ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

50

50 

geattaqueerd. Slechts een der aanvalscolonnes kwam binnen de muren, 
en die bleef er — maar gevangen. De andere werden zoodanig met 
schroot en musketvuur ontvangen „dat vele het wederkeren vergaten." 
Niet alleen de Javanen en inlanders, maar ook de ofiBcieren lieten 
de ladders in den steek. Het voorbeeld van Huift zelf, die een ladder 
aanpakte, was niet in staat hen tot hun plicht te brengen. 

Intusschen kwam van den aanval uit zee niets terecht. De jachten 
Worcum en Maeght van Enckhuysen begonnen hun aanval te laat 
op den dag. Het vuur van het waterkasteel dreef Worcum terug. 
De Maeght zonder mast en met gebroken ankertouw, moest verlaten 
worden en dreef, met al haar victualie en ammunitie, een buit voor 
den vijand, op het strand. Het klein vaartuig, de bescherming der 
jachten dervend, moest de landing opgeven. Twee honderd man 
waren verloren aan dooden en gevangenen en 300 waren gekwetst. 
Onder deze laatsten was de generaal zelf, die een schot in de liesstreek 
had ontvangen. ^) Colombo was sterker dan verwacht was! 

Moest de onderneming worden voortgezet ? Huift belegde krijgsraad 
en gaf den leden eenige dagen tijd ter overdenking van die ernstige 
vraag. Het resultaat der overpeinzingen was: voortzetten. Opbreken 
van het beleg zou het „aensien ende respect van de Compagnie seer 
gekrenckt hebben." 't Was ook de vraag, of er zich bij uitstel een 
betere gelegenheid zou voordoen. Van Batavia moesten vóór April 
versterkingen gevraagd worden. Want als in Mei de blokkade-schepen 
van voor Colombo weg waren, zou de stad van Tutucorijn of 
Jaffanapatnam met klein vaartuig versterking kunnen krijgen. 

Zoo oordeelde ook de Hooge Regeering en zond 7 Maart 1656 
twee jachten en een fluit met 273 soldaten. ^) Want het „sou schade 
sijn, dat hetselve werck, dat met soo grooten costen begonnen is 
ende reede soo gewenste beginselen gehad heeft door foute van 
vereijst secours ten halve soude blijven steecken." 

Waar was onder al die bedrijven de bondgenoot der Compagnie, de 



^) Zwaar schenen de gekwetsten niet gewond, ten minste 250 a 300 „stonden met 
de hulpe godes in corten weder voor den dag te comen." 

Van de 74 gevangenen bleven 8 in leven, die voor den val van Colombo werden 
vrijgelaten, naar hun zeggen „geen slimmer tractement genoten hebbende dan de 
Portugese soldaten." 

^) De jachten Roode Leeuw en Avenbom kwamen te Gale aan 26 April. De 
fluit Pellicaen dreef af naar Coromandel. 



51 

maharadja van Kandi, in wiens naam de Nederlanders eigenlijk streden 
en die zich in 't begin van 1655 in zijn bergen had teruggetrokken? 

Vóór de Nederlanders Colombo genaderd waren, had hij het niet 
noodig geoordeeld van zich te laten hooren. Toen evenwel Huift voor 
die stad verscheen, vond hij er een aanzienlijk singaleesch gezant- 
schap met een schrijven van den nederlandschen resident, Joris 
Hervendonck, meldend, dat de vorst hoopte binnen kort met zijn 
edelen in Colombo te wandelen. ^) Eenige dagen later kwam de 
dessave van Saffragam meedeelen, dat hij van den koning opdracht 
had, de Nederlanders met vele diensten bij te staan. Kort daarna 
verscheen de dessave van de vier Corles ^) met 700 mannen en bracht 
een brief van den koning ') waarin hij zijn vreugde uitsprak over de 
komst van het leger en er aan herinnerde, dat volgens brieven van 
Van Kittensteyn en Van der Meyden Colombo, als het genomen 
was, aan hem zou worden overgegeven. *) Over een betaling van 
zijn schuld aan de Compagnie, de voorwaarde voor het overleveren 
der vesting, sprak hij niet. 

Over het lot van de stad na haar val behoefde Huift zich voor- 
eerst niet te bekommeren. De met de gezanten meegekomen Singa- 
leezen echter gebruikte hij voor allerlei arbeid in de loopgraven en 
de andere werken rondom de stad. Ook in andere opzichten genoten 
de Nederlanders 's konings steun door de levering van slachtvee en 
andere levensmiddelen „zonder welke de troepen het niet zoo lang 
zouden hebben kunnen uithouden." ^) 

De vorst scheen het niet noodig te vinden ernstige pogingen te 
doen om daadwerkelijk aan de belegering deel te nemen. Tenminste, 
zijn reeds in October voorbereide afdaling naar de benedenlanden 
was in Januari nog maar gevorderd tot aan Balane (ten westen van 
Kandi) ^) en eerst 17 Maart 1656 schreef hij zijn eersten brief aan 
Huift '^) uit het kamp te Reijgamwatte, niet ver van Colombo. Verder 



') Baldaeus, Ceylon, p. 66. 

^) „Corle": een district, bestuurd door een dessave. Meerdere corles kunnen onder 
één dessave vereenigd zijn. 

3) Baldaeus, Ceylon, p. 67, gedateerd 29 Oct. 1655. 

*) Vgl. Valentijn V, B. Z. v. C, p. 138, een schrijven van Van Kittensteyn. 

6) Gen. Miss. 1 Febr. en 31 Juli 1656. 

«) Brief van Raja Singha. 20 Jan. 1656. (Baldaeus,. Ceylon. p. 83.) 

') Brief van Raja Singha, 17 Maart 1656 (Baldaeus. Ceylon, p. 92). 



52 

dan die plaats is hij niet gekomen. Wel had hij plan zijn leger bij 
dat van de Compagnie te voegen en de werken om Colombo te 
komen inspecteeren, maar zijn „indispositie en qualyck varentheijt" 
verhinderden hem zijn voornemen uit te voeren. ^) Aangespoord 
werd hij natuurlijk ook niet, daar de Nederlanders de vesting liefst 
zonder de hulp van zijn krijgslieden zouden nemen. 

De verhouding tusschen den keizer en de Compagnie was overigens 
gedurende het beleg voortreflFelijk. Huift kreeg zelfs een door den 
vorst eigenhandig geschoten eland cadeau, en stuurde den koning eenige 
druiven. ^) Kleine, intieme geschenken, als bewijzen van groote vriend- 
schap, Hoe meer de val van Colombo naderde, hoe hartelijker de 
betuigingen werden van de vriendschap en hoogachting, die Raja 
Singha voor den veldheer koesterde. Huift was zijn „welbeminde en 
zeer geliefde directeur-generaal", niet iemand, dien men begiftigt met 
de sieraden des lichaams, maar die de eerbewijzen ontvangen moet 
verschuldigd aan „des Majesteits Directeur-Generaal", zijn aller ge- 
trouwste dienaar, dien hij „oyt zijn leven hadde beleeft." De keizer 
beval zijn veldheer zich niet aan gevaren bloot te stellen, „want bij 
verlies van zijn Perzoon, zou de Paarl van Zijn Majesteits oogen 
verloren werden." ^) 

In Januari al had de vorst te kennen gegeven, dat hij Huift aan 
zijn hof wilde zien, welke uitnoodiging 'deze in Februari had aange- 
nomen, tot groote vreugde van den keizer: „Met de komste van 
U.E. Perzoon, wanneer voor mij verschijnen, zal mij inbeelden, dat 
geheel HoUandt voor mij staat." "^j Den eersten April, toen de maharadja 
te Reygamwatte was, stuurde hij een paar van de hoogste dessaves 
met groot gevolg om den directeur-generaal naar het hof te geleiden. 
„Godt geleijde U.E. ende brenge U.E. voor mijn Keyzerlijke oogen 
met Zijnen Goddelijken zegen, na welcke gewenschte uure ende dagh 
en goede komst, mijn Keyzerlijke oogen van vreughde ende blyd- 
schap huppelen en springen, en 't gene U.E. dan voor mij zult 
spreken zal lieflijk musijck en snarenspel in mijn ooren zijn." ^) 



^) Brieven van Raja Singha, 18, 22 April 1656. (Baldaeus, Ceylon, p. 103, 111, 
113 vlg.) 

2) Baldaeus, Ceylon, p. 90. 

^) Schriftelijk verslag van den gezant Ysbrand Godsken ± 23 Maart 1656: Baldaeus, 
p. 94-96. 

*) Brief van 20 Jan. 1656. (Baldaeus, p. 83. Fcrguson, Correspondence p. 225.) 

^) Brief van Raja Singha van 1 April 1656. (Baldaeus, p. 100 vlg.) 



53 

Een weck later had de lang verbeide ontmoeting plaats, nadat de 
„zeer beminde directeur-generaal", drie dagen op een audiëntie had 
moeten wachten en eerst na bedreiging met terugkeer was toegelaten. 
Bij het onderhoud gaf de Hollander den vorst niets toe in oostersche 
rhetorica, vleierige beleefdheid en overdaad van geschenken. ^) 

Teruggekeerd van zijn bezoek, ging Huift op denzelfden dag 10 
April de werken inspecteeren voor het bolwerk St. Jan. Hij werd 
door een kogel in het hart getroffen en bleef op de plaats dood. 
Het bevel werd overgenomen door Adriaan van der Meyden. 

De toon van Raja Singha tegen den nieuwen bevelhebber was 
niet zoo vriendelijk als die tegen zijn voorganger geweest was. Van 
der Meijden verstond blijkbaar minder goed de kunst om met een 
oostersch vorst om te gaan. Hij voelde zich gekrenkt als Raja 
Singha hem beval op alles „goede ordre ende wacht te houden", 
wat de keizer alleen maar gedaan had ,, omdat zulks zijn Keyzerlijke 
Perzoon toekwam." ^) Toen eens Van der Meyden een brief ver- 
zonden had op een half vel papier, wilde de keizer dien niet lezen, 
als zijnde „hem gansch onsmakelyck." Ook na aangeboden excuses 
was hij nog vertoornd en voegde Van der Meyden toe, na op Hulfts 
correcte manieren gewezen te hebben: „is het u teveel zijn hoffelijk- 
heid na te volgen?" ^) 

Bij alle beleefdheid of verontwaardiging sprak Raja Singha altijd 
als souverein van zijn hulptroepen; hulptroepen, van welke hij niet zoo 
zeker was. Telkens herinnerde hij in zijn brieven aan de handhaving 
van het verdrag van 1638, en aan de belofte door de gouverneurs 
en Huift gegeven, dat Colombo aan hem zou worden overgeleverd. ■*) 



') Baldaeus, p. 104-107. 

^) Brief van Raja Singha, 15 en 28 April. (Baldaeus, p. 110 vlg.) 

^) Brief van Raja Singha, 6 Mei 1656: (Ferguson, Correspondence, p. 233,) „what 
trouble is it to you to imitate him?" welke vertaling de verontwaardiging beter 
weergeeft dan Baldaeus, p. 120. 

*) Raja Singha spreekt altijd over „mijn" Hollanders, „mijn" leger, „mijn" gouverneur, 
„mijn" directeur-generaal. Zie b.v. brieven van 12 Nov. 1655. 14 Febr. en 22 April 
1656. (Baldaeus, p. 75, 84, 113 vlg.). In den laatsten ook de volgende aanmaning 
„ende den directeur generael zaliger heeft mij zijn woord gegeven, dat hij de stadt 
in mijn handen zal leveren." — Vgl. ook het schrijven van Van Kittensteyn. Valentijn 
V, B. Z. V. C, p. 138. — Aan die verzekering van Huift en Kittensteyn behoeft 
niet getwijfeld te worden, want aan Huift was gelast de vestingwerken, om minder 
garnizoenen op Ceylon noodig te hebben, te slechten en de stad in brand te 
steken. (Gen. Miss. 24 Dec. 1655) Vlg. in Gen. Miss. 1 Febr. 1656: „ende willen 



54 

Met meer klem zou hij dien eisch kunnen stellen, indien zijn krijgers 
aan den laatsten storm op de stad zouden deelnemen en hijzelf er bij 
tegenwoordig zou zijn. Daarom drong hij er op aan, dat hem de 
plannen voor een nieuwen aanval eenige dagen voor de uitvoering 
zouden worden meegedeeld. ^) Aan dat verlangen werd voldaan. 
Den 3^^^° Mei kreeg hij bericht, dat een laatste storm op de stad 
zou worden ondernomen. Het plan keurde hij goed, maar, omdat 
hij wegens ziekte zelf zijn troepen niet zou kunnen aanvoeren, ver- 
zocht hij Van der Meyden, als 't eenigszins mogelijk was, de onder- 
neming tot zijn komst uit te stellen. ^) Daar de mededeeling van het 
voornemen slechts een beleefdheid tegenover den vorst geweest was, 
werd natuurlijk aan uitstel wegens zijn afwezigheid niet gedacht. 
Te meer, daar het er op aankwam vóór de intrede van den west- 
moesson tot een beslissing te komen. 

Na den eersten mislukten storm in November was er geen aanval 
meer gedaan. Colombo was alleen nauwer ingesloten met halve 
manen en batterijen; de bolwerken waren ijveriger bestookt met 
mijnen en loopgraven, welke pogingen door de belegerden, onder 
wie zich eenige jezuietenpaters onderscheidden, met dezelfde middelen 
werden tegengegaan. 

Ook op zee was de afsluiting strenger geworden. Ten noorden van 
Negombo was een wachtschip gelegd, dat iedere week door een 
ander werd vervangen. 

Kleinere schepen maakten jacht op visschers, die beproefden eet- 
waren binnen de stad te smokkelen. De opgebrachten werden als 
slaaf verkocht. 

In de stad steeg intusschen de nood op het hoogste. Troepen 
menschen ontvluchtten de benarde vesting en den honger. Maar de 
belegeraars waren onverbiddelijk. Met zweepslagen werden de vluchte- 
lingen naar de stad teruggedreven. Tot het uiterste hielden de Portugee- 
zen vol, etende wat er te krijgen was: wortelen uit den grond gewroet, 
vleesch van olifanten, ratten, katten en zelfs van menschen. Besmet- 



verhoopcn dat [Raja Singha] beter gevoelen van ons sal crijgcn, als hij hem sal 

connen inbeelden, dat de meer gemelte stadt hem sonder uytstcl overgegeven 

sal worden om gedemoliseert te worden, gelyck onsc meyninge is." 

') Brieven van Raja Singha, 18 en 22 April 1656. (Baldaeus, p. 103, 111, 
113 vlg.) 

-) Brief van Raja Singha, 6 Mei 1656. (Baldaeus, p. 120.) 



55 

telijke ziekten als berri-berri, bloedloop, pokken, deden met den honger 
en de kogels de bezetting slinken. De dooden bleven onbegraven 
op straat liggen. 

De stad hield vol in afwachting van hulp uit Goa. Zij kwam ten 
slotte ook; werd ten minste afgezonden, maar bereikte Colombo niet. 
Begin April ontmoette het schip Vlissingen, dat in Calecoulang op 
de kust van Malabar peper geladen had, bij Coulang 22 fregatten ^) 
naar men zeide, met 800 man en met vivres om Colombo te ontzetten 
en te voorzien. Van het schip werd dadelijk onder de fregatten 
„zoodanig damp gegeven", dat er vijf vernield werden en de overigen 
tusschen de eilanden een goed heenkomen zochten. Om ze daar te 
vernielen of opgesloten te houden, werden vier schepen van voor 
Colombo te hulp gezonden, en later nog vijf onder bevel van Adriaan 
Roothaas, den onderbevelhebber, zelf. 

Want er diende voor gewaakt, dat niet op 't laatste oogenblik 
nog Colombo zou worden voorzien. Een versterking op 't eind van 
April zou den ganschen arbeid ongedaan maken, want in den zomer 
was een blokkade wegens den west-moesson niet mogelijk. Wel ont- 
snapten de fregatten aan een vernieling en redden zij zich naar 
Jaffanapatnam, maar hun doel, Colombo, bereikten zij niet. Voordat, 
met hulp uit Jaffanapatnam, de afgezonden macht uit Goa een poging 
tot ontzet kon doen, moest de stad vermeesterd worden. 

Dus werd den 7^° Mei, een half jaar na den eersten storm in 
November, de tweede gewaagd. Het reeds langen tijd op 't heftigste 
beschoten bolwerk St. Jan, in het noordoosten werd genomen. Een 
driemaal herhaalde tegenaanval en de beschieting van andere bastions 
uit, konden de Nederlanders niet verdrijven. Den lO'^^" Mei zond de 
bevelhebber der stad een kapitein met een brief om onderhandelingen 
te openen. Den volgenden dag kon uit het veroverde bolwerk het 
geschut op de stad zelf gericht worden. De uitgeputte bezetting, van 



*) Jhr. Mr. ]. C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezcn I, p. 273 : 
„fregatten, minder in rang dan jachten, voerden in deze dagen (eerste helft 17^ eeuw) 
gewoonlijk niet meer dan 6 a 12 grootendeels lichte stukken." Roothaas in zijn rapport 
aan Gouverneur-Generaal en Raden van 4 Juni 1658 spreekt van „oorlogsfregatten" 
als van scheepjes met 1 a 2 stukjes geschut en 20 a 25 soldaten. Aan zoodanige 
scheepjes zal hier gedacht moeten worden. Dan zal het aantal portugeesche soldaten 
op de vloot ook wel minder dan 800 bedragen hebben. 



56 

500 tot 100 man geslonken, kon niet meer. Den 12'^^'^ Mei 1656 ging 
Colombo bij verdrag over. ^) 

Zes maanden en 27 dagen hadden de bevelhebbers Antonio de 
Sousa Coutinho en Francisco de Mello de Gastro het hun toever- 
trouwde pand voor hun koning verdedigd. 

De binnentrekkende overwinnaars zagen in de stad een tooneel van 
ellende : honderden onbegraven lijken in de straten. Dat heeft hen niet 
weerhouden om, in strijd met het verdrag, aan het plunderen te 
gaan. En dat niet zonder toelating der officieren. ^) Het Ceylonsche 
Leiden had beter verdiend. 

Raja Singha had aan de bestorming persoonlijk geen deel genomen. 
Hij was in zijn kamp te Reygamwatte gebleven. Slechts had hij 
tijdens den aanval eenige zijner grooten met volk afgezonden om 
zijn bondgenooten bij te staan. Zijn troepen hadden echter „meer 
gewoel dan hulp" veroorzaakt „want een Cingaleesch is een heerlijk 
zoldaat op een verwonnen man, en zoud' hem na zijn dood noch wel 
thien wonden geven, vlammende alleen op buyt en wetende met 
geschreeuw en getier de lucht te vervullen, ditmaal meer nadeel 
dan voordeel doende." ^) De keizer echter kon beweren, dat zijn 
krijgslieden aan de bestorming hadden deelgenomen. 

En toch, de komst van den kapitein uit de stad, den 10*^^" Mei 
was hem, den souverein in wiens dienst de Nederlanders streden, 
den volgenden dag niet door Van der Meyden, maar door zijn dessaves 
bericht geworden. Officieele kennisgeving van de onderhandelingen 
kreeg hij eerst later, nadat alles was afgeloopen. Het verdrag was 
gesloten in naam van Zijne keizerlijke Majesteit van Ceylon, de 
Staten-Generaal, de Bewindhebbers der Compagnie en Gouverneur- 



*) Het verdrag bij Baldaeus, Ceylon, p. 123 — 126. De laatste storm had gekost 
86 dooden en 290 gewonden. De geheele macht der Compagnie bestond nog uit 
1287 koppen en 80 zieken. 

-) „Na 't ovcrgaen isser groote disordre onder de onze gepleecht met plunderen 
ende rooven contrarie het gcmaeckte contract ende gedane beloften, dat wij meenen, 
niet sonder toelaten ende kennisse van de officieren en sij geschiet om haer giericheijt 
te voldoen, ende om het respect van de Comp'^ wel wenschten niet geschiet te sijn." 
(Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) 

De buit bestond uit: „128 stucken soo metael als ijser canon, daeronder gercckent 
die van de Maeght van Enckhuijsen; 25 metale clocken, partye swavel, salpeter, 
rondt scherp, areeck, canecl, cleeden, 7650 Vt, buscruyt, 8 lasten conincx rijs, 24 fregats, 
partye lijfeijgenen." (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) 

') Baldaeus, Ceylon, p. 121. 



57 

Generaal en Raden. Van dat mede in zijn naam gesloten verdrag 
werden dier keizerlijke Majesteit, nadat alles zonder hem was afge- 
handeld, twee copieën ter hand gesteld. Zijn rechtmatige toorn van 
souverein was weer opgewekt, evenals na het verdrag van Goa in 
1644. Het ontwerp- verdrag had toch eerst aan hem moeten ge- 
zonden worden, opdat hij er zijn meening over had kunnen zeggen. 
Nu waren de artikelen niet in overeenstemming met het verdrag van 
1638, noch brachten zij de belofte van Huift in vervulling, dat Colombo 
hem zou worden overgeleverd. ^) Toen de vorst gelezen had, dat de 
modeljars ^) en andere inlandsche hoofden als Compagnies volk zouden 
worden onthaald en begunstigd, ^) wilde hij het verdrag niet verder 
lezen. Hij had de Hollanders niet op zijn eiland gebracht, opdat zij 
zoo verraderlijk tegen hem zouden handelen. ^) 

Zoo gaat het verder in de gedurende den zomer gewisselde brieven. 
Klachten over al de onrechtvaardigheden der Hollanders voor de 
komst van Huift, door wien alle oneenigheden waren bijgelegd en 
die hem Negombo en Colombo had beloofd. Op Ceylon zouden 
maar zooveel Hollanders blijven, als noodig waren voor den dienst van 
Zijne Majesteit. Van al die beloften ging nu geen enkele in vervulling. ^) 

Van der Meijden mocht in verzoenenden toon schrijven, dat hij 
meermalen met Huift over de uitlevering van Colombo en Negombo 



^) Uit Gen. Miss. 31 Juli 1656: .... „na de veroveringh [van Colombo] is 
een groote verandering in hem bevonden, meer na openbare vyantschap als vrient- 
schap smaeckende, ontstaen soo het schijnt, omdat hem niet terstond inruijminghe van 
de stadt en is gedaen, gelijck het contract voor desen met hem aangegaen luijt ende 
wij oock gehouden souden sijn na te comen, ingevalle hij van sijn sijde niet in gebreke 
en ware gebleven de Comp^ te vergoeden ende te rembourseren de penningen soo 
getrouwelijck in sijn dienst verschooten". 

^) Inlandsche hoofden onder den dessavc staande. 

^) Baldaeus, Ceylon, p, 126. Vgl. art. X van het ontwerp verdrag. 

*) Brief van Raja Singha, 12 Mei 1656. (Ferguson, Correspondence, p. 237.) 

^) Brieven van Raja Singha, 21 en 29 Mei 1656. (Ferguson, Correspondence, 
p. 238 vlgg. en p. 250 vlg. en Baldaeus, Ceylon, p. 133.) Uit den brief van 21 Mei 
(Corr p. 238): „For the aforesaid reasons I gave my Hollanders every assistance in 
the way of succour and leave to take the city of Colombo; and since it was taken, 
of all things promised from day to day they have been ignored. At present, until the 
said Compagny and the Prince of Orange know these things, and take counsel as 
may appear good to them, you may do your will, and as shall seem best to 
you; for as regards those, who do not know God nor keep their word, when I 

warn and rebuke them, I for my part shall hold to God etc because the 

Director-General having come with all the forces of Holland, Your Honours now 
say, that he brought them from Batavia, which causes me much reflection, and 
when one speaks in this manner, how can we trust his words". 



58 

had gesproken, Raja Singha bleef vertoornd : „Wat ik zeker weet is, 
dat ik drie malen vrede met de Hollanders heb gemaakt *) en dat die 
vrede bezworen is — en verder weet ik niets. Wil U.E. dat die 
vrede voortduurt, vervul dan hetgeen in die vredesvoorwaarden is 
overeengekomen en tracht niet raadsels op te geven." ^) Wel werd 
den koning Negombo aangeboden en benoemde hij den dessave van 
de Zeven Corles ^) om de vesting over te nemen, ook werd Colombo 
hem in uitzicht gesteld, maar het een noch het ander kwam tot uit- 
voering. *) Geschenken voor den koning werden wel aangenomen ^), 
maar de tolk Joris Bloem vond zijn positie aan het hof met den 
dag gevaarlijker en achtte het veiliger te vluchten, ^) 

Reeds in Juni had Van der Meijden den keizer geschreven, dat 
tweedracht tusschen hem en de Nederlanders slechts den Portugeezen 
ten goede kon komen. De vorst had zich niet verwaardigd te ant- 
woorden, maar was tot strooperijen overgegaan. ') Zoodra het hem 
duidelijk was geworden, dat Colombo hem niet dadelijk zou worden 
overgeleverd, had hij de bergpassen overal doen afsluiten en zijn 
onderdanen bevolen aan de Nederlanders geen vee en andere levens- 
behoeften te bezorgen, en hun gehoorzaamheid te weigeren. ^) 

Zijn benden maakten de wegen onveiUg, trachtten de landen te 
verwoesten en de inwoners te verdrijven, opdat de Nederlanders 
van hun arbeid geen vruchten zouden plukken. Het bleek ook, dat 
de Nederlanders „van hun eigen honden gebeten werden", want 
verscheidene grooten in Mature stonden met den koning in verbinding. 
Van der Meyden was genoodzaakt maatregelen te nemen en zich 
„in postuer van defensie te stellen." Naar Caleture zond hij een be- 
zetting om de passen te bewaken en ook de toegangen uit het ge- 
bergte naar Mature werden bezet. Daar raakten zelfs de koninklijke 
benden met een voorpost van de Compagnie in gevecht. 



') De koning zal bedoelen met Coster (1640), Mactsuycker (1549) en Huift. 

-) Brief van Raja Singha. 29 Mei 1656. (Ferguson, Correspondence, p. 240.) 

") De Zeven Corles was een district om Negombo. 

*) Baldaeus, Ceylon, p. 137. Gen. Miss. 4 Dec. 1656. 

^) Brief van Raja Singha, 13 Juni 1656. (Ferguson, Correspondence p. 241. Bal- 
daeus, Ceylon, p. 138.) 

®) Baldaeus, Ceylon, p. 138 vlg. 

") Baldaeus, Ceylon, p. 137 vlg. 

^) Baldaeus, Ceylon, p. 137 met de Hollanders geen gesprek te houden, 

geen gerechtigheid van de dorpen te betalen of eenig dienstbaar volk tot den dienst 
der fortresse (Caleture) te verlcenen onder bedreiging met groote straffen." 



59 

In Bentotte werden 200 soldaten gelegd, om Pasduum en Walewitte 
Corle tegen eventueele invallen van 's konings benden te beschermen. 

In October beklaagde Van der Meijden zich bij Raja Singha over 
de vijandelijke daden, door zijn troepen gepleegd. Het antwoord, dat 
de gouverneur daarop ontving getuigde van 's konings vijandige stem- 
ming: „Indien de Gouverneur-Generaal te Batavia en de Compagnie 
personen zijn, die hun woord houden, dan hebben zij reden om 
bedroefd te zijn [over zijn daden] en als het zal voortgaan op deze 
manier zal er meer en meer droefheid volgen." ^) Op toenadering 
van 's konings zijde viel niet te rekenen. Daarom besloten de Gouver- 
neur en zijn Raad tot krasser maatregelen over te gaan, De koning 
had nog altijd zijn kamp te Reygamwatte. Be ginNovember 1656 rukte 
een macht van 700 soldaten en 250 matrozen, versterkt met Javanen, 
Bandaneezen, Mardijkers en Singaleezen tegen hem op. 

Tot een gevecht kwam het niet. Zoodra de voorhoede naderde, 
stak Raja Singha de woningen van zijn hof in brand en vluchtte 
naar de bergen. „Voorwaar een slechte couragie van dien hoog- 
moedigen vorst, die tot soodanigen verwaentheyt was gecomen, dat 
hij hem de Titul van Coninck ende Keijser te gering achtende, heere 
Godt wil genoemt wesen." ^) Wel was het te betreuren, dat de 
Compagnie niet eerder met kracht tegen den vorst was opgetreden. 
Nu waren de landen rondom Colombo ontvolkt. Na een jaar waren 
de verdwenenen nog niet, zooals de gouverneur gehoopt had, terug- 
gekeerd, want de bevolking was er niet zeker van, dat de Neder- 
landers de landen blijvend zouden kunnen bezetten. 

De keizer bleef in de bergen. Zoo nu en dan echter daalden 
eenige „loopers" af naar de lage landen om de bevolking te veront- 
rusten en te kwellen. ^) Mocht hij weer tot een aanval overgaan, dan 
zou de gouverneur hem dadelijk aantasten en alle afbreuk doen, vooral 



') Brief van Raja Singha, 23 Oct. 1656. (Ferguson, Correspondencc, p. 242 vlg.) 

2) Gen. Miss. 31 ]an 1657. In Gen. Miss. 24 Dec. 1652 hadden Gouverneur- 
Generaal en R. reeds geschreven: „Hij (Raja Singha) heeft sedert onze jongste (Gen. 
Miss.) noch al aengehouden om Onze Heere Godt van ons genoemt te worden (vgl. 
Ferguson, Correspondence, p. 112) gelyck sijn onderdanen hem intituleren, hem niet 
schamende hetselve in sijn eygen publicqe brieven aen de voorsz. gouverneur (Maet- 
suycker) geschreven te versoecken." Ook Knox, a. w., p. 53 spreekt hiervan : „Want 
hij maeckt sigh sclven de reeckeningh, dat gelijck hij tegenwoordigh haren (zijner 
onderdanen) koningh is, hij nae deezen eenen haerer Goden zijn sal. 't Volk pleeght 
hem oock voortijds wel Godt te noemen." 

3) Gen. Miss. 17 Dec 1657. 



60 

Tiada ulasan:

Catat Ulasan

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR