50 geattaqueerd. Slechts een der aanvalscolonnes kwam binnen de muren, en die bleef er — maar gevangen. De andere werden zoodanig met schroot en musketvuur ontvangen „dat vele het wederkeren vergaten." Niet alleen de Javanen en inlanders, maar ook de ofiBcieren lieten de ladders in den steek. Het voorbeeld van Huift zelf, die een ladder aanpakte, was niet in staat hen tot hun plicht te brengen. Intusschen kwam van den aanval uit zee niets terecht. De jachten Worcum en Maeght van Enckhuysen begonnen hun aanval te laat op den dag. Het vuur van het waterkasteel dreef Worcum terug. De Maeght zonder mast en met gebroken ankertouw, moest verlaten worden en dreef, met al haar victualie en ammunitie, een buit voor den vijand, op het strand. Het klein vaartuig, de bescherming der jachten dervend, moest de landing opgeven. Twee honderd man waren verloren aan dooden en gevangenen en 300 waren gekwetst. Onder deze laatsten was de generaal zelf, die een schot in de liesstreek had ontvangen. ^) Colombo was sterker dan verwacht was! Moest de onderneming worden voortgezet ? Huift belegde krijgsraad en gaf den leden eenige dagen tijd ter overdenking van die ernstige vraag. Het resultaat der overpeinzingen was: voortzetten. Opbreken van het beleg zou het „aensien ende respect van de Compagnie seer gekrenckt hebben." 't Was ook de vraag, of er zich bij uitstel een betere gelegenheid zou voordoen. Van Batavia moesten vóór April versterkingen gevraagd worden. Want als in Mei de blokkade-schepen van voor Colombo weg waren, zou de stad van Tutucorijn of Jaffanapatnam met klein vaartuig versterking kunnen krijgen. Zoo oordeelde ook de Hooge Regeering en zond 7 Maart 1656 twee jachten en een fluit met 273 soldaten. ^) Want het „sou schade sijn, dat hetselve werck, dat met soo grooten costen begonnen is ende reede soo gewenste beginselen gehad heeft door foute van vereijst secours ten halve soude blijven steecken." Waar was onder al die bedrijven de bondgenoot der Compagnie, de ^) Zwaar schenen de gekwetsten niet gewond, ten minste 250 a 300 „stonden met de hulpe godes in corten weder voor den dag te comen." Van de 74 gevangenen bleven 8 in leven, die voor den val van Colombo werden vrijgelaten, naar hun zeggen „geen slimmer tractement genoten hebbende dan de Portugese soldaten." ^) De jachten Roode Leeuw en Avenbom kwamen te Gale aan 26 April. De fluit Pellicaen dreef af naar Coromandel. 51 maharadja van Kandi, in wiens naam de Nederlanders eigenlijk streden en die zich in 't begin van 1655 in zijn bergen had teruggetrokken? Vóór de Nederlanders Colombo genaderd waren, had hij het niet noodig geoordeeld van zich te laten hooren. Toen evenwel Huift voor die stad verscheen, vond hij er een aanzienlijk singaleesch gezant- schap met een schrijven van den nederlandschen resident, Joris Hervendonck, meldend, dat de vorst hoopte binnen kort met zijn edelen in Colombo te wandelen. ^) Eenige dagen later kwam de dessave van Saffragam meedeelen, dat hij van den koning opdracht had, de Nederlanders met vele diensten bij te staan. Kort daarna verscheen de dessave van de vier Corles ^) met 700 mannen en bracht een brief van den koning ') waarin hij zijn vreugde uitsprak over de komst van het leger en er aan herinnerde, dat volgens brieven van Van Kittensteyn en Van der Meyden Colombo, als het genomen was, aan hem zou worden overgegeven. *) Over een betaling van zijn schuld aan de Compagnie, de voorwaarde voor het overleveren der vesting, sprak hij niet. Over het lot van de stad na haar val behoefde Huift zich voor- eerst niet te bekommeren. De met de gezanten meegekomen Singa- leezen echter gebruikte hij voor allerlei arbeid in de loopgraven en de andere werken rondom de stad. Ook in andere opzichten genoten de Nederlanders 's konings steun door de levering van slachtvee en andere levensmiddelen „zonder welke de troepen het niet zoo lang zouden hebben kunnen uithouden." ^) De vorst scheen het niet noodig te vinden ernstige pogingen te doen om daadwerkelijk aan de belegering deel te nemen. Tenminste, zijn reeds in October voorbereide afdaling naar de benedenlanden was in Januari nog maar gevorderd tot aan Balane (ten westen van Kandi) ^) en eerst 17 Maart 1656 schreef hij zijn eersten brief aan Huift '^) uit het kamp te Reijgamwatte, niet ver van Colombo. Verder ') Baldaeus, Ceylon, p. 66. ^) „Corle": een district, bestuurd door een dessave. Meerdere corles kunnen onder één dessave vereenigd zijn. 3) Baldaeus, Ceylon, p. 67, gedateerd 29 Oct. 1655. *) Vgl. Valentijn V, B. Z. v. C, p. 138, een schrijven van Van Kittensteyn. 6) Gen. Miss. 1 Febr. en 31 Juli 1656. «) Brief van Raja Singha. 20 Jan. 1656. (Baldaeus,. Ceylon. p. 83.) ') Brief van Raja Singha, 17 Maart 1656 (Baldaeus. Ceylon, p. 92). 52 dan die plaats is hij niet gekomen. Wel had hij plan zijn leger bij dat van de Compagnie te voegen en de werken om Colombo te komen inspecteeren, maar zijn „indispositie en qualyck varentheijt" verhinderden hem zijn voornemen uit te voeren. ^) Aangespoord werd hij natuurlijk ook niet, daar de Nederlanders de vesting liefst zonder de hulp van zijn krijgslieden zouden nemen. De verhouding tusschen den keizer en de Compagnie was overigens gedurende het beleg voortreflFelijk. Huift kreeg zelfs een door den vorst eigenhandig geschoten eland cadeau, en stuurde den koning eenige druiven. ^) Kleine, intieme geschenken, als bewijzen van groote vriend- schap, Hoe meer de val van Colombo naderde, hoe hartelijker de betuigingen werden van de vriendschap en hoogachting, die Raja Singha voor den veldheer koesterde. Huift was zijn „welbeminde en zeer geliefde directeur-generaal", niet iemand, dien men begiftigt met de sieraden des lichaams, maar die de eerbewijzen ontvangen moet verschuldigd aan „des Majesteits Directeur-Generaal", zijn aller ge- trouwste dienaar, dien hij „oyt zijn leven hadde beleeft." De keizer beval zijn veldheer zich niet aan gevaren bloot te stellen, „want bij verlies van zijn Perzoon, zou de Paarl van Zijn Majesteits oogen verloren werden." ^) In Januari al had de vorst te kennen gegeven, dat hij Huift aan zijn hof wilde zien, welke uitnoodiging 'deze in Februari had aange- nomen, tot groote vreugde van den keizer: „Met de komste van U.E. Perzoon, wanneer voor mij verschijnen, zal mij inbeelden, dat geheel HoUandt voor mij staat." "^j Den eersten April, toen de maharadja te Reygamwatte was, stuurde hij een paar van de hoogste dessaves met groot gevolg om den directeur-generaal naar het hof te geleiden. „Godt geleijde U.E. ende brenge U.E. voor mijn Keyzerlijke oogen met Zijnen Goddelijken zegen, na welcke gewenschte uure ende dagh en goede komst, mijn Keyzerlijke oogen van vreughde ende blyd- schap huppelen en springen, en 't gene U.E. dan voor mij zult spreken zal lieflijk musijck en snarenspel in mijn ooren zijn." ^) ^) Brieven van Raja Singha, 18, 22 April 1656. (Baldaeus, Ceylon, p. 103, 111, 113 vlg.) 2) Baldaeus, Ceylon, p. 90. ^) Schriftelijk verslag van den gezant Ysbrand Godsken ± 23 Maart 1656: Baldaeus, p. 94-96. *) Brief van 20 Jan. 1656. (Baldaeus, p. 83. Fcrguson, Correspondence p. 225.) ^) Brief van Raja Singha van 1 April 1656. (Baldaeus, p. 100 vlg.) 53 Een weck later had de lang verbeide ontmoeting plaats, nadat de „zeer beminde directeur-generaal", drie dagen op een audiëntie had moeten wachten en eerst na bedreiging met terugkeer was toegelaten. Bij het onderhoud gaf de Hollander den vorst niets toe in oostersche rhetorica, vleierige beleefdheid en overdaad van geschenken. ^) Teruggekeerd van zijn bezoek, ging Huift op denzelfden dag 10 April de werken inspecteeren voor het bolwerk St. Jan. Hij werd door een kogel in het hart getroffen en bleef op de plaats dood. Het bevel werd overgenomen door Adriaan van der Meyden. De toon van Raja Singha tegen den nieuwen bevelhebber was niet zoo vriendelijk als die tegen zijn voorganger geweest was. Van der Meijden verstond blijkbaar minder goed de kunst om met een oostersch vorst om te gaan. Hij voelde zich gekrenkt als Raja Singha hem beval op alles „goede ordre ende wacht te houden", wat de keizer alleen maar gedaan had ,, omdat zulks zijn Keyzerlijke Perzoon toekwam." ^) Toen eens Van der Meyden een brief ver- zonden had op een half vel papier, wilde de keizer dien niet lezen, als zijnde „hem gansch onsmakelyck." Ook na aangeboden excuses was hij nog vertoornd en voegde Van der Meyden toe, na op Hulfts correcte manieren gewezen te hebben: „is het u teveel zijn hoffelijk- heid na te volgen?" ^) Bij alle beleefdheid of verontwaardiging sprak Raja Singha altijd als souverein van zijn hulptroepen; hulptroepen, van welke hij niet zoo zeker was. Telkens herinnerde hij in zijn brieven aan de handhaving van het verdrag van 1638, en aan de belofte door de gouverneurs en Huift gegeven, dat Colombo aan hem zou worden overgeleverd. ■*) ') Baldaeus, p. 104-107. ^) Brief van Raja Singha, 15 en 28 April. (Baldaeus, p. 110 vlg.) ^) Brief van Raja Singha, 6 Mei 1656: (Ferguson, Correspondence, p. 233,) „what trouble is it to you to imitate him?" welke vertaling de verontwaardiging beter weergeeft dan Baldaeus, p. 120. *) Raja Singha spreekt altijd over „mijn" Hollanders, „mijn" leger, „mijn" gouverneur, „mijn" directeur-generaal. Zie b.v. brieven van 12 Nov. 1655. 14 Febr. en 22 April 1656. (Baldaeus, p. 75, 84, 113 vlg.). In den laatsten ook de volgende aanmaning „ende den directeur generael zaliger heeft mij zijn woord gegeven, dat hij de stadt in mijn handen zal leveren." — Vgl. ook het schrijven van Van Kittensteyn. Valentijn V, B. Z. V. C, p. 138. — Aan die verzekering van Huift en Kittensteyn behoeft niet getwijfeld te worden, want aan Huift was gelast de vestingwerken, om minder garnizoenen op Ceylon noodig te hebben, te slechten en de stad in brand te steken. (Gen. Miss. 24 Dec. 1655) Vlg. in Gen. Miss. 1 Febr. 1656: „ende willen 54 Met meer klem zou hij dien eisch kunnen stellen, indien zijn krijgers aan den laatsten storm op de stad zouden deelnemen en hijzelf er bij tegenwoordig zou zijn. Daarom drong hij er op aan, dat hem de plannen voor een nieuwen aanval eenige dagen voor de uitvoering zouden worden meegedeeld. ^) Aan dat verlangen werd voldaan. Den 3^^^° Mei kreeg hij bericht, dat een laatste storm op de stad zou worden ondernomen. Het plan keurde hij goed, maar, omdat hij wegens ziekte zelf zijn troepen niet zou kunnen aanvoeren, ver- zocht hij Van der Meyden, als 't eenigszins mogelijk was, de onder- neming tot zijn komst uit te stellen. ^) Daar de mededeeling van het voornemen slechts een beleefdheid tegenover den vorst geweest was, werd natuurlijk aan uitstel wegens zijn afwezigheid niet gedacht. Te meer, daar het er op aankwam vóór de intrede van den west- moesson tot een beslissing te komen. Na den eersten mislukten storm in November was er geen aanval meer gedaan. Colombo was alleen nauwer ingesloten met halve manen en batterijen; de bolwerken waren ijveriger bestookt met mijnen en loopgraven, welke pogingen door de belegerden, onder wie zich eenige jezuietenpaters onderscheidden, met dezelfde middelen werden tegengegaan. Ook op zee was de afsluiting strenger geworden. Ten noorden van Negombo was een wachtschip gelegd, dat iedere week door een ander werd vervangen. Kleinere schepen maakten jacht op visschers, die beproefden eet- waren binnen de stad te smokkelen. De opgebrachten werden als slaaf verkocht. In de stad steeg intusschen de nood op het hoogste. Troepen menschen ontvluchtten de benarde vesting en den honger. Maar de belegeraars waren onverbiddelijk. Met zweepslagen werden de vluchte- lingen naar de stad teruggedreven. Tot het uiterste hielden de Portugee- zen vol, etende wat er te krijgen was: wortelen uit den grond gewroet, vleesch van olifanten, ratten, katten en zelfs van menschen. Besmet- verhoopcn dat [Raja Singha] beter gevoelen van ons sal crijgcn, als hij hem sal connen inbeelden, dat de meer gemelte stadt hem sonder uytstcl overgegeven sal worden om gedemoliseert te worden, gelyck onsc meyninge is." ') Brieven van Raja Singha, 18 en 22 April 1656. (Baldaeus, p. 103, 111, 113 vlg.) -) Brief van Raja Singha, 6 Mei 1656. (Baldaeus, p. 120.) 55 telijke ziekten als berri-berri, bloedloop, pokken, deden met den honger en de kogels de bezetting slinken. De dooden bleven onbegraven op straat liggen. De stad hield vol in afwachting van hulp uit Goa. Zij kwam ten slotte ook; werd ten minste afgezonden, maar bereikte Colombo niet. Begin April ontmoette het schip Vlissingen, dat in Calecoulang op de kust van Malabar peper geladen had, bij Coulang 22 fregatten ^) naar men zeide, met 800 man en met vivres om Colombo te ontzetten en te voorzien. Van het schip werd dadelijk onder de fregatten „zoodanig damp gegeven", dat er vijf vernield werden en de overigen tusschen de eilanden een goed heenkomen zochten. Om ze daar te vernielen of opgesloten te houden, werden vier schepen van voor Colombo te hulp gezonden, en later nog vijf onder bevel van Adriaan Roothaas, den onderbevelhebber, zelf. Want er diende voor gewaakt, dat niet op 't laatste oogenblik nog Colombo zou worden voorzien. Een versterking op 't eind van April zou den ganschen arbeid ongedaan maken, want in den zomer was een blokkade wegens den west-moesson niet mogelijk. Wel ont- snapten de fregatten aan een vernieling en redden zij zich naar Jaffanapatnam, maar hun doel, Colombo, bereikten zij niet. Voordat, met hulp uit Jaffanapatnam, de afgezonden macht uit Goa een poging tot ontzet kon doen, moest de stad vermeesterd worden. Dus werd den 7^° Mei, een half jaar na den eersten storm in November, de tweede gewaagd. Het reeds langen tijd op 't heftigste beschoten bolwerk St. Jan, in het noordoosten werd genomen. Een driemaal herhaalde tegenaanval en de beschieting van andere bastions uit, konden de Nederlanders niet verdrijven. Den lO'^^" Mei zond de bevelhebber der stad een kapitein met een brief om onderhandelingen te openen. Den volgenden dag kon uit het veroverde bolwerk het geschut op de stad zelf gericht worden. De uitgeputte bezetting, van *) Jhr. Mr. ]. C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezcn I, p. 273 : „fregatten, minder in rang dan jachten, voerden in deze dagen (eerste helft 17^ eeuw) gewoonlijk niet meer dan 6 a 12 grootendeels lichte stukken." Roothaas in zijn rapport aan Gouverneur-Generaal en Raden van 4 Juni 1658 spreekt van „oorlogsfregatten" als van scheepjes met 1 a 2 stukjes geschut en 20 a 25 soldaten. Aan zoodanige scheepjes zal hier gedacht moeten worden. Dan zal het aantal portugeesche soldaten op de vloot ook wel minder dan 800 bedragen hebben. 56 500 tot 100 man geslonken, kon niet meer. Den 12'^^'^ Mei 1656 ging Colombo bij verdrag over. ^) Zes maanden en 27 dagen hadden de bevelhebbers Antonio de Sousa Coutinho en Francisco de Mello de Gastro het hun toever- trouwde pand voor hun koning verdedigd. De binnentrekkende overwinnaars zagen in de stad een tooneel van ellende : honderden onbegraven lijken in de straten. Dat heeft hen niet weerhouden om, in strijd met het verdrag, aan het plunderen te gaan. En dat niet zonder toelating der officieren. ^) Het Ceylonsche Leiden had beter verdiend. Raja Singha had aan de bestorming persoonlijk geen deel genomen. Hij was in zijn kamp te Reygamwatte gebleven. Slechts had hij tijdens den aanval eenige zijner grooten met volk afgezonden om zijn bondgenooten bij te staan. Zijn troepen hadden echter „meer gewoel dan hulp" veroorzaakt „want een Cingaleesch is een heerlijk zoldaat op een verwonnen man, en zoud' hem na zijn dood noch wel thien wonden geven, vlammende alleen op buyt en wetende met geschreeuw en getier de lucht te vervullen, ditmaal meer nadeel dan voordeel doende." ^) De keizer echter kon beweren, dat zijn krijgslieden aan de bestorming hadden deelgenomen. En toch, de komst van den kapitein uit de stad, den 10*^^" Mei was hem, den souverein in wiens dienst de Nederlanders streden, den volgenden dag niet door Van der Meyden, maar door zijn dessaves bericht geworden. Officieele kennisgeving van de onderhandelingen kreeg hij eerst later, nadat alles was afgeloopen. Het verdrag was gesloten in naam van Zijne keizerlijke Majesteit van Ceylon, de Staten-Generaal, de Bewindhebbers der Compagnie en Gouverneur- *) Het verdrag bij Baldaeus, Ceylon, p. 123 — 126. De laatste storm had gekost 86 dooden en 290 gewonden. De geheele macht der Compagnie bestond nog uit 1287 koppen en 80 zieken. -) „Na 't ovcrgaen isser groote disordre onder de onze gepleecht met plunderen ende rooven contrarie het gcmaeckte contract ende gedane beloften, dat wij meenen, niet sonder toelaten ende kennisse van de officieren en sij geschiet om haer giericheijt te voldoen, ende om het respect van de Comp'^ wel wenschten niet geschiet te sijn." (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) De buit bestond uit: „128 stucken soo metael als ijser canon, daeronder gercckent die van de Maeght van Enckhuijsen; 25 metale clocken, partye swavel, salpeter, rondt scherp, areeck, canecl, cleeden, 7650 Vt, buscruyt, 8 lasten conincx rijs, 24 fregats, partye lijfeijgenen." (Gen. Miss. 4 Dec. 1656.) ') Baldaeus, Ceylon, p. 121. 57 Generaal en Raden. Van dat mede in zijn naam gesloten verdrag werden dier keizerlijke Majesteit, nadat alles zonder hem was afge- handeld, twee copieën ter hand gesteld. Zijn rechtmatige toorn van souverein was weer opgewekt, evenals na het verdrag van Goa in 1644. Het ontwerp- verdrag had toch eerst aan hem moeten ge- zonden worden, opdat hij er zijn meening over had kunnen zeggen. Nu waren de artikelen niet in overeenstemming met het verdrag van 1638, noch brachten zij de belofte van Huift in vervulling, dat Colombo hem zou worden overgeleverd. ^) Toen de vorst gelezen had, dat de modeljars ^) en andere inlandsche hoofden als Compagnies volk zouden worden onthaald en begunstigd, ^) wilde hij het verdrag niet verder lezen. Hij had de Hollanders niet op zijn eiland gebracht, opdat zij zoo verraderlijk tegen hem zouden handelen. ^) Zoo gaat het verder in de gedurende den zomer gewisselde brieven. Klachten over al de onrechtvaardigheden der Hollanders voor de komst van Huift, door wien alle oneenigheden waren bijgelegd en die hem Negombo en Colombo had beloofd. Op Ceylon zouden maar zooveel Hollanders blijven, als noodig waren voor den dienst van Zijne Majesteit. Van al die beloften ging nu geen enkele in vervulling. ^) Van der Meijden mocht in verzoenenden toon schrijven, dat hij meermalen met Huift over de uitlevering van Colombo en Negombo ^) Uit Gen. Miss. 31 Juli 1656: .... „na de veroveringh [van Colombo] is een groote verandering in hem bevonden, meer na openbare vyantschap als vrient- schap smaeckende, ontstaen soo het schijnt, omdat hem niet terstond inruijminghe van de stadt en is gedaen, gelijck het contract voor desen met hem aangegaen luijt ende wij oock gehouden souden sijn na te comen, ingevalle hij van sijn sijde niet in gebreke en ware gebleven de Comp^ te vergoeden ende te rembourseren de penningen soo getrouwelijck in sijn dienst verschooten". ^) Inlandsche hoofden onder den dessavc staande. ^) Baldaeus, Ceylon, p, 126. Vgl. art. X van het ontwerp verdrag. *) Brief van Raja Singha, 12 Mei 1656. (Ferguson, Correspondence, p. 237.) ^) Brieven van Raja Singha, 21 en 29 Mei 1656. (Ferguson, Correspondence, p. 238 vlgg. en p. 250 vlg. en Baldaeus, Ceylon, p. 133.) Uit den brief van 21 Mei (Corr p. 238): „For the aforesaid reasons I gave my Hollanders every assistance in the way of succour and leave to take the city of Colombo; and since it was taken, of all things promised from day to day they have been ignored. At present, until the said Compagny and the Prince of Orange know these things, and take counsel as may appear good to them, you may do your will, and as shall seem best to you; for as regards those, who do not know God nor keep their word, when I warn and rebuke them, I for my part shall hold to God etc because the Director-General having come with all the forces of Holland, Your Honours now say, that he brought them from Batavia, which causes me much reflection, and when one speaks in this manner, how can we trust his words". 58 had gesproken, Raja Singha bleef vertoornd : „Wat ik zeker weet is, dat ik drie malen vrede met de Hollanders heb gemaakt *) en dat die vrede bezworen is — en verder weet ik niets. Wil U.E. dat die vrede voortduurt, vervul dan hetgeen in die vredesvoorwaarden is overeengekomen en tracht niet raadsels op te geven." ^) Wel werd den koning Negombo aangeboden en benoemde hij den dessave van de Zeven Corles ^) om de vesting over te nemen, ook werd Colombo hem in uitzicht gesteld, maar het een noch het ander kwam tot uit- voering. *) Geschenken voor den koning werden wel aangenomen ^), maar de tolk Joris Bloem vond zijn positie aan het hof met den dag gevaarlijker en achtte het veiliger te vluchten, ^) Reeds in Juni had Van der Meijden den keizer geschreven, dat tweedracht tusschen hem en de Nederlanders slechts den Portugeezen ten goede kon komen. De vorst had zich niet verwaardigd te ant- woorden, maar was tot strooperijen overgegaan. ') Zoodra het hem duidelijk was geworden, dat Colombo hem niet dadelijk zou worden overgeleverd, had hij de bergpassen overal doen afsluiten en zijn onderdanen bevolen aan de Nederlanders geen vee en andere levens- behoeften te bezorgen, en hun gehoorzaamheid te weigeren. ^) Zijn benden maakten de wegen onveiUg, trachtten de landen te verwoesten en de inwoners te verdrijven, opdat de Nederlanders van hun arbeid geen vruchten zouden plukken. Het bleek ook, dat de Nederlanders „van hun eigen honden gebeten werden", want verscheidene grooten in Mature stonden met den koning in verbinding. Van der Meyden was genoodzaakt maatregelen te nemen en zich „in postuer van defensie te stellen." Naar Caleture zond hij een be- zetting om de passen te bewaken en ook de toegangen uit het ge- bergte naar Mature werden bezet. Daar raakten zelfs de koninklijke benden met een voorpost van de Compagnie in gevecht. ') De koning zal bedoelen met Coster (1640), Mactsuycker (1549) en Huift. -) Brief van Raja Singha. 29 Mei 1656. (Ferguson, Correspondence, p. 240.) ") De Zeven Corles was een district om Negombo. *) Baldaeus, Ceylon, p. 137. Gen. Miss. 4 Dec. 1656. ^) Brief van Raja Singha, 13 Juni 1656. (Ferguson, Correspondence p. 241. Bal- daeus, Ceylon, p. 138.) ®) Baldaeus, Ceylon, p. 138 vlg. ") Baldaeus, Ceylon, p. 137 vlg. ^) Baldaeus, Ceylon, p. 137 met de Hollanders geen gesprek te houden, geen gerechtigheid van de dorpen te betalen of eenig dienstbaar volk tot den dienst der fortresse (Caleture) te verlcenen onder bedreiging met groote straffen." 59 In Bentotte werden 200 soldaten gelegd, om Pasduum en Walewitte Corle tegen eventueele invallen van 's konings benden te beschermen. In October beklaagde Van der Meijden zich bij Raja Singha over de vijandelijke daden, door zijn troepen gepleegd. Het antwoord, dat de gouverneur daarop ontving getuigde van 's konings vijandige stem- ming: „Indien de Gouverneur-Generaal te Batavia en de Compagnie personen zijn, die hun woord houden, dan hebben zij reden om bedroefd te zijn [over zijn daden] en als het zal voortgaan op deze manier zal er meer en meer droefheid volgen." ^) Op toenadering van 's konings zijde viel niet te rekenen. Daarom besloten de Gouver- neur en zijn Raad tot krasser maatregelen over te gaan, De koning had nog altijd zijn kamp te Reygamwatte. Be ginNovember 1656 rukte een macht van 700 soldaten en 250 matrozen, versterkt met Javanen, Bandaneezen, Mardijkers en Singaleezen tegen hem op. Tot een gevecht kwam het niet. Zoodra de voorhoede naderde, stak Raja Singha de woningen van zijn hof in brand en vluchtte naar de bergen. „Voorwaar een slechte couragie van dien hoog- moedigen vorst, die tot soodanigen verwaentheyt was gecomen, dat hij hem de Titul van Coninck ende Keijser te gering achtende, heere Godt wil genoemt wesen." ^) Wel was het te betreuren, dat de Compagnie niet eerder met kracht tegen den vorst was opgetreden. Nu waren de landen rondom Colombo ontvolkt. Na een jaar waren de verdwenenen nog niet, zooals de gouverneur gehoopt had, terug- gekeerd, want de bevolking was er niet zeker van, dat de Neder- landers de landen blijvend zouden kunnen bezetten. De keizer bleef in de bergen. Zoo nu en dan echter daalden eenige „loopers" af naar de lage landen om de bevolking te veront- rusten en te kwellen. ^) Mocht hij weer tot een aanval overgaan, dan zou de gouverneur hem dadelijk aantasten en alle afbreuk doen, vooral ') Brief van Raja Singha, 23 Oct. 1656. (Ferguson, Correspondencc, p. 242 vlg.) 2) Gen. Miss. 31 ]an 1657. In Gen. Miss. 24 Dec. 1652 hadden Gouverneur- Generaal en R. reeds geschreven: „Hij (Raja Singha) heeft sedert onze jongste (Gen. Miss.) noch al aengehouden om Onze Heere Godt van ons genoemt te worden (vgl. Ferguson, Correspondence, p. 112) gelyck sijn onderdanen hem intituleren, hem niet schamende hetselve in sijn eygen publicqe brieven aen de voorsz. gouverneur (Maet- suycker) geschreven te versoecken." Ook Knox, a. w., p. 53 spreekt hiervan : „Want hij maeckt sigh sclven de reeckeningh, dat gelijck hij tegenwoordigh haren (zijner onderdanen) koningh is, hij nae deezen eenen haerer Goden zijn sal. 't Volk pleeght hem oock voortijds wel Godt te noemen." 3) Gen. Miss. 17 Dec 1657. 60
ORANG-ORANG YANG MENYOKONG
Selasa, 7 April 2020
50
Langgan:
Catat Ulasan (Atom)
220
220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...
CATATAN POPULAR
-
Kenapa isu anjing menjadi sensitif. Sudah lama aku perhatikan bagaimana orang melayu berhadapan dengan isu anjing. Dalam hal ini aku akan m...
-
Oh sudah lama rasnya saya tidak menjengok blog ini. Ketika itu lihat orang ada akaun blogspot.my rasa nak ada akaun blogspot jugalah. Ketik...
-
20 De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten het...
-
40 Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den maharadja „...
-
30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt en...
Tiada ulasan:
Catat Ulasan