ORANG-ORANG YANG MENYOKONG

Selasa, 7 April 2020

220

220 
4. 

De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de 
Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens uijttrecken en 
bij ons getracteert werden na gewoonte sonder dat hun eenigh gout, silver. 
juweelen, slaven, slavinnen ofte andere goederen, hoedanich deselve oock 
mochten sijn, werden toegestaen, dan alleen degene die hun na discretie bij 
den HoUantsen veltoverste, en sijnen raet, sal werden toegevoeght, dat men 
dan hunne persoonen sal transporteeren na Goa ofte eenige plaetsen daer 
benoorden. 

5. 

Alle verdere offieciren ende soldaeten sullen uijttrecken met haer voile 
geweer, vliegende vendels, slaende trom, cogels in de mont. brandende lont, 
tot de plaetse daer haer sal aengewesen om gedisarm' te werden, blijvende 
voorders onse gevangenen van oorloge om met onse scheepen na Europa 
getransporteert te werden, sonder dat deselve eenige andere bagage als haer 
klederen werden toegestaen, genietende tractement na onse gewoonte. 

6. 

De constabels en boss'^^ werden begrepen onder t' vierde articul, naturelle 
Portugeesen sijnde, ende geen andere, soo wert mede verstaen van de coninx 
cooplieden, fiscael, etc. die na onse gewoonte sullen werden getracteert. 



Alle getrouwden sullen met hun vrouwen en kinderen vervoert werden 
na Goa ofte daer benoorden, sonder dat hun eenigh gout, silver, juweelen 
of slaven, ofte andere goederen werden toegestaen als 't gene na discretie 
bij den HoUantse veltoverste sal toegevoeght werden. 

8. 

De ziecken sullen wij na onse gewoonte goet tractement aendoen en met 
alle mogelijcke middelen door Godes hulpe tot haer gesonth' trachten te 
brengen. 

9. 

Alle toepassen sullen staen ter discretie van de Hollandtse veltoverste. 



221 
10. 

Ende beloovcn de contractanten ter wederzijden van haer heeren princi- 
palen ratificatie van desen ter behoorlijcker tijt. 

Aldus gedaen en geaccordeert int Nederlants Leger binnen de stad Jaffe- 
napatnam voor desselfs Gasteel desen 22 Junij A° 1658, was aen d'eene 
zijde Leonardo d'Olivera d'Almeda, Diogo de Sousa de Castre, Albro 
Rodrigos Boralha; aen d'ander zijde getekent Jan van der Laen, Albert van 
Breugel, Lucas van der Dusse. In kennisse van mij Cornelis Valckenburgh, 
secretaris. 

Vervolghde : 

gesien de voorstaende accoorden ende articulen van verdrach hebben 't 
gebesoingeerde bij onse gecommitteerdens daerinne gedaen en verhandelt in 
allen deelen geapprobeert ende geratiflceert sulckx wij die approbeeren ende 
ratificeeren bij desen. Gedaen in 't Nederlandse leger binnen de stad JafiFe- 
napatnam, in belegh voor desselfs casteel, den 22 Junij 1658, getek' Rijckloff 
van Goens. 

Gostamos pellos Concertos do S' Gerael e' seu Conselho, esprando de 
sua grandeza, muij auenteijados honras é mercées alemdis que Nos tem 
prometido, Forlaleza Nosso Sigi^^ dos Milagres em 23 de Junho de 1658, 
affinado Joan de Mello. 

Gecollationeert, accordert met sijn principale, den 
24 Julij 1658, JafiFenapatnam. 

CORNELIS VALCKENBURG, Secr. 




A 




m 



:»ilpi^pMipsf ^si?i^ mm 






!^!^^1&^^ 










Aalbers, J 

Rijcklof van Goens 



PLEASE DO NOT REMOVE 
CARDS OR SLIPS FROM THIS POCKET 

UNIVERSITY OF TORONTO LIBRARY 


212

212 

's Comp's residentie in Persia niet dan groote ongenuchte te verwachten ware 
geweest". Daar dus de geheele macht tegen den vijand gericht moest worden, 
werd de fiscaal Johannes Grevenraedt afgezonden om met de jachten Saphier 
en Avenhorn naar de drie kruisende schepen voor Diu te zeilen en vandaar 
met de geheele macht naar Sindi te varen. Zoo heeft Grevenraedt gedaan, 
en is daarop met de chaloup de Maagd van Dordt weder naar Suratte terug- 
gekeerd. Tusschen de rivier van Suratte en Sualys kom zijn hem tegen- 
gekomen 16 Port. fregatten, die tot convooi van een caffila naar Cambaya 
uitgezonden waren. Deze fregatten overvielen op de reede van den grooten 
Mogol de chaloup, die gewapend was met 4 ijzeren stukken, schietende 
„6 ende 3 U cloots," en bemand met 11 „cloecke" soldaten en 4 matrozen, 
één timmerman gen. Steven Claesz en Grevenraedt met zijn jongen, te zamen 
18 man. Na een gevecht van groot 2 uur, in het gezicht van de onzen, die 
op Sualys strand in 's Comp's tent lagen, werd de chaloup veroverd met 
een verlies van 1 matroos, 2 soldaten en den timmerman. De overigen op 
drie na waren allen gekwetst. Onder hen Grevenraedt, die, nadat al kwartier 
gegeven was, nog met een zijdgeweer was getroffen. Voor zij zich overgaven, 
hadden de onzen zeer dapper gevochten, wat hun grooten roem onder de 
Mooren heeft verschaft. Volgens gerucht toch hadden de Portugezen wel 
30 dooden op 5 vaartuigen, terwijl zij wel 700 man sterk waren geweest. De 
chaloup met de gevangenen hebben de Portugeezen eerst naar Daman en 
daarna naar Goa gebracht zonder „eenich het minste respect te dragen, dat 
zij dezelve tegens 't recht der volcken op een neutrale Conincx reede hebben 
overweldicht en schoon genomen." Protesten en „instantiën" tot vrijlating 
van de gevangenen door Van Goens en den directeur Pelgrom hebben geen 
resultaat gehad „zulcx wij genootsaeckt zullen wesen dit gewelt gelijck ons 
de natuyrlycke reden leert in wederwraecke met force te resisteeren, waertoe 
aireede na Suratte ordre gegeven, ende den directeur aldaer aengeschreven 
is, dat hij vermogen sal alle Port. vaartuigen in wat zeehavens onder het 
gebied van den grooten Mogol het oock soude mogen wesen, vijandtlyck 
aen te tasten ende na de veroveringe voor goede prinsen te verclaren." 
S^ Grevenraedt is op 23 April, niet zonder groote „suspitie" van vergeven 
te zijn, binnen Goa in de gevangenis overleden. Op verzoek van de residenten 
in Wingurla, had de viceroy don Bras de Gastro toegestaan hem daar te 
begraven. Zoo is hij gelukkig uit die „atroce natie haer handen geraeckt, 
gemerckt anders naer alle apparentie nevens de vordere gevangenen, zijn 
leven lanck in ellendicheijt soude hebben moeten doorbrengen." 

De schepen Muyden, Sluys, Cabcljau, Saphier en Avenhorn hadden 
voor de „bhare van Chindi" geen engelsche schepen bemerkt, en zich 
daarop gehaast om 't geen in Sindi voor Perzië gereed lag te laden en dan 
verder de engelsche vijanden in de Perzische golf op te zoeken. Voor zij 
nog tot hun vertrek gereed waren, kwamen op 2 Febr. de vier engelsche 



213 

schepen Blijde Boodschap, Duif, Valck en Endever uit zee met volle zeilen 
op hen aanvaren ,, stellende alle vier hunnen coers recht op Muyden, die 
de vlagge voerde aen, met meyninge den admirael ter eerster instantie alsoo 
in de gront te arbeijden, daeruyt zij tegens haer vermoeden zoodanigen 
tegenstant vernamen, dat hun den moet vergingh, wierdende voorts van 
den saphier, Avenhorn cnde Sluys door 't gewelt van 't geschut zodanich 
benardt, dat het de Blijde Boodschap ende Duyf op 't loopen stelden, latende 
alsoo haer mackers d'Endever ende Valck in de clem welcke twee schepen 
hun aldus verlaten, ende als schapen onder de wolven vindende, zondt 
d'Endever om quartier, gelijck oock den vijandt uijt de Valck door vreese 
van brandt 't meerendeel de vlucht nam. Die van Sluys siende, dat d'Endever 
de witte vaen uytstack", verlieten de Duyf, „die sij al tot binnen canon schoot 
gevolcht hadden, seer onvoorsichtelyck en wierpen hun op den moedeloosen 
Endever, enterden over ende namen het schip in pocessie. Die van den 
Saphier pretendeerden het recht van naestinge, omdat den vyandt haer 
ende niet die van Sluys om quartier geroepen hadde, smeten het mede dicht 
op d'ander zijde van den overwonnen vyandt ende sonden haer boot oock 
aen boort; 't volck van Sluys trokken haer bloot geweer op die van de 
Saphier hun het overcomen willende beletten en liep voorts alle het volck 
soodanich uijt Sluijs, dat men seyt daar niet boven de dry mannen in 
bleven, soodat het wonder is, d'Engelse, die al omtrent de 40 coppen 
stercq daarin waren, met Sluys niet door gingen, verquistende alsoo met 
malcander den geheelen dach int plunderen en suijpen van persiaense wijn, 
tot den avondt toe, sonder eens na d'andere schepen om te sien, totdat 
d'Endever eyndelyck onder haer wech sonck, daermede 10 van onze cloeckste 
bootsgezellen en de 12 Engelsche te gronde gingen. Avenhorn noch Muyden 
en conden vermits vrij wat reddeloos geschoten waren d'Engelse Duyf noch 
de Boodschap, soo haest niet volgen, dies den vyandt tyt ende gelegentheyt 
hadde om het gevluchte volck van de Valck te bergen ende gingen soo 
met volle zeylen doorstrycken. De Cabelau, die gelast was (om dies wille 
het persiaens Cargasoen in hadde) hem wat buijten dit gevecht te houden 
liep groot pericul van den vijandt genomen te worden, en schoon 
Muyden, Avenhorn, ende Cabelau hun best genouch deden om d'Engelse 
te vervolgen, soo synse door sonderlinge beseijltheijt ende het faveur van 
den duij stèren nacht ontcomen ende hebben, sich binnen de Suratse rivier 
gesalveert. Middelerwyle was de Valck met omtrent 20 Engelse blijven 
leggen drijven, sonder dat iemant van de overwinners, selver tot groote 
verwonderinge van den vijandt, daerna tadelde; doch d'Endever gesonken 
synde hebben die van Sluijs ende de Saphir hem daeraf meester gemaakt 
sulcx door deze groote disordre d'Ed. Comp. niet meer als een legen romp 
daer alles uytgeplundert was te buyt en is gevallen, sijnde de Boodschap ende 
Duyf met eenen schoonen rijckdom namentlyck 400 duijsent gl. in comptant 



214 

ende 40 baaien persiaense sijde doorgegaan wesende, niet te twijfFelen 
ingevalle d'onse met voorsichticheyt ende goede ordre hadden te werck 
gegaan, of souden den vijandt dien goeden buyt mede wel hebben ontzet. 
Blijckende uijt alle het gepasseerde, dat het in dese vlote aen een goet 
hooft over deselve ontbroken en ider maer sijn eygen passie en drift 
gevolcht heeft, welck versuym den coopman Pieter de Bije wesende 't opper- 
hooft van 't comptoir Chindi meer als den schipper van Muyden te imputeeren 
sy, alsoo d'E. de Bije door den Suratsen raedt daardoor gequalificeert was 
en met Muijden in zee geweest is, gevende sijn flauwe advisen ende cleen 
bescheyt van dese rescontre genouchsaem te kennen, hij hem die saeck niet 
seer ter herten getrocken, of immers de selve qualijck beleijt heeft, gemerckt, 
voor het begin van den slach met den anderen niet eens geresolveert heb- 
ben, hoedanich sij den vyandt souden aentasten. 

De schippers van Sluys ende Saphier, wesende den eenen Christiaen 
Sluijker ende den anderen Johan Romaijn genaemt, sijn beyde int bijsonder 
over hunne groote onvoorsichticheyt en sorchlose actie niet weynich te be- 
schuldigen geweest ende hadden daerover ten minsten wel een deportement 
verdient, doch aengesien sij hun naderhant tegen den Portugees, seer manne- 
lyck en vroom gedragen hebben, soo sijn wij door intercessie van den 
commissaris van Goens bewogen die faute eenichsints te conniveren. De 
ontvluchte Duyf ende Boodschap onthielden sich in de suratse rivier, daer 
wy vertrouwen sij bij continuatie van oorloch niet en souden hebben 
derven buyten coomen often ware haer eenich merckelyck secours uyt 
Engelandt hadde toegevloyet. Sulcx het verlies van hare twee schepen, 
schoon wij daermede weynich gecouvreeert hebben, hun al in een groote 
verswackinge gebracht heeft, daer anders met den Portugees eens in com- 
binatie geraeckt wesende ons misschien noch al eenige afbreuck souden 
hebben mogen doen. Sulcx, soo den oorlögh tusschen haer ende ons hadde 
blijven continueeren consequentelyck haere totale ruyne alhier in India daer- 
uijt soude sijn voortgecomen, 't welck nu met den getroffen vrede tot haer 
behoudt anders uyt gevallen is." 

De gevangenen uit de Eng, schepen bedroegen 73 koppen, waaronder 
3 hoofdofficieren. „Van het gemeene grauw" verbonden velen zich met 
plechtigen eed aan de Comp. De officieren werden allen, onder eede van 
gedurende één jaar niet tegen den staat der Nederlanden te dienen, in Suratte 
vrijgelaten, omdat de Nederlanders zeer verlegen met hen waren, en het 
bleek, dat zij het gemeene volk maar tegen hen oproerig maakten, terwijl zij 
vrijgelaten „in contentie met den anderen leven, gelijck meer voorkomt." 
Verloren door de Nederlanders 18 dooden o.a. de schipper van Avenhom 
en 22 gekwetsten. 



BIJLAGE II. 



Aen den Grootmachtighsten 
Raja Singa Raju Keyset van Ceylon. 



Gtootmachtighste Keyser, vorst en Heere. 

Deese regulen dienen omme U K: Mayst. mijn compste in zijne stadt 
Colombo bekent te maken, en hoe ick van mijne heeren den Gouvern' 
Generael ende Raden van India met een machtige vloot van 16 scheepen 
nae d'cust van India en tot beschermingh Uwer Mayt= landen, tegens onsen 
gemeenen vyandt den Portugees te waater ende te Lande uitgesonden zij. 

Van deese 16 scheepen hebbe ick 9 groote ende een cleijn voor de bhare 
van Goa gelaaten en zij ick met d'overige alhier in u mayts landen met 
gesondt en welgemoet crygsvolck aengecomen, in vaste hoope om deselve 
tot dienst u. k. m. te gebruycken; ende dat ick d'eere sal hebben omme 
een dienaer Syner Mayt^ hooge desseijnen genaempt te werden, gelijck ick 
mij selve daertoe aenbiede, ende dat sich het hooghwijs verstandt Zijn. 
Keyz. Mayt. niet sal ontsetten ofte altereren aen de bejegeningh, die U. 
K. M. van d'onse buijten ordre mocht aengedaen zijn; 

Hoe swaer mij Z. K. M. misnoegen ter harten gaet, kan ich met de penne 
soodanich het is niet wel uitdrucken, wenschende daerom: In antwoorde 
deeser hoe eer hoe liever te verstaen, door wekken middel ick U. K. M. 
tevreden sal stellen, omme oock met den eersten te rechte doen vorderen 
en bij mijn heeren aen te claegen, alle die U. K. M. onredelyck mochten 
hebben bejegent en vertoornt, en soo stout sijn geweest derselver goederen 
aff te roven, dat geheel buyten onse intentie geschiet is. Gelyck selfs U. 
K. M. na sijn Keys. oordeel seer wel can afmeeten. Ick versoucke dan 
Instantelyck, dat U. K. M. alle verdere bloetstortinge gelieve te verhinderen, 
opdat d'onschuldige inwoonders zijner K. M. Landen in geen meer becom- 
meringh ende ellende vervallen, wekkers onnosele Bloet nu soo erbarmelijck 
ende onrechtvaerdich vergooten wert. Ick vreese grootelijcks, dat eenige boose 
vijanden van onse alliantie ende die de vyantschap tusschen Zijne K. M. 
ende ons sijne dienaren trachten te bewercken hier aff wel mochten d'oor- 
saeck zijn. Maer als ick daertegen U. K. Mayt^ hooghwijs ende beproeft 
oordeel aenmercke, dunckt mij 't selve weder onmogelyck te zijn. Omme 
dan U. K. M. alle voldoeningh, die mogelyck sal zijn, te bewijsen, soo 



216 

versoecken, dat U. K. M. mij van sijne Redenen ende onlusten gelieve te 
informeeren ende middelerwijle geen Portugueezen ofte haare complicen 
gehoor te verleenen, opdat daerin versien mach werden. lek hcbbe aireede 
bevoolen, dat geen van U. K. M. volck sullen beschadight werden, alwaert 
dat zij jemant in U. K. M. laage Landen mochten attaqueeren, ter tyt 
en wijle ick andtwoort van U. K. M. sal ontfangen daernae ick noch 
eenige daagen sal vertoeven. Maer soo immers U. K. M. niet gelieft te ver- 
waerdigen sijn misnoegen bekent te maken ofte mij te antwoorden, sal ick 
mij echter maer in postuer van defensie houden en met scheepsmacht met 
alle crachten onse revengie op de Portuguesen sien te verhaalen, die ick 
voor de autheurs dan sal moeten houden, U. K. M. op onse trouwe ver- 
sekerende, dat wij geen offentie tegen sijn keijserl. landen sullen bethoonen, 
ten waare, dat wij daer toe om 't verdere bloetstorten te verhinderen met 
alle gewelt gedrongen wierden, 't welck ick de wijsheijt Z. K. M. niet toe- 
vertrouwen can. Soo ick nu de eere geniete van U. K. M. antwoort te 
ontfangen, soo gelieve U. K. M. daemevens een persoon van goet verstandt 
en qualiteijt te sturen met macht van U. K. M. om met mij in onderhande- 
linge te treeden, gelijck ick oock volcomen geauthorizeert zij omme met 
U. K. M. alle verschillen te vereffenen, opdat de vrundtschap van sijn K. 
Mayt. en ons in zijn voorige glants herstelt werde, ende wij Z. M. dienaren 
de rust in onse lange dienste en belooning voor onse wonden en verminkt- 
heden mogen genieten. De dooden, waervan ons de geheugenis soo smertelijck 
ende die U. K. M. niet onbewust zijn, sullen wij verbij gaan. U. K. M. 
gelieve mij verder te laaten weeten aen wien ick den brieff van mijn heer 
den gouv generl. neffens tgeschenck aen Zijne K. M. gesonden overleveren 
sal. Brenger deeses is genaemt frangoijs van den Bergh, officier onder mijne 
guarde, die U. K. M. onder sijn bescherminge gelieve te accepteeren ende 
spoedich weder aff te senden, opdat ick haest van U. K. Mayt. gesontheijt 
mach verwittigt werden. Godt bewaere U. M, met onse Jongen vorst, den 
Keyserl. prins, tot glorie zijnes rijcks ende onse ruste. Middelerwijle blijve 
U. K. M. aller ootmoedigsten dienaer. 

Onderstont den admirael over d'Hollandse navale macht 
ter zee ende superintendent over de militie in zijn K. M. 
Landen op Ceylon. 

(RYCKLOFF VAN GOENS.) 
In zijn Keyserl. Mayt* fortresse Colombo 8«° January 1658. 



BIJLAGE III. 



Rijckloff van Goens, Raet van India, Admirael ter zee, superinten- 
dent, veltoverste en Commissaris van de HoUantse Natie over de 
custen van India ende Ceylon, sent desen brief aen Tirimele Neijck 
van Madure, NefFens sijnen groet met toewensingh van gesontheyt en 
een langh geluckigh leven tot vermeerdering syn(s) Rycx op aerden. 



Groof mogent vorst en Heeve. 

U Hooghts gedurende aliantien en bewesen vruntschappen aen onse natie 
heeft ons occagie gegeven om U.E. Hoogh^s landen eenmael van onse 
vyanden de Portugeesen te suijveren, opdat wij nae haer vertreck met u 
Hoogh' in een waere confidente, vaste ende seeckere vruntschap mogen 
leven, want het is onmogelijck, dat wij beijde in uwe hoogh^^ landen connen 
woonen. Wy versoecken daerom, dat uwe Hoogh' ons gelieve toe te staen, 
deselve voortaen van hier allom te verjagen, gelijck wij aen u Hoogh* dorp 
Tutucorin begonnen hebben, ende dat sulcx door u Hoogh' voor welgedaen 
mach werden gehouden. Seer gaerne had ick onse interprince u Hoogh» 
vooraf doen bekent maecken, maer overdenckende, dat de Portugeezen, 
onder u Hoogh^^ faveur hier saten, docht ons best sulcx op ons eijgen naem 
uijt te voeren, opdat sij geen protest op U Hoogh' persoon mochten heb- 
ben, die nu haer op ons mach afwijsen om hun revenge te soecken. Wij 
wachten jegenwoordigh alleen na eenich aensienl. persoon om met ons de 
saecke alhier af te handelen ende om daertoe een beginsel te maecken. Soo 
hebbe goetgedacht, nefiFens desen aen U Hoogh» te senden onsen expressen 
gesanten den oppercoopman Eduart Ooms, een lit van onsen secreten rade 
en den coopman Jacob van Rhee geaccompagneert met den resident van 
Cayl ^), een schrijver, Candia Lappa, ses soldaten van mijn guarde en 
verdere swiete. U Hoogh* gelieve denselven geloofiF te geven, ende haer 
alle onder U.E. Hoogh^^ bescherminge aen te nemen, onse intentie niet 
anders sijnde dan tot voordeel uwer Hoogh* ende sijn onderdanen te be- 
sluyten, ende dat geen andere natie uwe Hoogh^^ havenen mogen frequen- 
teren, gelyck wij oock voornemen tegens U Hoogheyts wille op Tutucorin 
niet bij der hant te nemen maer sullen tselve ongequest uwe manigaers 



*) Cayl = Caylpatnam. 



218 

overleveren, behoudende alleen een plaets tot onse woninge en defentie 
tegens onse vijanden tot onse keure, daer sich U Hoogh' op verlaeten mach 
met conditie, dat nochtans geen Portugeesen oijt daer of elders in U Hoogh*^ 
landen weder mogen incomen, die wy nu met onse macht te vier ende 
swaert allom menen te vervolgen. Wat in desen niet sij geschreven gelieve 
U Hoogh* van onsen gesant verder te verstaen. 

In erkenninge van onsen goede wille gaet aen U Hoogh* 
een getande en een ongetande Eliphant, die van Ceylon sullen volgen, 
een persiaens paert, 
240 ffi sandel hout, 
60 ffi noten, 
60 S? nagelen, 
60 ® foelie, 

1 cas roosewater, 

2 chineese gouden lakens, 
16 el rood laken, 

dat wy versoecken door U Hoogh' mach werden geaccepteert ende dat 
onsen gesant met sijn volgh spoedigh tot ons keeren magh. 

In Tutucorin Ult° January 1658. 

Was get. RIJCKLOFF VAN GOENS ende onder s' comp= 
segel ter ordonnantie van syn Ed^ gemelt ende den 
raet, CORNELIS VALCKENBURGH. Secretaris. 



BIJLAGE IV. 



Articulen ende verdrach gemaeckt tusschen S' Leonardo d'Olivera 
D'almeda, Fiadoor de Fazendo, S"^ Digo de Sousa, cap' moor d'In- 
fantcrie, ende Albro Rodrigos Boralha, gewesen cap' moor de Campo, 
als expresse gecommitteerde ende gemachtighde van S"" Joan de Mello, 
gouverneur van 't Gasteel Nossa S"^^ de Milageere, uijt de naeme ende 
van wegen Sijne Gonincklijcke Maj' van Poortugael, ter eenre, ende 
den H'' Joan van der Laen, sergeant majoor van 't Nederlantse Velt- 
leger voor gemelte Gasteel, S"^ Albert van Breugel, oppercoopman, 
ende Lucas van der Dussen, fiscael derselver macht als gemachtigde 
van d'E. Heere Rijckloff van Goens, Raet-ordinair van India, Super- 
intendent-admirael en veltoverste der voorschreven Nederlantse macht, 
in 't belegh voor t' selve casteel uijt de naeme ende van wegen de 
H. M. H. Staeten-Generael der vrije vereenigde Nederlanden ende 
d'E. E. Heeren Bewinthebberen der geoctrooij eerde Oost-Indische 
Gorap. sijne Heeren Principaelen ter ander zijde. 

l. 

Eerstelijck dat het Gasteel Nosso S'^^ de Milagere, representerende t' hooft 
van t' coninckrijck Jaffenapatnam, met alle sijne onderhorige jurisdictien, 
eijlanden, ende andere gerechtigheden, mitsgaders ammunitie van oorloge, 
alle t' gunt, wes tot defensie van t' selve casteel heeft gedient, op morgen, 
sijnde den 23 deser maent, voormiddach ten 9 uijren sullen overleveren aen 
den geenen, die daertoe sullen werden gecommitteert op de navolgende conditien. 

2. 

Alle geestelijcke persoonen sullen uijttrecken met haer klederen en kerck- 
lijck gewaet, uijtgesondert gout, silver, tzij gemunt ofte ongemunt, ofte 
eenige juweelen, hoedanich deselve oock mochten sijn, ende dat men haer 
bij gelegentheijt na Goa ofte benoorden t' selve sal brengen. 



De goederen van den overleden Portugeesen admirael Anth° d'Amar«, 
verstaen wij ons wettich toe te comen, ende dat dien volgens deselve alle 
acn onse commissarissen sullen werden ter hant gestelt. 



220 

200

200 

voorschrift, zoo ontdekte Van der Dussen in de „logieboeckjens", 
werd te Suratte niet altijd gehandhaafd. Van tijd tot tijd was de 
gage geheel (comptant) uitbetaald. Beter middel om den particulieren 
handel of uitspattingen in de hand te werken, was er niet. Maar 
was misschien voor het personeel van het kantoor Suratte die parti- 
culiere handel niet het voornaamste doel van hun verblijf? 

Dat het belang van de Compagnie hun niet altijd het naast aan het 
hart lag, bewijst de quaestie van den afkoop van den tol, waarvoor 
jaarlijks ƒ66,000 werd betaald. Die afkoop was niet meegevallen. 
Gouverneur-Generaal en Raden hadden al meermalen aangedrongen 
op afschaffing van het contract en terugkeer tot de gewone tolbe- 
tahng. ^) Nu was door 't heengaan van Shah Jehan de gelegenheid 
gunstig om het contract vervallen te verklaren en geen nieuw weer 
aan te gaan. Van der Dussen bemerkte echter, dat de dienaren van 
het kantoor zeer „inclineerden" tot het maken van een nieuwe over- 
eenkomst, ofschoon door „d'ongelegenheyt des tijts de commersie 
't eenenmael verstorven" was. De fiscaal had dus een ernstig onder- 
zoek ingesteld naar de reden van die „inclinatie." 

Hij kwam tot het inzicht, dat de koning evenveel reden had over 
het contract te klagen als de Heeren te Batavia. Hem toch was 
verzekerd, dat heel wat goederen van de benjaansche kooplieden op 
naam der Compagnie en met papieren door de Compagnie gezegeld 
■werden doorgesmokkeld. En hij had reden die verzekeringen voor 
geloofwaardig te houden. Tijdens zijn eigen verblijf was het voorge- 
komen, dat door een benjaansch wisselaar met de sjambok van de 
Compagnie voor meer dan 10,000 realen aan goederen, behoorend 
aan Wiersia Wora, langs het tolhuis zouden worden gesmokkeld. 
Een ander wisselaar had het echter uit haat verklapt, de sjambok 
laten aanhouden, en daardoor 't meerendeel der goederen in beslag 
doen nemen. De ambtenaren der Compagnie maakten van hun ont- 
duikingen ook geenszins een geheim. Zij beroemden er zich zelfs op, 
hoe zij, die door het contract beschermd niet gevisiteerd werden, bij 
aankomst te Suhaly van de moorsche schepen uit Bassora en Mocha, 
geladen met contanten, ongelooflijk veel daarvan zonder tolbetaling 
binnen Suratte hadden gesmokkeld. Soms waren op één tocht wel 
5 a 600 ropieën verdiend. 



^) Zie boven p. 96. 



201 

Hoe kon men anders verwachten van subalternen, als de directeur 
van het kantoor het voorbeeld gaf? Eenige jaren geleden zou deze zelf 
(misschien van Gendt?) betrapt zijn, als hij niet bij 't opvaren van de 
rivier gewaarschuwd was. Hij kon nog tijdig de onder zijn zitkussen 
verborgen schat door één van zijn huisdienaren laten terugbrengen 
naar Suhaly's strand aan den koopman Albert Breugel. Die had het 
er toen een paar dagen later allemaal door gesmokkeld en den 
moorschen eigenaar ter hand gesteld. 

Na deze inlichtingen meent Van der Dussen dan ook te moeten advi- 
seeren, het contract niet te vernieuwen. Wel was er door de dienaren 
der Compagnie in Agra al een contract gesloten met den oudsten 
prins Moerad Bax tot vernieuwing van de tolovereenkomst, maar dat 
verplichtte de Heeren te Batavia en Suratte tot niets. En dit was wel 
duidelijk: zoon contract was niet in 't belang van de Compagnie, 
noch werd het gesloten om de vermindering, die de goederen in de 
tolhuizen ondergingen, te voorkomen, maar eenig en alleen, opdat de 
dienaren alles, wat zij begeerden, door den tol konden sleepen. 

Aan het slot van zijn rapport gaf Van der Dussen te kennen, dat 
naar zijn meening bovenal twee fouten op den toestand der Compagnie 
drukten, zoowel te Suratte als elders, n.1. het beheer der logie („de 
mesnagie") en de particuliere handel. 

Wat de „mesnagie" betrof, werd er een te druk gebruik gemaakt 
van „majeurs." ^) Ieder van de dienaren, die te Suratte, wat te ver- 
richten of te bestellen had, zond maar op eigen houtje een „majeur" 
zonder te vragen, of er al niet een voor de Compagnie met een 
zending belast was en of ook anderen van zijn diensten gebruik 
konden maken. Zoo werden soms op één dag 3 a 4 van die men- 
schen gebruikt, terwijl één het werk best af gekund had. 

In de logie en in de stallen was het aantal inlandsche dienaren 
veel te groot, 't Was toch niet noodig, dat ieder paard zijn eigen 
knecht had? ^) De nieuwe directeur had op dat onderdeel van de 
huishouding al 80 realen in de maand kunnen besparen, zoodat de 
fiscaal niet twijfelde of in die materie zou verbetering worden 
aangebracht. 



^) Volgens den zin moeten het zijn boden, dienstmannen, voerlieden of sjouwers 
van Suhaly's strand naar Suratte. 

^) Te Suratte bestond tijdens 't verblijf van v. d. Dussen de staluitrusting uit 5 
karossen, 10 karreossen (vgl. boven p. 69), 6 paarden. 



202 

Ook op de karrevrachten van Suratte naar 't strand kon veel 
bezuinigd worden. Waar 20 karren het werk wel af konden, werden 
er soms 100 gebruikt. En toch had de Compagnie eenige eigen 
vaartuigen, waarmede de verbinding met de kust werd onderhouden. 
Maar op de afvaart van die scheepjes werd nooit gewacht. Kwamen 
er schepen aan en wilden de schippers, boekhouders en andere 
oflSciercn aan land passagieren, dan zorgde de logie op kosten van de 
Compagnie wel voor voertuig naar Suratte. 

De grootste verkwisting echter heerschte er bij de „gemeene tafel." 
't Zou noodig zijn die geheel af te schaffen en de dienaren voor hun 
kostgeld eigen menage te laten voeren. Daarmede zou de Compagnie 
niet alleen besparen 't geen zij nu meer betaalde aan de tafel dan 
de kostgelden bedroegen n.1. 12 a 1500 realen, maar bovendien nog 
wat de keuken boven de tafel kostte aan olie, azijn, kaarsen, potten, 
pannen, doeken en allerlei keukengerei. Deze bedroegen jaarlijks 
onder den post huisonkosten 4000 ropieën, waarbij dan nog niet 
gerekend waren de loonen van de koks, marktgangers en andere 
keukendienaren. 

De bovengenoemde onkosten ten laste van de Compagnie waren 
openbaar, maar de fiscaal was er zeker van, dat er nog andere waren, 
die der Compagnie op verborgen wijze in rekening werden gebracht. 

Om de tweede fout, den particulieren handel, te bestrijden was door 
Van Goens de eenig mogelijke weg aangewezen. Zooals Van der 
Dussen bij het lossen en laden der schepen dag en nacht tegen- 
woordig geweest was, moest er altijd een dwarskijker aanwezig zijn. 
Daarom had Van Goens gelast, dat er aan Suhaly's strand een onder- 
koopman als fiscaal zou worden aangesteld, die op den particulieren 
handel zou toezien. Ofschoon de bedoelde fiscaal Vs van de aangehaalde 
goederen zou krijgen, was er door „ongenegentheyt" geen te vinden, 
die het baantje wilde waarnemen. Die misschien wel genegen waren, 
werden onbekwaam geacht. Een onderkoopman, meende Van der 
Dussen, was ook iemand van te geringe qualiteit om zoo'n ver- 
antwoordelijke en zelfstandige positie in te nemen. Hij gaf daarom 
in alle bescheidenheid in overweging daarvoor aan te stellen de 
tweede persoon te Suratte, die direct onder den directeur stond. 
Want naar iemand, die geen zitting in den raad had, zou niet geluisterd 
worden. Integendeel zouden zijn bemoeiingen worden tegengewerkt 
en niets kunnen uitrichten „als synde die cancker al in 't gebeente 



203 

gecropen." Die tweede persoon, aangesteld als fiscaal, zou dan 't recht 
moeten hebben, dadelijk bij aankomst der schepen den schipper, 
de stuurlui en den bottelier aan land te brengen en daar te houden 
tot het schip gelost was. 

Tot zoover het rapport over Suratte. Het geeft ons een kijkje in 
de grootere en kleinere knoeierijen op een der gewichtigste factorijen 
van de Compagnie. Met de stukken is het niet te bewijzen, maar de 
weinige feiten rechtvaardigen het vermoeden, dat er door de dienaren 
der Compagnie van den hoogsten tot den laagsten werd gekuipt met 
de wisselaars, gecontracteerd met de kooplieden, geknoeid in de 
boeken, en handel gedreven voor eigen rekening tegen den eed aan 
de Compagnie gedaan. Het rapport van Van der Dussen wijst niet 
alle wegen aan, waarlangs rijkdommen te vergaren waren, maar na 
de lezing kan het geen verwondering wekken, dat „in die quartieren de 
dienaren der Compagnie groote schatten seer schielijck hebben bijeen 
vergadert gehadt", en het is zeer duidelijk, dat „hun die door de wint 
niet aangewaijt, maar met ongeoorloofde middelen geprospereert sijn." ^) 

En zouden de door den fiscaal aangeprezen maatregelen verbetering 
kunnen brengen? De verleiding tot particulieren handel in zoo'n 
centrum van verkeer was groot; de schippers waren gewillig om 
tegen vergoeding de waren te bergen of aan den handel deel te nemen; 
het geld was te Suratte, in vergelijking met andere plaatsen, niet 
te duur te krijgen; een fiscaal bij 't lossen en laden der schepen zou 
toch ook niet onomkoopbaar zijn; Batavia was verre en zelf niet al 
te nauwgezet, commissarissen waren een sporadisch verschijnsel, en ... . 
meenden die heeren het zelf wel zoo ernstig? 

Den 2*^^° Maart vertrok Van der Dussen om in Wingurla de daden 
van Leendert Jansz na te gaan, zijn nieuwe logie te bezien en te 
onderzoeken, hoe hij aan het geld voor den bouw was gekomen. ') 

Leendert Jansz was, van 't geen hem boven 't hoofd hing, door 
Van Goens verwittigd en tevens in een hartige réprimande berispt. 
De commissaris had hem verweten, dat hij het eigenlijke doel, waarvoor 
het kantoor te Wingurla diende, niet naar behooren behartigde. 
Eigenbelang scheen hem daarin te verhinderen. Zoolang Van Goens 
voor Goa lag, had hem van Wingurla nooit eenig advies bereikt 



^) Missive van Gouv.-Gen. en R. aan Isaacq Coedijck te Suratte, 5 Sept. 1657. 
'^) Zie boven p. 105 vlg. 



204 

over de „constitutie" des vijands, noch eenig bericht aangaande zijn 
voornemens, wat voorzeker een teeken was, niet alleen van geringen 
ijver, maar ook van klein verstand van het opperhoofd te Wingurla. 
Hij moest zorgen voor betere spionnen, die, van elkaar niets afwetend, 
berichten binnen brachten, opdat „door conferentie van d'een en 
d'ander" eens juiste inlichtingen mochten worden verkregen. „Hierop 
alleen siet al 't werck van Wingurla en uw beroep 't selve maer 
wel te doen, buyten 't welcke daer anders geen kantoor noodig is." ^) 

Den 7^^^° Maart kwam Van der Dussen voor Wingurla ten anker 
en begon hij zijn visite om de onregelmatigheden, die er waren voor- 
gevallen, te ontdekken en zoo mogelijk de schuldigen aan te wijzen. 
Dat viel niet mee. 

Hij trachtte den resident, alle dienaren en de twee benjaansche 
kooplieden een scherp verhoor tegenover twee gecommitteerden 
onder eede te doen ondergaan. Hiertoe waren noch Leendert 
Jansz, noch de onderkoopman Pieter van Santvliet te bewegen. 
Zij beweerden daartoe niet verpHcht te zijn. Twee der assistenten, 
Leendert Leendertsen en Harmen Heesters, wilden wel op de ge- 
stelde vragen antwoorden, maar weigerden hun verklaringen met 
een eed te bevestigen. Zij hadden eenmaal een eed aan de Com- 
pagnie gedaan en waren dus niet gehouden nogmaals een eed af te 
leggen. Alleen de soldaat Jan ChristofFel deed in dezen, wat van 
hem verlangd werd en evenzoo de koopman Narsanna Weij met 
een bevestiging op de benjaansche wet, volgens zijn wijze en ge- 
bruik. Zijn broeder kon niet verhoord worden, die was naar het 
binnenland vertrokken. Van der Dussen kreeg den indruk, dat de 
ondervraagden veel meer wisten dan zij kwijt wilden wezen. Daarom 
en omdat de Compagnie aan de waarheid der behandelde punten 
veel gelegen was, kwam het den fiscaal dienstig voor ten minste 
de beide assistenten van Wingurla mee te nemen. Maar ook hier 
waren weer bezwaren. Leendert Leendertsen was chirurgijn en had 
onder zijn behandeling eenige gekwetsten van de vloot voor Goa. 
Hij kon dus moeilijk gemist worden en mocht blijven. Heesters 
echter ging mee en Covert Bruijn, van het schip Venenburgh, werd 
als voorloopig assistent op nadere goedkeuring van Van Goens ach- 
tergelaten. 



1) Instructie voor Leendert jansz enz. 3 Dec. 1657. 



205 

Aan Roothaas werd verzocht met 't eerste naar Ceylon vertrek- 
kende schip den bottehersmaat Lambert de Groot over te zenden, 
die niet ondervraagd was, omdat hij, onder voorwendsel van levens- 
middelen te moeten koopen, naar Bardes (t. n.-o. v. Goa) was ge- 
gaan en eenige dagen moest uitblijven. Ook Leendert Jansz zelf kon 
nog niet mee, daar zijn aangewezen opvolger Van Santvliet eerst 
een zending naar Canara had te vervullen. Als die zending was 
afgeloopen, zou de gewezen resident over Ceylon naar Batavia ge- 
bracht worden. 

Van de dienaren was er maar één, die meer geld had, dan noodig 
was voor zijn onderhoud. Pieter van Santvliet had 500 pagoden 
(2000 gulden) aan 't kantoor te Wingurla afgedragen om te Batavia 
op interest gezet te worden. Van de anderen bleek voldoende, dat 
zij niets over hadden. 

Daarmede was de opdracht van den fiscaal afgeloopen. Zijn 
visite had zoo goed als niets opgeleverd. Hij was alleen in zijn 
overtuiging gesterkt, dat te Wingurla geknoeid was, dat de dienaren 
ook wel wisten op welke wijze, maar dat hij er niet achter kon 
komen. Van nazien der boeken, noch van vermindering van perso- 
neel wordt door Van der Dussen in zijn rapport gesproken. 

Leendert Jansz verliet begin Mei op de Goutsbloem met de laatste 
schepen der bezetting voor Goa de kust van Indië; 15 Mei kwam 
hij te Gale aan, waar hij de verontrustende mare verspreidde van 
het door de Portugeezen voorgenomen ontzet van Jaffanapatnam ^): 
en eerst 9 Augustus arriveerde hij op de reede van Batavia. ^) Daar 
heeft hij zijn handelingen voor Gouverneur-Generaal en Raden 
verdedigd in een vertoog, dat hij 6 December 1658 bij de Heeren 
inleverde. ^) 

Het komt hierop neer, dat hij volgens order van de Heeren in 
overleg met de scheepshoofden Simon den Danser en Abraham 
Hartman, vóór Wingurla vertoevende, met het oog op het meer- 
malen te ontvangen hooge inlandsche bezoek, besloten had, de logie 



*) Missive uit Colombo naar Batavia, 15 Juni 1658, Zie boven p. 163. 

-) Gen. Miss. 14 Dec. 1658, 

•^) Omstandelijck verhael wegens de nieuwe stene in Wingurla geboude E. Comp. 
Residentieplaets om te vertoonen den E. hoogachtbaren Heer Johan Maetsuycker 
Gouverneur-Generael ende d'E.E. heeren Raaden wegens d' Nederlandtschen standt 
in Orienten. Batavia 6 Dec. 1658. 



206 

netjes in orde te brengen. Daar nu in die dagen wegens onlusten 
het hout duur en de steen naar verhouding goedkoop was, en veel 
solieder, dus op den duur voordeeliger, ^) was ook door boven- 
genoemde heeren goedgevonden ten meesten dienste van de Compagnie 
het huis en de galerij geheel van steen te doen bouwen. Dat was 
ook zooveel beter met 't oog op dreigende brandstichting door de 
Portugeezen! Gedurende het bouwen waren er allerlei tegenvallers 
geweest, zooals ingevallen oude muren en een ingestorte pilaar in de 
groote zaal. 't Schrijven van Batavia, waarin bevolen werd, de 
geheele galerij weg te laten of met slechts V* van de kosten op te 
trekken, was te laat gekomen om het begonnen werk weer af te 
breken. En 't was ook zoo noodig gebleken voor 't vele hooge 
inlandsche bezoek en de vele „gequalificeerde personen" van de 
Compagnie, die er gehuisvest waren geweest. Men moest toch be- 
denken, dat de oude woning in 7 jaar tijds (1649— 1656) ƒ 7000 had 
gekost aan reparatie. Daarom had Leendert Jansz, ofschoon het wat 
duur was, er een pannen dak op laten zetten. Hij erkende wel tegen 
't bevel van de Heeren gehandeld te hebben, maar hij had overwogen, 
dat hun order aangaande de verbouwing niet zonder schade voor 
de Compagnie had kunnen worden afgewacht en dat het in zoo'n 
geval ieder „subaltern voorsichtich over hooft toecomt met zijn sup- 
poosten te beraden" hoe de Compagnie in die gevallen het best 
werd gediend. Hij kon gedwaald hebben. In dat geval hoopte hij 
„zoo in mijn doen en laten („gel. vertrouwe neen") erreure mochte 
bespeurt werden, nevens andere oprechte dienaers UEd." gebruycke- 
lycke goedertierentheyt mach erlangen." 

De schrijver legde voortdurend den nadruk op 't hooge bezoek, 
waarvoor de praal en pracht, die de Hooge Regeering juist niet 
wenschte, noodig was, maar hij zweeg over de kosten van den bouw. 
Gouverneur-Generaal en Raden hebben dan ook geen genoegen 
genomen met de verdediging en aan Van Goens opgedragen bij zijn 
komst te Wingurla de zaak nader te onderzoeken. ^) Ernstig gestraft 
is de aangeklaagde oud-resident van Wingurla vermoedelijk niet, al 
wordt hij niet, zooals Pieter de Bie en Joan Barra, later nog in 
eervolle betrekkingen vermeld. ^) 



M Slechts een verschil van 2, 3 a 400 pagoden. 

2) Gen. Miss. 14 Dec. 1658. 

3) Vgl. boven, p. 113. 



207 

Wat door Van Goens zelf of onder zijn opperbevel tot eind Juli 
verricht was, was niet meer dan een begin van uitvoering der 
opdracht hem te Batavia gegeven. Het nieuw veroverde gebied 
moest nog georganiseerd, geschikte opperhoofden moesten aangesteld, 
vestingen aangelegd of geslecht en met de inlandsche vorsten nader 
onderhandeld en gecontracteerd worden. Het project op Diu was 
nog niet geheel opgegeven. De verovering van Cotchin en andere 
plaatsen op de kust van Malabar bleef hem nog aanbevolen. En 
dan wachtte nog op vollediger uitvoering de hem gegeven commissie 
als commissaris ter visite van Ceylon, Suratte, Wingurla, Coromandel, 
Malakka en, als het kon, van Bengalen. 

Nog vier jaar is Van Goens in de westelijke kwartieren geweest. 
Den 29^'^° Augustus 1662 leverde hij bij de Hooge Regeering een 
„Gort relaes" in „om te dienen van Raport ende aenwijsinge van 
de verrichtingen van oorloghssaecken ende commissie geschiet ende 
uytgevoert." Dat relaas is zeer kort en eigenlijk een verontschuldi- 
ging wegens „indispositie ende den corten tyt mijns aenwesen" voor 
het niet indienen van een uitvoerig rapport over al het in de ver- 
loopen 5 jaren verrichte werk. Hij verwijst dan ook naar zijn brieven, 
overgeleverde papieren, dagregisters en uitgevaardigde instructies 
„waeruyt can geconstrueert werden wat rapport ick U.E. te doen hadde." 

De schrijver van de voorgaande bladzijden hoopt gelegenheid te 
vinden uit bovengenoemde papieren het begonnen verhaal over Van 
Goens' optreden in de westelijke kwartieren voort te zetten. 



BIJLAGEN. 



AALBERS, O.-I, Compagnie. ^^ 



BIJLAGE I. 



Uit de Generale missive van 26 Januari 1655. 

25 Dec. 1653 was de commissaris met de schepen Sluys, Avenhorn en 
Cabeljau in Sualys kom gearriveerd. 

Daar werd „ter eerster instantie verstendicht", zooals ook te voren 
voor Daman door een briefje van den E. Pelgrom was bericht, hoe 
twee engelsche schepen door particulieren uitgerust eerst genaamd Egel en 
Gulden Vlies, en naderhand door henzelf genoemd Boodschap en Duif 
binnen Diu lagen, en hoe bovendien het engelsche jacht Valck buiten Diu 
op de „Bassuraesche" schepen kruiste. Daarom vond Z.E. met den raad 
te Suratte goed eenige schepen in allerijl te lossen en op den vijand af 
te sturen, waartoe de jachten Muyden, Sluys en Cabeljau 't eerst gereed 
waren, welke met de „chaloup" de Maagd van Dorth vooruit naar Diu werden 
gezonden. Deze schepen ontdekten voor Diu een caffila van vele Portugeesche 
vaartuigen, waarvan de Nederlanders slechts een barkje met 18 lasten rijst, die 
als provisie voor de vloot zeer goed te pas kwamen, in handen kregen. Behalve 
dit vaartuig , .beknelde " de chaloup onder den wal nog een visscher, naar 
't scheen, maar naar vast gemeend werd een spion, die de overheden van de 
schepen geraden vonden op te zenden naar Suratte, om aldaar uit dien man 
te vernemen, wat zij nauwelijks hadden durven gelooven. Van dezen visscher 
toch, in Suratte gebracht, werd men gewaar, dat drie engelsche schepen, 
de Boodschap, Wellekom en Valk elf dagen voor de komst onzer schepen 
over Sindi naar Perzië waren gegaan om hun schip de Endever, dat door 
de Nederlanders in Perzië werd ingesloten, te halen, om dan terug te keeren 
en gezamenlijk onder Diu „met avantagie" op onze schepen te kruisen. 
Hij vertelde, dat in Diu niet meer dan 100 blanke Portugeezen waren, 
onder wie wel 40 papen. Onder alle omstandigheden bleef deze oude moor 
zonder eenige „variatie" bij zijn beweringen, zoodat aan de waarheid niet 
te twijfelen viel. Op die gewichtige getuigenissen werd in Suratte be- 
sloten de geheele aanwezige macht van de Comp. naar Sindi te zenden, 
in de hoop de Engelschen daar nog te „beloopen", en anders gezamenlijk 
naar Perzië te gaan, en, als het geviel, dat de vijand de jachten Leeuw 
en Popkensburch, die toen van Bassora verwacht werden had genomen, 
hem die prooi weder te ontrukken, al moest het zijn onder het kasteel van 
Ormoes zelf. 't Was trouwens maar goed, dat het niet noodig geweest was, 
daar „de Persiaen dier gelycke violente proceduyren sonder retorsie, op zijn 
rheede van ons niet en soude hebben gedoocht, daervan infalibelyck voor 



212 

190

190 

Uit het bovenstaande blijkt wel, dat de afsluiting van Goa niet 
volkomen was. Zij kon dat niet zijn, indien de groote schepen niet 
geassisteerd werden door klein vaartuig. Evenals in zijn vorig rapport ') 
gaf Roothaas de Heeren te Batavia ook nu weer in overweging bij een 
volgende uitrusting daarvoor te zorgen. Twee of drie lichte jachten ge- 
monteerd ieder met 8 a 10 stukjes en zooveel roeiriemen als mogelijk 
is, zouden met de 4 roeivaartuigen, die in Wingurla gebouwd werden 
naar zijn meening voldoende zijn, om ook de kleine, langs de kust 
varende scheepjes, het in- en uitzeilen te beletten. Als daardoor dan 
de voorziening van levensmiddelen te Goa stokte, zou dat onder de 
Portugeezen een groote „commotie ende revolte" kunnen verwekken. 
Aan het gebruik van die kleine jachten en de roeibooten was echter 
één bezwaar verbonden: de nederlandsche matrozen konden zoo slecht 
met het inlandsche roeivolk en het dito roeivaartuig omgaan. *) 

De bedoeling der Portugeezen was blijkbaar niet geweest in de eerste 
plaats een ontzettingsmacht uit Goa naar Ceylon af te zenden. Daartoe 



^) Van 13 ]uly 1657. De raad v. h. vorige rapport hadden de Heeren wel graag 
opgevolgd, maar zij konden niet bij gebrek aan klein vaartuig. „Ondertusschen souden 
niet ongeraden vinden dat U.E. op de Cust van Canara, dewijl wij mette vorst 
van hetselve in contract getreden sijn, in de eene ofte andere haven daer goet 
timmerhout is vallende 2 of 3 soodanige snedige lichte jachtjes ofte fregats lieten 
opsetten, als U.E. ons hebben voorgeslagen .... op welcke vaertuigen U.E. dan 
Canarijns of andere ervaren seeluijden souden moeten gebruijcken, om de schepen niet 
te veel van haer nodich volck te ontblooten, mits dat gelet werde, dat wij haer altijt 
meester mogen blijven .... dat deselve inlantse matrosen door de rouwicheit van 
ons volck geen oorsaack en werde gegeven op ons verbittert te wesen ende tegens 
ons op te staen." (Instructie voor Roothaas 1 Aug. 1657.) Roothaas heeft voor zijn 
vertrek te Wingurla opdracht gegeven eenige kleine vaartuigen te laten mciken en 
daarvoor twee timmerlieden achtergelaten. Deze zouden in Sept. gereed moeten zijn. 

^) Roothaas vertelt over de „rouwicheyt" van het volk, het volgende: 

„hadden wij een moors vaertuijchie gekocht met 18 riemen en dacrop gebuurt 10 
moorse matroosen; monteerden selve met 1 clcen metaele stuckjen, 8 a 10 soldaten, 
tot opperhooft een onderstuurman nevens 5 a 6 matroosen, die, zoo wij dochten al 
van de civielste basen waren. Met dit vaertuychie neffens 2 a 3 scheeps chialoupen 
souden wij omtrent de rivier Chiappeta (Chapora) beletten, dat geen cleijne vaer- 
tuijgen uijt off in Goa soude comen. Hadden tot haer retraict 't jacht Thoolen daer 
soo nae aen de wal doen anckeren, als de zeemanschap lyden mocht. 2 a 3 dagen 
daerin gecontinueert en eenige vaertuijgen tegen de wal gejaecht hebbende sijn de 
voorsegde Moors roeyers bij mij gecomen en claegden, dat heel rouw gehandelt wierde 
en dagelycx gescholden voor Catchors (port. cachorro = jonge hond, brutale vlegel.) 
en andere meer scheltwoorden. D'onse daerover aensprekende manqueerde geen blauwe 
excusen: in fin kon de mooren niet bewegen om in haeren dienst te continueren, 
maer was genoodsaeckt haer te largeren en souden voort onse matroosen op hetselve 
vaertuych den selven dienst doen, maer hielpen 't selve, alsoo een swack genaijt 
dinck was, haest om hals." 



191 

zijn zij meermalen in de gelegenheid geweest, zoowel door 't „diver- 
teeren" van de blokkade-vloot, als door 't voordeel van den wind. Hun 
pogen scheen allereerst ten doel te hebben de vloot der Nederlanders 
te vernielen, of althans het geladen galjoen de Bon Jezu door de 
vloot te brengen. Daarin zijn zij niet geslaagd, en in zooverre heeft 
Roothaas zijn taak goed volbracht. Maar volgens zijn „ordre" mocht 
dit galjoen er desnoods door, als hij maar den vijand bezuiden de 
bhare lokte en zoo mogelijk vernielde. ^) Daarin is hij niet geslaagd. 
En ernstige moeite heeft hij er ook niet voor gedaan. De vijand door 
hst te verlokken was zijn werk niet — wel dat van de Portugeezen 
met hun valsche vuren op 't strand en 't ontkomen in de duisternis 
op 3 Februari. Zelfs als hij overtuigd is, dat de Portugeezen het er op 
toelegden hem zijn „amminutie te doen consumeeren" spaart hij die 
niet — maar schiet er zoo lustig op los, dat een vijfde aanval der 
vijanden hem vermoedelijk een nederlaag zou hebben bezorgd. *) 

Een voorzichtig, tactisch vlootvoogd heeft Roothaas zich niet betoond. 
Maar wel een vechtcommandeur, die „de trots van ons soo te tergen 
(20 Januari) niet kon verdragen", die brandde van verlangen om 
eenmaal „tot ons contentement te connen attaqueren." Voor hem is 
een scheepsstrijd een sport. Met den vijand slaags zijn heet in zijn 
taal: „een contredans met hem dansen." 

Maar zulke dappere braven met durf en wat haat tegen de 
Portugeezen had de Compagnie noodig. En de Hooge Regeering 
gaf haar tevredenheid over zijn optreden te kennen, door hem ten 
derden male tot commandeur over de blokkade-vloot te benoemen. 
Den 6'^" Augustus 1658 verliet hij weer Batavia's reede met 9 schepen 
en 1068 koppen om nogmaals Goa's bhare af te sluiten. ^) 



^) Misschien ook was hij het niet met Van Goens eens, dat de victorie moet gaan 
boven de buit en wilde hij zich daarom niet te ver van de bhare begeven met de 
portugeesche vloot. Een zestiende deel van de buit was voor de veroveraars. 
(Instructie voor Roothaas 1 Aug. 1657.) 

*) G. G. en R. in hun Gen. Miss. van 14 Dec. 1658 schrijven ook, dat het een 
geluk mocht heeten, dat de Portugeezen niet nog één maal uitgekomen zijn. 

3) Gen. Miss. 14 Dec. 1658. 



HOOFDSTUK VIII. 



DE VISITATIE VAN SURATTE EN WINGURLA DOOR DEN FISCAAL 
LUCAS VAN DER DUSSEN. 

In zijn instructie was Van Goens, zooals wij weten, in de eerste 
plaats opgedragen Diu te veroveren en de Portugeezen van Ceylon 
te verdrijven. Eerst daarna kwam de visitatie der kantoren en gouver- 
nementen in aanmerking. Toch heeft Van Goens niet met een inspectie 
van Suratte en Wingurla willen wachten, tot hij van zijn krijgs- 
operaties zou zijn teruggekeerd, al was hij vermoedelijk wel van 
plan, die kantoren, hem van zijn bezoek in 1653/54 bekend, later, 
als hij gelegenheid had, zelf aan een inspectie te onderwerpen. 

Voorloopig zond hij er zijn fiscaal Lucas van der Dussen heen. 
Deze kreeg de opdracht vooral te letten op de particuliere goederen, 
die te Suratte met de fluiten Venenburgh en Oyevaar zouden kunnen 
worden aangebracht, of vandaar naar Perzië of Batavia gezonden 
zouden kunnen worden. In 't bijzonder zou hij moeten zorgen voor 
de uitvoering van de order der Hooge Regeering van 30 July 1657, 
waarbij den dienaren der Compagnie gelast werd, het geld, dat zij 
voor hun onderhoud niet noodig hadden, op interest aan 's Com- 
pagnieskas af te staan. ^) 

Den 25^'^° November 1657 zeilde de fiscaal met de fluiten Venenburgh 
en Oyevaar uit de vloot voor Goa en vertrok daags daarna van 
Wingurla's reede. Met hem ging de nieuwe directeur van 't kantoor 



^) Instructie voor den fiscaal Lucas van der Dussen, waer nacr hem geduercnde 
de reijse naer Suratte sal hebben te reguleren. In 't schip Worcum, 25 Nov. 1657. 
Voor bovengenoemde order, zie boven, p. 109. 



193 

te Suratte, Leonard Winnincx, om daar de plaats in te nemen van 
den waarnemenden directeur Isaack Coedijck, „die niet in de negotie, 
maar in de schilderkunst opgevoed en gestileert was", en daarom 
op bevel van Heer en Zeventien uit zijn ambt moest worden ontzet, 
om ergens als vrijburger de schilderkunst weer te gaan uitoefenen. ^) 

Eerst den ly*^" December kwamen de schepen, door harde noorden- 
winden tegengehouden, in „Suhalys Kom" aan. ^) 

Daar vonden zij het land in rep en roer, den handel gestaakt, de 
nederlandsche kolonie gevlucht naar Suhalys strand. Zelfs lag er een 
scheepje van den wisselaar Mondas Naan op stroom, van alles wel 
voorzien, om, als 't noodig was, de vlucht te nemen. Alleen de waar- 
nemende directeur en een paar anderen waren te Suratte gebleven. 

Wat was er aan de hand? 't Gerucht was verspreid, dat de mogol 
Shah Jehan (1627^ — 1658) was gestorven en zijn jongste zoon, prins 
Moerad Bax, die als vice-koning de benedenlanden voor zijn vader 
bestuurde, belegerde het kasteel van Suratte, om het bij een eventueelen 
troonstrijd met zijn broers in bezit te hebben. ^) Hij had ook hulp ge- 
vraagd aan de Compagnie, met de belofte, dat zij dan voor altijd bevrijd 
zou zijn van den halven Suratschen tol. Als men zeker was geweest, 
dat Moerad Bax zich zou kunnen handhaven, zou het een aardig 
voordeel voor de Compagnie hebben opgeleverd. Nu echter de toe- 
komst onzeker was, had men het verzoek beleefdelijk afgeslagen. Van 
deze beroeringen zou Van der Dussen op zijn visite eenigen last 
ondervinden. 

De eerste maatregel van den fiscaal was te zorgen, dat niemand 
aan land ging, voordat alle brieven, die van Batavia meegegeven 
waren aan vrienden en verwanten, aan hem werden ter hand ge- 
steld. In een zitting van den scheepsraad werden de meeste met 
toestemming van den directeur Winnincx geopend. Slechts drie ver- 
dachte brieven werden gevonden. 

De huisvrouw van notaris Huisman *) liet haar zoon, assistent te 



^) De directeur Hendrik van Gendt was in April 1657 gestorven. Over Isaack 
Coedijck: Dr. A. Bredius in Oud-Holland, 1909, p. 5 vlgg. 

^) Dit en 't volgende ontleend aan „Rapport aen d'E. Heer Ryckloff van Goens 
enz. nopende 't gunt in de quartieren van Guseratte uijt crachte van sijn opgemelte 
Ede gegeven ordre bij hem is verricht. Overgclevert in 't nederlants veltleger voor 
't casteel van Jaffenapatnam 25 April 1658. 

3) Gen. Miss. H Dec. 1658. 

•*) Anthony Huisman, notaris te Batavia. Daghr. Batavia 1656/57, p. 64. 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 13 



194 

Suratte weten, dat de opperkoopman Pieter Speelman onder zijn 
bewaring drie pikols koper (± 360 pond) aan boord had, waarvoor 
zij graag tarwe zou terug ontvangen. 

Voor den koopman Albert van Breugel was er een ongeteekende 
memorie, waarvan het handschrift als den schrijver verried de chi- 
rurgijn de Roo te Batavia. Ingesloten bevatte het epistel een staafje 
goud, waard drie realen, waarvoor hij graag eenige benoodigdheden 
voor zijn huisvrouw gekocht zou zien. 

Van het derde briefje was de herkomst niet vast te stellen. Het 
was gericht aan den wisselaar Mondas Naan en bevatte een „schuyt- 
jen" ^) goud. Er bleek uit, dat de schijver met den wisselaar handel 
gedreven had en hem nog 118 realen schuldig was. Mondas Naan 
werd ontboden en ondervraagd. Natuurlijk wist hij zich niet te herin- 
neren, dat iemand te Batavia hem nog 118 realen schuldig was! 

Deze oogst van ongerechtigheden was gering. Het goud en koper 
werden verbeurd verklaard. Maar er werd meer ontdekt. 

Voordat de Oyevaar naar Perzië vertrok (28 Dec), werden er 
nog 24 pikols koper in gevonden. Daarvan behoorden 16 aan den 
schipper Jacob van Doorn en 8 aan verschillende bootsgezellen. 
Voor den raad had de schipper zich te verantwoorden. Zijn recht- 
vaardiging doet zien, hoe de particulariteit tot de hoogste en eer- 
baarste ambtenaren was doorgedrongen. Van Doorn verklaarde, dat 
hij het koper had moeten aannemen van Abraham Pittavin ") als 
betaling voor een partij fransche wijn (van 450 realen), geleverd 
aan het lid van den achtbaren raad van justitie Cauw. Zonder 
verbreking van zijn eed aan de Compagnie kon die achtbare heer 
moeilijk aan koper gekomen zijn. Maar in allen gevalle mocht Van 
Doorn het metaal niet gaan verhandelen in Perzië. Dus werd het 
in beslag genomen en de schipper, voorloopig met verlies van zijn 
gage, als schipper afgezet, onder nadere goedkeuring van Van Goens. 
De opperstuurman Christiaan Gerritsen kreeg het commando over 
het schip. 

Over den gang van zaken te Suratte en onderhoorige kantoren waren 
de Heeren te Batavia alles behalve tevreden. De dienaren aldaar 



^) „Schuitje is een plomp gegoten stuk geld omtrent een vierde van een el lêing, 
ongelijk en ruim een duim breed." 

^) Procureur en vrijburger te Batavia. Daghregister Batavia 1653, p. 15; 1659, p. 88. 



195 

werden te spoedig rijk en er waren er te veel. Aan Van Goens was 
dan ook in zijn instructie opgedragen op geen kantoor meer dienaren 
te laten dan er noodig waren voor het verrichten van den dienst. 

Zoo ging dan van der Dussen over tot besnoeiing van het perso- 
neel. Het geheele kantoor, behalve den directeur en die bij den koning 
waren, ^) bestond uit 73 personen, ^) aan wie maandelijks voor tracte- 
ment en kostgeld ƒ3049 : 16 werd uitbetaald. Van hen werden dadelijk 
of zouden later ^) met verschillende schepen over Ceylon worden 
weggezonden 33, zoodat op de Guseratsche kantoren Suratte, Amada- 
bad, Agra en Sindi behalve den directeur, nog overbleven twee 
opperkooplieden, twee kooplieden, vijf onderkooplieden, vijftien 
assistenten, één krankbezoeker, drie opperchirurgijns, acht militairen 
en vier zeevarende personen, te zamen veertig dienaren. De zee- 
varenden waren noodig voor de bediening van de drie kleine vaar- 
tuigen, *) die het verkeer te water tusschen „Suhalys kom" en Suratte 
moesten onderhouden. Onder deze veertig, verzekerde van der Dussen, 
waren er geen, die elkaar in „bloet of affiniteit" te na bestonden. 
De maandelijksche uitkeering was door deze vermindering van per- 
soneel teruggebracht op f 1682 : 8. 

Minder succes had de fiscaal bij het ten uitvoer brengen van de 
order, die voorschreef, dat de overtollige gelden der dienaren in de 
kas der Compagnie moesten worden gestort. 

De directeur Winnincx had het geld al afgegeven vóór zijn vertrek. 
Zij, die uit Suratte weggestuurd werden, beweerden „onverobhgeert" 
te zijn, want de order sloeg alleen op de kantoren, waar de Com- 
pagnie geen kolonie had, en zij gingen nu naar Ceylon of Batavia, 
waar zulks wel het geval was. 

De brieven over die opvordering aan Jan Tack te Agra gezonden, 
waren teruggekomen. Zij hadden hem dus niet bereikt, wat uit den 
oorlogstoestand te verklaren was. 



^) Zie boven, p. 77 . 

2) n.1. 3 opperkooplieden, 7 kooplieden, 9 onderkooplieden, 21 assistenten, 1 
krankenbezocker, 3 opperchirurgijns, 13 militairen en 16 zeevarende matrozen. 

') Als de weg van Agra naar zee weer veilig was en de kantoren Brootsja en 
Brodera waren opgeheven. Hieruit blijkt, dat het kantoor te Brodera dus nog bestond, 
terwijl het na de eerste inspectie van Van Goens reeds zou zijn opgeheven (vgl. 
boven, p. 89). 

*) Het smalschip Haarlem, en de sjamboks Amsterdêun en Middelburg. 



196 

Het opperhoofd te Amadabad, Abraham Hartman, en de meeste 
anderen verklaarden geen geld te hebben. 

Een onderkoopman te Sindi, Vertange, had wegens gebrek aan 
schepen nog niet kunnen antwoorden, hetgeen volgens Van der 
Dussen „al eenigsints met de waarheyt balanceerde." 

Slechts twee verklaarden een aardige som te hebben overgespaard. 
De opperkoopman Dirk van Adrichem had 4000 realen en de koopman 
Joost Clant ƒ3000 beschikbaar. Maar — en het zal hun wel niet 
onaangenaam geweest zijn — dat geld was juist nu niet los te krijgen 
door de „gestaltenisse des tijts ende den oorlogh." Zoo kon de 
order der Hooge Regeering dus heelemaal niet worden uitgevoerd. 

De fiscaal vertrouwde de opgaven dan ook niet en om te weten 
te komen of de dienaren „haer tot derzelver onderhout niet al te veel 
en aproprieeren" eischte hij, wat hem in zijn instructie bevolen was 
„de openinge der middelen met leveren van staet en inventaris." 
Daartoe echter was geen der dienaren te bewegen. Inzage van 
particuliere zaken, dat ging niet. Van den directeur Winnincx kreeg 
van der Dussen geen steun. Die beriep zich er op, dat ook in Masuli- 
patnam op de kust van Coromandel slechts op een „simpele verclaringe 
was geprocedeerd." Dus moest de fiscaal van het straffe, maar 
afdoende middel afzien. De weigering der heeren doet wel ten zeerste 
vermoeden, dat er wel overgegaarde penningen waren, die quasi voor 
de huishouding noodig, in den handel gebruikt werden. 

De raad te Suratte had het niet wenschelijk geacht direct na aankomst 
het schip Venenburgh te lossen, omdat de tijdsomstandigheden den 
handel belemmerden en de uitgeladen goederen misschien aan plundering 
zouden worden bloot gesteld. Toen evenwel eind Januari 1658, Moerad 
Bax van de stad was weggetrokken, zijn oudsten broer Daragacour 
tegemoet, kwam er verlevendiging in den handel en werd 4 Februari 
met 't lossen begonnen, waarmede men 21 Februari gereed was. 

Van der Dussen, volgens zijn instructie, was voortdurend in het 
ruim van het schip er bij tegenwoordig geweest. Hij vond de drie 
pikols koper voor den assistent Huisman bestemd en bovendien, 
verborgen onder de kruidnagels, nog 17 pikols, die bleken toe te 
behooren aan den opperstuurman Pieter Speelman. 

In de zeilkamer achter het beschot „dat onmogelijk bedacht scheen" 
had schipper Hendrik Juriaensen zijn partijtje van meer dan 50 pikols 
koper verborgen gehad. Zij waren met de boot door den onder- 



197 

stuurman Cornelis Joosten aan boord gebracht. Op reis tusschen 
Wingurla en Suratte was het koper uit de kistjes genomen en in 
meer dan 300 zakjes genaaid, die bij donkeren nacht in 2 of 3 
reizen weer door den onderstuurman met de boot naar 't strand 
waren geroeid. 

De 17 pikols van Speelman waren door den hoogbootsman „uyt 
de nagelen gegraven", aan de matrozen in hun kisten in bewaring 
gegeven en eveneens bij nacht van boord gebracht. 

Hoe de fiscaal deze particulariteiten ontdekte, vertelt hij niet. De 
bijzonderheden moeten gebleken zijn bij het verhoor, waaraan de 
medephchtigen voor den raad te Suratte werden onderworpen. 

Slechts enkelen legden verklaringen af, maar zij weigerden die met 
een eed te bevestigen. Tegen een onderteekening hadden zij geen 
bezwaar. Maar de raad, die behalve den nieuwen directeur niet den 
minsten ijver toonde, had dat wel. En zoo was de fiscaal gedwongen 
de begonnen procedure op te schorten, tot Van Goens zelf te Suratte 
zou verschijnen. 

Bij het laden van de Venenburgh had Van der Dussen geen parti- 
culiere goederen kunnen ontdekken. 

Van de opbrengst der geloste goederen kon de fiscaal in zijn rapport 
nog niets mededeelen, daar de tijdsomstandigheden de veiling nog niet 
gewenscht maakten. Maar wel kon hij de verzekering geven, dat de 
voorgenomen manier van verkoop bij gesloten briefjes (de japansche 
wijze) door de kooplieden zeer werd gewaardeerd. Alleen de twee 
groote handelaars Wiersia Wora en Mondas Naan moesten er niets 
van hebben, de contractatie was hun wel zoo aangenaam geweest. De 
fiscaal verwachtte, dat in het vervolg de voorgeschreven methode 
zou worden gevolgd en dat dan de vastgestelde prijzen met name 
van de nagelen zou worden bereikt. Ten minste „soo den iver 
ende vigilantie, die den E. directeur daerinne betoont, van anderen, 
die 't niet betamen soude, door instigatie, misleydinge, directie ofi^ 
wel prodigaliteyt van de ongeneijgde Benjanen (Wiersia Wora en 
Mondas Naan) niet en wordt gecontramineert." Van der Dussen 
voelde wel, dat een nieuwe directeur te Suratte heel vast in zijn 
schoenen moest staan om tegen de „prodigaliteit" der groote koop- 
heden en tegen de ingeroeste gewoonten der dienaren van het kantoor 
bestand te zijn. 

Ook de administratie der gelden werd door het nazien der boeken 



198 

aan een inspectie onderworpen. Hieruit bleek, dat het beheer der 
gelden van het kantoor, die na den verkoop der specerijen een 
hooge som beliepen, was opgedragen aan den opperkoopman Dirk 
van Adrichem. Deze liet het geheel over aan den wisselaar Mondas 
Naan. die voor kassier fungeerde en die voor zoo'n groote 
administratie nooit eenige borgstelling had gestort (nooit heeft „geca- 
veerd"). Van de ontvangen gelden kwam nooit een penning in de 
logie. Slechts vond de fiscaal quitanties voor kleine dagelijksche 
uitgaven („dagelycxe kleyne guastos"), die de wisselaar aan de logie 
had uitbetaald. 

En met deze gelden uit de kas der Compagnie was het ook niet zuiver. 
Zij waren gebruikt „soo men voorgeeft" tot betaling van hetgeen de 
tafel maandelijks meer kostte dan het kostgeld bedroeg. Aan dien 
wantoestand werd op bevel van Van Goens een eind gemaakt. 
Koopman Joost Clant, die daarvoor uit Brootsja ontboden was en 
lederen dag kon arriveeren, was aangewezen om in 't vervolg de 
„tresorie der penningen" te beheeren, waarvoor in de logie een 
vertrek werd ingeruimd. 

Naast deze groote onregelmatigheid vond Van der Dussen kleine 
knoeierijen in de op 31 Mei 1657 gesloten boeken van het kantoor. 
Zoo waren de honoraria (ƒ2340 : 18.) aan een moorschen en hol- 
landschen dokter, die den gestorven directeur Van Gendt hadden 
behandeld, op rekening van de Compagnie gesteld. ^) Evenzoo was 
geschied met de salarissen door juffrouw Van Gendt bij haar vertrek 
betaald aan moorsche makelaars en huisdienaren. Voor dezelfde 
juffrouw, geboren EUsabeth Calandrijn, was op de onkostenrekening 
van het jacht Naarden, dat haar naar Batavia voerde, een som 
gebracht van ƒ493, „bij haer over diverse ververschingen gegasteert." 

Het logie-gebouw van de Compagnie had behoord aan zekeren 
Palloan Sopheet, die gestorven was. Aan de erfgenamen van genoem- 
den heer was in Mei 1657 boven de huur een som geleend van 
f 7491 : 16., waarvoor nog nooit eenige rente was betaald. De Com- 
pagnie moest intusschen het geld tegen hooge interest „negotieeren." 

Van den vroeger reeds genoemden Pieter de Bie ^) met zijn 



h Het graf en de begrafenis van Van Gendt was ook al op rekening v. d. Comp. 
gesteld voor ƒ 4376 De Heeren in Batavia zullen het echter zijn weduwe laten resti- 
tuceren. (Missive v. G.-G. en R. aan Isacq Coedijck 5 Sept. 1657). 

2) Zie boven p. 109. 



199 

„schraepachtigen aert", die, eerste opperhoofd op het nieuwe kan- 
toor te Sindi, dadehjk aan den particulieren handel was gegaan, 
vond Van der Dussen in het resolutieboek van den raad, weer 
nieuwe „vuijlicheden." Hij had n.1. de in Sindi gekochte goederen 
voor 8887 V4 realen meer ingeschreven, dan er voor betaald waren. 
Zijn „gedoente" was door een commissaris en diens adjunct ^) ge- 
inspecteerd, met het gevolg, dat hij naar Suratte was opgezonden. 
Hij moet echter een beschermeling, misschien handlanger, van Van 
Gendt geweest zijn. Want, ofschoon die directeur zijn handelingen 
ten zeerste strafbaar noemde, was de ontrouwe dienaar niet voor 
den raad gedaagd, waren de commissaris en zijn adjunct niet ge- 
hoord, noch was een rapport van hen verlangd. Bij eenvoudige 
resolutie, zonder procedure, waren de handelingen van De Bie ge- 
laakt. En hij zelf was, zooals wij reeds zagen, ^) benoemd tot 
opperhoofd van het gewichtige kantoor te Agra. Om voor hem 
plaats te maken, was de koopman Jan Tack teruggeroepen onder 
voorwendsel van „neglegentie." Na den dood van Van Gendt was 
bij Tacks verantwoording gebleken, dat van die beschuldiging niets 
waar was, en hij werd dan ook naar zijn vorige standplaats terug- 
gezonden, Aan de Compagnie had deze wisseling van opperhoofd 
intusschen 4000 realen gekost! 

En De Bie te Agra? Die had weer dadelijk van de gelegenheid 
geprofiteerd. Met een partij tin en 11 a 12 sokkels') foelie was hij 
vertrokken. Op naam van de Compagnie had hij die goederen door 
den tol gesmokkeld, en ze daarna tegen hoogen prijs verkocht. 

De fiscaal klaagde hem aan bij den raad en eischte, dat de ge- 
slepen, ontrouwe dienstknecht „gesuspenseert van qualiteijt en gages" 
naar Batavia werd gezonden. Het laatste konden de confraters niet 
tegenhouden; maar zijn qualiteit en gage ontnamen zij hem niet. 
Ten minste zoo lang zij konden. Hij ging over Ceylon en daar zou 
Van Goens verder over die zaak beslissen. 

Aan de dienaren der Compagnie werd in Indië het salaris maar 
voor een deel uitbetaald, de rest bleef onder beheer van de Com- 
pagnie en werd bij terugkeer in patria met rente uitbetaald. *) Dat 



') 


Zie 


boven p. 


111. 




') 


Zie 


boven p. 


113 


vlg. 


') 


Een sokkel = 


= 154 


pond. 


') 


Zie 


boven p. 


18. 





200 

180

180 

gesteld. Wel kwam de portugeesche macht weer met zonsopgang 
naar buiten, opzeilend tot benoorden de Aguade; maar weer werd 
het stil en de vijanden konden niet bij elkaar komen. 

Eerst tegen den avond kwam er een „cleijn luchien uijtter zee". 
zoo „slouw" echter, dat de vijand bij daglicht niet meer te bereiken 
was. En van nachtelijke gevechten had Roothaas vooreerst genoeg. 
Hij besloot daarom 's nachts in 's vijands nabijheid te blijven om 
hem den volgenden dag met alle kracht aan te tasten. Toen de 
vijand dus met een n.n.w. wind zuidwaarts wendde, begeleidden hem 
op twee kanonschoten afstand de nederlandsche schepen tot de 
duisternis was gevallen. Want toen verloren zij hem uit het oog, 
omdat hij zijn vuren doofde. Eerst na middernacht werden weer 
vuren gezien. Eén er van was grooter dan de andere. Dat moest 
natuurlijk van het admiraalschip zijn. Daar spoedig de maan moest 
opkomen en de zee met haar schijnsel zou verlichten, gaf Roothaas 
bevel op de lichten aan te houden. Hij zelf ging op het groote Ucht 
af. Nadat de vloot een half uur gezeild had, kwam de maan op 
en ... . de vuren bleken op het land te staan. Naief merkt de com- 
mandeur in zijn rapport aangaande die vuren op: „die dencke daer 
geset waeren om ons te diverteeren." Zouden zij er ook niet gezet 
kunnen zijn om hem op het strand te laten loopen? De maan was 
hier reddend op tijd verschenen. 

De vijandelijke schepen waren bij het klare maanlicht nergens te 
ontdekken. Toen de dag aanbrak, vertoonden zij zich bij de Aguade 
en Roothaas zag toen ook, dat hij zelf door de vuren, de stroom 
en de z.w. wind „vrij wat om de noort was gediverteert." Weer 
bleef het dien dag stil tot na den middag, toen er eindelijk een 
zuchtje kwam uit het n.w., te zwak om den vijand nog bij dag te 
bezeilen. Maar den 29^'=° zouden de Nederlanders hun hart kunnen 
ophalen. 

's Morgens met den dageraad bemerkte Roothaas den portugeeschen 
admiraal V2 niijl van zich af, koersende naar den wal. Vermoedelijk 
wilde hij eerst zijn in den nacht verspreide schepen verzamelen. Maar 
Roothaas wilde hem daartoe den tijd niet gunnen en zeilde met zijn 
schepen dadelijk op hem af. De vijand, dat ziende, wendde om het 
aangeboden gevecht aan te nemen. Tegen twee uur in den middag 
waren de vloten bij elkaar. De verzameling van de portugeesche 
vloot had de commandeur dus niet verhinderd. 



181 

De Phenix hield recht op de Sacrament, het admiraalschip, 
aan. Hoe meer hij echter met vollen wind zeilende den vijand, 
die bij den wind liep, naderde, hoe meer deze afhield en met 
zijn snel geschut van verre schietende, den hoUandschen commandeur 
ontweek. 



6^ 



^^ 



FhenLx 



Si Sa/rament 
Admirsal 



II. 29 januari. 1^ phase. 

Daar de Portugees beter bezeild was dan de Hollander, kon Root- 
haas hem niet bijkomen, liet hem schieten en voer met de hem 
volgende schepen boven den wind dicht langs de achter hun admi- 
raal volgende Portugeezen. 



^^^ ^ "^^ 



cc-adm. 



i5"? S(urtim£nt 
Admiraal 



II. 29 Januari. 2^ phase. 

In 't passeeren werd „van beijde sijden wacker met canon op mal- 
canderen gespeelt." Toen het laatste schip gepasseerd was, wendde 
de commandeur zijn schepen voor den wind, om te trachten den 
vice-admiraal, die met vijf galjoenen in lij achter den admiraal aan 
kwam zeilen, aan te grijpen. Maar de vijand, allereerst bedacht op 
het voordeel van den wind, „smeet alle seylen bij" en liep zoo scherp 
mogelijk bij den wind zeilende juist voor Roothaas en de zijnen 



182 

langs, zoekende buiten schot te blijven. Het gelukte den vijand door 
betere bezeildheid boven den wind te komen, 



% 



\ 



\ 



Phi^rax 



S^AnTharof «i* 




II. 29 Januari. 3^ phase. 

maar in 't passeeren werd van beide zijden „wacker met canon ge- 
chargeert", waarbij de St. Anthony van den vice-admiraal werd lek 
geschoten en begon over te hellen. Intusschen had de admiraal zich 
met zijn eskader gewend en was boven den wind om de neder- 
landsche vloot heengevaren om die in den rug aan te vallen („achter 
in onze staart"), waar zijn vuur niet onbeantwoord bleef. 



& SarramsTit 
AdmirMi 




'S^AnthoTvf 

vice-ddm. 



^« e/Cc. 

II. 29 Januari. 4^ phase. 



Tegen den avond deed de portugeesche admiraal een schot met los 



183 

kruit, om de zijnen te waarschuwen, en trok zich naar den wal terug. 
De Nederlanders, de vuren van den vijand in 't zicht houdend, volgden. 
Tegen den morgen („in 't jongste van de tweede wacht") van den 30***^° 
Januari lag de vijand aan de loefzijde door „'t scavelen" ^) van den 
wind een weinig naar achteren geraakt, zoo dat Roothaas meende 
hem wel te kunnen bezeilen. Maar dat viel niet mee. Op een afstand 
van wel 2 of 3 kanonschoten koerste de beter bezeilde Portugees 
voor hem langs naar de „bhare", zonder van het voordeel van den 
wind tot een aanval gebruik te maken. 

Gedurende eenige dagen bleef de vijand voor de „bhare " zonder 
verder uit te komen. Alleen trachtte hij door schieten de Hollanders 
te verleiden tot „consumeren van ammonitie." 

Op den morgen van den 3'^^° Februari was de vijand slechts V2 
mijl van de blokkade-vloot verwijderd en daardoor de gelegenheid 
geboden een „contredans met haer te dansen." De wind was n.n.w. 
langs de kust. Roothaas zeilde met de geheele vloot op hem af. De 
Portugees zulks bemerkende, kwam met „alle furie" de Hollanders 
tegemoet. De wind draaide in zijn voordeel n.n.o. („soo de wint 
wat landelyckte"), zoodat hij weer de loefzijde houden kon. 

St^ Sacrament 

„^ -,-_ Admiraal 



Phe/ax 

III. 3 Februari. !« phase. 

Nog voordat het nederlandschc geschut hem kon raken, schoot de 
vijand reeds met zijn boegstuk over de Phenix heen. Toen zij elkaar 
binnen een musketschot afstand genaderd waren, kregen de Portu- 
geezen van het commandeurschip, de daarop volgende Zierikzee en 
van de Tholen (vice-commandeur Van Leenen) bij 't passeeren de volle 
laag. De Portugees zette alle zeilen bij („stack by") om aan den 
dans te ontkomen. Hij moest echter blijven, want het werd windstil, 
't Was 8 uur in den morgen. „OngelofFelijck werde met canon op 
malcander gespeelt." 's Vijands admiraalschip verloor met zijn bram- 



^) Hier: het weifelen, zoeken van den wind tusschen zee- en landwind. 



184 



steng zijn vlag, en geen Portugees deed moeite gedurende het 
gevecht een andere op te zetten. 



StSaa^tw"^ 



III. 3 Februari. 2^ phasc. 

Het artilleriegevecht duurde tot 's middags één uur, toen de zeewind 
begon door te blazen. Dadelijk zetten de portugeesche schepen koers 
naar de kasteelen. ^) En weer gelukte het hun door betere bezeild- 
heid aan de afsnijding, die Roothaas beproefde, te ontkomen. Zij 
waren daarbij vóór de nederlandsche schepen langs gezeild, want 
tegen den avond lagen de Portugeezen op twee kanonschoten afstand 
in lij van Phenix, Zierikzee en Tholen, de snelste zeilers van de 
hollandsche vloot, die getracht hadden den vijand vóór te zijn. 



^ 



Tfwkn> 



^. 







III. 3 Februari. 3^ phase. 



Roothaas, nu voor den wind, stevende met zijn snelle zeilers (ver- 
moedelijk in de koers z.o.) recht op den vijand aan, hopende, hem 
nu naar 't zuiden van de kust af te dringen, en in de verwachting. 



^) Hoeveel schepen er van den vijand aan het gevecht deelnemen, is niet duidelijk. 
Minstens het eskader van den admiraal, vijf schepen. 



185 

dat de andere schepen hem, als het tot een gevecht kwam, wel 
zouden kunnen inhalen. „Doch wat wast? Den vijand stelde sijn 
cours recht van ons aff en bleef soo aen't voorloopen en worde 
ondertusschen doncker." 



Tholtnf 



Zürütxeé' 



Hl£KtX 




«. „ ^« Lmsta'TïU 

Anmirjgi ^ ^mlm^ "^ SiuTiunent 

III. 3 Februari. 4^ phase. 

Op die duisternis had de vijand gerekend. Hij was ongeveer Vs ™ijl 
van de Aguade verwijderd. Hoe de commandeur ook zijn best deed, 
te zien waar de vijand bleef, hij kwam er niet achter. Want de 
vijand zette zijn vuren niet op, de maan kwam niet te hulp en den 
volgenden dag lagen zijn schepen veilig onder de Aguade. Zij waren 
in de duisternis de blokkadevloot ontkomen. Het was een groote 
teleurstelUng voor den commandeur, die zoo gehoopt had „met den 
dage hem met cracht eenmael tot ons contentement soude connen 
attaqueren." Hij mocht slechts zijn hart luchten met de schampere 
opmerking dat de vijanden „dese nacht schandelyck uytter zee zijn 
geloopen", en zich trachten te troosten met de door eigen oogen 



186 

geziene en door overloopers (vermoedelijk over Wingurla) bevestigde 
schade den Portugees toegebracht, wiens admiraalschip „syn ronthout 
wacker doorboort en 't loopende want heel schadeloos (beschadigd) 
was, neflfens vele dooden." Van zijn eigen verliezen deed de com- 
mandeur geen mededeeling. 

Na dit gevecht moesten de Hollanders lang wachten voor zij weer 
een kans kregen. Wel zeilde Roothaas den P'^° Maart met zijn 
schepen dicht langs de Aguade, drie losse schoten naar zee schietend, 
om den vijand uit te dagen — maar hij kwam niet. Hij was nog 
bezig de geleden schade te herstellen en het groote galjoen „Bon 
Jezus de Carmel" met peper, kaneel en andere waren te laden om 
die over Mozambique naar Portugal te zenden. Zoo werd van de 
vloot uit gezien en van Wingurla vernomen. 

Eerst 28 Maart was de vijand met zijn preparatieven gereed. Op 
dien dag zou de vierde en laatste ontmoeting plaats hebben, 's Morgens 
vroeg kwam de vijand met 8 galjoenen en 13 fregatten met den 
landwind opzetten en begon weer van verre te schieten. De com- 
mandeur met zijn Phenix, Zierikzee en Weesp, het midden-eskader 
vormend, kreeg het eerst een „weynich koelte" uit het z.o. waarvan 
hij gebruik maakte om op den vijand toe te zeilen. Toen hij des 
vijands admiraal op een steenworp afstand was genaderd, werd het 
doodstil, zoodat geen van beide van plaats kon veranderen. Dapper 
en schier „ongelofFelyck werd met musquetten en canon op malcander 
gesargeert ", bij welk eerste treffen het eskader van den commandeur 
24 gewonden kreeg, van wie er den volgenden dag twee stierven. 
Terwijl hij met zijn schepen zoo midden tusschen de vijandelijke 
vloot lag, kwam van het zuiden de schout bij nacht Rins Jansen 
met z'n drie schepen te hulp. Hij had met Vlieland, Workum en 
Goutsbloem twee kanonschoten ten zuiden van Roothaas voor de 
bhare gelegen. Om bij Roothaas te komen moet hij dus van kleine 
plaatselijke zuchtjes bij het opkomen van den zeewind hebben 
gebruik gemaakt. Intusschen deed ook de vice-commandeur van 
Leenen met Tholen, Ter Schelling en Leeuwin twee kanonschoten 
ten noorden van Roothaas voor de bhare gelegen, zijn best om bij 
de vechtenden te komen, wat hem gelukte. Zoo was dan eindelijk 
de geheele vloot met de Portugeezen slaags. Van voren, van ach- 
teren en van beide scheepsboorden werd gedurende eenige uren 
geschoten „zoo veel als lossen en laden conden", met het resultaat 



187 

dat bij vriend en vijand het loopende want en de zeilen aan flarden 
geschoten werden. Zoodra de zeewind begon op te steken, deed de 
Portugees zijn best om naar de bhare terug te wijken. De Hollanders 
trachtten het hem te beletten. Zij hadden het geluk van het galjoen 
St. Thomas de groote mast af te schieten. Deze nam in 't vallen de 
bazaansmast mee, zoodat het schip, ontredderd, niet kon ontkomen. 
Het werd zoodanig onder vuur genomen, dat het in brand raakte 
en in de lucht vloog. Van de bemanning werden 7& door de Neder- 
landers gered. ^) Ook de portugeesche fregatten trachtten de schip- 
breukelingen te hulp te komen „maar soo een deel cogels om haer 
ooren cregen, stelden 't mede aan 't loopen." 

't Gevecht had plaats gehad op ongeveer 3 kanonschoten van de 
kasteelen, waarheen de Portugeezen zich terug trokken. Zelfs met 
de best bezeilde schepen kon Roothaas hen niet inhalen, van afsnijden 
was zelfs geen sprake; in 't zeilen waren de Portugeezen altijd de 
baas. Bovendien werd bij 't achtervolgen het groot marszeil van 
de Phenix, dat al veel geleden had, uit de lijken geslagen. Hij hield 
maar „Vs fock met een heel schadeloos voormarszeyl" over „soodat 
het najagen weynich clem hadde." 

De commandeur moest zich vergenoegen met weer de blokkade- 
positie in te nemen, twee kanonschoten van de kasteelen verwijderd. 
Daar kon hij zijn bekomen schade zooveel mogelijk herstellen. „Siet 
daer", glorieert de overwinnende commandeur, „de conincklycke 
vloot, die scheen d' heele wereld dwingen wilde voor de derde mael ^) 
soo schandich wtter zee geslaegen"; maar hij moet er spijtig bij- 
voegen, erkennend, dat de overwinning toch niet volkomen is: „en 
voorwaer soo wij haer in ruym gehadt hadden, souden sonder twijfel 
de heele vloot geslagen hebben off ten minste geruyneerd." Of hem 
dat inderdaad gelukt zou zijn, is de vraag, want zijn kruit en lood 
waren vrij wel verschoten. Hevig was er van nederlandsche zijde 
met „canon gespeelt." De Phenix alleen had 750 schoten gelost, die 
voor 't gevecht in kardoezen waren gereed gemaakt, en daarna nog 



^) Deze gevangenen berichtten, dat het admiraalschip, voor het er van door ging, 
reeds 40 dooden had, o.a. de kapitein en de „piloot-majoor." J. J. Saar, a. w., p. 134 
spreekt ten onrechte van een rijkgeladen schip, dat in de lucht vloog, en van 300 
gevangenen. 

-) Hij bedoelt de vierde. Ook de Gen. Miss. van 14 Dec. 1658 aoemt maar 3 
ontmoetingen. Waarom die van 3 Febr. overgeslagen wordt? 



188 

omtrent 100 versche schoten. Dat de andere schepen zich ook niet 
onbetuigd gelaten hadden, blijkt uit de geringe hoeveelheid kruit, 
die den volgenden dag nog op de vloot bevonden werd: 4000 'S, ^) 
in sommige schepen maar 6 schoten voor ieder stuk. Daarmede 
hadden de Portugeezen het doel bereikt, dat Roothaas hun toeschrijft. 
De commandeur merkt n.1. in zijn verslag op, dat de vijand in 't begin 
heel heftig schoot, maar „daerna quam het schut seer langsaem te 
boort en bleven de poorten veel toe." En later zegt hij, dat de vijand 
niets anders in 't zin had „als ons met schermutsels van ammonitie 
t' ontblooten." Als dat werkelijk zijn doel geweest is, mag het be- 
vreemden, dat de Portugees niet nog een poging gewaagd heeft om 
met zijn geheele vloot of de minst gehavende schepen een uitval te 
doen, en te trachten de Bon Jezus te doen ontsnappen. Want om 
dat schip uit de bhare naar Mozambique door te krijgen, was de 
uitval gedeeltelijk begonnen. Toen de vijandelijke vloten elkander 
naderden, had het galjoen zijn stengen opgezet. De gevangenen gaven 
ook te kennen, dat het 't plan was geweest het geladen schip, zoodra 
de vechtende vloten een eind in zee zouden zijn bij donkeren nacht 
aan de blokkade te doen ontsnappen. Door de windstilte hadden de 
vechtenden zich niet zoo ver van de kust kunnen verwijderen, dat de 
Bon Jezus met kans op succes de bhare kon verlaten, en daarna 
maakte de zeewind de vlucht geheel onmogelijk. Daarom hadden de 
Portugeezen ook gelijk bij 't opsteken van den zeewind naar de 
kasteelen terug te keeren. Het doel van den uitval was toch niet meer 
te bereiken. Roothaas weet het mislukken van hun plan aan zijn snel 
optreden alleen. Of hij gelijk had? 

Nog gingen er in de volgende dagen geruchten, dat de vijand 
weer een poging tot breking der blokkade zou wagen, maar tevens 
werd vernomen, dat het geladen schip zijn stengen weer af nam, en 
zelfs weer gelost werd. Den 14^° April werden vier van de grootste 
schepen des vijands binnen de bank van Mormogan gehaald en een 
ander de rivier opgebracht tot voor de stad. De overige drie, die 
onder bescherming van de Aguade lagen, werden onttakeld. De 
Portugeezen gaven de pogingen tot doorbraak voor dit seizoen op; 
de taak van Roothaas was afgeloopen. 

Op verzoek van Van der Meyden had hij reeds den 9^^" April de 



*) Gen. Miss. 14 Dec. 1658 spreekt van „14000 "g en naar advenant scherp." 



189 

Leeuwin naar Barcelor gezonden om rijst voor Ceylon te halen en 
op den avond van den 18'° vertrok hij zelf met vier schepen, alle 
militairen, overloopers en gevangenen medenemend, naar Ceylon. ^) 
Van Leenen werd achtergelaten om op den vijand, die nog niet al 
zijn schepen onttakeld of de rivier op gesleept had, te passen. Zoodra 
hij zag, dat de vijand zijn laatste schepen „disarmeerde," moest hij 
den commandeur volgen met Tholen, en Rins Jansen achter laten 
om nog tot 2 of 3 Mei voor de bhare te blijven kruisen. 

Twee dagen na 't vertrek van den commandeur kwamen nog 
30 a 35 fregatten, waaronder 12 oorlogsbodems uit Goa's bhare om 
naar 't noorden te ontkomen. De kruisende jachten dreven hen 
binnen de rivier Chapora. Toen de laatste jachten der vloot ver- 
trokken waren, beproefden zij nog hun reis noordwaarts te vervolgen, 
maar de „contrarie" noordwestenwinden dreven hen terug, zoodat 
zij in de rivier of binnen Goa's bhare werden terug gedreven, ^) 

Roothaas ontmoette voor Cotchin, 26 April, het jacht Ter Veer, 
komend van Ceylon. Hij gaf het bevel tot 8 a 10 Mei voor de stad 
op schepen uit het noorden te kruisen en over Tutucorijn met be- 
velen van Eduard Ooms terug te keeren. In Calecoelan bezocht hij 
het daar reeds jaren resideerende opperhoofd Reinier Serooskercken, 
met wien hij besprekingen hield over een eventueelen aanval op 
't portugeesche Coelan, door de vloot van 't volgende seizoen. Den 
2den f^gj kwam hij met 3 schepen ^) voor Gale. De meegevoerde 
soldaten werden er uit gelicht en dadelijk buitenom ter versterking 
van het belegeringsleger naar JafFanapatnam gezonden. ^) Vier dagen 
later kwam Van Leenen met Tholen voor Gale en den IS'*'" ook 
Rins Jansen met de overige schepen der blokkade-vloot. Roothaas 
was toen reeds met zijn Phenix in gezelschap van de fluit Venenburgh *) 
op weg naar Batavia, voor welke stad hij den 4'^'° Juni 1658 zijn 
rapport aan Gouverneur-Generaal en Raden onderteekende. ^) 

') Volgens zijn order van Van Goens had Roothaas 15 April moeten vertrekken. 

2) Missive van Pietcr van Zantvliet uit Wingurla naar Batavia 4 juli 1658. 

^) Phenix, Zierikzee, Weesp. Terschelhng en Leeuwin kwamen 3 Mei aan. (Gaelse 
Missive van 8 Mei 1658 naar Batavia.) 

*) Vertrokken 10 Mei. (Gaelse Missive van 20 Juni 1658 naar Batavia.) 

^) Roothaas deelt in zijn rapport mee: Soude oock nae de consonante verclaringh 
van vele nautrale personen [de vijand] in alle dese 4 bataljes 700 man verloren 
hebben. Zijn eigen verliezen, toch zeker gemakkelijker te constatecren geeft hij niet 
op. Van Goens in zijn Missive van 6 Juli schat het verlies der Portugeezen voor 
Goa op ± 450. 



190 

170

170 

wat tot 30 September nog in schepen werd aangebracht, zelfs kerk- 
sieraden, misgewaden en alles, wat tot den kerkdienst behoorde, 
meenemen. Alleen de klokken moesten zij achterlaten. 

Met de verovering van Tutucorijn, Manaar, Jaffanapatnam en 
Negapatnam had Van Goens het eerste gedeelte van zijn opdracht 
als veldoverste en admiraal verricht. Dat hij het had kunnen doen, 
zonder door ontzettingspogingen van de Portugeezen gestoord te 
worden, dankte hij voor een deel aan het optreden van Roothaas 
voor Goa. Zien wij in een volgend hoofdstuk, hoe het dien com- 
mandeur en zijn vloot was gegaan sedert het vertrek van den 
superintendent. 



/^/7 1 i-cn-n 



Min ^JiUren. . 



€en Galfoat 



77u) f Schip van boyen üi Iüuul 




Fluiten en een galjoot. 
Uit Witsen, Aloude en hedendaegsche scheepsbouw. (Amsterdam, 1671.) 



HOOFDSTUK VIL 



ADRIAAN ROOTHAAS VOOR GOA. 



In den „breeden raets Vergaderinge" van Donderdag 29 November 
1657, in het schip Ter Goes voor Goa's bhare gehouden, was vast- 
gesteld met welke macht Adriaan Roothaas de Portugeesche haven 
zou bUjven bezetten. 

Het waren 9 schepen, bemand met 1021 koppen ^), gewapend met 



^) Zijn eigen 935 man versterkt met 86 soldaten van Van Goens. (Volgens 't 
Rapport aen den Ed. H^ Joan Maetsuycker, gouV Generl ende de E.E.hfen Raden 
van India, gedaen bij Adriaen Roothaes, command"" over de oflF en defencive vloote 
voor Goa's bhare. Actum Phoenix voor Batavia dezen 4^" Juni 1658, waaraan dit 
hoofdstuk voornamelijk is ontleend.) De missive van Van Goens 6 Juli 1658 spreekt 
van 't achterlaten van 10,000 % buskruit, 115 soldaten en 24 stukken geschut uit zijn 
eigen schepen. 



172 

355 stukken grof geschut. ^) Als admiraalschip fungeerde de Phenix 
met 49 stukken, waaronder de zwaarste, twee „metale france cartou- 
wen," schietende 36 pond. 

Volgens de laatste van de overloopers verkregen berichten kon de 
vijand hier 10 schepen tegenoverstellen met 296 kanonnen. ^) 



^) De geheele macht bestond uit de volgende schepen: 

1 schip Phenix 400 last 49 stukken 

1 jacht Ter Tholen 180 „ 39 

1 „ Ter Schelling .... 260 „ 39 

1 „ Vlielant 200 „ 36 

1 „ Zierickzee 200 „ 36 

1 „ Goutsbloem 270 „ 38 

1 „ Weesp 280 „ 38 

1 „ Worcum 180 „ 34 

1 „ Leeuwin . . . . . . 200 „ 26 

9 schepen. '. ~. \ '. '. ^~. . 2170 last~= 4340 ton 335 stukken 

Ter Tholen had bovendien nog 3 „isere bassen" en voor zijn boot 2 „stecnstuckcn." 

Het kaliber der stukken was als volgt: 

2 van 36 pond 101 van 8 pond 

3 „ 24 „ 98 „ 6 „ Samen 335 stukken, waaronder 
14 „ 18 „ 10 „ 4 „ 25 „metale" en de overige „isere 

100 „ 12 „ 2 „ 3 „ stucken." 

1 „ 10 „ 4 „ 2 „ 

(Res. v. d. Verg. van 29 Nov. 1657 en de Lijsten van de navale macht in India 
van 15 Jan. en 11 Dec. 1658. Vgl. jhr. Mr. J. C. de Jonge: Geschiedenis van het 
Nederl. Zee wezen 1, p. 220 vlgg. over de uitrusting der schepen van de Compagnie 
en p. 270 over de uitrusting der schepen van de admiraliteiten ten tijde van den 
slag bij Duins, waarmede die van Roothaas ongeveer overeenkomen.) 
^) De macht van den vijand bestond uit de volgende schepen: 

St. Sacrament admiraalschip 48 stukken (68) 

St. Anthony d'Esperance vice-adm. . . 40 „ (38) 

Bon Jezu de Videgere 30 „ (60) 

St. Francisco 30 „ (40) 

Bon Jezu de Carmel 30 „ (54) 

St. Thomée 30 „ (36) 

St. Philippe Nova (St. Johan Baptist) . 24 „ (36) 

St. Laurens 24 „ (40) 

St. Maria d'Asika 30 „ (34) 

't Pattache (Nosso S^a de Bemedie) . . 10 „ (26) 

Somma 296^ „ (43^ 

De opgave is overgenomen uit de Res. v. d. Verg. van 29 Nov. De ( ) ge- 
plaatste cijfers en namen zijn uit het rapport van Roothaas. De Gen. Miss. 14 Dec. 
1658 neemt de cijfers van Roothaas over en niet die van de Resolutie. Roothaas 
heeft zijn opgaven ontleend aan „geintercipieerde brieven." 't Is natuurlijk mogelijk, 
dat Roothaas tot zijn meerdere glorie, evenals de Hecren in Batavia, de grootste 
opgaven vermeldt, en ook, dat de Portugeezen de brieven met opzet lieten „interci- 
pieeren " om de Hollanders een groot idee te geven van hun macht, en hun vrees 
in te boezemen. In de vier gevechten, die geleverd zijn hebben de Nederlanders de 




Het schip „De Phenix ". 

Fragment van een schilderij van W. v. d. Velde de J. te Buda-Pest. 



173 

In het midden voor de bhare lag Roothaas met de Phenix, Weesp en 
Zierikzee. De vice-commandeur Adriaan van Leenen sloot den noor- 
delijken uitgang bij 't kasteel Aguade af om in- of uitgaande fregatten te 
keeren. Hij had het bevel over de schepen Tholen, Ter Schelling en 
Leeuwin. In het zuiden tegenover 't kasteel Mormogan hield de schout- 
bij-nacht Rins Jansen de wacht met de Vlieland, Workum enGoutsbloem. 

Zoolang er eenige grond was om te vermoeden, dat de vijand een 
uitval zou wagen, moesten de schepen bij elkaar blijven en mocht er 
zelfs geen naar Wingurla gezonden worden om ververschingen te 
halen. Als er water noodig was, moest het door inlandsch vaartuig 
gehaald worden. 

„Soo den vyant uijtcomt, dat God tot grootmakingh zijns H. naems, 
eere van 't vaderlant, welvaren der Comp^ en 't onser salicheijt ge- 
nadich verleende", moest zooveel mogelijk gehandeld worden naar 
de „Ordre om bij uytcomste van den vyant ('t welck na alle appa- 
rentie 's morgens met de lantwint sal geschieden) te houden enz." 

Zoodra bemerkt werd, dat de vijand dan 's morgens met den land- 
wind aanstalten maakte buiten de bhare te komen, moest de vloot 
de ankers lichten en zich met den meestal noordwest wordenden 
wind zachtjes laten afdrijven, liefst tot bezuiden de Copers eilanden. 
Als het gelukte den vijand zoo buiten en bezuiden de bhare te lokken, 
zou dat een begin van overwinning zijn. Want met den noordwesten 
wind zou de vijand niet gemakkelijk terug naar Goa kunnen ontsnappen. 
Was de vijand zoo een mijl of meer uit de kust gelokt, dan zou de 
geheele vloot verdeeld in de drie bovengenoemde eskaders met volle 
zeilen op den vijand afgaan en zich dwars door hem heen slaan. 
Adriaan Roothaas met de Phenix voorop, gevolgd door zijn twee 
andere schepen, moest recht op den portugeeschen admiraal aansturen 
en hem niet eerder de volle laag geven, voor hij dwars op zijn zijde 
was en zeker hem te raken. Met de kanonnen van de andere zijde kon 
dan onderweg den vijand zooveel mogelijk afbreuk gedaan worden. 



zee behouden. De Portugeezen waren in bezeildheid de meerderen; in zeeraanskunst 
en taktiek zeker niet de minderen. Dan moet de grootere gevechtswaarde van de 
Nederlanders den doorslag gegeven hebben. Deze kan bestaan hebben, zoowel in de 
personen als in de betere bewapening. Daarom is in den tekst de opgave van de 
Resolutie overgenomen. 

Ook volgens J. J. Saar, Fünfzehn Jahrige Kriegs Dienst, p. 133, waren de Neder- 
landers door hun handiger geschut en lichtere schepen in het voordeel: „kunten wir 
Ihnen zweimal die volle Laag geben, ehe sie einmahl." 



174 

Rechts van den commandeur, hem zoo dicht volgende, „als soldaat- 
en zeemanschap lijden mach", zou van Leenen met zijn drie schepen 
op den vice-admiraal los gaan, en Rins Jansen aan bakboord op het 
derde portugeesche eskader. 

Zoodra zij op die wijze door den vijand waren heengeslagen, 
moesten de kanonnen direct weer geladen en de vijandelijke vloot 
van de andere zijde doorgevaren worden, altijd met de gedachte 
hem immer meer zuidwaarts te lokken. 

De plaats van den „geprepareerde brander" was bij den aanval dicht 
achter den commandeur aan lij, om „in 't passeeren van des vijants 
admiraal hem den zelven aen boort te smijten". De bemanning moest 
zich met de „chaloup" op 't commandeurs- of een ander schip 
zien te redden. 

Mocht de commandeur komen te vallen, dan moest de kapitein 
van de Phenix, Cornelis Stemper „daerom niet swichten, maer de 
vlagge in behoorlijcke postuer als voorheen laten waijen" en zoo ook 
bij verder sneuvelen van de scheepsofficieren, ieder op zijn beurt, tot 
den minsten officier toe. Zijn plicht getrouw vervuld hebbende zou 
deze dan, „zoo hij capabel" was, 't schip de Phenix ook als schipper 
verder commandeeren. 't Zelfde gold voor de schepen van de andere 
vlagofficieren : geen verandering in de vlaggen, opdat „den vyant 
door alteratie der vlaggen den moet niet mocht comen te wassen". 
Ieder overblijvend officier, die zich na 't sneuvelen zijner meerderen 
wel van zijn taak kweet, zou niet alleen als schipper zijn vaartuig 
verder commandeeren, maar wegens manhaftig gedrag nog met een 
jaar gage beloond worden. ^) 

De vijand was van plan een kostelijk geladen schip naar Portugal 
af te zenden. Natuurlijk zou het bij een uitval de bedoeling zijn, dat 
jacht door de blokkade-vloot heen te brengen. Den commandeur werd 
op het hart gedrukt er wel op te letten, „dat ons de sucht tot den 
buijt niet van de victorie en diverteert." Eerst wanneer van de 
Phenix een afgesproken teeken gegeven werd, zou een aangewezen 
jacht uit de vloot het „prijsken" najagen. Mocht een ander het wagen, 
hem wachtte „ly f straffe en arbitrale correctie." Want hoewel tot 



^) De kapiteins waren : op Weesp, jacop Lippens ; op Zierikzee, Daniel de Vries ; 
op Tholen, Adriaan van Leenen; op Ter Schelling, Daniel de Looper van Middel- 
burg; op de Leeuwin, Jan Lucasz Meeuwen; op Vlieland, Rins Janssen van Amster- 
dam; op Workum, Reinier Reiniersen en op Goutsbloem, Jan Compas. 



175 

reparatie van „'s Comp.^ oncosten den buyt wel comen soude, de 
eere van de victorie moet voorgaen." 

Deze order met de beraamde seinen werd aan alle schippers en 
stuurlieden ter hand gesteld en hun bevolen, die „dickmael door te 
lezen, ja van buijten te leeren" opdat zij bij een plotselingen overval 
te beter op de hoogte van hun plicht zouden zijn. ^) 

Na 't vertrek van Van Goens (9 Dec.) werd Roothaas dagelijks 
bericht, dat de vijand, die behalve zijn groote gewapende schepen 
nog 18 a 20 fregatten zeilree had, van plan was tusschen Kerstmis 
en Nieuwjaar een uitval te wagen. Omdat hij dus iederen dag te 
verwachten was, en opdat hij niet bij zeewind te veel voordeel van 
de kasteelen zou hebben, het Roothaas zijn schepen 1 a IV4 mijl 
buiten de kasteelen in zee zeilen. 

Van die verwijdering van de Nederlandsche vloot van de kust, 
maakte dadelijk een vloot van 18 a 20 moorsche vaartuigen gebruik 
om tusschen de Copers eilanden door dicht langs den wal bij don- 
keren nacht naar Goa door te sluipen. De blokkade-vloot kon het 
niet verhinderen, daar het met zware schepen gevaarlijk was bij 
donkere maan de kust te naderen en het bij den te verwachten 
uitval van den vijand geraden was, geen schepen af te zenden, maar 
zich altijd „by den anderen in postuer te houden." 

Uit Wingurla en van andere zijde kwamen berichten in over een vloot 
van 3 groote schepen met 25 stukken en 20 oorlogsfregatten, die 
uit het noorden de macht binnen Goa zouden komen versterken. 
Op die hulp zou alleen het wachten der Portugeezen zijn. Met zijn 
meeste schepen ging Roothaas op dat bericht kruisen ten noorden 
van de Aguade, den zuidelijken uitgang van de bhare maar matig 
bezet houdend. Daarbij had hij een stille hoop, dat de geringe be- 
waking, den vijand uit zijn hol zou lokken en hem de gelegenheid 
geven hem tusschen twee vuren te nemen. Er kwam niets van. Alle 
berichten, ook die van een aanstaanden uitval, van Wingurla uit 
voortdurend bevestigd, bleken leugens te zijn, opzettelijk te Goa 
verspreid, om de Nederlanders in onrust te houden. 

Den 13^^^° Januari scheen het tot een strijd te zullen komen. Alle 
tien portugeesche schepen en de fregatten heschen hun zeilen, kwamen 
naar buiten — maar lieten onder bescherming van 't geschut der 



^) Deze order werd vastgesteld bij Resolutie van de Verg. van 29 Nov. 1657. 



176 

kasteelen hun ankers vallen. Weer moest er met verlangen ge- 
wacht worden. 

De volgende dagen was er van uitkomen geen sprake. Een hevige 
storm teisterde beide vloten. De Nederlanders verloren ankers, sloepen 
booten en ook de geprepareerde brander ging verloren. ^) 

Eindelijk 20 Januari 's morgens met den dageraad, daar kwamen 
de tien schepen van den vijand vergezeld door 13 a 14 fregatten 
uit de bhare de zee inzeilen. Een groot aantal kleinere vaartuigen 
bezette ten noorden van de Aguade de kust tusschen Barder en de 
rivier Chapora. Roothaas met zijn schepen een kleine mijl ten westen 
van de Aguade gelegen. Het de ankers lichten, vermoedelijk om 
volgens zijn order den vijand meer zeewaarts te lokken. Zonder 
succes. Het werd blakstil, zoodat de vloten op 2 kanonschoten afstand 
van elkaar zonder eenig stuur over de schepen heen en weer bleven 
drijven. Tegen den middag stak de zeewind op en dadelijk stelden 
de Nederlanders hun koers vlak op den Portugees aan, die toen 
ongeveer Va a V4 ™ijl buiten den wal lag. De admiraal van den 
vijand wachtte den aanval niet af, maar week voor den wind, vóór 
de nederlandsche vloot langs terug naar de beschermende kanonnen 
van de Aguade. Te dicht durfde Roothaas niet naderen. Op 9 
vadem diepte gekomen, loefde hij op om in ruime zee te blijven. 
Nu vatten de Portugeezen moed en begonnen van een „onge- 
lofelijke veerte" te schieten. Een matroos op de Phenix werd 
van de groote ra naar beneden en de groote stag (die groote en 
fokkemast verbindt) stuk geschoten. Tegen den avond draaide de 
wind noordelijker en zeilde Roothaas met klein zeil recht uit den 
wal zee in. De Portugeezen hem achterna. Des vijands admiraal, 
meenende, dat de Nederlanders er van door gingen, werd overmoedig, 



^) Het scheepje was van de beide benjaansche kooplieden van Wingurla, Nar- 
sanna en Kitsanna Wey, overgenomen voor 8 a 900 pagoden (1 pagood = ƒ4). 
Daarvan heeft later het opperhoofd in Wingurla Pieter v. Santvliet hun 200 pagoden 
betaald en het overige gekort op hun schuld (zie boven p. 104), wat, zeggen Gouv.- 
Gen. en Raden zeer terecht, met die 200 pagoden ook had moeten geschieden. „Het 
blyckt, dat ons volck in dergelycke zaken doorgaans te veel verkeerde barmherticheijt 
toepassen, sonder te dencken aen het ongelijck, dat sij daermede de participanten van 
d'Ed. Compe aendoen." (Gen. Miss. 14 Dec. 1658.) De incorrecte handelwijze van 
Van Santvliet door Gouv.-Gen. en R. vergoelijkt door te wijzen op de barmhartigheid is 
kostelijk! In Batavia wisten zij toch ook wel, dat zulke incorrecte handelwijzen het 
opperhoofd geen windeieren legden. En of de Heercn Zeventien aan de barmhartig- 
heid geloofden? 



177 

zette alle zeilen bij en deed een schot met los kruit, wat zeggen 
wilde : gaat er niet vandoor. ^) Dat was voor Roothaas te veel. Hij 
was ongeveer 1 Va niijl uit d^n wal, de zon was aan 't ondergaan, 
maar „hoewel de nachtgevechten dangereus sijn en weijnich ge- 
practiseert", hij „kon die trots van ons soo te tergen niet verdragen." 
Dus wendde hij den steven en kwam recht op den vijand aan. Nu 
zocht die Portugees, die zoo „den ronquedoon gemaeckt hadde" 
buiten schot te blijven. Hij liep bij den wind noordwaarts boven 
Roothaas op, zoodat deze hem met zijn kanon niet bereiken kon. 
Maar de volgende schepen onder den vice-admiraal, die geen ge- 
legenheid hadden hun admiraal zoo snel te volgen, misschien ook 
minder bezeild waren, kwamen met de Nederlanders in aanraking. 



S^ S&creunaiff 



^ ^^^^ 




I y Nederlandsch, 



Portugeesch 



I. 20/21 Januari. He phase. 2) 

De St. Anthony van den vice-admiraal passeerde de Phenix van 
Roothaas zoo dicht aan stuurboord, dat de trompen van de stukken 
elkaar bijna raakten. Tegelijkertijd bevond zich aan bakboord een 
ander groot galjoen. De drie schepen brandden bij 't passeeren 
tegelijk hun stukken los, En zoo ging de geheele hollandsche vloot, 



^) .... begon haren admirael den ronquedoon te maeken, smeet alle sijn seijlen 
bij en maekte den jager en schoot met loos cruyt van ons dat soo veel 't zeggen was 
als loopt niet. " 

-) De tusschen den tekst geplaatste figuren pretendeeren niet een volkomen juiste 
voorstelling van de manoeuvres te geven. Daartoe ontbreken in het rapport van 
Roothaas de gegevens, vooral wat betreft de windrichting en het aantal schepen, dat 
aan de gevechten heeft deelgenomen. Zij bedoelen slechts de beschreven bewegingen, 
door de schepen uitgevoerd, duidelijk voor te stellen. 

AALBERS, O.-I. Compagnie. 12 



178 

die achter Roothaas aankwam dwars door den vijand, die zijn admi- 
raal volgde, „en soo wacker door de pieken" moest „dansen." 

Nadat de vice-admiraal de Phenix zoo dicht aan stuurboord ge- 
passeerd was, kwam hij voorbij de vlak op de Phenix volgende 
Zierikzee, die hij met zijn boeg hevig aan de gallerij (die zich aan 
den spiegel bevindt) beschadigde, met zijn boegspriet de vlag van 
achter weg nam en aan welks achterschip hij zich met z'n enterdreg 
vasthechtte. Echter brak de enterketting, zoodat de dreg aan de 
Zierikzee bleef hangen en 't schip losraakte. Maar nu was Weesp, 
het derde schip van Roothaas' eskader bij de hand en klampte de 
St. Anthony met enterhaken aan boord. Tusschen beide schepen 
ontspon zich, voor zij van elkaar raakten een hevig gevecht. 



S^ Sacrament 

Admiraal 



■^^ r>^ Tholen. 




l^temst 



I. 20/21 Januari. 2^ phase. 

Zoo was de vloot éénmaal met „wacker treffen (dat in de doncker- 
heijt des nachts een wonderlijcke vertooninge gaff)", door den vijand 
heengeslagen, 't Geschut werd opnieuw geladen, de schepen gewend 
en weer op den vijand losgezeild, die ten tweede male in een ge- 
lijksoortig treffen zou worden doorgevaren. Maar drie van de neder- 
landsche schepen, Goutsbloem van het derde. Leeuwin van het 
tweede en Weesp van het eerste eskader raakten vermoedelijk bij 



179 

het door den wind gaan, in de duisternis geen vijandelijke van eigen 
schepen onderscheidende, aan elkander en brachten met kanonschoten 
elkaar wederkeerig schade toe. 't Galjoen (voorste deel van het schip, 
onder de boegspriet) van Weesp, werd door de Leeuwin stuk ge- 
varen. En de vijand? Die was er al van door naar zijn kasteelen. 

Yiee-edm .mrr m»^ l'w'M^ nooT de TcosteeUn. 



Fhe/dx 

ZunkxAe 



&1X 

Goudsbloem 



I. 20/21 januari. 3^ phasc. 

Daar werden zijn schepen den volgenden morgen bij zonsopgang 
door Roothaas en de zijnen ontdekt. Wel mocht de commandeur 
zeggen, dat de nachtgevechten „dangereus" waren en hij had er bij 
kunnen voegen niet alleen „weijnich gepractiseert", maar voor hem 
ook weinig praktisch. 

De verliezen op de vloot bedroegen 6 dooden en 14 a 15 ge- 
wonden. De vijand zou volgens geruchten „maer" 1 1 dooden en 
ongeveer 70 gekwetsten hebben gekregen. Waarom die getallen voor 
de vijanden met „maer" moeten worden ingeleid? Vermoedelijk alleen 
omdat de opgaven van de gedoode vijanden altijd veel hooger zijn 
dan die van het eigen volk. 

Eenige dagen later moest de commandeur het weer tot zijn spijt 
aanzien, dat met den landwind nu van het noorden 15 fregatten, dicht 
langs de kust houdend, Goa's bhare binnen zeilden. Bij gebrek aan 
klein vaartuig kon hij het niet beletten. 

Den 27=**° Januari werd de vechtlustige vlootvoogd nogmaals teleur- 



180 

220

220 4. De hoogc officieren als is den gouverneur, cap* moors, Viadoor de Fazendo tot cappiteijnen in cluijs, sullen met haer teijckens u...

CATATAN POPULAR