betreffende handel, oorlog, bestuur, justitie crimineel en 
civiel. De ambtenaren werden gezonden uit het vaderland, maar hun 
aanstelling, promotie of straf berustte zonder appèl bij de Hooge 
Regeering. In naam was er wel beroep mogelijk op Heeren Zeventien 
en Staten-Generaal, maar de correspondentie der dienaren met het 
vaderland stond, trouwens op bevel der Zeventien, onder controle 
van den Raad. 

Naast den Raad van Indië was in 1620 een door dat college 



op zes, die te Batavia moesten verblijven. Tevens werd voorgeschreven, dat de in 
den tekst genoemde drie gouvernementen bestuurd moesten worden door extra-ordinaire 
raden. Als in 1650 wordt bevolen, dat bij absentie van een der ordinaire, een 
extra-ordinaire geassumeerd moet worden, kan met dien te assumeeren raad niet één 
der gouverneurs bedoeld zijn. In 1681 werd de Raad van Indië versterkt met twee 
permanente extra-ordinaire raden, die bij voltalligheid van den Raad slechts advisecrende 
en van wie bij absentie van één lid de oudste, of van twee leden, beide concludee- 
rende stem zouden hebben. (Mijer, Verzameling enz , p. 26, noot en p. 105, noot 3.) 

Valentijn (Ed. Dr. S. Keyzer. 's Gravenhage, 1658. 3de deel, p. 527) spreekt van 
„de vijf verdere ordinaris (na den directeur generaal) en stemmende [raden] en één 
weleer niet, doch nu medestemmende ordinaris raad, die voorzitter van den raad van 
justitie is, benevens nog 6 of 7 extraordinaris raden van Indien, die maar een raad- 
gevende en geen besluitende stem hebben, bij welke gemeenlijk de geheimschrijver 
van Hun Edelheden gevoegd wordt". Dan waren er dus begin 18^ eeuw 8 conclu- 
deerende stemmen. Of er midden 17e eeuw ook 7 of 8 extra-ordinaire leden waren, 
is uit de gegevens niet op te maken. 

') De verdeeling dezer functies is ontleend aan de Instructie van 1617, volgens welke 
bij den Gouverneur-Generaal vijf raden van Indië aanwezig waren. In 1650 werd be- 
volen, dat de Raad van Indië zou bestaan uit zes leden naast den Gouverneur-GcneracJ 
en tevens dat één lid president zou zijn van den Raad van Justitie. Vgl. bovenst, noot. 



15 

benoemd hoogste gerechtshof in Indië ontstaan. Voor dien tijd waren 
er slechts buitengewone rechtbanken, een soort krijgsraden, geweest, 
zooals er ook op de vloten hadden recht gesproken. Door Coen 
was 15 Augustus 1620 een college ingesteld genoemd „de ordinaris 
commissarissen en rechtsluyden van het fort", wier taak het was „om 
in simpele zaken, civiele en crimineele, die tusschen soldaten of 
dienaren van de Compagnie alleen voorvielen," recht te spreken. 
Zaken tusschen de burgers der stad onder elkander werden berecht 
door Baljuw en Schepenen van de stad, een jaar vroeger door 
Coen aangesteld. 

In 1626 werd aan die „ordinaris commissarissen en regtsluyden" 
de titel gegeven: „d'Ordinaris Raad van Justitie binnen 't Kasteel 
Batavia." Dezen naam heeft de „Achtbare Raad" tot 1798 behouden. 

De positie van dezen Raad werd nader geregeld bij de meer- 
genoemde Generale Instructie van 1650. Een der leden van den Raad 
van Indië moest als president fungeeren. Het aantal leden werd 
bepaald op zeven, den president meegerekend. Aanbevolen werd 
zorg te dragen dat „de Achtbare Raad doorgaans voorzien worde 
van de kapabelste bejaarde mannen, die goed van leven zijn en 
de justitie liefhebben" en dat „de bekwaamste onder den Raad 
eenige jaren wel zouden continueeren, om kennis van zaken te 
krijgen en door onkunde geen groote abuizen te begaan." Ook in 
de klerken en andere dienaren was het gewenscht eenige stabiliteit 
te observeeren. 

De Raad sprak recht volgens het ordonnantieboek van Batavia ^) 
en volgens de „regelen, statuten en kostumen" in de Vereenigde 
Nederlanden gebruikt. Waar deze de leden in den steek lieten, zouden 
„geüseerd" worden „de beschreven keizerlijke regten." 

Alle processtukken moesten, alvorens gedecideerd werd, in handen 
worden gesteld van één der raadsleden „om ze te huis bij zich zei ven 
te lezen en in den Raad de gelegenheid van dien te rapporteren, 
opdat door precipitante advyzen partijen niet verongelijkt worden, 
maar goed recht geschieden mag." 

De „resolutiën en condemnatiën" van den Raad moesten 
Gouverneur-Generaal en Raden „zonder eenige verhindering of hand- 



^) Bekend als Statuten van Batavia, door Johan Maetsuycker geredigeerd en in 
1642 te Batavia afgekondigd. 



16 

stuitingen effect laten sorteren." Alleen hadden „Gouverneur-Generaal 
en de presente Raden van Indië collegialiter (verstaande in completen 
Rade) aan zich de remissie of pardoenen in zaken, daar de delinquenten 
over misdaden ter dood verwezen zijn en andere of verder niet." 
Uitdrukkelijk werd den Gouverneur-Generaal ontzegd op eigen 
autoriteit tegen advies van den Raad, bij meerderheid van stemmen 
genomen, gratie te verleenen. 

De bedoeling der Heeren in patria was blijkbaar, de rechtsbedeehng 
in het gebied der Compagnie zelfstandiger te maken ten opzichte van 
het algemeen bestuur. Zoolang evenwel de Hooge Regeering de 
leden van den Raad van Justitie benoemde en kon afzetten, bleef de 
rechtspraak afhankelijk van die regeering. Op het eind der 17^ eeuw 
trachtten de Heeren Zeventien door zelf de leden van den Raad, 
en dan liefst juristen, te benoemen, de positie van het hoogste 
gerechtshof te verheffen. 

Aan Pieter Both was bevolen om, nadat hij zich een Raad 
had gekozen, met advies van dien Raad „alle andere kantoren 
en kwartieren van Raad en raadspersonen te voorzien .... om 
op de respectieve plaatsen regt, justitie en alle civiele zaken te 
administreeren." 

Die kantoren en kwartieren waren van verschillenden aard en in 
overeenstemming daarmee varieerden de titels der opperhoofden. Aan 
het hoofd van een kolonie, waar de Compagnie souvereiniteitsrechten 
bezat, stond een Gouverneur. Het bestuur van een bij uitstek militaire 
post was gewoonlijk toevertrouwd aan een Commandeur. De leiding 
van een kantoor in een gebied, waar de Compagnie slechts tot den 
handel was toegelaten, berustte bij een Directeur. In kleinere kantoren, 
waar den bestuurder geen bepaalde titel was gegeven, sprak men 
van het Opperhoofd of den Resident. 

De bestuurders waren de vertegenwoordigers van de Hooge Regee- 
ring en hadden naast zich een door die Regeering aangewezen en 
door hen gepresideerden Raad. Een der raadsleden was Tweede persoon 
of Secunde. Hij was met het opperhoofd aansprakelijk voor de bezit- 
tingen der Compagnie en nam bij diens verscheiden provisioneel 
zijn plaats in. 

Opperhoofd en Raad vormden als 't ware een Hooge Regeering 
in 't klein. Zij voerden de geheele directie van het kantoor 



17 

en spraken recht in eerste instantie met beroep op Batavia. Om 
aflFaires als die van Amboina te voorkomen, was in de Instructie van 
1632 aan Residenten en Raden geordonneerd „in groote zaken als 
van conjuratie, verraad en dergelijke niet te procedeeren zonder kennis- 
geving aan den Generaal en Raden van India." Deze moesten dadelijk 
van een voorkomend geval verwittigd worden „om voorts daarin 
gedisponeerd te worden." 

Door een Resident en zijn Raad mochten burgerlijke ambtenaren 
benoemd worden tot den rang van boekhouder, en militaire tot dien 
van sergeant. Hun benoemingen in hoogere ambten eischten beves- 
tiging van de Regeering te Batavia. 

De besturen der buitenkantoren waren verplicht geregeld dag- 
registers bij te houden van alles wat voorviel, en die met hun rap- 
porten, negotieboeken, uitgegane en ingekomen brieven naar Batavia 
te zenden, vergezeld van een opgave der artikelen, die het kantoor 
voor onderhoud en handel het volgende jaar meende noodig te 
hebben („den eijsch"). 

Een goede gang van zaken in Indië hing bijna geheel af van het 
personeel, dat er heen gezonden werd. Het octrooi van de Compagnie 
verbood het aanmonsteren van bankroetiers, Franschen, Engelschen, 
Schotten en beval in 't algemeen aan, zoo weinig mogelijk vreemde- 
lingen en papisten in dienst te nemen. Daarop is echter weinig, liever 
heelemaal niet, gelet. Menigeen, die zich in Europa voor de justitie 
niet veilig achtte, of zich in de geordende maatschappij niet kon 
schikken, vond een toevlucht op de schepen der Compagnie naar 
Indië. In den regel werd hij aangenomen in den laagsten rang, als 
assistent. Dan was opkhmming mogelijk tot commies, boekhouder, 
onderkoopman, koopman, opperkoopman. Dat waren titels, die geen 
hiërarchische beteekenis hadden; een koopman was niet altijd de 
directe meerdere van een onderkoopman. Uit de opperkooplieden 
werden de hooge ambtenaren gekozen: de Raden van Indië, de leden 
van den Raad van Justitie en de opperhoofden van de groote kantoren 
of de gouvernementen. 

In den regel ging de dienaar van de Compagnie met haar een 
„verband" aan voor drie of vijf jaren. Na beëindiging van dien tijd 
kon hij zijn „verlossing" verkrijgen of een nieuw verband aangaan, 
in den regel met verhooging van gage. Hij genoot traktement, 
kostgeld en toelagen in natura, van rijst, boter, wijn, kaarsen, hout, 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 2 



18 

olie, azijn e. a. Van zijn salaris werd een gedeelte ^) ingehouden 
als garantie voor zijn gedrag, om bij overtreding van de met zijn 
eed bezworen artikelbrief of bij malversatiën eenig verhaal op hen 
te hebben. Na terugkeer in Europa werd het ingehoudene zijn door 
de Compagnie met rente uitbetaald. 

Door de bewindhebbers eener handelsonderneming, die het om 
dividenden te doen was, werd het leger beschouwd als een noodzakelijk 
kwaad, duur en lastig. Geen diensttak was slechter verzorgd en 
georganiseerd. Er waren geen hoofdofficieren; een staf, een 
indeeling ontbraken. Van een intendance was in dien tijd in Indië 
natuurlijk geen sprake. Tot in de tweede helft der 18^ eeuw was 
de hoogste rang die van sergeant-majoor. ^) Eerst in dien tijd ook 
nam de Compagnie geregelde europeesche troepen in dienst. Aan 
't hoofd van een expeditie stond altijd een civiel ambtenaar. Een 
officier werd nooit geroepen tot een der hooge ambten: gouver- 
neur of lid van den Raad van Indië. En toch waren er vele 
jongelui onder van goeden huize, maar dan om bijzondere redenen 
naar Indië gestuurd. Ook de soldaten konden tot officieren bevor- 
derd worden. 

De soldaten der Compagnie werden in 't vaderland geworven. 
Meestal waren het vreemdelingen, vagebonden, en door schuldeischers 
vervolgden, soms knapen beneden de 16 jaar, wat eigenlijk verboden 
was. De besten onder hen, die een handwerk verstonden, werden 
er na hun komst in Indië in den regel nog uitgekozen om als 
ambachtslieden gebruikt te worden. Het rapalje bleef over. 

Aan die krijgslieden werd slechts de helft van hun soldij uitbe- 
taald. Van die helft kregen zij het eene deel in licht geld, d. w. z. 
de reaal of de rijksdaalder, in Holland op 48, werd hun berekend 

^) Van der Chijs. a. w. Il, p. 89 vlgg.: Regeling der uitbetaling in Indië v£in 
tractementen (maandgelden, weduwen-pensioenen en huishuur-indemniteiten). 5 Maart 
1645. Daarin het volgende: 

„Alle degene, die aan landt g'employecrd werden sal men jaerlycx in contant ofte 
gedeelte aen coopmanschappen mogen verstrecken, die maendlycx winnen als volgt, 
namentlyck 

vier I 

vijff / maanden gage jaerlycx sonder meer' 
aght ) 
d. w. z. die ƒ 120^ — ƒ70 per maand verdienen, krijgen vier maand uitbetaald enz. 

^) Welke rang dan gelijk moet staan met den tegenwoordigen majoorsrang, daar 
hij boven den kapitein staat. 



120 ) 




(70 


70 


tot 


30 


30 ) 




12 




-I-I 3 

^ I 

B 

w 



19 

op 60 of 75 stuivers. Het andere deel kregen zij in kleeren, waarop 
de Compagnie 75 % verdiende. 

Reeds de eerste Gouverneurs hadden tot versterking der ongeregelde 
benden, waarmede zij tegen Portugeezen en inboorlingen moesten 
opereeren, Javanen en zelfs Japanneezen in dienst genomen. Ook 
later nog werd het europeesche gedeelte van het leger aangevuld 
met Amboineezen, Makassaren, Madoereezen en Javanen. Zij waren 
echter bij de expedities slechts in gering aantal aanwezig. Tot de 
inlandsche troepen, die meermalen op expedities meegingen, behoorden 
ook de Mardijkers, de derde of inlandsche afdeeling van de schutterij 
te Batavia. ^) 

Het geheele leger der Compagnie bestond uit ongeveer 10,000 man. 

Het ligt voor de hand, dat een handelscompagnie voor de uitrusting 
van haar zeemacht, die tegelijk handelsvloot en oorlogsmarine was, 
meer over had dan voor haar leger. Aan de schepen toch werden 
soms kostbare vrachten toevertrouwd. 

Groot waren die schepen niet. In 1659 bezat de Compagnie slechts 
10 schepen van 1000 — 1200 ton. Het meerendeel der vaartuigen 
waren jachten van ongeveer 400 ton, en fluiten van denzelfden 
inhoud. Naast die grootere schepen waren in Indië voor de kustvaart, 
voor het overbrengen van berichten en voor oorlogsdoeleinden, als 
blokkades op ondiepe wateren, nog allerlei soort kleinere schepen 
in gebruik, galjoten, fregatten, chaloepen e. a. Soms waren zij in 
Indië zelf gebouwd, dikwijls ook op de Portugeezen veroverd. In 
1657 had de Compagnie in Indië 160 schepen, ^j 



') De schutterij te Batavia bestond uit: 

P. De Compagniesschutterij, bestaande uit de dienaren der Compagnie. 
2°. De Burgerschutterij, gevormd uit de vrijburgers. 

3°. De Mardijkers (orang mardika = vrije mensch), samengesteld uit allerlei inlanders. 
^) Volgens het „Summarium van de schepen, welcke tegenwoordigh in India sijn 
en blijven" van 1 Febr. 1657 bestond de scheepsmacht van de Compagnie op dat 
tijdstip uit de volgende schepen: 

4 retourschepen, 1200, 1100, en 1000 ton. 
2 groote schepen (niet meer bruikbaar). 
40 bequame goede jachten, 560—100 ton. 

21 jachten niet sterck genoegh op harde vaarwaters, 380 — 40 ton. 
6 hechte fluijten, 600—140 ton. 

10 fluijten niet voor harde vaarwaters, 500—220 ton. 
2 fluijten (één timmerschip en één afgelegt). 
10 galjots, 100—60 ton. 
6 portugeesche als andere fregats ± 60 ton. 



20 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR