220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens uijttrecken en bij ons getracteert werden na gewoonte sonder dat hun eenigh gout, silver. juweelen, slaven, slavinnen ofte andere goederen, hoedanich deselve oock mochten sijn, werden toegestaen, dan alleen degene die hun na discretie bij den HoUantsen veltoverste, en sijnen raet, sal werden toegevoeght, dat men dan hunne persoonen sal transporteeren na Goa ofte eenige plaetsen daer benoorden. 5. Alle verdere offieciren ende soldaeten sullen uijttrecken met haer voile geweer, vliegende vendels, slaende trom, cogels in de mont. brandende lont, tot de plaetse daer haer sal aengewesen om gedisarm' te werden, blijvende voorders onse gevangenen van oorloge om met onse scheepen na Europa getransporteert te werden, sonder dat deselve eenige andere bagage als haer klederen werden toegestaen, genietende tractement na onse gewoonte. 6. De constabels en boss'^^ werden begrepen onder t' vierde articul, naturelle Portugeesen sijnde, ende geen andere, soo wert mede verstaen van de coninx cooplieden, fiscael, etc. die na onse gewoonte sullen werden getracteert. Alle getrouwden sullen met hun vrouwen en kinderen vervoert werden na Goa ofte daer benoorden, sonder dat hun eenigh gout, silver, juweelen of slaven, ofte andere goederen werden toegestaen als 't gene na discretie bij den HoUantse veltoverste sal toegevoeght werden. 8. De ziecken sullen wij na onse gewoonte goet tractement aendoen en met alle mogelijcke middelen door Godes hulpe tot haer gesonth' trachten te brengen. 9. Alle toepassen sullen staen ter discretie van de Hollandtse veltoverste. 221 10. Ende beloovcn de contractanten ter wederzijden van haer heeren princi- palen ratificatie van desen ter behoorlijcker tijt. Aldus gedaen en geaccordeert int Nederlants Leger binnen de stad Jaffe- napatnam voor desselfs Gasteel desen 22 Junij A° 1658, was aen d'eene zijde Leonardo d'Olivera d'Almeda, Diogo de Sousa de Castre, Albro Rodrigos Boralha; aen d'ander zijde getekent Jan van der Laen, Albert van Breugel, Lucas van der Dusse. In kennisse van mij Cornelis Valckenburgh, secretaris. Vervolghde : gesien de voorstaende accoorden ende articulen van verdrach hebben 't gebesoingeerde bij onse gecommitteerdens daerinne gedaen en verhandelt in allen deelen geapprobeert ende geratiflceert sulckx wij die approbeeren ende ratificeeren bij desen. Gedaen in 't Nederlandse leger binnen de stad JafiFe- napatnam, in belegh voor desselfs casteel, den 22 Junij 1658, getek' Rijckloff van Goens. Gostamos pellos Concertos do S' Gerael e' seu Conselho, esprando de sua grandeza, muij auenteijados honras é mercées alemdis que Nos tem prometido, Forlaleza Nosso Sigi^^ dos Milagres em 23 de Junho de 1658, affinado Joan de Mello. Gecollationeert, accordert met sijn principale, den 24 Julij 1658, JafiFenapatnam. CORNELIS VALCKENBURG, Secr. A m :»ilpi^pMipsf ^si?i^ mm !^!^^1&^^ Aalbers, J Rijcklof van Goens PLEASE DO NOT REMOVE CARDS OR SLIPS FROM THIS POCKET UNIVERSITY OF TORONTO LIBRARY
ORANG-ORANG YANG MENYOKONG
Selasa, 7 April 2020
220
212
212 's Comp's residentie in Persia niet dan groote ongenuchte te verwachten ware geweest". Daar dus de geheele macht tegen den vijand gericht moest worden, werd de fiscaal Johannes Grevenraedt afgezonden om met de jachten Saphier en Avenhorn naar de drie kruisende schepen voor Diu te zeilen en vandaar met de geheele macht naar Sindi te varen. Zoo heeft Grevenraedt gedaan, en is daarop met de chaloup de Maagd van Dordt weder naar Suratte terug- gekeerd. Tusschen de rivier van Suratte en Sualys kom zijn hem tegen- gekomen 16 Port. fregatten, die tot convooi van een caffila naar Cambaya uitgezonden waren. Deze fregatten overvielen op de reede van den grooten Mogol de chaloup, die gewapend was met 4 ijzeren stukken, schietende „6 ende 3 U cloots," en bemand met 11 „cloecke" soldaten en 4 matrozen, één timmerman gen. Steven Claesz en Grevenraedt met zijn jongen, te zamen 18 man. Na een gevecht van groot 2 uur, in het gezicht van de onzen, die op Sualys strand in 's Comp's tent lagen, werd de chaloup veroverd met een verlies van 1 matroos, 2 soldaten en den timmerman. De overigen op drie na waren allen gekwetst. Onder hen Grevenraedt, die, nadat al kwartier gegeven was, nog met een zijdgeweer was getroffen. Voor zij zich overgaven, hadden de onzen zeer dapper gevochten, wat hun grooten roem onder de Mooren heeft verschaft. Volgens gerucht toch hadden de Portugezen wel 30 dooden op 5 vaartuigen, terwijl zij wel 700 man sterk waren geweest. De chaloup met de gevangenen hebben de Portugeezen eerst naar Daman en daarna naar Goa gebracht zonder „eenich het minste respect te dragen, dat zij dezelve tegens 't recht der volcken op een neutrale Conincx reede hebben overweldicht en schoon genomen." Protesten en „instantiën" tot vrijlating van de gevangenen door Van Goens en den directeur Pelgrom hebben geen resultaat gehad „zulcx wij genootsaeckt zullen wesen dit gewelt gelijck ons de natuyrlycke reden leert in wederwraecke met force te resisteeren, waertoe aireede na Suratte ordre gegeven, ende den directeur aldaer aengeschreven is, dat hij vermogen sal alle Port. vaartuigen in wat zeehavens onder het gebied van den grooten Mogol het oock soude mogen wesen, vijandtlyck aen te tasten ende na de veroveringe voor goede prinsen te verclaren." S^ Grevenraedt is op 23 April, niet zonder groote „suspitie" van vergeven te zijn, binnen Goa in de gevangenis overleden. Op verzoek van de residenten in Wingurla, had de viceroy don Bras de Gastro toegestaan hem daar te begraven. Zoo is hij gelukkig uit die „atroce natie haer handen geraeckt, gemerckt anders naer alle apparentie nevens de vordere gevangenen, zijn leven lanck in ellendicheijt soude hebben moeten doorbrengen." De schepen Muyden, Sluys, Cabcljau, Saphier en Avenhorn hadden voor de „bhare van Chindi" geen engelsche schepen bemerkt, en zich daarop gehaast om 't geen in Sindi voor Perzië gereed lag te laden en dan verder de engelsche vijanden in de Perzische golf op te zoeken. Voor zij nog tot hun vertrek gereed waren, kwamen op 2 Febr. de vier engelsche 213 schepen Blijde Boodschap, Duif, Valck en Endever uit zee met volle zeilen op hen aanvaren ,, stellende alle vier hunnen coers recht op Muyden, die de vlagge voerde aen, met meyninge den admirael ter eerster instantie alsoo in de gront te arbeijden, daeruyt zij tegens haer vermoeden zoodanigen tegenstant vernamen, dat hun den moet vergingh, wierdende voorts van den saphier, Avenhorn cnde Sluys door 't gewelt van 't geschut zodanich benardt, dat het de Blijde Boodschap ende Duyf op 't loopen stelden, latende alsoo haer mackers d'Endever ende Valck in de clem welcke twee schepen hun aldus verlaten, ende als schapen onder de wolven vindende, zondt d'Endever om quartier, gelijck oock den vijandt uijt de Valck door vreese van brandt 't meerendeel de vlucht nam. Die van Sluys siende, dat d'Endever de witte vaen uytstack", verlieten de Duyf, „die sij al tot binnen canon schoot gevolcht hadden, seer onvoorsichtelyck en wierpen hun op den moedeloosen Endever, enterden over ende namen het schip in pocessie. Die van den Saphier pretendeerden het recht van naestinge, omdat den vyandt haer ende niet die van Sluys om quartier geroepen hadde, smeten het mede dicht op d'ander zijde van den overwonnen vyandt ende sonden haer boot oock aen boort; 't volck van Sluys trokken haer bloot geweer op die van de Saphier hun het overcomen willende beletten en liep voorts alle het volck soodanich uijt Sluijs, dat men seyt daar niet boven de dry mannen in bleven, soodat het wonder is, d'Engelse, die al omtrent de 40 coppen stercq daarin waren, met Sluys niet door gingen, verquistende alsoo met malcander den geheelen dach int plunderen en suijpen van persiaense wijn, tot den avondt toe, sonder eens na d'andere schepen om te sien, totdat d'Endever eyndelyck onder haer wech sonck, daermede 10 van onze cloeckste bootsgezellen en de 12 Engelsche te gronde gingen. Avenhorn noch Muyden en conden vermits vrij wat reddeloos geschoten waren d'Engelse Duyf noch de Boodschap, soo haest niet volgen, dies den vyandt tyt ende gelegentheyt hadde om het gevluchte volck van de Valck te bergen ende gingen soo met volle zeylen doorstrycken. De Cabelau, die gelast was (om dies wille het persiaens Cargasoen in hadde) hem wat buijten dit gevecht te houden liep groot pericul van den vijandt genomen te worden, en schoon Muyden, Avenhorn, ende Cabelau hun best genouch deden om d'Engelse te vervolgen, soo synse door sonderlinge beseijltheijt ende het faveur van den duij stèren nacht ontcomen ende hebben, sich binnen de Suratse rivier gesalveert. Middelerwyle was de Valck met omtrent 20 Engelse blijven leggen drijven, sonder dat iemant van de overwinners, selver tot groote verwonderinge van den vijandt, daerna tadelde; doch d'Endever gesonken synde hebben die van Sluijs ende de Saphir hem daeraf meester gemaakt sulcx door deze groote disordre d'Ed. Comp. niet meer als een legen romp daer alles uytgeplundert was te buyt en is gevallen, sijnde de Boodschap ende Duyf met eenen schoonen rijckdom namentlyck 400 duijsent gl. in comptant 214 ende 40 baaien persiaense sijde doorgegaan wesende, niet te twijfFelen ingevalle d'onse met voorsichticheyt ende goede ordre hadden te werck gegaan, of souden den vijandt dien goeden buyt mede wel hebben ontzet. Blijckende uijt alle het gepasseerde, dat het in dese vlote aen een goet hooft over deselve ontbroken en ider maer sijn eygen passie en drift gevolcht heeft, welck versuym den coopman Pieter de Bije wesende 't opper- hooft van 't comptoir Chindi meer als den schipper van Muyden te imputeeren sy, alsoo d'E. de Bije door den Suratsen raedt daardoor gequalificeert was en met Muijden in zee geweest is, gevende sijn flauwe advisen ende cleen bescheyt van dese rescontre genouchsaem te kennen, hij hem die saeck niet seer ter herten getrocken, of immers de selve qualijck beleijt heeft, gemerckt, voor het begin van den slach met den anderen niet eens geresolveert heb- ben, hoedanich sij den vyandt souden aentasten. De schippers van Sluys ende Saphier, wesende den eenen Christiaen Sluijker ende den anderen Johan Romaijn genaemt, sijn beyde int bijsonder over hunne groote onvoorsichticheyt en sorchlose actie niet weynich te be- schuldigen geweest ende hadden daerover ten minsten wel een deportement verdient, doch aengesien sij hun naderhant tegen den Portugees, seer manne- lyck en vroom gedragen hebben, soo sijn wij door intercessie van den commissaris van Goens bewogen die faute eenichsints te conniveren. De ontvluchte Duyf ende Boodschap onthielden sich in de suratse rivier, daer wy vertrouwen sij bij continuatie van oorloch niet en souden hebben derven buyten coomen often ware haer eenich merckelyck secours uyt Engelandt hadde toegevloyet. Sulcx het verlies van hare twee schepen, schoon wij daermede weynich gecouvreeert hebben, hun al in een groote verswackinge gebracht heeft, daer anders met den Portugees eens in com- binatie geraeckt wesende ons misschien noch al eenige afbreuck souden hebben mogen doen. Sulcx, soo den oorlögh tusschen haer ende ons hadde blijven continueeren consequentelyck haere totale ruyne alhier in India daer- uijt soude sijn voortgecomen, 't welck nu met den getroffen vrede tot haer behoudt anders uyt gevallen is." De gevangenen uit de Eng, schepen bedroegen 73 koppen, waaronder 3 hoofdofficieren. „Van het gemeene grauw" verbonden velen zich met plechtigen eed aan de Comp. De officieren werden allen, onder eede van gedurende één jaar niet tegen den staat der Nederlanden te dienen, in Suratte vrijgelaten, omdat de Nederlanders zeer verlegen met hen waren, en het bleek, dat zij het gemeene volk maar tegen hen oproerig maakten, terwijl zij vrijgelaten „in contentie met den anderen leven, gelijck meer voorkomt." Verloren door de Nederlanders 18 dooden o.a. de schipper van Avenhom en 22 gekwetsten. BIJLAGE II. Aen den Grootmachtighsten Raja Singa Raju Keyset van Ceylon. Gtootmachtighste Keyser, vorst en Heere. Deese regulen dienen omme U K: Mayst. mijn compste in zijne stadt Colombo bekent te maken, en hoe ick van mijne heeren den Gouvern' Generael ende Raden van India met een machtige vloot van 16 scheepen nae d'cust van India en tot beschermingh Uwer Mayt= landen, tegens onsen gemeenen vyandt den Portugees te waater ende te Lande uitgesonden zij. Van deese 16 scheepen hebbe ick 9 groote ende een cleijn voor de bhare van Goa gelaaten en zij ick met d'overige alhier in u mayts landen met gesondt en welgemoet crygsvolck aengecomen, in vaste hoope om deselve tot dienst u. k. m. te gebruycken; ende dat ick d'eere sal hebben omme een dienaer Syner Mayt^ hooge desseijnen genaempt te werden, gelijck ick mij selve daertoe aenbiede, ende dat sich het hooghwijs verstandt Zijn. Keyz. Mayt. niet sal ontsetten ofte altereren aen de bejegeningh, die U. K. M. van d'onse buijten ordre mocht aengedaen zijn; Hoe swaer mij Z. K. M. misnoegen ter harten gaet, kan ich met de penne soodanich het is niet wel uitdrucken, wenschende daerom: In antwoorde deeser hoe eer hoe liever te verstaen, door wekken middel ick U. K. M. tevreden sal stellen, omme oock met den eersten te rechte doen vorderen en bij mijn heeren aen te claegen, alle die U. K. M. onredelyck mochten hebben bejegent en vertoornt, en soo stout sijn geweest derselver goederen aff te roven, dat geheel buyten onse intentie geschiet is. Gelyck selfs U. K. M. na sijn Keys. oordeel seer wel can afmeeten. Ick versoucke dan Instantelyck, dat U. K. M. alle verdere bloetstortinge gelieve te verhinderen, opdat d'onschuldige inwoonders zijner K. M. Landen in geen meer becom- meringh ende ellende vervallen, wekkers onnosele Bloet nu soo erbarmelijck ende onrechtvaerdich vergooten wert. Ick vreese grootelijcks, dat eenige boose vijanden van onse alliantie ende die de vyantschap tusschen Zijne K. M. ende ons sijne dienaren trachten te bewercken hier aff wel mochten d'oor- saeck zijn. Maer als ick daertegen U. K. Mayt^ hooghwijs ende beproeft oordeel aenmercke, dunckt mij 't selve weder onmogelyck te zijn. Omme dan U. K. M. alle voldoeningh, die mogelyck sal zijn, te bewijsen, soo 216 versoecken, dat U. K. M. mij van sijne Redenen ende onlusten gelieve te informeeren ende middelerwijle geen Portugueezen ofte haare complicen gehoor te verleenen, opdat daerin versien mach werden. lek hcbbe aireede bevoolen, dat geen van U. K. M. volck sullen beschadight werden, alwaert dat zij jemant in U. K. M. laage Landen mochten attaqueeren, ter tyt en wijle ick andtwoort van U. K. M. sal ontfangen daernae ick noch eenige daagen sal vertoeven. Maer soo immers U. K. M. niet gelieft te ver- waerdigen sijn misnoegen bekent te maken ofte mij te antwoorden, sal ick mij echter maer in postuer van defensie houden en met scheepsmacht met alle crachten onse revengie op de Portuguesen sien te verhaalen, die ick voor de autheurs dan sal moeten houden, U. K. M. op onse trouwe ver- sekerende, dat wij geen offentie tegen sijn keijserl. landen sullen bethoonen, ten waare, dat wij daer toe om 't verdere bloetstorten te verhinderen met alle gewelt gedrongen wierden, 't welck ick de wijsheijt Z. K. M. niet toe- vertrouwen can. Soo ick nu de eere geniete van U. K. M. antwoort te ontfangen, soo gelieve U. K. M. daemevens een persoon van goet verstandt en qualiteijt te sturen met macht van U. K. M. om met mij in onderhande- linge te treeden, gelijck ick oock volcomen geauthorizeert zij omme met U. K. M. alle verschillen te vereffenen, opdat de vrundtschap van sijn K. Mayt. en ons in zijn voorige glants herstelt werde, ende wij Z. M. dienaren de rust in onse lange dienste en belooning voor onse wonden en verminkt- heden mogen genieten. De dooden, waervan ons de geheugenis soo smertelijck ende die U. K. M. niet onbewust zijn, sullen wij verbij gaan. U. K. M. gelieve mij verder te laaten weeten aen wien ick den brieff van mijn heer den gouv generl. neffens tgeschenck aen Zijne K. M. gesonden overleveren sal. Brenger deeses is genaemt frangoijs van den Bergh, officier onder mijne guarde, die U. K. M. onder sijn bescherminge gelieve te accepteeren ende spoedich weder aff te senden, opdat ick haest van U. K. Mayt. gesontheijt mach verwittigt werden. Godt bewaere U. M, met onse Jongen vorst, den Keyserl. prins, tot glorie zijnes rijcks ende onse ruste. Middelerwijle blijve U. K. M. aller ootmoedigsten dienaer. Onderstont den admirael over d'Hollandse navale macht ter zee ende superintendent over de militie in zijn K. M. Landen op Ceylon. (RYCKLOFF VAN GOENS.) In zijn Keyserl. Mayt* fortresse Colombo 8«° January 1658. BIJLAGE III. Rijckloff van Goens, Raet van India, Admirael ter zee, superinten- dent, veltoverste en Commissaris van de HoUantse Natie over de custen van India ende Ceylon, sent desen brief aen Tirimele Neijck van Madure, NefFens sijnen groet met toewensingh van gesontheyt en een langh geluckigh leven tot vermeerdering syn(s) Rycx op aerden. Groof mogent vorst en Heeve. U Hooghts gedurende aliantien en bewesen vruntschappen aen onse natie heeft ons occagie gegeven om U.E. Hoogh^s landen eenmael van onse vyanden de Portugeesen te suijveren, opdat wij nae haer vertreck met u Hoogh' in een waere confidente, vaste ende seeckere vruntschap mogen leven, want het is onmogelijck, dat wij beijde in uwe hoogh^^ landen connen woonen. Wy versoecken daerom, dat uwe Hoogh' ons gelieve toe te staen, deselve voortaen van hier allom te verjagen, gelijck wij aen u Hoogh* dorp Tutucorin begonnen hebben, ende dat sulcx door u Hoogh' voor welgedaen mach werden gehouden. Seer gaerne had ick onse interprince u Hoogh» vooraf doen bekent maecken, maer overdenckende, dat de Portugeezen, onder u Hoogh^^ faveur hier saten, docht ons best sulcx op ons eijgen naem uijt te voeren, opdat sij geen protest op U Hoogh' persoon mochten heb- ben, die nu haer op ons mach afwijsen om hun revenge te soecken. Wij wachten jegenwoordigh alleen na eenich aensienl. persoon om met ons de saecke alhier af te handelen ende om daertoe een beginsel te maecken. Soo hebbe goetgedacht, nefiFens desen aen U Hoogh» te senden onsen expressen gesanten den oppercoopman Eduart Ooms, een lit van onsen secreten rade en den coopman Jacob van Rhee geaccompagneert met den resident van Cayl ^), een schrijver, Candia Lappa, ses soldaten van mijn guarde en verdere swiete. U Hoogh* gelieve denselven geloofiF te geven, ende haer alle onder U.E. Hoogh^^ bescherminge aen te nemen, onse intentie niet anders sijnde dan tot voordeel uwer Hoogh* ende sijn onderdanen te be- sluyten, ende dat geen andere natie uwe Hoogh^^ havenen mogen frequen- teren, gelyck wij oock voornemen tegens U Hoogheyts wille op Tutucorin niet bij der hant te nemen maer sullen tselve ongequest uwe manigaers *) Cayl = Caylpatnam. 218 overleveren, behoudende alleen een plaets tot onse woninge en defentie tegens onse vijanden tot onse keure, daer sich U Hoogh' op verlaeten mach met conditie, dat nochtans geen Portugeesen oijt daer of elders in U Hoogh*^ landen weder mogen incomen, die wy nu met onse macht te vier ende swaert allom menen te vervolgen. Wat in desen niet sij geschreven gelieve U Hoogh* van onsen gesant verder te verstaen. In erkenninge van onsen goede wille gaet aen U Hoogh* een getande en een ongetande Eliphant, die van Ceylon sullen volgen, een persiaens paert, 240 ffi sandel hout, 60 ffi noten, 60 S? nagelen, 60 ® foelie, 1 cas roosewater, 2 chineese gouden lakens, 16 el rood laken, dat wy versoecken door U Hoogh' mach werden geaccepteert ende dat onsen gesant met sijn volgh spoedigh tot ons keeren magh. In Tutucorin Ult° January 1658. Was get. RIJCKLOFF VAN GOENS ende onder s' comp= segel ter ordonnantie van syn Ed^ gemelt ende den raet, CORNELIS VALCKENBURGH. Secretaris. BIJLAGE IV. Articulen ende verdrach gemaeckt tusschen S' Leonardo d'Olivera D'almeda, Fiadoor de Fazendo, S"^ Digo de Sousa, cap' moor d'In- fantcrie, ende Albro Rodrigos Boralha, gewesen cap' moor de Campo, als expresse gecommitteerde ende gemachtighde van S"" Joan de Mello, gouverneur van 't Gasteel Nossa S"^^ de Milageere, uijt de naeme ende van wegen Sijne Gonincklijcke Maj' van Poortugael, ter eenre, ende den H'' Joan van der Laen, sergeant majoor van 't Nederlantse Velt- leger voor gemelte Gasteel, S"^ Albert van Breugel, oppercoopman, ende Lucas van der Dussen, fiscael derselver macht als gemachtigde van d'E. Heere Rijckloff van Goens, Raet-ordinair van India, Super- intendent-admirael en veltoverste der voorschreven Nederlantse macht, in 't belegh voor t' selve casteel uijt de naeme ende van wegen de H. M. H. Staeten-Generael der vrije vereenigde Nederlanden ende d'E. E. Heeren Bewinthebberen der geoctrooij eerde Oost-Indische Gorap. sijne Heeren Principaelen ter ander zijde. l. Eerstelijck dat het Gasteel Nosso S'^^ de Milagere, representerende t' hooft van t' coninckrijck Jaffenapatnam, met alle sijne onderhorige jurisdictien, eijlanden, ende andere gerechtigheden, mitsgaders ammunitie van oorloge, alle t' gunt, wes tot defensie van t' selve casteel heeft gedient, op morgen, sijnde den 23 deser maent, voormiddach ten 9 uijren sullen overleveren aen den geenen, die daertoe sullen werden gecommitteert op de navolgende conditien. 2. Alle geestelijcke persoonen sullen uijttrecken met haer klederen en kerck- lijck gewaet, uijtgesondert gout, silver, tzij gemunt ofte ongemunt, ofte eenige juweelen, hoedanich deselve oock mochten sijn, ende dat men haer bij gelegentheijt na Goa ofte benoorden t' selve sal brengen. De goederen van den overleden Portugeesen admirael Anth° d'Amar«, verstaen wij ons wettich toe te comen, ende dat dien volgens deselve alle acn onse commissarissen sullen werden ter hant gestelt. 220
200
200 voorschrift, zoo ontdekte Van der Dussen in de „logieboeckjens", werd te Suratte niet altijd gehandhaafd. Van tijd tot tijd was de gage geheel (comptant) uitbetaald. Beter middel om den particulieren handel of uitspattingen in de hand te werken, was er niet. Maar was misschien voor het personeel van het kantoor Suratte die parti- culiere handel niet het voornaamste doel van hun verblijf? Dat het belang van de Compagnie hun niet altijd het naast aan het hart lag, bewijst de quaestie van den afkoop van den tol, waarvoor jaarlijks ƒ66,000 werd betaald. Die afkoop was niet meegevallen. Gouverneur-Generaal en Raden hadden al meermalen aangedrongen op afschaffing van het contract en terugkeer tot de gewone tolbe- tahng. ^) Nu was door 't heengaan van Shah Jehan de gelegenheid gunstig om het contract vervallen te verklaren en geen nieuw weer aan te gaan. Van der Dussen bemerkte echter, dat de dienaren van het kantoor zeer „inclineerden" tot het maken van een nieuwe over- eenkomst, ofschoon door „d'ongelegenheyt des tijts de commersie 't eenenmael verstorven" was. De fiscaal had dus een ernstig onder- zoek ingesteld naar de reden van die „inclinatie." Hij kwam tot het inzicht, dat de koning evenveel reden had over het contract te klagen als de Heeren te Batavia. Hem toch was verzekerd, dat heel wat goederen van de benjaansche kooplieden op naam der Compagnie en met papieren door de Compagnie gezegeld ■werden doorgesmokkeld. En hij had reden die verzekeringen voor geloofwaardig te houden. Tijdens zijn eigen verblijf was het voorge- komen, dat door een benjaansch wisselaar met de sjambok van de Compagnie voor meer dan 10,000 realen aan goederen, behoorend aan Wiersia Wora, langs het tolhuis zouden worden gesmokkeld. Een ander wisselaar had het echter uit haat verklapt, de sjambok laten aanhouden, en daardoor 't meerendeel der goederen in beslag doen nemen. De ambtenaren der Compagnie maakten van hun ont- duikingen ook geenszins een geheim. Zij beroemden er zich zelfs op, hoe zij, die door het contract beschermd niet gevisiteerd werden, bij aankomst te Suhaly van de moorsche schepen uit Bassora en Mocha, geladen met contanten, ongelooflijk veel daarvan zonder tolbetaling binnen Suratte hadden gesmokkeld. Soms waren op één tocht wel 5 a 600 ropieën verdiend. ^) Zie boven p. 96. 201 Hoe kon men anders verwachten van subalternen, als de directeur van het kantoor het voorbeeld gaf? Eenige jaren geleden zou deze zelf (misschien van Gendt?) betrapt zijn, als hij niet bij 't opvaren van de rivier gewaarschuwd was. Hij kon nog tijdig de onder zijn zitkussen verborgen schat door één van zijn huisdienaren laten terugbrengen naar Suhaly's strand aan den koopman Albert Breugel. Die had het er toen een paar dagen later allemaal door gesmokkeld en den moorschen eigenaar ter hand gesteld. Na deze inlichtingen meent Van der Dussen dan ook te moeten advi- seeren, het contract niet te vernieuwen. Wel was er door de dienaren der Compagnie in Agra al een contract gesloten met den oudsten prins Moerad Bax tot vernieuwing van de tolovereenkomst, maar dat verplichtte de Heeren te Batavia en Suratte tot niets. En dit was wel duidelijk: zoon contract was niet in 't belang van de Compagnie, noch werd het gesloten om de vermindering, die de goederen in de tolhuizen ondergingen, te voorkomen, maar eenig en alleen, opdat de dienaren alles, wat zij begeerden, door den tol konden sleepen. Aan het slot van zijn rapport gaf Van der Dussen te kennen, dat naar zijn meening bovenal twee fouten op den toestand der Compagnie drukten, zoowel te Suratte als elders, n.1. het beheer der logie („de mesnagie") en de particuliere handel. Wat de „mesnagie" betrof, werd er een te druk gebruik gemaakt van „majeurs." ^) Ieder van de dienaren, die te Suratte, wat te ver- richten of te bestellen had, zond maar op eigen houtje een „majeur" zonder te vragen, of er al niet een voor de Compagnie met een zending belast was en of ook anderen van zijn diensten gebruik konden maken. Zoo werden soms op één dag 3 a 4 van die men- schen gebruikt, terwijl één het werk best af gekund had. In de logie en in de stallen was het aantal inlandsche dienaren veel te groot, 't Was toch niet noodig, dat ieder paard zijn eigen knecht had? ^) De nieuwe directeur had op dat onderdeel van de huishouding al 80 realen in de maand kunnen besparen, zoodat de fiscaal niet twijfelde of in die materie zou verbetering worden aangebracht. ^) Volgens den zin moeten het zijn boden, dienstmannen, voerlieden of sjouwers van Suhaly's strand naar Suratte. ^) Te Suratte bestond tijdens 't verblijf van v. d. Dussen de staluitrusting uit 5 karossen, 10 karreossen (vgl. boven p. 69), 6 paarden. 202 Ook op de karrevrachten van Suratte naar 't strand kon veel bezuinigd worden. Waar 20 karren het werk wel af konden, werden er soms 100 gebruikt. En toch had de Compagnie eenige eigen vaartuigen, waarmede de verbinding met de kust werd onderhouden. Maar op de afvaart van die scheepjes werd nooit gewacht. Kwamen er schepen aan en wilden de schippers, boekhouders en andere oflSciercn aan land passagieren, dan zorgde de logie op kosten van de Compagnie wel voor voertuig naar Suratte. De grootste verkwisting echter heerschte er bij de „gemeene tafel." 't Zou noodig zijn die geheel af te schaffen en de dienaren voor hun kostgeld eigen menage te laten voeren. Daarmede zou de Compagnie niet alleen besparen 't geen zij nu meer betaalde aan de tafel dan de kostgelden bedroegen n.1. 12 a 1500 realen, maar bovendien nog wat de keuken boven de tafel kostte aan olie, azijn, kaarsen, potten, pannen, doeken en allerlei keukengerei. Deze bedroegen jaarlijks onder den post huisonkosten 4000 ropieën, waarbij dan nog niet gerekend waren de loonen van de koks, marktgangers en andere keukendienaren. De bovengenoemde onkosten ten laste van de Compagnie waren openbaar, maar de fiscaal was er zeker van, dat er nog andere waren, die der Compagnie op verborgen wijze in rekening werden gebracht. Om de tweede fout, den particulieren handel, te bestrijden was door Van Goens de eenig mogelijke weg aangewezen. Zooals Van der Dussen bij het lossen en laden der schepen dag en nacht tegen- woordig geweest was, moest er altijd een dwarskijker aanwezig zijn. Daarom had Van Goens gelast, dat er aan Suhaly's strand een onder- koopman als fiscaal zou worden aangesteld, die op den particulieren handel zou toezien. Ofschoon de bedoelde fiscaal Vs van de aangehaalde goederen zou krijgen, was er door „ongenegentheyt" geen te vinden, die het baantje wilde waarnemen. Die misschien wel genegen waren, werden onbekwaam geacht. Een onderkoopman, meende Van der Dussen, was ook iemand van te geringe qualiteit om zoo'n ver- antwoordelijke en zelfstandige positie in te nemen. Hij gaf daarom in alle bescheidenheid in overweging daarvoor aan te stellen de tweede persoon te Suratte, die direct onder den directeur stond. Want naar iemand, die geen zitting in den raad had, zou niet geluisterd worden. Integendeel zouden zijn bemoeiingen worden tegengewerkt en niets kunnen uitrichten „als synde die cancker al in 't gebeente 203 gecropen." Die tweede persoon, aangesteld als fiscaal, zou dan 't recht moeten hebben, dadelijk bij aankomst der schepen den schipper, de stuurlui en den bottelier aan land te brengen en daar te houden tot het schip gelost was. Tot zoover het rapport over Suratte. Het geeft ons een kijkje in de grootere en kleinere knoeierijen op een der gewichtigste factorijen van de Compagnie. Met de stukken is het niet te bewijzen, maar de weinige feiten rechtvaardigen het vermoeden, dat er door de dienaren der Compagnie van den hoogsten tot den laagsten werd gekuipt met de wisselaars, gecontracteerd met de kooplieden, geknoeid in de boeken, en handel gedreven voor eigen rekening tegen den eed aan de Compagnie gedaan. Het rapport van Van der Dussen wijst niet alle wegen aan, waarlangs rijkdommen te vergaren waren, maar na de lezing kan het geen verwondering wekken, dat „in die quartieren de dienaren der Compagnie groote schatten seer schielijck hebben bijeen vergadert gehadt", en het is zeer duidelijk, dat „hun die door de wint niet aangewaijt, maar met ongeoorloofde middelen geprospereert sijn." ^) En zouden de door den fiscaal aangeprezen maatregelen verbetering kunnen brengen? De verleiding tot particulieren handel in zoo'n centrum van verkeer was groot; de schippers waren gewillig om tegen vergoeding de waren te bergen of aan den handel deel te nemen; het geld was te Suratte, in vergelijking met andere plaatsen, niet te duur te krijgen; een fiscaal bij 't lossen en laden der schepen zou toch ook niet onomkoopbaar zijn; Batavia was verre en zelf niet al te nauwgezet, commissarissen waren een sporadisch verschijnsel, en ... . meenden die heeren het zelf wel zoo ernstig? Den 2*^^° Maart vertrok Van der Dussen om in Wingurla de daden van Leendert Jansz na te gaan, zijn nieuwe logie te bezien en te onderzoeken, hoe hij aan het geld voor den bouw was gekomen. ') Leendert Jansz was, van 't geen hem boven 't hoofd hing, door Van Goens verwittigd en tevens in een hartige réprimande berispt. De commissaris had hem verweten, dat hij het eigenlijke doel, waarvoor het kantoor te Wingurla diende, niet naar behooren behartigde. Eigenbelang scheen hem daarin te verhinderen. Zoolang Van Goens voor Goa lag, had hem van Wingurla nooit eenig advies bereikt ^) Missive van Gouv.-Gen. en R. aan Isaacq Coedijck te Suratte, 5 Sept. 1657. '^) Zie boven p. 105 vlg. 204 over de „constitutie" des vijands, noch eenig bericht aangaande zijn voornemens, wat voorzeker een teeken was, niet alleen van geringen ijver, maar ook van klein verstand van het opperhoofd te Wingurla. Hij moest zorgen voor betere spionnen, die, van elkaar niets afwetend, berichten binnen brachten, opdat „door conferentie van d'een en d'ander" eens juiste inlichtingen mochten worden verkregen. „Hierop alleen siet al 't werck van Wingurla en uw beroep 't selve maer wel te doen, buyten 't welcke daer anders geen kantoor noodig is." ^) Den 7^^^° Maart kwam Van der Dussen voor Wingurla ten anker en begon hij zijn visite om de onregelmatigheden, die er waren voor- gevallen, te ontdekken en zoo mogelijk de schuldigen aan te wijzen. Dat viel niet mee. Hij trachtte den resident, alle dienaren en de twee benjaansche kooplieden een scherp verhoor tegenover twee gecommitteerden onder eede te doen ondergaan. Hiertoe waren noch Leendert Jansz, noch de onderkoopman Pieter van Santvliet te bewegen. Zij beweerden daartoe niet verpHcht te zijn. Twee der assistenten, Leendert Leendertsen en Harmen Heesters, wilden wel op de ge- stelde vragen antwoorden, maar weigerden hun verklaringen met een eed te bevestigen. Zij hadden eenmaal een eed aan de Com- pagnie gedaan en waren dus niet gehouden nogmaals een eed af te leggen. Alleen de soldaat Jan ChristofFel deed in dezen, wat van hem verlangd werd en evenzoo de koopman Narsanna Weij met een bevestiging op de benjaansche wet, volgens zijn wijze en ge- bruik. Zijn broeder kon niet verhoord worden, die was naar het binnenland vertrokken. Van der Dussen kreeg den indruk, dat de ondervraagden veel meer wisten dan zij kwijt wilden wezen. Daarom en omdat de Compagnie aan de waarheid der behandelde punten veel gelegen was, kwam het den fiscaal dienstig voor ten minste de beide assistenten van Wingurla mee te nemen. Maar ook hier waren weer bezwaren. Leendert Leendertsen was chirurgijn en had onder zijn behandeling eenige gekwetsten van de vloot voor Goa. Hij kon dus moeilijk gemist worden en mocht blijven. Heesters echter ging mee en Covert Bruijn, van het schip Venenburgh, werd als voorloopig assistent op nadere goedkeuring van Van Goens ach- tergelaten. 1) Instructie voor Leendert jansz enz. 3 Dec. 1657. 205 Aan Roothaas werd verzocht met 't eerste naar Ceylon vertrek- kende schip den bottehersmaat Lambert de Groot over te zenden, die niet ondervraagd was, omdat hij, onder voorwendsel van levens- middelen te moeten koopen, naar Bardes (t. n.-o. v. Goa) was ge- gaan en eenige dagen moest uitblijven. Ook Leendert Jansz zelf kon nog niet mee, daar zijn aangewezen opvolger Van Santvliet eerst een zending naar Canara had te vervullen. Als die zending was afgeloopen, zou de gewezen resident over Ceylon naar Batavia ge- bracht worden. Van de dienaren was er maar één, die meer geld had, dan noodig was voor zijn onderhoud. Pieter van Santvliet had 500 pagoden (2000 gulden) aan 't kantoor te Wingurla afgedragen om te Batavia op interest gezet te worden. Van de anderen bleek voldoende, dat zij niets over hadden. Daarmede was de opdracht van den fiscaal afgeloopen. Zijn visite had zoo goed als niets opgeleverd. Hij was alleen in zijn overtuiging gesterkt, dat te Wingurla geknoeid was, dat de dienaren ook wel wisten op welke wijze, maar dat hij er niet achter kon komen. Van nazien der boeken, noch van vermindering van perso- neel wordt door Van der Dussen in zijn rapport gesproken. Leendert Jansz verliet begin Mei op de Goutsbloem met de laatste schepen der bezetting voor Goa de kust van Indië; 15 Mei kwam hij te Gale aan, waar hij de verontrustende mare verspreidde van het door de Portugeezen voorgenomen ontzet van Jaffanapatnam ^): en eerst 9 Augustus arriveerde hij op de reede van Batavia. ^) Daar heeft hij zijn handelingen voor Gouverneur-Generaal en Raden verdedigd in een vertoog, dat hij 6 December 1658 bij de Heeren inleverde. ^) Het komt hierop neer, dat hij volgens order van de Heeren in overleg met de scheepshoofden Simon den Danser en Abraham Hartman, vóór Wingurla vertoevende, met het oog op het meer- malen te ontvangen hooge inlandsche bezoek, besloten had, de logie *) Missive uit Colombo naar Batavia, 15 Juni 1658, Zie boven p. 163. -) Gen. Miss. 14 Dec. 1658, •^) Omstandelijck verhael wegens de nieuwe stene in Wingurla geboude E. Comp. Residentieplaets om te vertoonen den E. hoogachtbaren Heer Johan Maetsuycker Gouverneur-Generael ende d'E.E. heeren Raaden wegens d' Nederlandtschen standt in Orienten. Batavia 6 Dec. 1658. 206 netjes in orde te brengen. Daar nu in die dagen wegens onlusten het hout duur en de steen naar verhouding goedkoop was, en veel solieder, dus op den duur voordeeliger, ^) was ook door boven- genoemde heeren goedgevonden ten meesten dienste van de Compagnie het huis en de galerij geheel van steen te doen bouwen. Dat was ook zooveel beter met 't oog op dreigende brandstichting door de Portugeezen! Gedurende het bouwen waren er allerlei tegenvallers geweest, zooals ingevallen oude muren en een ingestorte pilaar in de groote zaal. 't Schrijven van Batavia, waarin bevolen werd, de geheele galerij weg te laten of met slechts V* van de kosten op te trekken, was te laat gekomen om het begonnen werk weer af te breken. En 't was ook zoo noodig gebleken voor 't vele hooge inlandsche bezoek en de vele „gequalificeerde personen" van de Compagnie, die er gehuisvest waren geweest. Men moest toch be- denken, dat de oude woning in 7 jaar tijds (1649— 1656) ƒ 7000 had gekost aan reparatie. Daarom had Leendert Jansz, ofschoon het wat duur was, er een pannen dak op laten zetten. Hij erkende wel tegen 't bevel van de Heeren gehandeld te hebben, maar hij had overwogen, dat hun order aangaande de verbouwing niet zonder schade voor de Compagnie had kunnen worden afgewacht en dat het in zoo'n geval ieder „subaltern voorsichtich over hooft toecomt met zijn sup- poosten te beraden" hoe de Compagnie in die gevallen het best werd gediend. Hij kon gedwaald hebben. In dat geval hoopte hij „zoo in mijn doen en laten („gel. vertrouwe neen") erreure mochte bespeurt werden, nevens andere oprechte dienaers UEd." gebruycke- lycke goedertierentheyt mach erlangen." De schrijver legde voortdurend den nadruk op 't hooge bezoek, waarvoor de praal en pracht, die de Hooge Regeering juist niet wenschte, noodig was, maar hij zweeg over de kosten van den bouw. Gouverneur-Generaal en Raden hebben dan ook geen genoegen genomen met de verdediging en aan Van Goens opgedragen bij zijn komst te Wingurla de zaak nader te onderzoeken. ^) Ernstig gestraft is de aangeklaagde oud-resident van Wingurla vermoedelijk niet, al wordt hij niet, zooals Pieter de Bie en Joan Barra, later nog in eervolle betrekkingen vermeld. ^) M Slechts een verschil van 2, 3 a 400 pagoden. 2) Gen. Miss. 14 Dec. 1658. 3) Vgl. boven, p. 113. 207 Wat door Van Goens zelf of onder zijn opperbevel tot eind Juli verricht was, was niet meer dan een begin van uitvoering der opdracht hem te Batavia gegeven. Het nieuw veroverde gebied moest nog georganiseerd, geschikte opperhoofden moesten aangesteld, vestingen aangelegd of geslecht en met de inlandsche vorsten nader onderhandeld en gecontracteerd worden. Het project op Diu was nog niet geheel opgegeven. De verovering van Cotchin en andere plaatsen op de kust van Malabar bleef hem nog aanbevolen. En dan wachtte nog op vollediger uitvoering de hem gegeven commissie als commissaris ter visite van Ceylon, Suratte, Wingurla, Coromandel, Malakka en, als het kon, van Bengalen. Nog vier jaar is Van Goens in de westelijke kwartieren geweest. Den 29^'^° Augustus 1662 leverde hij bij de Hooge Regeering een „Gort relaes" in „om te dienen van Raport ende aenwijsinge van de verrichtingen van oorloghssaecken ende commissie geschiet ende uytgevoert." Dat relaas is zeer kort en eigenlijk een verontschuldi- ging wegens „indispositie ende den corten tyt mijns aenwesen" voor het niet indienen van een uitvoerig rapport over al het in de ver- loopen 5 jaren verrichte werk. Hij verwijst dan ook naar zijn brieven, overgeleverde papieren, dagregisters en uitgevaardigde instructies „waeruyt can geconstrueert werden wat rapport ick U.E. te doen hadde." De schrijver van de voorgaande bladzijden hoopt gelegenheid te vinden uit bovengenoemde papieren het begonnen verhaal over Van Goens' optreden in de westelijke kwartieren voort te zetten. BIJLAGEN. AALBERS, O.-I, Compagnie. ^^ BIJLAGE I. Uit de Generale missive van 26 Januari 1655. 25 Dec. 1653 was de commissaris met de schepen Sluys, Avenhorn en Cabeljau in Sualys kom gearriveerd. Daar werd „ter eerster instantie verstendicht", zooals ook te voren voor Daman door een briefje van den E. Pelgrom was bericht, hoe twee engelsche schepen door particulieren uitgerust eerst genaamd Egel en Gulden Vlies, en naderhand door henzelf genoemd Boodschap en Duif binnen Diu lagen, en hoe bovendien het engelsche jacht Valck buiten Diu op de „Bassuraesche" schepen kruiste. Daarom vond Z.E. met den raad te Suratte goed eenige schepen in allerijl te lossen en op den vijand af te sturen, waartoe de jachten Muyden, Sluys en Cabeljau 't eerst gereed waren, welke met de „chaloup" de Maagd van Dorth vooruit naar Diu werden gezonden. Deze schepen ontdekten voor Diu een caffila van vele Portugeesche vaartuigen, waarvan de Nederlanders slechts een barkje met 18 lasten rijst, die als provisie voor de vloot zeer goed te pas kwamen, in handen kregen. Behalve dit vaartuig , .beknelde " de chaloup onder den wal nog een visscher, naar 't scheen, maar naar vast gemeend werd een spion, die de overheden van de schepen geraden vonden op te zenden naar Suratte, om aldaar uit dien man te vernemen, wat zij nauwelijks hadden durven gelooven. Van dezen visscher toch, in Suratte gebracht, werd men gewaar, dat drie engelsche schepen, de Boodschap, Wellekom en Valk elf dagen voor de komst onzer schepen over Sindi naar Perzië waren gegaan om hun schip de Endever, dat door de Nederlanders in Perzië werd ingesloten, te halen, om dan terug te keeren en gezamenlijk onder Diu „met avantagie" op onze schepen te kruisen. Hij vertelde, dat in Diu niet meer dan 100 blanke Portugeezen waren, onder wie wel 40 papen. Onder alle omstandigheden bleef deze oude moor zonder eenige „variatie" bij zijn beweringen, zoodat aan de waarheid niet te twijfelen viel. Op die gewichtige getuigenissen werd in Suratte be- sloten de geheele aanwezige macht van de Comp. naar Sindi te zenden, in de hoop de Engelschen daar nog te „beloopen", en anders gezamenlijk naar Perzië te gaan, en, als het geviel, dat de vijand de jachten Leeuw en Popkensburch, die toen van Bassora verwacht werden had genomen, hem die prooi weder te ontrukken, al moest het zijn onder het kasteel van Ormoes zelf. 't Was trouwens maar goed, dat het niet noodig geweest was, daar „de Persiaen dier gelycke violente proceduyren sonder retorsie, op zijn rheede van ons niet en soude hebben gedoocht, daervan infalibelyck voor 212
190
190 Uit het bovenstaande blijkt wel, dat de afsluiting van Goa niet volkomen was. Zij kon dat niet zijn, indien de groote schepen niet geassisteerd werden door klein vaartuig. Evenals in zijn vorig rapport ') gaf Roothaas de Heeren te Batavia ook nu weer in overweging bij een volgende uitrusting daarvoor te zorgen. Twee of drie lichte jachten ge- monteerd ieder met 8 a 10 stukjes en zooveel roeiriemen als mogelijk is, zouden met de 4 roeivaartuigen, die in Wingurla gebouwd werden naar zijn meening voldoende zijn, om ook de kleine, langs de kust varende scheepjes, het in- en uitzeilen te beletten. Als daardoor dan de voorziening van levensmiddelen te Goa stokte, zou dat onder de Portugeezen een groote „commotie ende revolte" kunnen verwekken. Aan het gebruik van die kleine jachten en de roeibooten was echter één bezwaar verbonden: de nederlandsche matrozen konden zoo slecht met het inlandsche roeivolk en het dito roeivaartuig omgaan. *) De bedoeling der Portugeezen was blijkbaar niet geweest in de eerste plaats een ontzettingsmacht uit Goa naar Ceylon af te zenden. Daartoe ^) Van 13 ]uly 1657. De raad v. h. vorige rapport hadden de Heeren wel graag opgevolgd, maar zij konden niet bij gebrek aan klein vaartuig. „Ondertusschen souden niet ongeraden vinden dat U.E. op de Cust van Canara, dewijl wij mette vorst van hetselve in contract getreden sijn, in de eene ofte andere haven daer goet timmerhout is vallende 2 of 3 soodanige snedige lichte jachtjes ofte fregats lieten opsetten, als U.E. ons hebben voorgeslagen .... op welcke vaertuigen U.E. dan Canarijns of andere ervaren seeluijden souden moeten gebruijcken, om de schepen niet te veel van haer nodich volck te ontblooten, mits dat gelet werde, dat wij haer altijt meester mogen blijven .... dat deselve inlantse matrosen door de rouwicheit van ons volck geen oorsaack en werde gegeven op ons verbittert te wesen ende tegens ons op te staen." (Instructie voor Roothaas 1 Aug. 1657.) Roothaas heeft voor zijn vertrek te Wingurla opdracht gegeven eenige kleine vaartuigen te laten mciken en daarvoor twee timmerlieden achtergelaten. Deze zouden in Sept. gereed moeten zijn. ^) Roothaas vertelt over de „rouwicheyt" van het volk, het volgende: „hadden wij een moors vaertuijchie gekocht met 18 riemen en dacrop gebuurt 10 moorse matroosen; monteerden selve met 1 clcen metaele stuckjen, 8 a 10 soldaten, tot opperhooft een onderstuurman nevens 5 a 6 matroosen, die, zoo wij dochten al van de civielste basen waren. Met dit vaertuychie neffens 2 a 3 scheeps chialoupen souden wij omtrent de rivier Chiappeta (Chapora) beletten, dat geen cleijne vaer- tuijgen uijt off in Goa soude comen. Hadden tot haer retraict 't jacht Thoolen daer soo nae aen de wal doen anckeren, als de zeemanschap lyden mocht. 2 a 3 dagen daerin gecontinueert en eenige vaertuijgen tegen de wal gejaecht hebbende sijn de voorsegde Moors roeyers bij mij gecomen en claegden, dat heel rouw gehandelt wierde en dagelycx gescholden voor Catchors (port. cachorro = jonge hond, brutale vlegel.) en andere meer scheltwoorden. D'onse daerover aensprekende manqueerde geen blauwe excusen: in fin kon de mooren niet bewegen om in haeren dienst te continueren, maer was genoodsaeckt haer te largeren en souden voort onse matroosen op hetselve vaertuych den selven dienst doen, maer hielpen 't selve, alsoo een swack genaijt dinck was, haest om hals." 191 zijn zij meermalen in de gelegenheid geweest, zoowel door 't „diver- teeren" van de blokkade-vloot, als door 't voordeel van den wind. Hun pogen scheen allereerst ten doel te hebben de vloot der Nederlanders te vernielen, of althans het geladen galjoen de Bon Jezu door de vloot te brengen. Daarin zijn zij niet geslaagd, en in zooverre heeft Roothaas zijn taak goed volbracht. Maar volgens zijn „ordre" mocht dit galjoen er desnoods door, als hij maar den vijand bezuiden de bhare lokte en zoo mogelijk vernielde. ^) Daarin is hij niet geslaagd. En ernstige moeite heeft hij er ook niet voor gedaan. De vijand door hst te verlokken was zijn werk niet — wel dat van de Portugeezen met hun valsche vuren op 't strand en 't ontkomen in de duisternis op 3 Februari. Zelfs als hij overtuigd is, dat de Portugeezen het er op toelegden hem zijn „amminutie te doen consumeeren" spaart hij die niet — maar schiet er zoo lustig op los, dat een vijfde aanval der vijanden hem vermoedelijk een nederlaag zou hebben bezorgd. *) Een voorzichtig, tactisch vlootvoogd heeft Roothaas zich niet betoond. Maar wel een vechtcommandeur, die „de trots van ons soo te tergen (20 Januari) niet kon verdragen", die brandde van verlangen om eenmaal „tot ons contentement te connen attaqueren." Voor hem is een scheepsstrijd een sport. Met den vijand slaags zijn heet in zijn taal: „een contredans met hem dansen." Maar zulke dappere braven met durf en wat haat tegen de Portugeezen had de Compagnie noodig. En de Hooge Regeering gaf haar tevredenheid over zijn optreden te kennen, door hem ten derden male tot commandeur over de blokkade-vloot te benoemen. Den 6'^" Augustus 1658 verliet hij weer Batavia's reede met 9 schepen en 1068 koppen om nogmaals Goa's bhare af te sluiten. ^) ^) Misschien ook was hij het niet met Van Goens eens, dat de victorie moet gaan boven de buit en wilde hij zich daarom niet te ver van de bhare begeven met de portugeesche vloot. Een zestiende deel van de buit was voor de veroveraars. (Instructie voor Roothaas 1 Aug. 1657.) *) G. G. en R. in hun Gen. Miss. van 14 Dec. 1658 schrijven ook, dat het een geluk mocht heeten, dat de Portugeezen niet nog één maal uitgekomen zijn. 3) Gen. Miss. 14 Dec. 1658. HOOFDSTUK VIII. DE VISITATIE VAN SURATTE EN WINGURLA DOOR DEN FISCAAL LUCAS VAN DER DUSSEN. In zijn instructie was Van Goens, zooals wij weten, in de eerste plaats opgedragen Diu te veroveren en de Portugeezen van Ceylon te verdrijven. Eerst daarna kwam de visitatie der kantoren en gouver- nementen in aanmerking. Toch heeft Van Goens niet met een inspectie van Suratte en Wingurla willen wachten, tot hij van zijn krijgs- operaties zou zijn teruggekeerd, al was hij vermoedelijk wel van plan, die kantoren, hem van zijn bezoek in 1653/54 bekend, later, als hij gelegenheid had, zelf aan een inspectie te onderwerpen. Voorloopig zond hij er zijn fiscaal Lucas van der Dussen heen. Deze kreeg de opdracht vooral te letten op de particuliere goederen, die te Suratte met de fluiten Venenburgh en Oyevaar zouden kunnen worden aangebracht, of vandaar naar Perzië of Batavia gezonden zouden kunnen worden. In 't bijzonder zou hij moeten zorgen voor de uitvoering van de order der Hooge Regeering van 30 July 1657, waarbij den dienaren der Compagnie gelast werd, het geld, dat zij voor hun onderhoud niet noodig hadden, op interest aan 's Com- pagnieskas af te staan. ^) Den 25^'^° November 1657 zeilde de fiscaal met de fluiten Venenburgh en Oyevaar uit de vloot voor Goa en vertrok daags daarna van Wingurla's reede. Met hem ging de nieuwe directeur van 't kantoor ^) Instructie voor den fiscaal Lucas van der Dussen, waer nacr hem geduercnde de reijse naer Suratte sal hebben te reguleren. In 't schip Worcum, 25 Nov. 1657. Voor bovengenoemde order, zie boven, p. 109. 193 te Suratte, Leonard Winnincx, om daar de plaats in te nemen van den waarnemenden directeur Isaack Coedijck, „die niet in de negotie, maar in de schilderkunst opgevoed en gestileert was", en daarom op bevel van Heer en Zeventien uit zijn ambt moest worden ontzet, om ergens als vrijburger de schilderkunst weer te gaan uitoefenen. ^) Eerst den ly*^" December kwamen de schepen, door harde noorden- winden tegengehouden, in „Suhalys Kom" aan. ^) Daar vonden zij het land in rep en roer, den handel gestaakt, de nederlandsche kolonie gevlucht naar Suhalys strand. Zelfs lag er een scheepje van den wisselaar Mondas Naan op stroom, van alles wel voorzien, om, als 't noodig was, de vlucht te nemen. Alleen de waar- nemende directeur en een paar anderen waren te Suratte gebleven. Wat was er aan de hand? 't Gerucht was verspreid, dat de mogol Shah Jehan (1627^ — 1658) was gestorven en zijn jongste zoon, prins Moerad Bax, die als vice-koning de benedenlanden voor zijn vader bestuurde, belegerde het kasteel van Suratte, om het bij een eventueelen troonstrijd met zijn broers in bezit te hebben. ^) Hij had ook hulp ge- vraagd aan de Compagnie, met de belofte, dat zij dan voor altijd bevrijd zou zijn van den halven Suratschen tol. Als men zeker was geweest, dat Moerad Bax zich zou kunnen handhaven, zou het een aardig voordeel voor de Compagnie hebben opgeleverd. Nu echter de toe- komst onzeker was, had men het verzoek beleefdelijk afgeslagen. Van deze beroeringen zou Van der Dussen op zijn visite eenigen last ondervinden. De eerste maatregel van den fiscaal was te zorgen, dat niemand aan land ging, voordat alle brieven, die van Batavia meegegeven waren aan vrienden en verwanten, aan hem werden ter hand ge- steld. In een zitting van den scheepsraad werden de meeste met toestemming van den directeur Winnincx geopend. Slechts drie ver- dachte brieven werden gevonden. De huisvrouw van notaris Huisman *) liet haar zoon, assistent te ^) De directeur Hendrik van Gendt was in April 1657 gestorven. Over Isaack Coedijck: Dr. A. Bredius in Oud-Holland, 1909, p. 5 vlgg. ^) Dit en 't volgende ontleend aan „Rapport aen d'E. Heer Ryckloff van Goens enz. nopende 't gunt in de quartieren van Guseratte uijt crachte van sijn opgemelte Ede gegeven ordre bij hem is verricht. Overgclevert in 't nederlants veltleger voor 't casteel van Jaffenapatnam 25 April 1658. 3) Gen. Miss. H Dec. 1658. •*) Anthony Huisman, notaris te Batavia. Daghr. Batavia 1656/57, p. 64. AALBERS, O.-I. Compagnie. 13 194 Suratte weten, dat de opperkoopman Pieter Speelman onder zijn bewaring drie pikols koper (± 360 pond) aan boord had, waarvoor zij graag tarwe zou terug ontvangen. Voor den koopman Albert van Breugel was er een ongeteekende memorie, waarvan het handschrift als den schrijver verried de chi- rurgijn de Roo te Batavia. Ingesloten bevatte het epistel een staafje goud, waard drie realen, waarvoor hij graag eenige benoodigdheden voor zijn huisvrouw gekocht zou zien. Van het derde briefje was de herkomst niet vast te stellen. Het was gericht aan den wisselaar Mondas Naan en bevatte een „schuyt- jen" ^) goud. Er bleek uit, dat de schijver met den wisselaar handel gedreven had en hem nog 118 realen schuldig was. Mondas Naan werd ontboden en ondervraagd. Natuurlijk wist hij zich niet te herin- neren, dat iemand te Batavia hem nog 118 realen schuldig was! Deze oogst van ongerechtigheden was gering. Het goud en koper werden verbeurd verklaard. Maar er werd meer ontdekt. Voordat de Oyevaar naar Perzië vertrok (28 Dec), werden er nog 24 pikols koper in gevonden. Daarvan behoorden 16 aan den schipper Jacob van Doorn en 8 aan verschillende bootsgezellen. Voor den raad had de schipper zich te verantwoorden. Zijn recht- vaardiging doet zien, hoe de particulariteit tot de hoogste en eer- baarste ambtenaren was doorgedrongen. Van Doorn verklaarde, dat hij het koper had moeten aannemen van Abraham Pittavin ") als betaling voor een partij fransche wijn (van 450 realen), geleverd aan het lid van den achtbaren raad van justitie Cauw. Zonder verbreking van zijn eed aan de Compagnie kon die achtbare heer moeilijk aan koper gekomen zijn. Maar in allen gevalle mocht Van Doorn het metaal niet gaan verhandelen in Perzië. Dus werd het in beslag genomen en de schipper, voorloopig met verlies van zijn gage, als schipper afgezet, onder nadere goedkeuring van Van Goens. De opperstuurman Christiaan Gerritsen kreeg het commando over het schip. Over den gang van zaken te Suratte en onderhoorige kantoren waren de Heeren te Batavia alles behalve tevreden. De dienaren aldaar ^) „Schuitje is een plomp gegoten stuk geld omtrent een vierde van een el lêing, ongelijk en ruim een duim breed." ^) Procureur en vrijburger te Batavia. Daghregister Batavia 1653, p. 15; 1659, p. 88. 195 werden te spoedig rijk en er waren er te veel. Aan Van Goens was dan ook in zijn instructie opgedragen op geen kantoor meer dienaren te laten dan er noodig waren voor het verrichten van den dienst. Zoo ging dan van der Dussen over tot besnoeiing van het perso- neel. Het geheele kantoor, behalve den directeur en die bij den koning waren, ^) bestond uit 73 personen, ^) aan wie maandelijks voor tracte- ment en kostgeld ƒ3049 : 16 werd uitbetaald. Van hen werden dadelijk of zouden later ^) met verschillende schepen over Ceylon worden weggezonden 33, zoodat op de Guseratsche kantoren Suratte, Amada- bad, Agra en Sindi behalve den directeur, nog overbleven twee opperkooplieden, twee kooplieden, vijf onderkooplieden, vijftien assistenten, één krankbezoeker, drie opperchirurgijns, acht militairen en vier zeevarende personen, te zamen veertig dienaren. De zee- varenden waren noodig voor de bediening van de drie kleine vaar- tuigen, *) die het verkeer te water tusschen „Suhalys kom" en Suratte moesten onderhouden. Onder deze veertig, verzekerde van der Dussen, waren er geen, die elkaar in „bloet of affiniteit" te na bestonden. De maandelijksche uitkeering was door deze vermindering van per- soneel teruggebracht op f 1682 : 8. Minder succes had de fiscaal bij het ten uitvoer brengen van de order, die voorschreef, dat de overtollige gelden der dienaren in de kas der Compagnie moesten worden gestort. De directeur Winnincx had het geld al afgegeven vóór zijn vertrek. Zij, die uit Suratte weggestuurd werden, beweerden „onverobhgeert" te zijn, want de order sloeg alleen op de kantoren, waar de Com- pagnie geen kolonie had, en zij gingen nu naar Ceylon of Batavia, waar zulks wel het geval was. De brieven over die opvordering aan Jan Tack te Agra gezonden, waren teruggekomen. Zij hadden hem dus niet bereikt, wat uit den oorlogstoestand te verklaren was. ^) Zie boven, p. 77 . 2) n.1. 3 opperkooplieden, 7 kooplieden, 9 onderkooplieden, 21 assistenten, 1 krankenbezocker, 3 opperchirurgijns, 13 militairen en 16 zeevarende matrozen. ') Als de weg van Agra naar zee weer veilig was en de kantoren Brootsja en Brodera waren opgeheven. Hieruit blijkt, dat het kantoor te Brodera dus nog bestond, terwijl het na de eerste inspectie van Van Goens reeds zou zijn opgeheven (vgl. boven, p. 89). *) Het smalschip Haarlem, en de sjamboks Amsterdêun en Middelburg. 196 Het opperhoofd te Amadabad, Abraham Hartman, en de meeste anderen verklaarden geen geld te hebben. Een onderkoopman te Sindi, Vertange, had wegens gebrek aan schepen nog niet kunnen antwoorden, hetgeen volgens Van der Dussen „al eenigsints met de waarheyt balanceerde." Slechts twee verklaarden een aardige som te hebben overgespaard. De opperkoopman Dirk van Adrichem had 4000 realen en de koopman Joost Clant ƒ3000 beschikbaar. Maar — en het zal hun wel niet onaangenaam geweest zijn — dat geld was juist nu niet los te krijgen door de „gestaltenisse des tijts ende den oorlogh." Zoo kon de order der Hooge Regeering dus heelemaal niet worden uitgevoerd. De fiscaal vertrouwde de opgaven dan ook niet en om te weten te komen of de dienaren „haer tot derzelver onderhout niet al te veel en aproprieeren" eischte hij, wat hem in zijn instructie bevolen was „de openinge der middelen met leveren van staet en inventaris." Daartoe echter was geen der dienaren te bewegen. Inzage van particuliere zaken, dat ging niet. Van den directeur Winnincx kreeg van der Dussen geen steun. Die beriep zich er op, dat ook in Masuli- patnam op de kust van Coromandel slechts op een „simpele verclaringe was geprocedeerd." Dus moest de fiscaal van het straffe, maar afdoende middel afzien. De weigering der heeren doet wel ten zeerste vermoeden, dat er wel overgegaarde penningen waren, die quasi voor de huishouding noodig, in den handel gebruikt werden. De raad te Suratte had het niet wenschelijk geacht direct na aankomst het schip Venenburgh te lossen, omdat de tijdsomstandigheden den handel belemmerden en de uitgeladen goederen misschien aan plundering zouden worden bloot gesteld. Toen evenwel eind Januari 1658, Moerad Bax van de stad was weggetrokken, zijn oudsten broer Daragacour tegemoet, kwam er verlevendiging in den handel en werd 4 Februari met 't lossen begonnen, waarmede men 21 Februari gereed was. Van der Dussen, volgens zijn instructie, was voortdurend in het ruim van het schip er bij tegenwoordig geweest. Hij vond de drie pikols koper voor den assistent Huisman bestemd en bovendien, verborgen onder de kruidnagels, nog 17 pikols, die bleken toe te behooren aan den opperstuurman Pieter Speelman. In de zeilkamer achter het beschot „dat onmogelijk bedacht scheen" had schipper Hendrik Juriaensen zijn partijtje van meer dan 50 pikols koper verborgen gehad. Zij waren met de boot door den onder- 197 stuurman Cornelis Joosten aan boord gebracht. Op reis tusschen Wingurla en Suratte was het koper uit de kistjes genomen en in meer dan 300 zakjes genaaid, die bij donkeren nacht in 2 of 3 reizen weer door den onderstuurman met de boot naar 't strand waren geroeid. De 17 pikols van Speelman waren door den hoogbootsman „uyt de nagelen gegraven", aan de matrozen in hun kisten in bewaring gegeven en eveneens bij nacht van boord gebracht. Hoe de fiscaal deze particulariteiten ontdekte, vertelt hij niet. De bijzonderheden moeten gebleken zijn bij het verhoor, waaraan de medephchtigen voor den raad te Suratte werden onderworpen. Slechts enkelen legden verklaringen af, maar zij weigerden die met een eed te bevestigen. Tegen een onderteekening hadden zij geen bezwaar. Maar de raad, die behalve den nieuwen directeur niet den minsten ijver toonde, had dat wel. En zoo was de fiscaal gedwongen de begonnen procedure op te schorten, tot Van Goens zelf te Suratte zou verschijnen. Bij het laden van de Venenburgh had Van der Dussen geen parti- culiere goederen kunnen ontdekken. Van de opbrengst der geloste goederen kon de fiscaal in zijn rapport nog niets mededeelen, daar de tijdsomstandigheden de veiling nog niet gewenscht maakten. Maar wel kon hij de verzekering geven, dat de voorgenomen manier van verkoop bij gesloten briefjes (de japansche wijze) door de kooplieden zeer werd gewaardeerd. Alleen de twee groote handelaars Wiersia Wora en Mondas Naan moesten er niets van hebben, de contractatie was hun wel zoo aangenaam geweest. De fiscaal verwachtte, dat in het vervolg de voorgeschreven methode zou worden gevolgd en dat dan de vastgestelde prijzen met name van de nagelen zou worden bereikt. Ten minste „soo den iver ende vigilantie, die den E. directeur daerinne betoont, van anderen, die 't niet betamen soude, door instigatie, misleydinge, directie ofi^ wel prodigaliteyt van de ongeneijgde Benjanen (Wiersia Wora en Mondas Naan) niet en wordt gecontramineert." Van der Dussen voelde wel, dat een nieuwe directeur te Suratte heel vast in zijn schoenen moest staan om tegen de „prodigaliteit" der groote koop- heden en tegen de ingeroeste gewoonten der dienaren van het kantoor bestand te zijn. Ook de administratie der gelden werd door het nazien der boeken 198 aan een inspectie onderworpen. Hieruit bleek, dat het beheer der gelden van het kantoor, die na den verkoop der specerijen een hooge som beliepen, was opgedragen aan den opperkoopman Dirk van Adrichem. Deze liet het geheel over aan den wisselaar Mondas Naan. die voor kassier fungeerde en die voor zoo'n groote administratie nooit eenige borgstelling had gestort (nooit heeft „geca- veerd"). Van de ontvangen gelden kwam nooit een penning in de logie. Slechts vond de fiscaal quitanties voor kleine dagelijksche uitgaven („dagelycxe kleyne guastos"), die de wisselaar aan de logie had uitbetaald. En met deze gelden uit de kas der Compagnie was het ook niet zuiver. Zij waren gebruikt „soo men voorgeeft" tot betaling van hetgeen de tafel maandelijks meer kostte dan het kostgeld bedroeg. Aan dien wantoestand werd op bevel van Van Goens een eind gemaakt. Koopman Joost Clant, die daarvoor uit Brootsja ontboden was en lederen dag kon arriveeren, was aangewezen om in 't vervolg de „tresorie der penningen" te beheeren, waarvoor in de logie een vertrek werd ingeruimd. Naast deze groote onregelmatigheid vond Van der Dussen kleine knoeierijen in de op 31 Mei 1657 gesloten boeken van het kantoor. Zoo waren de honoraria (ƒ2340 : 18.) aan een moorschen en hol- landschen dokter, die den gestorven directeur Van Gendt hadden behandeld, op rekening van de Compagnie gesteld. ^) Evenzoo was geschied met de salarissen door juffrouw Van Gendt bij haar vertrek betaald aan moorsche makelaars en huisdienaren. Voor dezelfde juffrouw, geboren EUsabeth Calandrijn, was op de onkostenrekening van het jacht Naarden, dat haar naar Batavia voerde, een som gebracht van ƒ493, „bij haer over diverse ververschingen gegasteert." Het logie-gebouw van de Compagnie had behoord aan zekeren Palloan Sopheet, die gestorven was. Aan de erfgenamen van genoem- den heer was in Mei 1657 boven de huur een som geleend van f 7491 : 16., waarvoor nog nooit eenige rente was betaald. De Com- pagnie moest intusschen het geld tegen hooge interest „negotieeren." Van den vroeger reeds genoemden Pieter de Bie ^) met zijn h Het graf en de begrafenis van Van Gendt was ook al op rekening v. d. Comp. gesteld voor ƒ 4376 De Heeren in Batavia zullen het echter zijn weduwe laten resti- tuceren. (Missive v. G.-G. en R. aan Isacq Coedijck 5 Sept. 1657). 2) Zie boven p. 109. 199 „schraepachtigen aert", die, eerste opperhoofd op het nieuwe kan- toor te Sindi, dadehjk aan den particulieren handel was gegaan, vond Van der Dussen in het resolutieboek van den raad, weer nieuwe „vuijlicheden." Hij had n.1. de in Sindi gekochte goederen voor 8887 V4 realen meer ingeschreven, dan er voor betaald waren. Zijn „gedoente" was door een commissaris en diens adjunct ^) ge- inspecteerd, met het gevolg, dat hij naar Suratte was opgezonden. Hij moet echter een beschermeling, misschien handlanger, van Van Gendt geweest zijn. Want, ofschoon die directeur zijn handelingen ten zeerste strafbaar noemde, was de ontrouwe dienaar niet voor den raad gedaagd, waren de commissaris en zijn adjunct niet ge- hoord, noch was een rapport van hen verlangd. Bij eenvoudige resolutie, zonder procedure, waren de handelingen van De Bie ge- laakt. En hij zelf was, zooals wij reeds zagen, ^) benoemd tot opperhoofd van het gewichtige kantoor te Agra. Om voor hem plaats te maken, was de koopman Jan Tack teruggeroepen onder voorwendsel van „neglegentie." Na den dood van Van Gendt was bij Tacks verantwoording gebleken, dat van die beschuldiging niets waar was, en hij werd dan ook naar zijn vorige standplaats terug- gezonden, Aan de Compagnie had deze wisseling van opperhoofd intusschen 4000 realen gekost! En De Bie te Agra? Die had weer dadelijk van de gelegenheid geprofiteerd. Met een partij tin en 11 a 12 sokkels') foelie was hij vertrokken. Op naam van de Compagnie had hij die goederen door den tol gesmokkeld, en ze daarna tegen hoogen prijs verkocht. De fiscaal klaagde hem aan bij den raad en eischte, dat de ge- slepen, ontrouwe dienstknecht „gesuspenseert van qualiteijt en gages" naar Batavia werd gezonden. Het laatste konden de confraters niet tegenhouden; maar zijn qualiteit en gage ontnamen zij hem niet. Ten minste zoo lang zij konden. Hij ging over Ceylon en daar zou Van Goens verder over die zaak beslissen. Aan de dienaren der Compagnie werd in Indië het salaris maar voor een deel uitbetaald, de rest bleef onder beheer van de Com- pagnie en werd bij terugkeer in patria met rente uitbetaald. *) Dat ') Zie boven p. 111. ') Zie boven p. 113 vlg. ') Een sokkel = = 154 pond. ') Zie boven p. 18. 200
180
180 gesteld. Wel kwam de portugeesche macht weer met zonsopgang naar buiten, opzeilend tot benoorden de Aguade; maar weer werd het stil en de vijanden konden niet bij elkaar komen. Eerst tegen den avond kwam er een „cleijn luchien uijtter zee". zoo „slouw" echter, dat de vijand bij daglicht niet meer te bereiken was. En van nachtelijke gevechten had Roothaas vooreerst genoeg. Hij besloot daarom 's nachts in 's vijands nabijheid te blijven om hem den volgenden dag met alle kracht aan te tasten. Toen de vijand dus met een n.n.w. wind zuidwaarts wendde, begeleidden hem op twee kanonschoten afstand de nederlandsche schepen tot de duisternis was gevallen. Want toen verloren zij hem uit het oog, omdat hij zijn vuren doofde. Eerst na middernacht werden weer vuren gezien. Eén er van was grooter dan de andere. Dat moest natuurlijk van het admiraalschip zijn. Daar spoedig de maan moest opkomen en de zee met haar schijnsel zou verlichten, gaf Roothaas bevel op de lichten aan te houden. Hij zelf ging op het groote Ucht af. Nadat de vloot een half uur gezeild had, kwam de maan op en ... . de vuren bleken op het land te staan. Naief merkt de com- mandeur in zijn rapport aangaande die vuren op: „die dencke daer geset waeren om ons te diverteeren." Zouden zij er ook niet gezet kunnen zijn om hem op het strand te laten loopen? De maan was hier reddend op tijd verschenen. De vijandelijke schepen waren bij het klare maanlicht nergens te ontdekken. Toen de dag aanbrak, vertoonden zij zich bij de Aguade en Roothaas zag toen ook, dat hij zelf door de vuren, de stroom en de z.w. wind „vrij wat om de noort was gediverteert." Weer bleef het dien dag stil tot na den middag, toen er eindelijk een zuchtje kwam uit het n.w., te zwak om den vijand nog bij dag te bezeilen. Maar den 29^'=° zouden de Nederlanders hun hart kunnen ophalen. 's Morgens met den dageraad bemerkte Roothaas den portugeeschen admiraal V2 niijl van zich af, koersende naar den wal. Vermoedelijk wilde hij eerst zijn in den nacht verspreide schepen verzamelen. Maar Roothaas wilde hem daartoe den tijd niet gunnen en zeilde met zijn schepen dadelijk op hem af. De vijand, dat ziende, wendde om het aangeboden gevecht aan te nemen. Tegen twee uur in den middag waren de vloten bij elkaar. De verzameling van de portugeesche vloot had de commandeur dus niet verhinderd. 181 De Phenix hield recht op de Sacrament, het admiraalschip, aan. Hoe meer hij echter met vollen wind zeilende den vijand, die bij den wind liep, naderde, hoe meer deze afhield en met zijn snel geschut van verre schietende, den hoUandschen commandeur ontweek. 6^ ^^ FhenLx Si Sa/rament Admirsal II. 29 januari. 1^ phase. Daar de Portugees beter bezeild was dan de Hollander, kon Root- haas hem niet bijkomen, liet hem schieten en voer met de hem volgende schepen boven den wind dicht langs de achter hun admi- raal volgende Portugeezen. ^^^ ^ "^^ cc-adm. i5"? S(urtim£nt Admiraal II. 29 Januari. 2^ phase. In 't passeeren werd „van beijde sijden wacker met canon op mal- canderen gespeelt." Toen het laatste schip gepasseerd was, wendde de commandeur zijn schepen voor den wind, om te trachten den vice-admiraal, die met vijf galjoenen in lij achter den admiraal aan kwam zeilen, aan te grijpen. Maar de vijand, allereerst bedacht op het voordeel van den wind, „smeet alle seylen bij" en liep zoo scherp mogelijk bij den wind zeilende juist voor Roothaas en de zijnen 182 langs, zoekende buiten schot te blijven. Het gelukte den vijand door betere bezeildheid boven den wind te komen, % \ \ Phi^rax S^AnTharof «i* II. 29 Januari. 3^ phase. maar in 't passeeren werd van beide zijden „wacker met canon ge- chargeert", waarbij de St. Anthony van den vice-admiraal werd lek geschoten en begon over te hellen. Intusschen had de admiraal zich met zijn eskader gewend en was boven den wind om de neder- landsche vloot heengevaren om die in den rug aan te vallen („achter in onze staart"), waar zijn vuur niet onbeantwoord bleef. & SarramsTit AdmirMi 'S^AnthoTvf vice-ddm. ^« e/Cc. II. 29 Januari. 4^ phase. Tegen den avond deed de portugeesche admiraal een schot met los 183 kruit, om de zijnen te waarschuwen, en trok zich naar den wal terug. De Nederlanders, de vuren van den vijand in 't zicht houdend, volgden. Tegen den morgen („in 't jongste van de tweede wacht") van den 30***^° Januari lag de vijand aan de loefzijde door „'t scavelen" ^) van den wind een weinig naar achteren geraakt, zoo dat Roothaas meende hem wel te kunnen bezeilen. Maar dat viel niet mee. Op een afstand van wel 2 of 3 kanonschoten koerste de beter bezeilde Portugees voor hem langs naar de „bhare", zonder van het voordeel van den wind tot een aanval gebruik te maken. Gedurende eenige dagen bleef de vijand voor de „bhare " zonder verder uit te komen. Alleen trachtte hij door schieten de Hollanders te verleiden tot „consumeren van ammonitie." Op den morgen van den 3'^^° Februari was de vijand slechts V2 mijl van de blokkade-vloot verwijderd en daardoor de gelegenheid geboden een „contredans met haer te dansen." De wind was n.n.w. langs de kust. Roothaas zeilde met de geheele vloot op hem af. De Portugees zulks bemerkende, kwam met „alle furie" de Hollanders tegemoet. De wind draaide in zijn voordeel n.n.o. („soo de wint wat landelyckte"), zoodat hij weer de loefzijde houden kon. St^ Sacrament „^ -,-_ Admiraal Phe/ax III. 3 Februari. !« phase. Nog voordat het nederlandschc geschut hem kon raken, schoot de vijand reeds met zijn boegstuk over de Phenix heen. Toen zij elkaar binnen een musketschot afstand genaderd waren, kregen de Portu- geezen van het commandeurschip, de daarop volgende Zierikzee en van de Tholen (vice-commandeur Van Leenen) bij 't passeeren de volle laag. De Portugees zette alle zeilen bij („stack by") om aan den dans te ontkomen. Hij moest echter blijven, want het werd windstil, 't Was 8 uur in den morgen. „OngelofFelijck werde met canon op malcander gespeelt." 's Vijands admiraalschip verloor met zijn bram- ^) Hier: het weifelen, zoeken van den wind tusschen zee- en landwind. 184 steng zijn vlag, en geen Portugees deed moeite gedurende het gevecht een andere op te zetten. StSaa^tw"^ III. 3 Februari. 2^ phasc. Het artilleriegevecht duurde tot 's middags één uur, toen de zeewind begon door te blazen. Dadelijk zetten de portugeesche schepen koers naar de kasteelen. ^) En weer gelukte het hun door betere bezeild- heid aan de afsnijding, die Roothaas beproefde, te ontkomen. Zij waren daarbij vóór de nederlandsche schepen langs gezeild, want tegen den avond lagen de Portugeezen op twee kanonschoten afstand in lij van Phenix, Zierikzee en Tholen, de snelste zeilers van de hollandsche vloot, die getracht hadden den vijand vóór te zijn. ^ Tfwkn> ^. III. 3 Februari. 3^ phase. Roothaas, nu voor den wind, stevende met zijn snelle zeilers (ver- moedelijk in de koers z.o.) recht op den vijand aan, hopende, hem nu naar 't zuiden van de kust af te dringen, en in de verwachting. ^) Hoeveel schepen er van den vijand aan het gevecht deelnemen, is niet duidelijk. Minstens het eskader van den admiraal, vijf schepen. 185 dat de andere schepen hem, als het tot een gevecht kwam, wel zouden kunnen inhalen. „Doch wat wast? Den vijand stelde sijn cours recht van ons aff en bleef soo aen't voorloopen en worde ondertusschen doncker." Tholtnf Zürütxeé' Hl£KtX «. „ ^« Lmsta'TïU Anmirjgi ^ ^mlm^ "^ SiuTiunent III. 3 Februari. 4^ phase. Op die duisternis had de vijand gerekend. Hij was ongeveer Vs ™ijl van de Aguade verwijderd. Hoe de commandeur ook zijn best deed, te zien waar de vijand bleef, hij kwam er niet achter. Want de vijand zette zijn vuren niet op, de maan kwam niet te hulp en den volgenden dag lagen zijn schepen veilig onder de Aguade. Zij waren in de duisternis de blokkadevloot ontkomen. Het was een groote teleurstelUng voor den commandeur, die zoo gehoopt had „met den dage hem met cracht eenmael tot ons contentement soude connen attaqueren." Hij mocht slechts zijn hart luchten met de schampere opmerking dat de vijanden „dese nacht schandelyck uytter zee zijn geloopen", en zich trachten te troosten met de door eigen oogen 186 geziene en door overloopers (vermoedelijk over Wingurla) bevestigde schade den Portugees toegebracht, wiens admiraalschip „syn ronthout wacker doorboort en 't loopende want heel schadeloos (beschadigd) was, neflfens vele dooden." Van zijn eigen verliezen deed de com- mandeur geen mededeeling. Na dit gevecht moesten de Hollanders lang wachten voor zij weer een kans kregen. Wel zeilde Roothaas den P'^° Maart met zijn schepen dicht langs de Aguade, drie losse schoten naar zee schietend, om den vijand uit te dagen — maar hij kwam niet. Hij was nog bezig de geleden schade te herstellen en het groote galjoen „Bon Jezus de Carmel" met peper, kaneel en andere waren te laden om die over Mozambique naar Portugal te zenden. Zoo werd van de vloot uit gezien en van Wingurla vernomen. Eerst 28 Maart was de vijand met zijn preparatieven gereed. Op dien dag zou de vierde en laatste ontmoeting plaats hebben, 's Morgens vroeg kwam de vijand met 8 galjoenen en 13 fregatten met den landwind opzetten en begon weer van verre te schieten. De com- mandeur met zijn Phenix, Zierikzee en Weesp, het midden-eskader vormend, kreeg het eerst een „weynich koelte" uit het z.o. waarvan hij gebruik maakte om op den vijand toe te zeilen. Toen hij des vijands admiraal op een steenworp afstand was genaderd, werd het doodstil, zoodat geen van beide van plaats kon veranderen. Dapper en schier „ongelofFelyck werd met musquetten en canon op malcander gesargeert ", bij welk eerste treffen het eskader van den commandeur 24 gewonden kreeg, van wie er den volgenden dag twee stierven. Terwijl hij met zijn schepen zoo midden tusschen de vijandelijke vloot lag, kwam van het zuiden de schout bij nacht Rins Jansen met z'n drie schepen te hulp. Hij had met Vlieland, Workum en Goutsbloem twee kanonschoten ten zuiden van Roothaas voor de bhare gelegen. Om bij Roothaas te komen moet hij dus van kleine plaatselijke zuchtjes bij het opkomen van den zeewind hebben gebruik gemaakt. Intusschen deed ook de vice-commandeur van Leenen met Tholen, Ter Schelling en Leeuwin twee kanonschoten ten noorden van Roothaas voor de bhare gelegen, zijn best om bij de vechtenden te komen, wat hem gelukte. Zoo was dan eindelijk de geheele vloot met de Portugeezen slaags. Van voren, van ach- teren en van beide scheepsboorden werd gedurende eenige uren geschoten „zoo veel als lossen en laden conden", met het resultaat 187 dat bij vriend en vijand het loopende want en de zeilen aan flarden geschoten werden. Zoodra de zeewind begon op te steken, deed de Portugees zijn best om naar de bhare terug te wijken. De Hollanders trachtten het hem te beletten. Zij hadden het geluk van het galjoen St. Thomas de groote mast af te schieten. Deze nam in 't vallen de bazaansmast mee, zoodat het schip, ontredderd, niet kon ontkomen. Het werd zoodanig onder vuur genomen, dat het in brand raakte en in de lucht vloog. Van de bemanning werden 7& door de Neder- landers gered. ^) Ook de portugeesche fregatten trachtten de schip- breukelingen te hulp te komen „maar soo een deel cogels om haer ooren cregen, stelden 't mede aan 't loopen." 't Gevecht had plaats gehad op ongeveer 3 kanonschoten van de kasteelen, waarheen de Portugeezen zich terug trokken. Zelfs met de best bezeilde schepen kon Roothaas hen niet inhalen, van afsnijden was zelfs geen sprake; in 't zeilen waren de Portugeezen altijd de baas. Bovendien werd bij 't achtervolgen het groot marszeil van de Phenix, dat al veel geleden had, uit de lijken geslagen. Hij hield maar „Vs fock met een heel schadeloos voormarszeyl" over „soodat het najagen weynich clem hadde." De commandeur moest zich vergenoegen met weer de blokkade- positie in te nemen, twee kanonschoten van de kasteelen verwijderd. Daar kon hij zijn bekomen schade zooveel mogelijk herstellen. „Siet daer", glorieert de overwinnende commandeur, „de conincklycke vloot, die scheen d' heele wereld dwingen wilde voor de derde mael ^) soo schandich wtter zee geslaegen"; maar hij moet er spijtig bij- voegen, erkennend, dat de overwinning toch niet volkomen is: „en voorwaer soo wij haer in ruym gehadt hadden, souden sonder twijfel de heele vloot geslagen hebben off ten minste geruyneerd." Of hem dat inderdaad gelukt zou zijn, is de vraag, want zijn kruit en lood waren vrij wel verschoten. Hevig was er van nederlandsche zijde met „canon gespeelt." De Phenix alleen had 750 schoten gelost, die voor 't gevecht in kardoezen waren gereed gemaakt, en daarna nog ^) Deze gevangenen berichtten, dat het admiraalschip, voor het er van door ging, reeds 40 dooden had, o.a. de kapitein en de „piloot-majoor." J. J. Saar, a. w., p. 134 spreekt ten onrechte van een rijkgeladen schip, dat in de lucht vloog, en van 300 gevangenen. -) Hij bedoelt de vierde. Ook de Gen. Miss. van 14 Dec. 1658 aoemt maar 3 ontmoetingen. Waarom die van 3 Febr. overgeslagen wordt? 188 omtrent 100 versche schoten. Dat de andere schepen zich ook niet onbetuigd gelaten hadden, blijkt uit de geringe hoeveelheid kruit, die den volgenden dag nog op de vloot bevonden werd: 4000 'S, ^) in sommige schepen maar 6 schoten voor ieder stuk. Daarmede hadden de Portugeezen het doel bereikt, dat Roothaas hun toeschrijft. De commandeur merkt n.1. in zijn verslag op, dat de vijand in 't begin heel heftig schoot, maar „daerna quam het schut seer langsaem te boort en bleven de poorten veel toe." En later zegt hij, dat de vijand niets anders in 't zin had „als ons met schermutsels van ammonitie t' ontblooten." Als dat werkelijk zijn doel geweest is, mag het be- vreemden, dat de Portugees niet nog een poging gewaagd heeft om met zijn geheele vloot of de minst gehavende schepen een uitval te doen, en te trachten de Bon Jezus te doen ontsnappen. Want om dat schip uit de bhare naar Mozambique door te krijgen, was de uitval gedeeltelijk begonnen. Toen de vijandelijke vloten elkander naderden, had het galjoen zijn stengen opgezet. De gevangenen gaven ook te kennen, dat het 't plan was geweest het geladen schip, zoodra de vechtende vloten een eind in zee zouden zijn bij donkeren nacht aan de blokkade te doen ontsnappen. Door de windstilte hadden de vechtenden zich niet zoo ver van de kust kunnen verwijderen, dat de Bon Jezus met kans op succes de bhare kon verlaten, en daarna maakte de zeewind de vlucht geheel onmogelijk. Daarom hadden de Portugeezen ook gelijk bij 't opsteken van den zeewind naar de kasteelen terug te keeren. Het doel van den uitval was toch niet meer te bereiken. Roothaas weet het mislukken van hun plan aan zijn snel optreden alleen. Of hij gelijk had? Nog gingen er in de volgende dagen geruchten, dat de vijand weer een poging tot breking der blokkade zou wagen, maar tevens werd vernomen, dat het geladen schip zijn stengen weer af nam, en zelfs weer gelost werd. Den 14^° April werden vier van de grootste schepen des vijands binnen de bank van Mormogan gehaald en een ander de rivier opgebracht tot voor de stad. De overige drie, die onder bescherming van de Aguade lagen, werden onttakeld. De Portugeezen gaven de pogingen tot doorbraak voor dit seizoen op; de taak van Roothaas was afgeloopen. Op verzoek van Van der Meyden had hij reeds den 9^^" April de *) Gen. Miss. 14 Dec. 1658 spreekt van „14000 "g en naar advenant scherp." 189 Leeuwin naar Barcelor gezonden om rijst voor Ceylon te halen en op den avond van den 18'° vertrok hij zelf met vier schepen, alle militairen, overloopers en gevangenen medenemend, naar Ceylon. ^) Van Leenen werd achtergelaten om op den vijand, die nog niet al zijn schepen onttakeld of de rivier op gesleept had, te passen. Zoodra hij zag, dat de vijand zijn laatste schepen „disarmeerde," moest hij den commandeur volgen met Tholen, en Rins Jansen achter laten om nog tot 2 of 3 Mei voor de bhare te blijven kruisen. Twee dagen na 't vertrek van den commandeur kwamen nog 30 a 35 fregatten, waaronder 12 oorlogsbodems uit Goa's bhare om naar 't noorden te ontkomen. De kruisende jachten dreven hen binnen de rivier Chapora. Toen de laatste jachten der vloot ver- trokken waren, beproefden zij nog hun reis noordwaarts te vervolgen, maar de „contrarie" noordwestenwinden dreven hen terug, zoodat zij in de rivier of binnen Goa's bhare werden terug gedreven, ^) Roothaas ontmoette voor Cotchin, 26 April, het jacht Ter Veer, komend van Ceylon. Hij gaf het bevel tot 8 a 10 Mei voor de stad op schepen uit het noorden te kruisen en over Tutucorijn met be- velen van Eduard Ooms terug te keeren. In Calecoelan bezocht hij het daar reeds jaren resideerende opperhoofd Reinier Serooskercken, met wien hij besprekingen hield over een eventueelen aanval op 't portugeesche Coelan, door de vloot van 't volgende seizoen. Den 2den f^gj kwam hij met 3 schepen ^) voor Gale. De meegevoerde soldaten werden er uit gelicht en dadelijk buitenom ter versterking van het belegeringsleger naar JafFanapatnam gezonden. ^) Vier dagen later kwam Van Leenen met Tholen voor Gale en den IS'*'" ook Rins Jansen met de overige schepen der blokkade-vloot. Roothaas was toen reeds met zijn Phenix in gezelschap van de fluit Venenburgh *) op weg naar Batavia, voor welke stad hij den 4'^'° Juni 1658 zijn rapport aan Gouverneur-Generaal en Raden onderteekende. ^) ') Volgens zijn order van Van Goens had Roothaas 15 April moeten vertrekken. 2) Missive van Pietcr van Zantvliet uit Wingurla naar Batavia 4 juli 1658. ^) Phenix, Zierikzee, Weesp. Terschelhng en Leeuwin kwamen 3 Mei aan. (Gaelse Missive van 8 Mei 1658 naar Batavia.) *) Vertrokken 10 Mei. (Gaelse Missive van 20 Juni 1658 naar Batavia.) ^) Roothaas deelt in zijn rapport mee: Soude oock nae de consonante verclaringh van vele nautrale personen [de vijand] in alle dese 4 bataljes 700 man verloren hebben. Zijn eigen verliezen, toch zeker gemakkelijker te constatecren geeft hij niet op. Van Goens in zijn Missive van 6 Juli schat het verlies der Portugeezen voor Goa op ± 450. 190
170
170
wat tot 30 September nog in schepen werd aangebracht, zelfs kerk-
sieraden, misgewaden en alles, wat tot den kerkdienst behoorde,
meenemen. Alleen de klokken moesten zij achterlaten.
Met de verovering van Tutucorijn, Manaar, Jaffanapatnam en
Negapatnam had Van Goens het eerste gedeelte van zijn opdracht
als veldoverste en admiraal verricht. Dat hij het had kunnen doen,
zonder door ontzettingspogingen van de Portugeezen gestoord te
worden, dankte hij voor een deel aan het optreden van Roothaas
voor Goa. Zien wij in een volgend hoofdstuk, hoe het dien com-
mandeur en zijn vloot was gegaan sedert het vertrek van den
superintendent.
/^/7 1 i-cn-n
Min ^JiUren. .
€en Galfoat
77u) f Schip van boyen üi Iüuul
Fluiten en een galjoot.
Uit Witsen, Aloude en hedendaegsche scheepsbouw. (Amsterdam, 1671.)
HOOFDSTUK VIL
ADRIAAN ROOTHAAS VOOR GOA.
In den „breeden raets Vergaderinge" van Donderdag 29 November
1657, in het schip Ter Goes voor Goa's bhare gehouden, was vast-
gesteld met welke macht Adriaan Roothaas de Portugeesche haven
zou bUjven bezetten.
Het waren 9 schepen, bemand met 1021 koppen ^), gewapend met
^) Zijn eigen 935 man versterkt met 86 soldaten van Van Goens. (Volgens 't
Rapport aen den Ed. H^ Joan Maetsuycker, gouV Generl ende de E.E.hfen Raden
van India, gedaen bij Adriaen Roothaes, command"" over de oflF en defencive vloote
voor Goa's bhare. Actum Phoenix voor Batavia dezen 4^" Juni 1658, waaraan dit
hoofdstuk voornamelijk is ontleend.) De missive van Van Goens 6 Juli 1658 spreekt
van 't achterlaten van 10,000 % buskruit, 115 soldaten en 24 stukken geschut uit zijn
eigen schepen.
172
355 stukken grof geschut. ^) Als admiraalschip fungeerde de Phenix
met 49 stukken, waaronder de zwaarste, twee „metale france cartou-
wen," schietende 36 pond.
Volgens de laatste van de overloopers verkregen berichten kon de
vijand hier 10 schepen tegenoverstellen met 296 kanonnen. ^)
^) De geheele macht bestond uit de volgende schepen:
1 schip Phenix 400 last 49 stukken
1 jacht Ter Tholen 180 „ 39
1 „ Ter Schelling .... 260 „ 39
1 „ Vlielant 200 „ 36
1 „ Zierickzee 200 „ 36
1 „ Goutsbloem 270 „ 38
1 „ Weesp 280 „ 38
1 „ Worcum 180 „ 34
1 „ Leeuwin . . . . . . 200 „ 26
9 schepen. '. ~. \ '. '. ^~. . 2170 last~= 4340 ton 335 stukken
Ter Tholen had bovendien nog 3 „isere bassen" en voor zijn boot 2 „stecnstuckcn."
Het kaliber der stukken was als volgt:
2 van 36 pond 101 van 8 pond
3 „ 24 „ 98 „ 6 „ Samen 335 stukken, waaronder
14 „ 18 „ 10 „ 4 „ 25 „metale" en de overige „isere
100 „ 12 „ 2 „ 3 „ stucken."
1 „ 10 „ 4 „ 2 „
(Res. v. d. Verg. van 29 Nov. 1657 en de Lijsten van de navale macht in India
van 15 Jan. en 11 Dec. 1658. Vgl. jhr. Mr. J. C. de Jonge: Geschiedenis van het
Nederl. Zee wezen 1, p. 220 vlgg. over de uitrusting der schepen van de Compagnie
en p. 270 over de uitrusting der schepen van de admiraliteiten ten tijde van den
slag bij Duins, waarmede die van Roothaas ongeveer overeenkomen.)
^) De macht van den vijand bestond uit de volgende schepen:
St. Sacrament admiraalschip 48 stukken (68)
St. Anthony d'Esperance vice-adm. . . 40 „ (38)
Bon Jezu de Videgere 30 „ (60)
St. Francisco 30 „ (40)
Bon Jezu de Carmel 30 „ (54)
St. Thomée 30 „ (36)
St. Philippe Nova (St. Johan Baptist) . 24 „ (36)
St. Laurens 24 „ (40)
St. Maria d'Asika 30 „ (34)
't Pattache (Nosso S^a de Bemedie) . . 10 „ (26)
Somma 296^ „ (43^
De opgave is overgenomen uit de Res. v. d. Verg. van 29 Nov. De ( ) ge-
plaatste cijfers en namen zijn uit het rapport van Roothaas. De Gen. Miss. 14 Dec.
1658 neemt de cijfers van Roothaas over en niet die van de Resolutie. Roothaas
heeft zijn opgaven ontleend aan „geintercipieerde brieven." 't Is natuurlijk mogelijk,
dat Roothaas tot zijn meerdere glorie, evenals de Hecren in Batavia, de grootste
opgaven vermeldt, en ook, dat de Portugeezen de brieven met opzet lieten „interci-
pieeren " om de Hollanders een groot idee te geven van hun macht, en hun vrees
in te boezemen. In de vier gevechten, die geleverd zijn hebben de Nederlanders de
Het schip „De Phenix ".
Fragment van een schilderij van W. v. d. Velde de J. te Buda-Pest.
173
In het midden voor de bhare lag Roothaas met de Phenix, Weesp en
Zierikzee. De vice-commandeur Adriaan van Leenen sloot den noor-
delijken uitgang bij 't kasteel Aguade af om in- of uitgaande fregatten te
keeren. Hij had het bevel over de schepen Tholen, Ter Schelling en
Leeuwin. In het zuiden tegenover 't kasteel Mormogan hield de schout-
bij-nacht Rins Jansen de wacht met de Vlieland, Workum enGoutsbloem.
Zoolang er eenige grond was om te vermoeden, dat de vijand een
uitval zou wagen, moesten de schepen bij elkaar blijven en mocht er
zelfs geen naar Wingurla gezonden worden om ververschingen te
halen. Als er water noodig was, moest het door inlandsch vaartuig
gehaald worden.
„Soo den vyant uijtcomt, dat God tot grootmakingh zijns H. naems,
eere van 't vaderlant, welvaren der Comp^ en 't onser salicheijt ge-
nadich verleende", moest zooveel mogelijk gehandeld worden naar
de „Ordre om bij uytcomste van den vyant ('t welck na alle appa-
rentie 's morgens met de lantwint sal geschieden) te houden enz."
Zoodra bemerkt werd, dat de vijand dan 's morgens met den land-
wind aanstalten maakte buiten de bhare te komen, moest de vloot
de ankers lichten en zich met den meestal noordwest wordenden
wind zachtjes laten afdrijven, liefst tot bezuiden de Copers eilanden.
Als het gelukte den vijand zoo buiten en bezuiden de bhare te lokken,
zou dat een begin van overwinning zijn. Want met den noordwesten
wind zou de vijand niet gemakkelijk terug naar Goa kunnen ontsnappen.
Was de vijand zoo een mijl of meer uit de kust gelokt, dan zou de
geheele vloot verdeeld in de drie bovengenoemde eskaders met volle
zeilen op den vijand afgaan en zich dwars door hem heen slaan.
Adriaan Roothaas met de Phenix voorop, gevolgd door zijn twee
andere schepen, moest recht op den portugeeschen admiraal aansturen
en hem niet eerder de volle laag geven, voor hij dwars op zijn zijde
was en zeker hem te raken. Met de kanonnen van de andere zijde kon
dan onderweg den vijand zooveel mogelijk afbreuk gedaan worden.
zee behouden. De Portugeezen waren in bezeildheid de meerderen; in zeeraanskunst
en taktiek zeker niet de minderen. Dan moet de grootere gevechtswaarde van de
Nederlanders den doorslag gegeven hebben. Deze kan bestaan hebben, zoowel in de
personen als in de betere bewapening. Daarom is in den tekst de opgave van de
Resolutie overgenomen.
Ook volgens J. J. Saar, Fünfzehn Jahrige Kriegs Dienst, p. 133, waren de Neder-
landers door hun handiger geschut en lichtere schepen in het voordeel: „kunten wir
Ihnen zweimal die volle Laag geben, ehe sie einmahl."
174
Rechts van den commandeur, hem zoo dicht volgende, „als soldaat-
en zeemanschap lijden mach", zou van Leenen met zijn drie schepen
op den vice-admiraal los gaan, en Rins Jansen aan bakboord op het
derde portugeesche eskader.
Zoodra zij op die wijze door den vijand waren heengeslagen,
moesten de kanonnen direct weer geladen en de vijandelijke vloot
van de andere zijde doorgevaren worden, altijd met de gedachte
hem immer meer zuidwaarts te lokken.
De plaats van den „geprepareerde brander" was bij den aanval dicht
achter den commandeur aan lij, om „in 't passeeren van des vijants
admiraal hem den zelven aen boort te smijten". De bemanning moest
zich met de „chaloup" op 't commandeurs- of een ander schip
zien te redden.
Mocht de commandeur komen te vallen, dan moest de kapitein
van de Phenix, Cornelis Stemper „daerom niet swichten, maer de
vlagge in behoorlijcke postuer als voorheen laten waijen" en zoo ook
bij verder sneuvelen van de scheepsofficieren, ieder op zijn beurt, tot
den minsten officier toe. Zijn plicht getrouw vervuld hebbende zou
deze dan, „zoo hij capabel" was, 't schip de Phenix ook als schipper
verder commandeeren. 't Zelfde gold voor de schepen van de andere
vlagofficieren : geen verandering in de vlaggen, opdat „den vyant
door alteratie der vlaggen den moet niet mocht comen te wassen".
Ieder overblijvend officier, die zich na 't sneuvelen zijner meerderen
wel van zijn taak kweet, zou niet alleen als schipper zijn vaartuig
verder commandeeren, maar wegens manhaftig gedrag nog met een
jaar gage beloond worden. ^)
De vijand was van plan een kostelijk geladen schip naar Portugal
af te zenden. Natuurlijk zou het bij een uitval de bedoeling zijn, dat
jacht door de blokkade-vloot heen te brengen. Den commandeur werd
op het hart gedrukt er wel op te letten, „dat ons de sucht tot den
buijt niet van de victorie en diverteert." Eerst wanneer van de
Phenix een afgesproken teeken gegeven werd, zou een aangewezen
jacht uit de vloot het „prijsken" najagen. Mocht een ander het wagen,
hem wachtte „ly f straffe en arbitrale correctie." Want hoewel tot
^) De kapiteins waren : op Weesp, jacop Lippens ; op Zierikzee, Daniel de Vries ;
op Tholen, Adriaan van Leenen; op Ter Schelling, Daniel de Looper van Middel-
burg; op de Leeuwin, Jan Lucasz Meeuwen; op Vlieland, Rins Janssen van Amster-
dam; op Workum, Reinier Reiniersen en op Goutsbloem, Jan Compas.
175
reparatie van „'s Comp.^ oncosten den buyt wel comen soude, de
eere van de victorie moet voorgaen."
Deze order met de beraamde seinen werd aan alle schippers en
stuurlieden ter hand gesteld en hun bevolen, die „dickmael door te
lezen, ja van buijten te leeren" opdat zij bij een plotselingen overval
te beter op de hoogte van hun plicht zouden zijn. ^)
Na 't vertrek van Van Goens (9 Dec.) werd Roothaas dagelijks
bericht, dat de vijand, die behalve zijn groote gewapende schepen
nog 18 a 20 fregatten zeilree had, van plan was tusschen Kerstmis
en Nieuwjaar een uitval te wagen. Omdat hij dus iederen dag te
verwachten was, en opdat hij niet bij zeewind te veel voordeel van
de kasteelen zou hebben, het Roothaas zijn schepen 1 a IV4 mijl
buiten de kasteelen in zee zeilen.
Van die verwijdering van de Nederlandsche vloot van de kust,
maakte dadelijk een vloot van 18 a 20 moorsche vaartuigen gebruik
om tusschen de Copers eilanden door dicht langs den wal bij don-
keren nacht naar Goa door te sluipen. De blokkade-vloot kon het
niet verhinderen, daar het met zware schepen gevaarlijk was bij
donkere maan de kust te naderen en het bij den te verwachten
uitval van den vijand geraden was, geen schepen af te zenden, maar
zich altijd „by den anderen in postuer te houden."
Uit Wingurla en van andere zijde kwamen berichten in over een vloot
van 3 groote schepen met 25 stukken en 20 oorlogsfregatten, die
uit het noorden de macht binnen Goa zouden komen versterken.
Op die hulp zou alleen het wachten der Portugeezen zijn. Met zijn
meeste schepen ging Roothaas op dat bericht kruisen ten noorden
van de Aguade, den zuidelijken uitgang van de bhare maar matig
bezet houdend. Daarbij had hij een stille hoop, dat de geringe be-
waking, den vijand uit zijn hol zou lokken en hem de gelegenheid
geven hem tusschen twee vuren te nemen. Er kwam niets van. Alle
berichten, ook die van een aanstaanden uitval, van Wingurla uit
voortdurend bevestigd, bleken leugens te zijn, opzettelijk te Goa
verspreid, om de Nederlanders in onrust te houden.
Den 13^^^° Januari scheen het tot een strijd te zullen komen. Alle
tien portugeesche schepen en de fregatten heschen hun zeilen, kwamen
naar buiten — maar lieten onder bescherming van 't geschut der
^) Deze order werd vastgesteld bij Resolutie van de Verg. van 29 Nov. 1657.
176
kasteelen hun ankers vallen. Weer moest er met verlangen ge-
wacht worden.
De volgende dagen was er van uitkomen geen sprake. Een hevige
storm teisterde beide vloten. De Nederlanders verloren ankers, sloepen
booten en ook de geprepareerde brander ging verloren. ^)
Eindelijk 20 Januari 's morgens met den dageraad, daar kwamen
de tien schepen van den vijand vergezeld door 13 a 14 fregatten
uit de bhare de zee inzeilen. Een groot aantal kleinere vaartuigen
bezette ten noorden van de Aguade de kust tusschen Barder en de
rivier Chapora. Roothaas met zijn schepen een kleine mijl ten westen
van de Aguade gelegen. Het de ankers lichten, vermoedelijk om
volgens zijn order den vijand meer zeewaarts te lokken. Zonder
succes. Het werd blakstil, zoodat de vloten op 2 kanonschoten afstand
van elkaar zonder eenig stuur over de schepen heen en weer bleven
drijven. Tegen den middag stak de zeewind op en dadelijk stelden
de Nederlanders hun koers vlak op den Portugees aan, die toen
ongeveer Va a V4 ™ijl buiten den wal lag. De admiraal van den
vijand wachtte den aanval niet af, maar week voor den wind, vóór
de nederlandsche vloot langs terug naar de beschermende kanonnen
van de Aguade. Te dicht durfde Roothaas niet naderen. Op 9
vadem diepte gekomen, loefde hij op om in ruime zee te blijven.
Nu vatten de Portugeezen moed en begonnen van een „onge-
lofelijke veerte" te schieten. Een matroos op de Phenix werd
van de groote ra naar beneden en de groote stag (die groote en
fokkemast verbindt) stuk geschoten. Tegen den avond draaide de
wind noordelijker en zeilde Roothaas met klein zeil recht uit den
wal zee in. De Portugeezen hem achterna. Des vijands admiraal,
meenende, dat de Nederlanders er van door gingen, werd overmoedig,
^) Het scheepje was van de beide benjaansche kooplieden van Wingurla, Nar-
sanna en Kitsanna Wey, overgenomen voor 8 a 900 pagoden (1 pagood = ƒ4).
Daarvan heeft later het opperhoofd in Wingurla Pieter v. Santvliet hun 200 pagoden
betaald en het overige gekort op hun schuld (zie boven p. 104), wat, zeggen Gouv.-
Gen. en Raden zeer terecht, met die 200 pagoden ook had moeten geschieden. „Het
blyckt, dat ons volck in dergelycke zaken doorgaans te veel verkeerde barmherticheijt
toepassen, sonder te dencken aen het ongelijck, dat sij daermede de participanten van
d'Ed. Compe aendoen." (Gen. Miss. 14 Dec. 1658.) De incorrecte handelwijze van
Van Santvliet door Gouv.-Gen. en R. vergoelijkt door te wijzen op de barmhartigheid is
kostelijk! In Batavia wisten zij toch ook wel, dat zulke incorrecte handelwijzen het
opperhoofd geen windeieren legden. En of de Heercn Zeventien aan de barmhartig-
heid geloofden?
177
zette alle zeilen bij en deed een schot met los kruit, wat zeggen
wilde : gaat er niet vandoor. ^) Dat was voor Roothaas te veel. Hij
was ongeveer 1 Va niijl uit d^n wal, de zon was aan 't ondergaan,
maar „hoewel de nachtgevechten dangereus sijn en weijnich ge-
practiseert", hij „kon die trots van ons soo te tergen niet verdragen."
Dus wendde hij den steven en kwam recht op den vijand aan. Nu
zocht die Portugees, die zoo „den ronquedoon gemaeckt hadde"
buiten schot te blijven. Hij liep bij den wind noordwaarts boven
Roothaas op, zoodat deze hem met zijn kanon niet bereiken kon.
Maar de volgende schepen onder den vice-admiraal, die geen ge-
legenheid hadden hun admiraal zoo snel te volgen, misschien ook
minder bezeild waren, kwamen met de Nederlanders in aanraking.
S^ S&creunaiff
^ ^^^^
I y Nederlandsch,
Portugeesch
I. 20/21 Januari. He phase. 2)
De St. Anthony van den vice-admiraal passeerde de Phenix van
Roothaas zoo dicht aan stuurboord, dat de trompen van de stukken
elkaar bijna raakten. Tegelijkertijd bevond zich aan bakboord een
ander groot galjoen. De drie schepen brandden bij 't passeeren
tegelijk hun stukken los, En zoo ging de geheele hollandsche vloot,
^) .... begon haren admirael den ronquedoon te maeken, smeet alle sijn seijlen
bij en maekte den jager en schoot met loos cruyt van ons dat soo veel 't zeggen was
als loopt niet. "
-) De tusschen den tekst geplaatste figuren pretendeeren niet een volkomen juiste
voorstelling van de manoeuvres te geven. Daartoe ontbreken in het rapport van
Roothaas de gegevens, vooral wat betreft de windrichting en het aantal schepen, dat
aan de gevechten heeft deelgenomen. Zij bedoelen slechts de beschreven bewegingen,
door de schepen uitgevoerd, duidelijk voor te stellen.
AALBERS, O.-I. Compagnie. 12
178
die achter Roothaas aankwam dwars door den vijand, die zijn admi-
raal volgde, „en soo wacker door de pieken" moest „dansen."
Nadat de vice-admiraal de Phenix zoo dicht aan stuurboord ge-
passeerd was, kwam hij voorbij de vlak op de Phenix volgende
Zierikzee, die hij met zijn boeg hevig aan de gallerij (die zich aan
den spiegel bevindt) beschadigde, met zijn boegspriet de vlag van
achter weg nam en aan welks achterschip hij zich met z'n enterdreg
vasthechtte. Echter brak de enterketting, zoodat de dreg aan de
Zierikzee bleef hangen en 't schip losraakte. Maar nu was Weesp,
het derde schip van Roothaas' eskader bij de hand en klampte de
St. Anthony met enterhaken aan boord. Tusschen beide schepen
ontspon zich, voor zij van elkaar raakten een hevig gevecht.
S^ Sacrament
Admiraal
■^^ r>^ Tholen.
l^temst
I. 20/21 Januari. 2^ phase.
Zoo was de vloot éénmaal met „wacker treffen (dat in de doncker-
heijt des nachts een wonderlijcke vertooninge gaff)", door den vijand
heengeslagen, 't Geschut werd opnieuw geladen, de schepen gewend
en weer op den vijand losgezeild, die ten tweede male in een ge-
lijksoortig treffen zou worden doorgevaren. Maar drie van de neder-
landsche schepen, Goutsbloem van het derde. Leeuwin van het
tweede en Weesp van het eerste eskader raakten vermoedelijk bij
179
het door den wind gaan, in de duisternis geen vijandelijke van eigen
schepen onderscheidende, aan elkander en brachten met kanonschoten
elkaar wederkeerig schade toe. 't Galjoen (voorste deel van het schip,
onder de boegspriet) van Weesp, werd door de Leeuwin stuk ge-
varen. En de vijand? Die was er al van door naar zijn kasteelen.
Yiee-edm .mrr m»^ l'w'M^ nooT de TcosteeUn.
Fhe/dx
ZunkxAe
&1X
Goudsbloem
I. 20/21 januari. 3^ phasc.
Daar werden zijn schepen den volgenden morgen bij zonsopgang
door Roothaas en de zijnen ontdekt. Wel mocht de commandeur
zeggen, dat de nachtgevechten „dangereus" waren en hij had er bij
kunnen voegen niet alleen „weijnich gepractiseert", maar voor hem
ook weinig praktisch.
De verliezen op de vloot bedroegen 6 dooden en 14 a 15 ge-
wonden. De vijand zou volgens geruchten „maer" 1 1 dooden en
ongeveer 70 gekwetsten hebben gekregen. Waarom die getallen voor
de vijanden met „maer" moeten worden ingeleid? Vermoedelijk alleen
omdat de opgaven van de gedoode vijanden altijd veel hooger zijn
dan die van het eigen volk.
Eenige dagen later moest de commandeur het weer tot zijn spijt
aanzien, dat met den landwind nu van het noorden 15 fregatten, dicht
langs de kust houdend, Goa's bhare binnen zeilden. Bij gebrek aan
klein vaartuig kon hij het niet beletten.
Den 27=**° Januari werd de vechtlustige vlootvoogd nogmaals teleur-
180
Langgan:
Ulasan (Atom)
220
220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...
CATATAN POPULAR
-
Kenapa isu anjing menjadi sensitif. Sudah lama aku perhatikan bagaimana orang melayu berhadapan dengan isu anjing. Dalam hal ini aku akan m...
-
Oh sudah lama rasnya saya tidak menjengok blog ini. Ketika itu lihat orang ada akaun blogspot.my rasa nak ada akaun blogspot jugalah. Ketik...
-
20 De hechtste en grootste schepen werden gebruikt voor de vaart tusschen Indië en patria. Gewoonlijk verlieten per jaar drie vloten het...
-
40 Volgens art. 3 van het verdrag van 1638 zouden de Nederlanders de veroverde sterkten op Ceylon bezetten op kosten van den maharadja „...
-
30 die grondige wetenschap ende kennisse heeft van boecken ende reeckeningen ende die oock becleet sy met gerequireerde achtbaerheijt en...